deel 1 (nacht 1 t/m 100)

هزارویک شب

1001-Nacht

الف لیلة و لیلة

De 1e Nacht begon Sjahrzad met de volgende vertelling: 

Geschiedenis van de koopman en de geest 

Sjahrzad vertelde: “Majesteit, er werd mij eens een verhaal verteld: Er was een koopman die heel rijk was en zaken deed in vele landen. Op zekere dag besteeg hij zijn paard en reed naar de bestemmingen, waar hij zaken moest doen. Omdat het te heet was, stopte hij onder een boom in een oase om even te pauzeren. Hij haalde brood en dadels uit zijn broodtrommel.

Nadat hij zijn brood en dadels had opgegeten, gooide hij de pitten weg. Plotseling verscheen er een geest die, zwaaiend met zijn zwaard, op hem afkwam. Dreigend schreeuwde de geest: ‘Sta op, ik dood je, omdat je mijn kind hebt vermoord!’ De koopman vroeg: ‘Hoe kan ik uw kind hebben vermoord?’ De geest antwoordde: ‘Nadat je de dadels had opgegeten, gooide je de pitten weg. Die pitten troffen mijn zoon recht in de borst en hij stierf ter plekke.’ De koopman sprak wanhopig: ‘Weet u, grote geest, ik ben een gelovig man. Ik zou u niet kunnen bedriegen. Ik ben een rijke man. Ik heb een vrouw en kinderen. Heel veel mensen vertrouwen hun goederen aan mij toe. Sta mij alstublieft toe om naar huis te gaan, mijn zaken te regelen en afscheid te nemen van mijn vrouw en kinderen. Ik beloof u dat ik naar u terugkom. Dan kunt u met me doen wat u wilt!’ De geest geloofde de koopman en liet hem gaan. De koopman ging terug naar zijn woonplaats en regelde al zijn zaken. Toen hij aan zijn vrouw en kinderen had verteld wat hem was overkomen, begonnen ze allemaal te huilen.

Nadat ze bedaard waren, maakte de koopman zijn testament en bleef tot het eind van het jaar bij zijn familie. Daarna besloot hij te vertrekken. Hij stopte zijn lijkwade onder de arm en nam afscheid van zijn familie en vrienden. Hij vertrok met een brok in zijn keel en met verdriet in zijn hart. Zijn gezin nam hem dit kwalijk. Al zijn gezinsleden slaakten kreten van smart.

De koopman ging op reis en kwam op de eerste lentedag van het nieuwe jaar aan in de oase waar hij de geest ontmoet had. Terwijl hij zat te huilen over zijn lot, verscheen er een grijsaard. Hij had een gazelle aan een koord bij zich. Hij groette de koopman, wenste hem een gelukkig leven en zei: ‘Wat is de reden, dat u hier alleen bent op de plaats die vaak door geesten wordt bezocht?’ De koopman vertelde hem wat er gebeurd was en wat hij met de geest had afgesproken. De grijsaard was erg verbaasd. Hij ging naast de koopman zitten en sprak tot hem: ‘Ik blijf bij u om te zien wat er allemaal tussen u en de geest gaat gebeuren,’ en hij bleef bij de koopman. De grijsaard praatte met hem en merkte hoe de koopman verteerd werd door angst. Nadat de eigenaar van de gazelle en de koopman een tijd zo hadden gezeten, kwam er plotseling nog een tweede grijsaard aan. Deze oude man had twee hazewindhonden bij zich. Hij vroeg de grijsaard en de koopman naar de reden van hun aanwezigheid op deze plek, waar vaak geesten kwamen. Terwijl hij dit vroeg, ging hij naast de twee mannen zitten. De grijsaard met de gazelle en de koopman vertelden hem de geschiedenis. Ze waren echter nog maar net uitgesproken of er kwam een derde grijsaard aan. Hij hield een grijze ezelin aan haar leidsel vast. Deze grijsaard wenste hen vrede en vroeg waarom ze daar zaten. De mannen vertelden hem wat er gebeurd was. Ondertussen verhief zich een wervelwolk van stof. Een razende en tierende stormwind naderde hen met kracht.

Toen de stofwolk zich had verspreid, kwam de geest tevoorschijn. Hij hield een vlijmscherp geslepen zwaard in de hand en vonken sprongen uit zijn ogen. Hij kwam op hen af, greep de koopman, die tussen de grijsaards zat, en zei tegen hem: ‘Ik vermoord je, omdat je mijn kind hebt vermoord!’ De koopman begon te huilen en de drie grijsaards huilden mee. De Eerste Grijsaard, de eigenaar van de gazelle, vatte echter moed. Hij kuste de hand van de geest en zei: ‘Ach geest, als u mij toestaat, zal ik u mijn geschiedenis met deze gazelle vertellen. Als u tevreden bent over mijn verhaal, vraag ik u als beloning een derde deel van uw genade voor deze koopman!’ De geest zei: ‘Zeker, eerbiedwaardige grijsaard. Als jij mij je geschiedenis vertelt en ik vind deze buitengewoon, dan verleen ik deze koopman genade voor een derde deel.’ 

Verhaal van de Eerste Grijsaard 

De Eerste Grijsaard sprak: ‘Weet u, grote geest, deze gazelle is de dochter van mijn oom, dus mijn nicht. Ik trouwde met haar toen zij nog jong was. Bijna dertig jaar waren we samen, maar God schonk ons geen kinderen. Daarom nam ik een tweede vrouw, die mij wel een zoon schonk. Toen mijn zoon vijftien was, moest ik voor een belangrijke zaak naar een stad hier ver vandaan. Nadat ik was weggegaan, betoverde mijn eerste vrouw mijn zoon en zijn moeder. Mijn eerste vrouw, deze gazelle hier, was van kinds af aan ingewijd in de hekserij en in de kunst van betoveringen. Mijn eerste vrouw had kennis van de toverkunst. Zij betoverde mijn zoon in een kalf en zijn moeder, mijn tweede vrouw, in een koe. Zij gaf deze koe en haar kalf mee aan onze veeherder. Zodra ik na een paar maanden weer thuiskwam, vroeg ik naar mijn zoon en zijn moeder. Mijn eerste vrouw vertelde dat mijn tweede vrouw dood was en mijn zoon gevlucht. Zij zei dat zij niet wist waar hij naartoe was gegaan! Na één jaar van rouwen was het offerfeest. Ik zei tegen de herder dat hij een goede en vette koe voor mij moest uitkiezen. Hij bracht mij een zeer vette koe. Deze koe was eigenlijk mijn tweede vrouw die door deze gazelle was betoverd, maar dat wist ik toen niet. Ik sloeg de mouwen van mijn jas om, nam het mes in de hand en maakte mij gereed om de koe te offeren.

Plotseling begon de koe te kermen en te huilen. Ik stopte en gaf de herder het bevel om de koe te offeren. Hij slachtte de koe en stroopte de huid er af. Maar er zat helemaal geen vlees en vet aan de koe, alleen maar huid en botten. Het speet mij erg dat ik de koe geofferd had en zei tegen de herder: ‘Breng mij maar een goed en vet kalf.’ Hij bracht mij een kalf. Dit was eigenlijk mijn zoon die in een kalf was omgetoverd. Zodra het kalf mij zag, trok hij het touw stuk en kwam naar mij toe. Hij ging aan mijn voeten liggen rollen en begon te huilen!

Ik had medelijden met het dier en vroeg de herder: ‘Haal mij een koe en breng dit kalf weer terug!” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Haar zusje Donyazad sprak tot haar: “Ach Sjahrzad, door jouw verhaal vergeet ik helemaal dat dit ons afscheid moet zijn.” Sjahrzad zei: “Wat jullie van mij gehoord hebben, is nog niets in vergelijking met wat ik jullie nog wilde vertellen. Maar ja.” De koning dacht bij zichzelf: Ik laat haar morgen vermoorden. Eerst wil ik het vervolg van haar verhaal horen. Daarom sprak hij tot Sjahrzad: “Vanavond vertel je ons wat er verder gebeurde. Je zusje mag hier bij je blijven.” Daarop ging de koning naar de gerechtszaal om rechtszaken te leiden. Hij zag zijn minister aankomen. De minister had een lijkwade bij zich die bestemd was voor zijn oudste dochter. Hij dacht namelijk dat hij het lijk van zijn dochter moest komen halen. De koning sprak met geen woord over Sjahrzad. Hij ging door met zijn werk tot het weer avond was. De minister begreep er niets van. 

Nadat koning Sjahriar de rechtszitting had beëindigd, keerde hij naar zijn paleis terug. 

Maar toen de 2e Nacht was aangebroken, sprak Donyazad tot haar zus: “Lieve Sjahrzad, vertel het verhaal van de koopman en de geest asjeblieft verder!” Sjahrzad zei: “Graag, lieve zus, mits de koning het mij toestaat.” De koning zei: “Je mag verder vertellen!” Sjahrzad ging verder met haar verhaal: “Zoals ik de vorige nacht vertelde, had de koopman medelijden met het dier en vroeg de herder naar een koe. Hij moest het kalf weer terugbrengen naar de andere dieren.” De geest verbaasde zich erg over deze wonderbaarlijke geschiedenis. Toen vertelde de Eerste Grijsaard, de eigenaar van de gazelle, verder: ‘De dochter van mijn oom, deze gazelle hier dus, was daarbij aanwezig, zij keek toe en zei: ‘Wij moeten dit kalf alsnog offeren, want het is vet genoeg!’ Maar ik kon een huilend kalf niet laten slachten. Ik gaf de herder bevel het dier weer mee te nemen. De volgende dag kwam de herder naar mij toe en zei: ‘Beste koopman, ik moet u iets vertellen wat u gelukkig zal maken en waarvoor u mij fors zult belonen.’ Ik zei: ‘Vertel het me maar, herder.’ De herder vertelde: ‘Ik heb een dochter die tovenares is. Ze heeft de toverkunst geleerd van een oude vrouw die bij ons woonde. Gisteren, toen u mij het kalf weer teruggaf, ging ik met het dier naar mijn dochter. Zodra ze het kalf zag, bedekte ze haar gezicht en begon te huilen, maar tegelijk te lachen. Mijn dochter zei tegen mij: ‘Ben ik, beste vader, in uw ogen zo weinig waard dat u een vreemde man mijn huis laat binnenkomen?’ Ik vroeg verbijsterd: ‘Waar heb je het over, welke vreemde man? Waarom huil je en lach je tegelijk?’ Ze vertelde mij toen: ‘Dit kalf, dat je hebt meegenomen, is eigenlijk de zoon van de baas, de koopman. Hij is betoverd. Het was zijn stiefmoeder, de nicht van de koopman, die hem betoverde. Zij heeft ook de tweede vrouw van de koopman, de moeder van deze jongen, in een koe omgetoverd. Ik moest lachen omdat hij het uiterlijk van een kalf heeft, maar tegelijk moest ik huilen, omdat de moeder van het kalf is geslacht door de vader.’ Bij het horen van deze woorden van mijn dochter was ik zeer verrast. Ik kon bijna niet wachten tot zonsopgang, om dit aan u te komen vertellen.’

Toen ik, machtige geest, de woorden van de herder gehoord had, ging ik direct met hem mee. Ik was blij en gelukkig dat ik mijn zoon weer terug zou zien. Zodra ik bij het huis van de herder aankwam, heette zijn dochter mij welkom. Ze kuste mijn hand uit eerbied. Het kalf kwam naar mij toe en wentelde zich aan mijn voeten. Ik vroeg aan het meisje: ‘Is het waar wat je over dit kalf hebt verteld?’ ‘Jazeker, waardige koopman. Dit kalf is uw betoverde zoon,’ antwoordde ze. Ik sprak tot de dochter van de herder: ‘Als je mijn zoon bevrijdt van zijn betovering, geef ik je alles wat je aan mij vraagt. Van mijn vee en alle andere eigendommen die onder de hoede van je vader zijn, krijg je wat je maar wilt.’ Ze lachte bij het horen van mijn woorden en zei: ‘Ik zal uw zoon bevrijden op twee voorwaarden.’ Ik vroeg: ‘Welke voorwaarden?’ Zij zei: ‘De eerste voorwaarde is: Ik trouw met uw zoon! De tweede voorwaarde is: Als ik iemand wil betoveren en gevangen wil houden, dan moet u mij niet tegenhouden. Zonder deze voorwaarden, kan ik de slechtheid van uw eerste vrouw niet bestrijden.’ Nadat ik, ach machtige geest, de woorden van de dochter van de herder gehoord had, zei ik tegen haar: ‘Dat is goed. Mijn belofte over mijn rijkdommen, die zich onder de hoede van je vader bevinden, geldt nog steeds. Wat mijn eerste vrouw, de dochter van mijn oom, betreft, je mag met haar doen wat je maar wilt!’ Nadat zij mijn woorden had gehoord, pakte zij een klein koperen bekken. Zij vulde het met water en sprak daar een toverspreuk over uit. Daarna besprenkelde zij het kalf met het water en murmelde: ‘Indien God je als kalf geschapen heeft, blijf dan een kalf! Als je betoverd bent, keer dan terug tot je ware gedaante!’

Na deze woorden begon het kalf zich heftig schuddend te bewegen. Het werd weer een jongen, het werd mijn zoon. Ik vloog op mijn zoon af en omhelsde hem. Ik sprak tot hem, in tranen van blijdschap: ‘Vertel mij, wat je stiefmoeder, de dochter van mijn oom, met jou en met je moeder heeft gedaan!’ De jongen vertelde het hele verhaal. Daarna, goede geest, vroeg ik de hand van de dochter van de herder voor mijn zoon en zij trouwden. Mijn schoondochter betoverde mijn eerste vrouw, de dochter van mijn oom, in de gazelle die u hier ziet.

Toen ik hier langs kwam, zag ik deze koopman zitten. Ik vroeg hem wat hij hier deed. Hij vertelde mij wat hem overkomen was. Ik ging naast hem zitten om te zien wat er zou gebeuren. Dit is dus mijn geschiedenis.’ Hierop riep de geest uit: ‘Deze geschiedenis is inderdaad zeer verbazingwekkend. Ik verleen je dus genade voor het derde deel van het geëiste bloed.’ 

Op dit ogenblik trad de Tweede Grijsaard, de eigenaar van de twee hazewindhonden, naar voren en zei: 

Verhaal van de Tweede Grijsaard 

‘Weet u, machtige geest, deze twee honden zijn mijn broers. Toen onze vader stierf, liet hij ons een erfenis van drieduizend dinar na. Ik opende met mijn erfdeel een winkel. Eén van mijn broers ging op reis voor zaken en hij bleef een jaar weg. Toen hij terugkwam, bezat hij helemaal niets meer. Ik zei tegen hem: ‘Broer, ik had je toch aangeraden om niet op reis te gaan?’ Hij zei huilend: ‘Broer, je woorden kunnen mij niet meer helpen, want ik bezit nu niets meer.’ Ik nam hem na ons gesprek mee naar de winkel. Daar pakten wij onze spullen en gingen naar het badhuis, waar ik hem een prachtig pak schonk. Daarna gingen we eten en tijdens het eten zei ik tegen hem: ‘Broer, ik zal de winst van mijn winkel van dit jaar berekenen en deze tussen jou en mij verdelen.’ In mijn winkel gekomen, deed ik de boekhouding. Het saldo van de jaarwinst was duizend dinar. Ik gaf mijn broer de helft daarvan. Mijn beide broers en ik maakten goede tijden mee. Dit duurde echter niet lang, want na een poos namen mijn broers opnieuw het besluit om te vertrekken. Zij wilden dat ik met hen meeging. Ik ging echter niet op hun voorstel in en zei tegen hen: ‘Vertel iets verleidelijks van jullie eerdere reis, zodat ik een reden zie om met jullie mee te reizen.’ Zij maakten mij echter allerlei verwijten, maar tevergeefs. Ik ging niet met hen mee en zo bleven wij alle drie in onze winkel. Na enige tijd begonnen zij opnieuw over de reis. Ze drongen aan. Steeds weigerde ik. Dit ging jaren zo door, totdat ik zwichtte. Ik stemde ermee in om samen met hen te vertrekken. Voordat wij vertrokken, sprak ik tot hen: ‘Broers, laat ons het geld tellen dat wij bezitten.’ Wij telden ons geld en het bleek dat we alles bij elkaar zesduizend dinar hadden.

Ik stelde hen voor: ‘Laten we de helft van ons geld in de grond begraven, zodat wij het kunnen gebruiken in geval van nood. We nemen dan ieder duizend dinar mee om zaken mee te doen.’ Zij antwoordden: ‘Dat is een goed idee van jou!’ Hierop nam ik het geld en verdeelde het in twee gelijke delen. Drieduizend dinar begroef ik in de grond en de rest verdeelde ik tussen ons drieën. Wij kochten allerlei koopwaar, huurden een schip, brachten de goederen aan boord en vertrokken. Na een maand varen kwamen we aan in een haven, namen onze koopwaar mee en gingen de stad in om de koopwaar te verkopen. Zodra alles was verkocht, telden wij de winst uit. Op elke dinar hadden we tien dinar winst gemaakt. Daarna verlieten we de stad richting zee. Bij de zee aangekomen, troffen wij een vrouw aan in oude, versleten kleding. Zij kwam naar mij toe, kuste mijn hand uit eerbied en zei: ‘Beste koopman, wilt u mij alstublieft helpen? Ik zal u daar op mijn beurt voor belonen!’ Ik zei tegen haar: ‘Jazeker, ik wil je wel helpen, maar je moet je niet verplicht voelen mij daarvoor te belonen.’ Zij zei: ‘Trouw dan met mij, beste man, en neem mij mee naar je land. Help me, ik schaam me niet voor mijn armoede.’ Bij het horen van deze woorden kreeg ik medelijden met haar, ging op haar voorstel in en gaf haar nieuwe kleding. Na de huwelijksvoltrekking nam ik haar mee naar mijn schip om te vertrekken. Ze bleef dag en nacht bij me en ik begon veel van haar te houden. Mijn beide broers waren erg jaloers op mij, ze benijdden me om deze vrouw en ook om mijn rijkdommen. Ze besloten mij en mijn vrouw te doden en mijn geld te stelen.

Toen wij op een nacht sliepen, drongen mijn broers onze kamer binnen. Ze pakten mij en mijn vrouw en gooiden ons in zee. Mijn echtgenote werd wakker in het water. Daar veranderde ze eensklaps in een geest en nam mij op haar schouders mee naar een eiland. Ze zette mij daar neer, verdween en kwam pas tegen de morgen weer terug. Zij vroeg mij: ‘Herken je mij niet? Ik ben je vrouw. Ik heb je van de dood gered en op mijn schouders hiernaartoe gebracht. Weet je, ik ben een goede geest. Op het moment dat ik je zag, hield ik van je. Ik ontmoette je in mijn armoede en toch trouwde je met mij. Nu heb ik jou op mijn beurt gered van de verdrinkingsdood. Wat je broers betreft: Ik ben woedend op hen, ik zal ze doden!’ Bij het horen van deze woorden, schrok ik. Ik bedankte haar voor mijn redding en zei tegen haar: ‘Wat mijn broers betreft, je mag ze niet vermoorden!’ Ik vertelde haar het levensverhaal van mij en mijn broers. Nadat zij mijn verhaal gehoord had, zei zij: ‘Deze nacht zal ik alsnog naar hen toe vliegen. Ik zal hun schip laten zinken en zij zullen verdrinken!’ Ik smeekte haar: ‘Alsjeblieft, doe het niet, het zijn toch mijn broers!’ ‘Nee, ik moet hen doden,’ antwoordde zij. Tevergeefs trachtte ik haar alsnog te vermurwen.

Toen nam ze mij op haar schouders en vloog weg. Na enige tijd zette ze mij neer op het dakterras van mijn huis. Nadat ik iedereen had begroet, kocht ik nieuwe koopwaar in en opende de winkel. Bij het aanbreken van de nacht sloot ik mijn winkel en ging naar mijn huis. Daar aangekomen, trof ik deze twee honden, vastgebonden in een hoek. Zodra ze mij zagen, sprongen ze tegen me op en begonnen te janken. Plotseling kwam mijn vrouw eraan en zei tegen mij: ‘Dat zijn je broers!’ Ik vroeg aan haar: ‘Maar wie heeft hen dan betoverd?’ Zij antwoordde: ‘Ik vroeg mijn zus om hen te betoveren. Zíj heeft het gedaan en nu moeten ze tien jaar lang zo rondlopen.’ O, machtige geest, zodoende kwam ik langs deze plaats. De tien jaren zijn nu voorbij. Ik was op weg naar mijn schoonzus om haar te vragen mijn broers terug te toveren.

Toen ik hier aankwam, zag ik deze koopman. Hij vertelde zijn verhaal en ik wilde niet verder gaan voordat ik gezien had wat er tussen u en hem zou gebeuren. Dit is dus mijn geschiedenis!’ De geest zei: ‘Dit is inderdaad een verbazingwekkend verhaal, dus verleen ik ook u genade voor een derde deel van het bloed, dat ik ter vergelding van de misdaad had geëist.’ De geest was nog niet klaar met zijn woorden, of de Derde Grijsaard, de eigenaar van de muilezel, stapte naar voren en sprak tot de geest: ‘Ik zal u een geschiedenis vertellen die nog wonderbaarlijker is dan die van deze beide mannen. Maar ik verzoek u mij genade te verlenen voor de rest van het bloed dat u ter vergelding van de misdaad hebt geëist.’

De geest verklaarde: ‘Akkoord!’ De Derde Grijsaard sprak: 

Verhaal van de Derde Grijsaard 

‘Grote geest, deze muilezel is mijn echtgenote. Na een reis van ongeveer een jaar kwam ik midden in de nacht thuis en vond mijn vrouw in bed met een slaaf. Zodra ze mij zag, sprong ze van het bed en kwam ze met een kruik water op me af. Zij sprak enige woorden in de opening van de kruik en daarna besprenkelde ze mij met het water. Daarop riep ze: ‘Ik verander je in een hond,’ en een hond was ik! Daarna zette ze mij het huis uit. Ik zwierf op straat tot ik bij de winkel van een slager kwam. Ik sloop dichterbij en at van de botten. De eigenaar van de winkel zag mij, pakte mij op en nam mij mee naar zijn woning. In het huis van de slager aangekomen, bedekte zijn dochter haar gezicht en zei tegen haar vader: ‘Vader, waarom neemt u een vreemde man mee naar binnen!’ De slager vroeg: ‘Maar waar is die man dan?’ Zij sprak: ‘Deze hond is een man. Een vrouw heeft hem betoverd, maar ik kan hem wel terugtoveren in zijn eerste gedaante.’ Na deze woorden zei de vader tot zijn dochter: ‘Lieverd, tover hem dan terug in de persoon die hij eerst was!’ Zij nam een kruik water. Nadat ze enige woorden boven dit water had gesproken, besprenkelde ze mij met enkele druppels en riep: ‘Treed uit deze gestalte en keer terug tot je eigen gestalte!’ Haar laatste woord was nog niet uitgesproken of ik werd weer een man. Ik kuste de hand uit eerbied van het jonge meisje en zei: ‘Nu wil ik jou vragen of je mijn vrouw wilt betoveren, als straf voor haar daad.’ Zij gaf mij toen een beetje van het water en zei: ‘Als u straks uw vrouw slapend aantreft, besprenkel haar dan met dit water. Zij zal dan veranderen in de gestalte die u wenst!’ Ik trof mijn vrouw slapend aan, besprenkelde haar met dat water en riep: ‘Verander in een muilezel,’ en een muilezel was ze! Grote geest, u ziet haar hier nu staan.’ Daarop wendde de geest zich tot de muilezel en vroeg: ‘Is dat waar?’ De muilezel knikte met de kop en gaf door tekens te verstaan: ‘Ja, ja! Het is waar!’ Deze hele geschiedenis had tot resultaat dat de geest weer wat vriendelijker werd. Hij verleende de Derde Grijsaard genade voor het laatste en derde deel van de bloedschuld.  

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.  

Donyazad, het zusje van Sjahrzad zei tegen haar: “Ach zus, wat kun je toch goed vertellen. Ik vergeet alles om mij heen!” Sjahrzad zei: “Dit verhaal stelt nog niets voor bij het verhaal dat ik jullie de komende nacht ga vertellen, mits de koning mij zolang wil sparen!” De koning dacht: Ik dood haar niet voordat ik het vervolg van dit wonderbaarlijke verhaal heb gehoord. Vervolgens brachten de koning en Sjahrzad de nacht in elkaars armen door tot aan het ochtendlicht.

‘s Ochtends ging de koning weer naar de rechtszaal, waar ook de minister en de beambten aanwezig waren. De koning vonniste, gaf bevelen en handelde zijn overige zaken af. Dit ging zo door tot het weer avond werd. Daarna werd de zitting opgeheven en koning Sjahriar keerde naar zijn paleis terug.

Maar toen de 3e Nacht was aangebroken, zei Donyazad: “Zus, ga alsjeblieft verder met je vertelling!” 

Sjahrzad ging verder met het verhaal: “Nadat de Derde Grijsaard het wonderbaarlijkste van de drie verhalen had verteld, schudde de geest van het lachen. Hij sprak: ‘Ik scheld ook de rest van de bloedschuld kwijt en laat de koopman vrij!’ De koopman, stralend van geluk, ging naar de drie grijsaards toe en overstelpte hen met zijn dankbaarheid. De grijsaards op hun beurt wensten hem veel geluk met zijn vrijheid en een ieder keerde huiswaarts.” Na een adempauze vertelde Sjahrzad verder: “Maar, deze geschiedenis is nog lang niet zo verbazingwekkend als de geschiedenis van de visser.” Koning Sjahriar sprak tot Sjahrzad: “Welke geschiedenis van welke visser?” Sjahrzad vertelde: 

Geschiedenis van de visser en de geest 

“Er was eens een visser, een man van middelbare leeftijd. Hij was getrouwd en was de vader van drie kinderen. Ze leefden in grote armoede. De visser had de gewoonte, zijn net vier keer per dag uit te werpen.

Op een dag ging de visser ‘s middags naar de zee. Hij zette zijn mand neer, wierp zijn visnet uit en wachtte tot het wegzonk naar de bodem van de zee. Na een tijd pakte hij de lijnen bij elkaar en voelde dat zijn visnet erg zwaar was. Het net was zo zwaar, dat de visser er niet in slaagde om dit naar zich toe te trekken. Daarom trok hij het uiteinde van het visnet naar de oever en zette dit vast aan een stevig in de grond staande paal. Toen deed de visser zijn kleren uit, dook in het water en worstelde net zo lang totdat hij het net aan de kant had. Daarna deed hij zijn kleren weer aan en ging naar het visnet om te kijken waardoor het zo zwaar was. Bij het net aangekomen, zag de visser dat er een dode ezel in lag. Toen hij de ezel zag, zong hij mismoedig: 

‘Er is in de hele wereld geen wijsheid en kracht,

groter dan die van God, de Schepper met macht!’

De visser dacht: Echt waar, dit geschenk van God verbaast mij, en hij zong verder: 

‘Ach wijze ziel, dwaal niet rond overdag en in de duistere nacht,

stop met werken, van arbeid wordt geen fortuin verwacht!’ 

De visser maakte zijn net leeg en wrong het uit. Toen hij daarmee klaar was, spande hij het net opnieuw. Daarna liep hij naar de zee en wierp ‘in de naam van God’ het net opnieuw het water in. Hij wachtte totdat het visnet naar de zeebodem was gezonken. Daarna probeerde de visser het net op te trekken en hij voelde dat het nog zwaarder was dan de eerste keer. Hij verwachtte dat er een grote vis in zou zitten. De visser maakte het net weer aan een paal vast, deed zijn kleren uit en dook weer het water in. De man werkte net zo lang door totdat hij het net kon optrekken en de oever op kon slepen. Hij maakte het net open en vond er een grote kruik in, gevuld met modder en zand.

Toen begon hij te jammeren: 

‘Ach wisselvalligheid van het lot, het is genoeg!

heb medelijden met de mensen die jij sloeg!

Als je op aarde geen loon krijgt naar werken,

laat het aan het lot over of kruip onder de zerken.

Als ik mijn huis uit ga om fortuin te zoeken,

zingt men: ‘fortuin is allang naar de snoeken.’

Jammer, dat de wijzen aan de kant worden gezet,

dwazen regeren de wereld en krijgen een boeket!’ 

Daarna gooide de visser de kruik weg en kleedde zich aan. Hij liep voor de derde keer de zee in, wierp het net uit en wachtte tot het de bodem van de zee had bereikt. Hij trok het visnet weer op en vond er niets anders in dan scherven en stukken glas. Toen hij dit zag, haalde hij nog een vers aan van de dichter: 

‘Ach dichter, de wind zal zelfs de geur van fortuin

nooit in jouw richting blazen met een bazuin.

Weet, mijn beste kameraad, dat nooit en te nimmer

je pen en je schrijven lonen zal, wees dus slimmer!’ 

Terwijl de visser het hoofd ophief naar de hemel, riep hij uit: ‘O God, U weet het, ik werp mijn visnet dagelijks vier keer uit en vandaag heb ik dit al drie keer gedaan.’ Daarna wierp hij zijn net voor de laatste keer de zee in en wachtte tot het op de bodem rustte. Deze keer slaagde hij er, ondanks al zijn krachtinspanningen, niet in om beweging in het visnet te krijgen. Nog steviger dan de vorige keren zat het net aan de rotsen op de bodem vast. De visser trok voor de vierde keer zijn kleren uit en dook het water in. Hij werkte net zo lang totdat hij het net los had en het op het droge had gebracht. Hij opende het visnet en deze keer vond hij er een grote goudkoperen fles in, vol en gaaf. De opening van de fles was afgesloten met lood. De fles droeg een afdruk van het zegel van koning Salomo, de zoon van David.

Toen de visser dit zag was hij erg blij en riep: ‘Kijk, hier heb ik iets wat ik verkopen kan op de markt van koperslagers. Deze fles zal zeker tien gouden dinar waard zijn.’ Hij probeerde de fles heen en weer te schudden, maar deze was te zwaar en de visser dacht: Ik moet deze fles openmaken en de inhoud zien. Ik zal de inhoud in mijn zak stoppen en daarna verkoop ik de fles. Hij nam zijn mes en begon aan het loden deksel te wrikken, net zo lang totdat het lood eraf was. De visser keerde de fles ondersteboven en schudde deze, om de inhoud op de grond te laten vallen. Maar er kwam niets anders uit dan een rookpluim, die naar het blauw van de hemel steeg en zich uitrolde langs de grond. De visser stond stokstijf van verbazing.

Toen de rook helemaal uit de fles was, trok deze zich samen, kwam in beweging en werd een geest. Het hoofd van de geest reikte tot aan de wolken en zijn voeten sleepten door het stof:  

‘Op een koepel leek het hoofd van de geest,

als hooivorken waren de handen van dit beest.

Zijn lange benen stonden als masten op de eest,

zijn mond was als een kelder, diep uitgefreesd.

Zijn tanden waren als keistenen, zonder vlees,

zijn neus was als een koelkruik op een feest.

Zijn ogen waren als toortsen, fel en onbevreesd,

zijn stoffige piekharen vielen op het meest.’ 

Bij het zien van deze geest schrok de visser ontzettend. Al zijn spieren trilden, zijn kaken klemden zich krampachtig op elkaar, zijn speeksel droogde op in zijn mond en zijn ogen werden verblind door het felle licht. Zodra de geest de visser zag, riep hij uit: ‘God is almachtig en koning Salomo is Zijn profeet! Koning Salomo, profeet van God, dood me alstublieft niet, ik zal nooit meer ongehoorzaam zijn!’ Hierop zei de visser: 

‘Hoe durf je, o opstandige en kwade reus,

de naam van Salomo aan te roepen, zo onheus!

Salomo is al achttienhonderd jaar dood,

nu is het einde der tijden, wij zijn in nood!’ 

‘Wat is dit voor een verhaal dat u me vertelt? Hoe bent u in die fles gekomen?’ De geest antwoordde: ‘Visser, hier is een mededeling voor u!’ ‘Wat voor een mededeling?’ vroeg de visser. De geest antwoordde: ‘U gaat dood, zo dadelijk en op een verschrikkelijke manier!’ De visser schrok: ‘Waarom wilt u mij doden en wat heb ik gedaan om de dood te verdienen? Ik heb u toch bevrijd uit deze fles, ik heb u verlost uit uw langdurig verblijf in de zee en ik heb u teruggebracht naar het vasteland!’ Hierop reageerde de geest: ‘Zegt u me op welke manier u wilt sterven.’ ‘Wat heb ik toch gedaan dat ik de dood verdien?’ vroeg de visser wanhopig. De geest zei: ‘Luister goed naar wat ik je vertel!’ ‘Spreek en houd uw verhaal kort, want van ongeduld staat mijn ziel op het punt mijn voet te verlaten,’ sprak de visser. De geest zei: ‘Weet je, ik ben een rebelse geest! Ik ben in opstand gekomen tegen koning Salomo, de zoon van David. Mijn naam is Sakhr! Koning Salomo stuurde zijn minister Asif naar mij toe. Ondanks mijn pogingen om aan hem te ontkomen, greep hij mij beet en leverde hij mij uit aan koning Salomo. Toen koning Salomo mij zag, sprak hij zijn oordeel uit. Hij nodigde mij uit om zijn geloof aan te nemen en zijn onderdaan te worden, maar ik weigerde dit. Toen liet hij deze fles brengen, sloot mij er in op, verzegelde de fles met lood en drukte zijn zegel erop in de naam van de Almachtige. Daarna beval hij zijn trouwe geesten om mij op hun schouders weg te dragen en mij in de zee te gooien. Ik lag honderd jaar op de bodem van de zee en sprak tegen mijzelf: Levenslange rijkdom zal ik degene schenken die mij uit deze fles bevrijdt! Maar er gingen honderd jaren voorbij en niemand bevrijdde mij! Toen ik mijn tweede honderd jaar in de fles begon, sprak ik weer tegen mijzelf: Alle schatten van de aarde zal ik onthullen en schenken aan degene die mij uit de fles haalt! Maar weer kwam er niemand. Er gingen vierhonderd jaar voorbij. Opnieuw dacht ik bij mijzelf: Ik zal drie wensen in vervulling laten gaan van degene die mij hier uit haalt! Maar weer kwam er niemand. Daarom werd ik woedend en sprak tot mijzelf: Nu zal ik degene die mij hier uit haalt doden. Maar ik zal hem zelf laten kiezen hoe hij wil sterven! Toen kwam jij, en je liet me vrij uit de fles. Nu mag jij kiezen hoe je wilt sterven!’ Na deze woorden van de geest sprak de visser: ‘O God, wat een ellende! Waarom overkomt mij dit! Waarom moest juist ik hem bevrijden? Ach geest, spaar mij in hemelsnaam! Ach grote geest, weet immers dat er een dichtregel is die luidt: 

‘Wie een ander onterecht doodt, verdient zijn loon

en wordt gedood door de door Hem gekozen persoon!’ 

Hierop zei de geest: ‘Ik wil je juist doden omdat je mij hebt bevrijd!’ De visser zei: ‘Oude geest, vergeldt u het goede met het kwade? Weet dan dat de volgende dichtregels niet liegen: 

‘Wil je de bitterheid van het leven niet proeven,

wees dan goed, dien iedereen, zelfs boeven!

Ik zweer bij mijn leven: in deze angstige tijd

kennen boze mensen geen dankbaarheid.

Probeer het op jouw manier, zoals je wilt,

maar pas op dat je je er niet aan vertilt!

Anders is jouw lot hetzelfde als dat van Madzjir,

de arme moeder van Amer, het staat op papier!’ 

De geest reageerde hierop: ‘Nu zijn er genoeg woorden verspild! Hoe dan ook, ik ga je doden!’ De visser dacht bij zichzelf: Hij is een geest, maar ik ben een mens en God heeft mij verstand gegeven! Ik moet een plan bedenken om van hem af te komen, een list. Dan zal ik zien of hij op zijn beurt ook kan bedenken hoe hij mij te snel af kan zijn. Na dit te hebben bedacht, sprak hij tot de geest: ‘Wilt u mij echt doden?’ ‘Zonder enige twijfel,’ antwoordde de geest. De visser sprak: ‘Ik heb een vraag aan u en ik wil, in de naam van God, een eerlijk antwoord!’ Zodra de geest de naam van de Almachtige hoorde, was hij zichtbaar onder de indruk en hij antwoordde: ‘Je mag mij een vraag stellen en ik zal deze eerlijk beantwoorden!’

De visser vroeg: ‘Hoe hebt u met zo ’n groot lichaam, opgesloten kunnen zitten in deze fles? In deze fles past niet eens één van uw handen en voeten!’ ‘Twijfel je er soms aan dat ik écht in deze fles heb gezeten?’ vroeg de geest. De visser zei: ‘Inderdaad, ik zal het nooit geloven tenzij ik u met eigen ogen de fles in zie gaan!” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Maar toen de 4e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “O koning, ons verhaal werd de vorige nacht afgebroken toen de visser tegen de geest zei: ‘Ik zal dit nooit geloven, tenzij ik u met eigen ogen de fles in zie gaan!’ Hierop bewoog de geest zich heftig, schudde zich, werd weer rook die opsteeg en zich samentrok. Daarna daalde hij weer neer en gleed langzaam in de fles tot hij er helemaal in verdwenen was. Toen nam de visser haastig het loden deksel, dat de afdruk van het zegel van Salomo bevatte, en sloot er de opening van de fles mee af. Daarna riep hij tegen de geest: ‘Nou, rebelse geest, nu zijn de rollen omgedraaid: Denk na over de manier waarop je wilt sterven. Als je geen keuze maakt gooi ik je weer de zee in. Ik ga een huis voor mijzelf bouwen op de oever, ik zal iedereen proberen tegen te houden om hier te vissen. Ik zal tegen hen zeggen: ‘Hier woont een geest. Als deze wordt vrijgelaten, wil hij zijn bevrijder doden. Nog erger, de geest vraagt de bevrijder hoe en op welke manier hij gedood wil worden!’ Toen de geest de woorden van de visser hoorde, probeerde hij uit de fles te komen. Het lukte hem echter niet. Hij begreep dat hij opgesloten zat, met boven zich het zegel van Salomo. Hij besefte toen, dat de visser hem opgesloten had in de kerker. Geen enkele van de geesten, van klein tot groot, kon hier iets tegen doen. Toen de geest voelde dat de visser hem in de richting van de zee droeg riep hij: ‘Nee, nee!’ Maar de visser zei: ‘Jazeker, wat moet, dat moet!’ De geest smeekte: ‘Ach visser, wat ga je met mij doen?’ De visser antwoordde: ‘Ik ga je in de zee gooien. Je hebt daar al achttienhonderd jaar in doorgebracht, vanaf nu zal je daar blijven tot aan je dood! Herinner jij je niet dat ik jou smeekte om mij te sparen? Herinner jij je niet dat ik smeekte om mij te sparen omwille van God? Maar jij gaf geen gehoor aan mijn smeekbeden, waarom zou ik dan naar jou luisteren?’ Toen riep de geest: ‘Open de fles, dan zal ik je overladen met rijkdom!’ De visser antwoordde: ‘Je liegt, verdoemde geest! Tussen jou en mij gebeurt niets anders dan wat tussen de Griekse minister en de arts Roeyan gebeurde!’ De geest vroeg: ‘Maar wie waren de Griekse minister en de arts Roeyan en wat is hun verhaal?’ 

Het verhaal van de Griekse minister en de arts Roeyan 

De visser zei: ‘Ach geest, weet dat er in de oude tijden en in het verre, verre verleden, een koning leefde die Yoenan heette. Hij regeerde in de landen van Perzië en Rome. Hij was rijk en machtig en had een groot leger tot zijn beschikking. Dit leger was samengesteld uit soldaten van verschillende volkeren. Maar zijn lichaam was aangetast door melaatsheid en de artsen konden hem niet genezen. Noch poeders, noch pillen, noch zalven hadden enige uitwerking op zijn ziekte. Geen van de artsen kon een helend geneesmiddel voor hem vinden.

Op zekere dag kwam er een oude en beroemde arts, Roeyan genaamd, naar Griekenland.

Hij had gestudeerd in Griekse, Perzische, Turkse, Romeinse, Byzantijnse, Hebreeuwse, Arabische en Syrische, ofwel Sor’yani, geschriften. Hij beheerste de geneeskunde en de sterrenkunde. Deze arts was bekend met de principes van zijn vak, evenals met de goede en kwade invloed daarvan. Bovendien was hij geheel op de hoogte van de eigenschappen van vette en droge gewassen en kruiden, alsmede van hun goede en kwade uitwerkingen. Hij had zich filosofie, medische kennis en overige wetenschappen eigen gemaakt. Hij was al enige dagen in de stad, toen hij het verhaal van de koning en van zijn melaatsheid vernam. Ook hoorde hij dat de artsen deze koning niet konden genezen. Dit verstoorde zijn nachtrust. De koning liet hem niet los.

Op zekere dag na het ontbijt kleedde hij zich in zijn mooiste gewaad en ging naar het paleis. Toen hij binnen was gaf hij uit eerbied een kus op de hand van de koning en wenste hem zegeningen en een eeuwigdurend koningschap toe. Vervolgens vertelde hij aan de koning, wie hij was en zei: ‘Ik heb gehoord van de kwaal die uw lichaam heeft aangetast. Ik heb vernomen dat de artsen geen middel hebben kunnen vinden om deze te doen stoppen. Welnu majesteit, ik zal u genezen, ik zal u geen medicijnen laten innemen en ik ga u niet insmeren met zalf!’

Bij het horen van deze woorden was de koning zeer verbaasd en hij vroeg: ‘Wat gaat u dan doen? Beste arts, als u mij geneest, zal ik u rijk maken. Ik zal al uw wensen vervullen en wij zullen op onze broederschap drinken. U zult mijn vriend zijn!’ Daarop gaf de koning hem een eregewaad, vele geschenken en vroeg hem: ‘Wilt u mij van deze ziekte genezen zonder geneesmiddelen?’ De arts antwoordde: ‘Zeker, ik zal u genezen zonder pijn of last voor uw lichaam.’ Verbaasd en zeer verheugd vroeg de koning aan hem: ‘Beste dokter, wanneer kunt u met de behandeling beginnen en wanneer kan ik resultaat verwachten? Zou u alstublieft meteen met de behandeling willen beginnen?’ De arts antwoordde: ‘Ik luister en gehoorzaam!’ Daarop verliet de arts het paleis van de koning en huurde een huis. Hij bracht zijn boeken, geneesmiddelen en aromatische planten naar dit huis. Vervolgens maakte hij aftreksels van zijn medicamenten en zijn geneeskrachtige kruiden. Hij kneedde deze tot een kort gebogen handvat. Hiervan holde hij het uiteinde uit en stak er een stok in. Ook maakte hij van de aftreksels zo goed en zo kwaad als het ging een bal. De volgende morgen ging de arts naar het paleis en kuste uit eerbied weer de hand van de koning. Hij vroeg de koning een paard te bestijgen en naar het plein te rijden waar polo werd gespeeld. De koning reed in het gezelschap van zijn ministers, gouverneurs, generaals, notabelen en voorname kooplieden naar het poloplein. Nauwelijks was hij bij het plein aangekomen of dokter Roeyan kwam daar ook aan. Hij reikte de koning de stok met het handvat aan en zei: ‘Neem dit handvat en knel het op deze wijze in uw hand en sla met alle kracht met de stok op de grond en tegen de bal. Span u zo in, dat uw handpalm en uw hele lichaam gaan zweten. Op deze manier zal het geneesmiddel in uw handpalm dringen en door uw hele lichaam heen trekken. Als u flink gezweet hebt en het geneesmiddel de tijd heeft gehad om in te werken, moet u onmiddellijk naar het paleis terugkeren. Daar aangekomen, moet u naar het badhuis gaan om een bad te nemen. U zult dan genezen zijn van uw kwaal. Ik wens u gezondheid en vrede toe!’

De koning nam daarop het handvat en greep het met de volle hand. Daarop bestegen de uitgekozen ruiters hun paard en speelden hem de bal toe. De koning galoppeerde er achteraan, sloeg met volle kracht tegen de bal en hield het handvat stevig in zijn hand geklemd. Hij ging door met het polospel totdat zijn handpalm en zijn andere lichaamsdelen bezweet waren. Het geneesmiddel kon op deze manier in zijn handpalm en in zijn lichaam trekken. Toen dokter Roeyan zag, dat het geneesmiddel door het hele lichaam van de zieke koning was getrokken, verzocht hij hem naar het paleis terug te keren en naar het badhuis te gaan, om daar onmiddellijk een bad te nemen. De koning gaf daar direct gehoor aan en beval om het badhuis te verwarmen. Dit werd met spoed gereed gemaakt. Er werden tapijten opgerold en de slaven waren druk bezig met het linnengoed klaarleggen. De koning reed naar het badhuis, liep naar binnen en kleedde zich uit. Hij nam een bad en kleedde zich weer aan. Nadat hij buiten kwam, steeg hij op zijn paard en reed terug naar het paleis, waarna hij ging slapen.

Wat dokter Roeyan betreft: Hij keerde naar zijn huis terug toen de koning het poloplein had verlaten. Zodra de arts thuis was, ging hij naar bed. De volgende morgen stond hij op en ging naar het paleis. Daar aangekomen, verzocht hij toestemming van de koning om hem te bezoeken. Toen hij te horen kreeg dat hij binnen mocht komen, liep hij naar binnen, kuste de hand van de koning uit eerbied en las plechtig enige dichtregels voor: 

‘Als de welsprekendheid u kiest als vader,

zou ze weer bloeien, haar geluk komt nader!

Als u deze ooit nog zou willen verkiezen

zal zij u nooit meer uit het oog verliezen!

Ach gloeiende vlam, ach stralend gelaat van onze tijd,

de grote zon is voor ons zwart in uw aanwezigheid!

Uw roemrijk gelaat moge eeuwig stralen,

in frisheid blijvend, ver van alle kwalen.

De rimpels op uw voorhoofd zijn wijsheid

en getuigen van het voorbijgaan van de tijd.

U heeft mij met uw gulheid overladen,

met uw vrijgevigheid en goede daden.

De wolk met zijn gift op het bloemzaad,

is niet te vergelijken met uw weldaad.

Uw grote daden brachten u naar het toppunt,

gaven u roem en uw volk klinkende munt.

Het lot is u zeer goedgezind, majesteit,

uw onderdanen leven in een gouden tijd!’ 

Nadat deze dichtregels waren voorgedragen, stond de koning op en vloog de arts van blijdschap om de hals. Daarna moest de arts naast hem gaan zitten. De koning schonk hem prachtige eregewaden, omdat hij genezen was. De koning sprak tot de arts: ‘Toen ik uit het badhuis kwam, heb ik mezelf eens goed bekeken. Er was geen spoor van melaatsheid meer te zien. Ik was zo blij dat mijn lichaam weer helemaal gezond was, dat ik dit met luide stem aan de hele wereld wilde verkondigen!’ Later in de morgen, toen de koning de gerechtszaal binnenkwam en op de troon plaatsnam, kwamen de kamerheren en de notabelen binnen. Daarna verscheen dokter Roeyan. Toen de koning dokter Roeyan zag, stond hij vlug op en vroeg aan hem of hij naast hem wilde plaatsnemen. Er werden schalen met allerlei verschillende gerechten binnen gebracht en er werd gedurende de gehele dag gegeten en gedronken. Bij het vallen van de nacht gaf de koning de arts tweeduizend dinar, boven op de geschenken die hij al had gekregen. De dokter nam afscheid en keerde naar zijn huis terug. Wat de koning betreft: Hij bewonderde de arts zeer en sprak: ‘Dit is nog eens een arts, hij heeft mij genezen zonder ook maar zalf of iets dergelijks te gebruiken. Mijn God, dat is vakmanschap! Ik moet ervoor zorgen dat hij mijn vriend wordt, zodat ik hem voor altijd bij mij kan houden. Ik zal hem nog veel meer geschenken geven!’ Koning Yoenan ging terug naar het paleis. Hij was heel blij dat hij van zijn kwaal bevrijd was en dat zijn lichaam weer gezond was. Hij kon nu rustig slapen. Toen de koning de volgende morgen in de gerechtszaal kwam en plaats nam op zijn troon, namen ook al de notabelen, bevelhebbers en ministers plaats. Toen liet hij dokter Roeyan roepen, die onmiddellijk kwam en de hand van de koning kuste uit eerbied. De koning stond op en vroeg de arts om naast hem plaats te nemen. Hij wenste de arts een lang en gezond leven en gaf hem een eregewaad en andere geschenken. Daarna aten ze samen heerlijk en maakten plezier tot laat in de avond. De koning gaf de arts als beloning vijf eregewaden en nog eens duizend dinar. Zo keerde de dokter naar zijn huis terug, nadat hij goede wensen had uitgesproken voor de vorst.

Bij zonsopgang ging de koning de deur uit op weg naar de gerechtszaal. Hij kwam binnen en werd weer omringd door zijn bevelhebbers, zijn ministers en zijn kamerheren. Eén minister was een lelijke, gierige man, vervuld van afgunst en haat, een man die schrik aanjoeg en weinig goeds in de zin had. Toen deze minister zag, dat de koning dokter Roeyan naast zich liet zitten en hem allemaal geschenken gaf, werd hij jaloers. Hij besloot om deze arts bij de koning zwart te maken, denkend aan het volgende spreekwoord: 

‘De afgunstige valt steeds iedereen aan,

het kwaad ligt op de loer in zijn bestaan.

De kracht van de afgunst wekt jaloezie op,

verslindt het mensenhart bij iedere hartenklop!’ 

De minister naderde koning Yoenan, kuste uit eerbied diens hand en sprak: ‘Majesteit, ik heb een belangrijke waarschuwing voor u die ik u wel móét vertellen. Anders zou ik geen goede onderdaan zijn!’ De koning schrok van de woorden van de minister en vroeg: ‘Wat houdt jouw waarschuwing in, minister?’ De minister zei: ‘Majesteit, de oude wijzen hebben gezegd: 

‘Wie het eind en de gevolgen niet overziet,

zal het geluk niet treffen, zelfs niet in een lied.

Ik zag juist gebrek aan oordeel bij de koning,

toen hij zijn vijand een gift gaf, als beloning.

Zo iemand heeft altijd het kwade met u voor,

dus geef hem geen goud, anders gaat u teloor.’ 

Welnu majesteit, vanwege deze woorden maak ik mij zorgen om u!’ ‘Vertel mij, minister, wie is mijn vijand die ik met mijn gunsten heb bedolven?’ vroeg de koning geschrokken en met een bleek gezicht. De minister antwoordde: ‘Majesteit, ik waarschuw u voor die dokter Roeyan!’ ‘Dat is een goede vriend van mij, hij is mij zeer dierbaar. Hij heeft mij behandeld met iets wat ik in mijn hand moest houden. Daarmee heeft hij mij genezen van de ziekte die de andere artsen tot wanhoop bracht. Er is in de hele wereld geen man zoals hij. Hoe haal je het in je hoofd om dit allemaal over hem te vertellen?’ reageerde de koning en zei verder: ‘Wat mij betreft, ik zal hem vanaf deze dag duizend dinar loon per maand geven! Zelfs als ik hem de helft van mijn koninkrijk zou geven, zou dat te weinig zijn. Ik kan niet anders geloven, dan dat je dit alles zegt uit afgunst, zoals mij verteld is in de geschiedenis van koning Sindbad!”  

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

Toen merkte Donyazad op: “Zus, ik vergeet alles om me heen als jij begint te vertellen!”

Sjahrzad sprak: “Maar dit alles is niets vergeleken bij wat ik jullie de komende nacht zal vertellen, tenminste, als ik nog in leven ben en de koning mij wil sparen!” De koning dacht: Bij God, ik zal haar niet doden voordat ik het vervolg heb gehoord van haar verhaal. Het is echt een wonderbaarlijke geschiedenis! Hierna brachten de koning en Sjahrzad de nacht in elkaars armen door.

De volgende morgen ging de koning naar de gerechtszaal. De zaal was vol met mensen en de koning oordeelde, benoemde en handelde de lopende zaken af. Tegen de avond schorste de koning de zitting en ging hij weer naar zijn paleis. 

Maar toen de 5e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Mij werd verteld, majesteit, dat koning Yoenan tegen de minister zei: ‘Minister, jij bent jaloers op de arts en je wilt dat ik hem dood, zodat ik in de toekomst spijt heb dat ik hem heb gedood, zoals koning Sindbad het betreurde, zijn valk te hebben gedood!’ De minister vroeg: ‘En hoe gebeurde dat?’ Koning Yoenan vertelde: 

De valk van koning Sindbad

‘Men zegt, dat er een koning was onder de koningen van Perzië, die heel veel hield van wandelingen in zijn tuinen, hij hield van de jacht en van amusement. Hij had ook een valk die hij zelf had grootgebracht en die valk was dag en nacht bij hem. De hele nacht zat de valk op de arm van koning Sindbad. Als hij op jacht ging, nam hij de vogel met zich mee. Het dier droeg een gouden beker om zijn nek waaruit hij hem liet drinken. Op zekere dag, toen Sindbad in zijn paleis was, kwam de opzichter met alle jachtvogels bij hem binnen en zei tegen hem: ‘Majesteit, het is nu een gunstige tijd om op jacht te gaan!’ De koning liet alles klaarmaken voor zijn vertrek en nam de valk op zijn arm. Daarna vertrok het gezelschap en kwam in een dal aan, waar de jachtnetten werden gespannen. Plotseling liep er een gazelle in het net. De koning sprak: ‘Ik zal degene die deze gazelle laat ontsnappen, laten doden!’ Toen trok men het jachtnet samen rond de gazelle. Het dier sprong naar de koning toe, ging op de achterpoten staan en vouwde de voorpoten tegen de borst, alsof het de grond wilde kussen voor de koning. Toen klapte de koning in zijn handen om de gazelle te verjagen. Het dier nam een sprong over het hoofd van de koning, vluchtte en verdween in de verte. Hierna keerde de koning zich naar zijn soldaten en zag hoe zij tegen elkaar knipoogden. Hij vroeg aan de minister: ‘Wat hebben die soldaten, waarom knipogen ze tegen elkaar en geven ze elkaar tekens?’ ‘Ze zeggen, dat u gezworen heeft om degene die de gazelle liet ontsnappen, te laten doden!’ antwoordde de minister. Koning Sindbad zei: ‘Mijn God, we moeten dan die gazelle achtervolgen en weer vangen!’ Vervolgens galoppeerde Sindbad weg op zijn paard en volgde het spoor van de gazelle. Toen de koning de gazelle gevonden had, pikte de valk haar in de ogen zodat zij blind en duizelig werd. De koning greep zijn knots en sloeg de gazelle dood, waarna hij afsteeg en zijn mouwen omhoog deed om het dier te slachten. Hij stroopte haar en hing de afgestroopte huid aan zijn zadelboog. Het was erg warm, de streek was eenzaam, dor en zonder water. Sindbad had dorst, evenals zijn paard. Hij keerde zich om en zag een boom, waaruit water vloeide als boter. De hand van de koning was door een leren handschoen bedekt. Hij nam de beker van de hals van de valk en vulde deze. Hij hield de vogel de beker voor, maar de valk sloeg met zijn poot tegen de beker en gooide deze om. De koning nam de beker voor de tweede maal en vulde deze opnieuw. Hij dacht dat de vogel dorst had, maar weer gooide de valk de beker om. De koning werd woedend op de valk. Hij nam de beker voor de derde keer, maar bood deze beker nu het paard aan. Echter, weer sloeg de valk de beker om, maar nu met zijn vleugel. Sindbad zei tegen de valk: ‘Jij ellendige vogel, je hebt mij verhinderd te drinken, je hebt jezelf verhinderd te drinken en je hebt er voor gezorgd dat het paard niet kan drinken!’ Toen pakte hij zijn zwaard en hakte de valk zijn vleugels af. De valk hief zijn kop op en gaf door tekens te verstaan: ‘Kijk eens, wat er in die boom zit!’

Sindbad keek omhoog en zag in de boom een slang. Het vocht dat uit de boom vloeide was haar vergif. Het speet de koning erg dat hij de valk zijn vleugels had afgeslagen. Hij stond op, steeg op zijn paard en vertrok, terwijl hij de gazelle meenam.

Bij het paleis aangekomen, bracht de koning de gazelle naar de keuken, wierp deze de kok toe en zei tegen hem: ‘Maak hiervan kebab!’ Daarna nam de koning plaats op zijn troon en hield de valk op zijn hand. De valk snikte en stierf. Toen de koning dit zag, slaakte hij een kreet van verdriet omdat hij de valk, die hem van de ondergang had gered, had gedood. Dit was de geschiedenis van koning Sindbad.’ Toen de minister dit verhaal van koning Yoenan gehoord had, sprak hij tot hem: ‘Majesteit, wat heb ik gedaan, dat u zo over mij denkt? Ik vertel u dit alleen omdat ik zo bezorgd ben, maar u zult zien dat ik gelijk heb. Als u naar mij luistert, dan blijft u in leven. Doet u dat niet, dan zult u sterven zoals een sluwe minister omkwam, die de zoon van een koning had bedrogen. 

Verhaal van de prins en de demon 

De koning over wie ik vertel, had een zoon die dol was op lange jachtpartijen te paard. Deze koning had een minister aan wie hij opdracht had gegeven om altijd in het gezelschap van zijn zoon te blijven, waar deze ook heenging.

Op zekere dag vertrok de zoon voor een lange jachtpartij en de minister ging met hem mee. Toen ze een poos gereden hadden, zagen ze een monsterachtig beest. De minister zei tegen de zoon van de koning: ‘Dit dier is voor u, ga op dit wilde beest af en achtervolg het!’ De prins achtervolgde het dier totdat hij het niet meer zag. Het beest was eensklaps verdwenen. De prins dacht bij zichzelf: Wat nu? Hij wist niet waar hij heen moest. Plotseling zag hij een jonge vrouw die wel een slavin leek. Zij zat daar te huilen. De prins vroeg haar: ‘Wie ben je?’ ‘Ik ben de dochter van een grote koning uit Hindoestan,’ antwoordde zij en vertelde verder: ‘Terwijl ik met een karavaan door de woestijn trok, viel ik in slaap en ik gleed uit mijn zadel zonder het te merken. Dus zo ben ik hier terechtgekomen. Ik weet niet wat ik moet doen!’

Toen de prins deze woorden hoorde, kreeg hij medelijden met haar. Hij hielp het meisje overeind, zette haar achter zich in het zadel en vertrok. Bij het voorbijrijden van een klein groen eilandje in de vlakte, zei het meisje tegen hem: ‘Jongeman, ik zou aan een behoefte willen voldoen!’ Hij liet haar bij een bosje afstijgen, maar merkte dat zij treuzelde. De prins gleed van zijn paard en achtervolgde haar, zonder dat zij dit merkte.

Eensklaps merkte de prins dat het meisje een demon was. Ze stond nu bij de opening van een hol. Toen zij het hol binnenging, sloop de prins naar de opening. In het hol waren een paar demonkinderen. Hij hoorde de vrouw tegen de demoontjes zeggen: ‘Mijn lieve kinderen, vandaag heb ik voor jullie een lekkere vette jongeman meegebracht!’ De kinderen riepen in koor: ‘Moeder, breng hem hier, zodat wij onze honger kunnen stillen!’ Toen de prins deze woorden hoorde, begon hij te trillen van angst en zag zijn dood naderen. Hij keerde zich om en rende terug naar zijn paard.

Toen de demon uit haar hol naar buiten kwam, zag ze dat de prins bang was en beefde als een rietje. Ze vroeg aan hem: ‘Wat is er, waarom ben je zo bang?’ De prins antwoordde: ‘Ik heb een vijand, voor wie ik bang ben!’ De demon vroeg: ‘Je hebt mij toch verteld dat je een prins bent?’ ‘Ja, dat heb ik gezegd,’ antwoordde hij. Zij vroeg: ‘Waarom geef je dan geen geld aan je vijand, om hem tevreden te stellen?’ De prins antwoordde: ‘Hij is niet tevreden te stellen met geld, hij is alleen tevreden met mijn ziel. Ik ben doodsbang voor deze vijand, ik ben een man die het slachtoffer is geworden van onrechtvaardigheid!’ Zij zei: ‘Wanneer je je angstig voelt, hoef je slechts de hulp van God in te roepen tegen je vijand. Hij zal je beschermen tegen de aanslagen die je vreest!’ Toen hief de prins zijn hoofd naar de hemel en smeekte: ‘O God, help mij alstublieft om deze vijand te verslaan!’ De woorden van de prins waren nog niet helemaal uitgesproken of de demon was verdwenen. De prins keerde terug naar zijn vader en vertelde hem: ‘Toen wij op het jachtterrein aankwamen, verscheen er een monsterachtig beest. De minister vroeg mij dit beest te achtervolgen.’ De prins vertelde het hele verhaal van de demon, haar kinderen en hoe God hem van hen verlost had. Nadat de koning dit verhaal van zijn zoon hoorde, gaf hij bevel om de minister te doden!”

Bij dit punt van het verhaal zuchtte Sjahrzad en vertelde na een adempauze: “Dit vertelde de minister van koning Yoenan. Deze minister vervolgde zijn verhaal als volgt: ‘En u koning, die deze dokter Roeyan zo vertrouwt, zal worden gedood door dezelfde arts. U wacht een verschrikkelijke dood! Want ondanks het feit, dat u hem met uw gunsten hebt overladen en hem tot uw vertrouweling hebt gemaakt, bereidt hij uw dood voor. Weet u waarom hij u van uw kwaal verlost heeft door een uitwendige behandeling van uw lichaam met een voorwerp dat u in de hand moest houden? Misschien gelooft u het niet, maar zal het nu nog eenvoudiger zijn om u een tweede behandeling te laten ondergaan en u wellicht weer dat ding van hem te laten vasthouden?’ Na deze woorden merkte koning Yoenan op: ‘Wat u zegt, minister, is waar! Dat is dan wat er volgens u zou gaan gebeuren, mijn minister van goede raad. Het is zeer aannemelijk, dat deze arts in het geheim als spion hier is gekomen om mij ten val te brengen. Zoals hij mij van mijn ziekte verlost heeft met een voorwerp dat ik in mijn hand heb gehouden, kan hij mij net zo goed ombrengen met iets wat hij mij zal laten ruiken! Mijn wijze minister, wat moeten we met deze arts doen?’ De minister antwoordde: ‘We moeten onmiddellijk iemand naar hem toesturen om hem te melden dat hij hierheen moet komen. Zodra hij zich hier aanmeldt, moet men hem, zonder dat hij het doorheeft, onthoofden. Zo belemmeren wij de uitvoering van zijn boze plannen en bent u van hem verlost. Dan heeft u weer rust. Behandel hem dus verraderlijk, vóórdat hij u verraderlijk behandelt!’ Koning Yoenan zei: ‘Wat u zegt, is juist, minister!’ Toen stuurde de koning een dienaar om de arts mee te delen, dat hij bij de koning moest komen. De arts kwam verheugd naar het paleis, niet wetend wat de koning beslist had. Dit is verbeeld in het volgende gedicht:

‘Ben je bang voor je levenslot?

Het ligt in de handen van God!

Wat in Zijn handen staat geschreven,

weet, dat dit vastligt voor heel het leven.

Maar, van wat niet geschreven staat,

ontvang je geen enkel leed en kwaad.

Ach Heer, zal ooit een dag passeren

dat ik in Uw nabijheid zal verkeren,

om U lof en roem te bezingen,

zonder te dansen en te springen.

Aan wie zou ik het ritme en de taal geven

van de gedichten uit mijn zware leven?

Iedere gave die ik uit Uw handen ontvang,

o Heer, wordt altijd rijkelijk in omvang.

Wat ik in mijn leven ook aan u vraag,

U geeft het mij, zonder geklaag!

Hoe kan het mij ooit overkomen,

dat ik van Uw roem niet zal zingen en dromen.

Ik loof U in mijn hart en onder de mensen,

en wend mij naar U met al mijn wensen.

Ik moet U bekennen, dat mijn mond

nooit een geluid maakt op het wereldrond,

dat schoon genoeg is om U te danken

en mijn lof voor al Uw gaven te verklanken.

Ach jij, die in de war bent, stel je doen en laten

in handen van de Alwetende en stop met praten!

Doe dit, dan heeft je hart niets te vrezen

van mensen, die je de les willen lezen.

Weet ook, dat niets gebeurt door jouw wil,

maar alleen door die van de Wijze, wees stil!

Wanhoop dus nooit voor de dag van morgen

en vergeet al je leed en vooral ook je zorgen!

Zorgen vragen het meest van het hart

spaar dan geen goud en ook geen smart!

Houd hier en nu van alles afstand,

en je bent dan de gelukkigste van het land.

Onze plannen zijn die van machteloze slaven

in de ogen van de Heerser, niet te handhaven!

Maak je geen zorgen, de dag kan niet stuk,

je krijgt misschien appelwangen en eeuwig geluk!’ 

Toen dokter Roeyan zich had aangediend in het paleis, sprak de koning tot hem: ‘Weet je waarom ik je heb laten roepen?’ De dokter antwoordde: ‘Niemand heeft een kristallen bol, alleen God is Alwetend!’ De koning zei tegen hem: ‘Ik heb je laten komen om je te doden!’

Dokter Roeyan was erg verbaasd door deze woorden en vroeg: ‘Majesteit, waarom wilt u mij doden, welke misstap heb ik begaan?’ De koning antwoordde: ‘Men zegt dat je een spion bent en dat je hier bent gekomen om mij te doden. Welnu, ik zal jou doden voordat je mij doodt!’

Hierop riep de koning de beul en beval hem: ‘Snij deze verrader de hals door zodat hij zijn boze plannen niet kan uitvoeren!’ Dokter Roeyan riep: ‘Spaar mij en God zal u sparen! Dood mij niet, anders wordt u door Hem gestraft!’ De koning riep tegen de arts: ‘Ik heb geen vertrouwen meer in je en zal geen rust meer hebben voordat ik je heb gedood. Zoals je mij van mijn ziekte hebt genezen met een ding dat ik in mijn hand moest houden, geloof ik ook dat je mij wilt doden met een ding dat ik zal ruiken!’ ‘Majesteit, is dat mijn beloning, vergeldt u goed met kwaad?’ vroeg de arts. De koning antwoordde: ‘Je gaat dood en wel nu meteen!’

Toen dokter Roeyan besefte dat de koning hem wilde laten doden, zonder dat hij zich kon verdedigen, begon hij te huilen. Hij had nu spijt van de diensten die hij had bewezen aan iemand die deze diensten niet verdiende. Over dit onderwerp zegt de dichter: 

‘De jonge en dwaze Maimoena is ontbloot

van iedere grootheid van geest in nood.

Maar haar vader is een hartelijk man,

zeer begaafd en welkom bij iedere sultan.

Dus, kijk naar hem en leer de wijsheid,

en dat zal zijn wat voor je pleit!

Hij loopt altijd met een licht in de hand,

zo vermijdt hij de modder aan de rand.

Bovendien ziet hij door de stofwolk heen,

blijft buiten gevaar en altijd op de been!’ 

Daarna trad de beul naar voren, blinddoekte de dokter, trok zijn zwaard en zei tegen de koning: ‘Met uw verlof!’ Dokter Roeyan bleef doorjammeren en riep voor het laatst tot de koning: ‘Spaar mij en God zal u sparen! Dood mij niet, anders wordt u door Hem gestraft!’ Hij haalde deze dichtregels van de dichter aan: 

‘Mijn raadgevingen werken niets uit,

die van de onwetenden helpen geen fluit!

Niets heb ik geoogst dan smart,

het wordt mij angstig om het hart.

Daarom, als ik nog een tijd blijf leven,

zal ik nog wachten om raad te geven.

Als ik sterf, dan ben ik een goed voorbeeld

om te leren hoe het leven je misdeelt.’ 

Hij vroeg aan de koning: ‘Wilt u echt uw bevel niet herzien en wilt u mij echt zo belonen? U behandelt mij zoals die bekende krokodil!’ Daarop vroeg de koning: ‘Welke krokodil?’ De dokter merkte huilend op: ‘Het is voor mij onmogelijk om in deze situatie het verhaal van die krokodil te vertellen!’ Nadat deze woorden van de arts waren uitgesproken, stonden een aantal van de notabelen op en vroegen aan koning Yoenan: ‘Majesteit, sta ons genade toe voor het bloed van deze arts. Wij hebben hem nooit onachtzaam tegenover u gezien, integendeel, wij hebben gezien hoe hij u verloste van de ziekte, waartegen alle artsen en geleerden machteloos waren!’ De koning sprak tot hen: ‘Jullie weten niet waarom ik hem wil doden. Als ik hem spaar, ga ik zelf dood. Hij heeft mij genezen van mijn ziekte door mij een voorwerp in de hand te laten houden. Hij kan mij net zo goed heel gemakkelijk doden door mij iets te laten ruiken. Daarom ben ik bang dat hij mij zal ombrengen voor de prijs, die hij voor mijn dood heeft afgesproken. Hij is een spion die hierheen gekomen is om mij te vermoorden. Daarom moet ik hem laten doden. Dan ben ik veilig!’ Hierop herhaalde dokter Roeyan: ‘Spaar mij en God zal u sparen! Dood mij niet, anders wordt u door Hem gestraft!’

Nu besefte de arts dat er geen uitweg was en daarom smeekte hij de koning: ‘Majesteit, als mijn dood werkelijk noodzakelijk is, sta mij dan uitstel toe. Ik ga naar huis om al mijn zaken af te handelen en mijn familie en buren opdracht te geven mijn begrafenis te regelen. Bovendien kan ik dan de schenking van mijn geneeskundige boeken regelen. Overigens is daar een boek bij, een zeer zeldzaam boek, dat ik u als geschenk wil geven. Ik hoop dat u het als iets kostbaars in uw kast zult bewaren.’ De koning vroeg aan de arts: ‘Wat is dat voor een boek?’ De arts antwoordde: ‘Dit boek bevat onschatbare dingen en geheimen. Eén van de geheimen die het onthult, is het volgende: Als u mijn hoofd afslaat, open dan het boek en sla tellend drie bladzijden om en lees vervolgens drie regels van de linkerbladzijde! U zult het afgeslagen hoofd horen spreken. Dit hoofd zal u antwoorden geven op al de vragen die u zult stellen!’ De koning, die deze woorden hoorde, was erg blij. Hij danste van vreugde en opwinding. Hij vroeg: ‘Dokter, zelfs als ik jouw hoofd eraf zou slaan, zou je dan nog spreken?’ ‘Jazeker majesteit. En dit is inderdaad een wonderbaarlijk feit,’ antwoordde de arts.

Hierop gaf de koning toestemming aan de arts, om onder begeleiding van een paar bewakers naar huis te gaan en zijn zaken af te handelen. Dokter Roeyan ging naar huis en regelde zijn zaken, waarna hij terugkeerde naar het paleis. Daar aangekomen, zag hij dat de koning en zijn ministers, de emirs, de officieren en al de belangrijke mensen van het rijk al aanwezig waren. De arts ging naar binnen en ging voor de koning staan. In zijn handen hield hij een zeer oud boek en een medicijndoos, waarin een hoeveelheid poeder zat. Vervolgens ging hij zitten en zei: ‘Breng mij een schotel!’ Men bracht hem een schotel. Hij stortte het poeder erop en streek het over de oppervlakte uit. Daarna richtte hij zich tot de koning: ‘Majesteit, neem dit boek, maar gebruik het niet voordat mijn hoofd er afgeslagen is! Zodra mijn hoofd afgeslagen is, plaats het dan op deze schotel. Geef daarna opdracht het stevig in het poeder te drukken zodat het bloeden wordt gestelpt. Open dan pas het boek!’ De koning was erg ongeduldig en luisterde niet meer naar de arts. Hij pakte het boek en deed het open, maar merkte toen dat de bladzijden aan elkaar kleefden. Hij stak zijn vinger in de mond en bevochtigde hem met speeksel, waarna hij erin slaagde het eerste blad open te slaan. Hetzelfde gebeurde bij het tweede en derde blad. Iedere keer kon hij de bladzijden slechts met grote moeite los van elkaar krijgen. Op deze wijze sloeg de koning zes bladzijden om. Hij wilde lezen, maar kon geen enkele letter ontdekken. Daarom zei hij tegen de arts: ‘Dokter, er staat niets in geschreven!’ ‘Blader op dezelfde wijze verder,’ antwoordde de arts. Daarna sloeg de koning nog een paar bladzijden om. Maar na enige ogenblikken drong het gif het lichaam van de koning binnen. Het boek was vergiftigd. Telkens als de koning zijn vinger in zijn mond deed om hem nat te maken, zodat hij een bladzijde kon omslaan, kreeg hij gif binnen. De koning viel op de grond, hij had vreselijke krampen en riep uit: ‘Ik ben vergiftigd!’ Daarop droeg dokter Roeyan de volgende dichtregels voor:  

‘De rechters, in deze moeilijke tijd,

hebben gevonnist tegen rechtvaardigheid.

Toch Heer, er bestaat nog gerechtigheid

of zijn dit de regels van het spel, altijd!

Mensen zijn naar hun waarde geoordeeld,

zij krijgen dus in deze stad geen standbeeld!

Als zij eerlijk en goedhartig waren geweest,

had men hen gespaard voor een volksfeest.

Maar zij hebben de mensen onrecht gedaan,

het lot heeft, op zijn beurt, met hen afgedaan!

Ze zijn voorwerp geworden van grote spot,

en van medelijden van het volk tot slot!

Zo is de wet: Het één is omwille van het ander,

dit is een levensregel die ik niet verander.

Het lot kent zijn vaste en harde wetten,

niemand kan ze naar zijn hand zetten!’ 

Op hetzelfde ogenblik dat dokter Roeyan zijn dichtregels eindigde, viel de koning dood neer. Na deze vertelling sprak de visser tot de geest: ‘Dus u, geest, leer van dit verhaal! Trek hier de les uit dat, als koning Yoenan dokter Roeyan gespaard had, God hem op Zijn beurt zou hebben gespaard. Maar hij weigerde en bezegelde daarmee zijn eigen lot. En u geest, als u mij zou sparen, zal God u ook sparen.” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Donyazad zei tegen haar: “Wat een verhaal!” Sjahrzad antwoordde: “Dit is niets bij wat ik jullie aanstaande nacht zal vertellen, tenminste, als ik nog in leven ben en de koning mij wil sparen!” De koning en Sjahrzad brachten de rest van de nacht in elkaars armen door en toen het weer ochtend was, begaf de koning zich naar de gerechtszaal. Nadat hij alle zaken voor die dag had afgehandeld, ging hij terug naar zijn paleis.

Maar toen de 6e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Mij werd verteld, majesteit, dat de visser toen tegen de geest zei: ‘Als u mij had gespaard, had ik u nu, op mijn beurt, ook gespaard. Maar u wilde mij doden en niet sparen. Dus zal ik u, opgesloten in deze fles, laten sterven en u in zee gooien!’

Toen de geest dat hoorde schreeuwde hij het uit. Hij riep: ‘Mijn God! Visser, doe dat niet! Spaar mij, wees niet boos over mijn handelwijze! Vergeef me dat ik je kwaad wilde doen en spaar me alsjeblieft! Denk aan het volgende beroemde spreekwoord:

‘Ach jij die goed doet aan degene die kwaad doet,

vergeef de boosdoener zijn misdaad, met spoed.’ 

En jij visser, behandel mij niet zoals Atika door Oemama is behandeld!’ De visser vroeg: ‘Wat was dan hun verhaal?’ De geest antwoordde: ‘Dit is niet het moment om dat te vertellen, nu ik opgesloten zit. Maar als je mij vrijlaat, dan zal ik je hun verhaal vertellen!’ De visser antwoordde: ‘Ach nee, ik moet u in zee gooien, zodat u niet meer kunt ontsnappen. Weet u nog, u wilde niet naar mij luisteren toen ik u smeekte om mij niet te doden. Ik had u helemaal niets misdaan, ik had u juist vrijgelaten uit uw kerker en als dank daarvoor wilde u mijn dood. Nu, ik ga u weer in zee gooien en zal iedereen die u eruit wil halen, waarschuwen.’ De geest smeekte opnieuw: ‘Laat me vrij, want nu is het ogenblik, om je het verhaal van Oemama en Atika te vertellen. Bovendien beloof ik je, dat ik je nooit meer enig kwaad zal doen. Integendeel, ik zal je van groot nut zijn in een zaak, die je voor altijd rijk zal maken.’

Nadat de geest had beloofd om de visser nooit meer enig kwaad te doen, maar hem juist van dienst te zijn, maakte de visser de fles open. De rook kwam opnieuw uit de fles en veranderde weer in een aartslelijke geest. De geest schopte met zijn voet tegen de fles en trapte deze de zee in. Toen de visser de fles de zee in zag vliegen, dacht hij: Dit is geen goed teken. Hij had nu door dat hij verloren was. De visser deed zijn best om zichzelf gerust te stellen en zei: ‘Geest, de Almachtige God heeft gezegd: ‘U dient u aan uw woord te houden! U zult op de Dag des Oordeels ter verantwoording worden geroepen!’ En u geest, u hebt mij beloofd om mij niet te verraden, maar mij een dienst te bewijzen! Dus, als u mij verraadt, zal God u straffen! Denk aan de volgende dichtregels: 

‘Een hardwerkende man of vrouw,

blijft Hem in eeuwigheid getrouw.

Hij heeft altijd voor iedereen geduld,

vergeet niets en is van genade vervuld.’ 

Ik heb u verteld wat dokter Roeyan tegen koning Yoenan zei: ‘Spaar mij en God zal jou sparen!’ Bij deze woorden begon de geest te lachen. Hij liep voor de visser uit en zei tegen hem: ‘Visser, volg mij!’ De visser liep wantrouwig achter de geest aan en zo verlieten ze de stad. Na een poos beklommen ze een berg. Daarna daalden ze af naar een uitgestrekte vlakte, waar een meer middenin lag. Toen stopte de geest en zei tegen de visser dat hij zijn net uit moest gooien. De visser keek in het water en zag allemaal witte, rode, blauwe en gele vissen. De man was opgetogen toen hij dit zag. De visser wierp zijn net uit en na het opgetrokken te hebben, zag hij dat er vier vissen in lagen van verschillende kleuren. De geest sprak tot hem: ‘Ga met deze vissen naar de sultan en bied ze hem aan! Hij zal je er vorstelijk voor belonen. Nu wil ik mijn verontschuldigingen aanbieden, want ik heb mijn goede manieren verleerd in de tijd dat ik in de zee verbleef. Wat jou betreft, je zult hier alle dagen komen vissen, maar elke dag slechts één keer!’ Na deze woorden stampte de geest met twee voeten op de grond. De grond opende zich en de geest verdween in de aarde. De visser keerde opgetogen terug naar de stad.

Thuisgekomen nam de visser een aarden pot. Hij vulde deze met water en deed de vier vissen er in. Ze begonnen meteen in het water te spartelen. Daarna ging hij met de pot op zijn hoofd naar het paleis van de koning, precies zoals de geest hem gezegd had.

Toen de visser bij de koning kwam, bood hij hem de vissen aan. De koning was opgetogen bij het zien van de vissen en zei tegen de visser dat hij nog nooit zulke vissen had gezien. De koning sprak tot zijn minister: ‘Laat de vissen smakelijk bereiden!’ De minister ging naar de negerin in de keuken. Deze negerin was een slavin die de koning drie dagen eerder als geschenk had gekregen van de koning van Rome. Er was nog geen gelegenheid geweest om de kookkunst van deze negerin uit te proberen. De minister gaf haar het bevel om de vissen te bakken: ‘Ach negerin, de koning draagt mij op om tegen je te zeggen:  

‘Ach mijn oogappel, lieve schat,

ik bewaar je niet als een schat,

de luie dagen zijn nu geweest,

laat je kunsten zien op mijn feest!’ 

Laat ons vandaag eens zien hoe goed je kunt koken. De koning heeft zojuist een man ontvangen die allemaal geschenken voor hem heeft meegenomen. Zorg er dus voor dat het een heerlijk gerecht wordt, want de koning wil indruk op hem maken.’ De minister keerde terug naar de koning. Daar aangekomen, gaf de koning hem de opdracht om de visser vierhonderd dinar te geven. Toen de minister het geld aan hem gegeven had, stopte de visser dit onder zijn gewaad en keerde, blij en tevreden, naar huis terug bij zijn vrouw. Daarna kochten de visser en zijn gezin alles wat zij mogelijkerwijs nodig hadden. Tot zover wat de visser betreft.

Wat de negerin betreft: Zij nam de vissen, maakte ze schoon, legde ze in de braadpan en liet ze aan één kant bakken. Daarna keerde zij de vissen om. Maar plotseling spleet de muur van de keuken open. Door de opening trad een beeldschoon jong meisje de keuken binnen.  

Dit meisje droeg een sluier van blauwe zijde om haar hoofd. Er hingen hangers in haar oren en ze had armbanden om haar polsen. Om haar vingers zaten ringen met kostbare edelstenen. In haar hand hield zij een stokje van bamboe. Het meisje in haar prachtige kledij liep naar de braadpan, stak het stokje erin en zei: ‘Vissen, houden jullie je nog steeds aan jullie belofte?’ De slavin die dit allemaal zag en hoorde, viel flauw. Het meisje vroeg dit een tweede en een derde maal aan de vissen. Toen hieven de vissen hun koppen uit de braadpan en zeiden: ‘Ja zeker, ja zeker!’ Daarop zongen de vissen in koor: 

‘Als je je belofte niet vervult,

heb je bij ons een grote schuld.

Houd je aan je gegeven woord,

dan zijn we helemaal akkoord!

Waag geen poging tot ontrouw

daarvan krijg je zeker berouw!’  

Toen het jonge meisje in haar prachtige kledij deze woorden hoorde, liep ze naar de braadpan en keerde deze om. Daarna liep ze terug naar de spleet in de muur en verdween op dezelfde manier waarop ze gekomen was. De muur sloot zich weer. Na een tijd, toen de slavin weer bijkwam, zag ze dat de vier vissen waren verbrand. Ze zagen er uit als zwarte kolen. De slavin mompelde: ‘Die arme vissen!’ Zij had deze woorden nog niet uitgesproken of ze zag dat de minister achter haar stond. Hij zei: ‘Breng de vissen naar de koning!’ De slavin barstte in huilen uit en vertelde het hele verhaal aan de minister. De minister was zeer verbaasd over wat hij hoorde en merkte op: ‘Wat merkwaardig!’ Daarop stuurde hij iemand om de visser te halen. De visser werd opgehaald. De minister zei tegen hem: ‘Het is absoluut nodig, dat je terugkomt met vier precies dezelfde vissen als de vissen die je eerder aan de koning hebt geschonken!’ De visser ging naar de vijver, wierp zijn net uit en haalde het weer binnen met vier vissen. Hij ging met deze vissen terug naar de minister. De minister ging naar de keuken, gaf de vissen aan de negerin en zei tegen haar: ‘Sta op en bak ze waar ik bij ben, zodat ik kan zien wat er gebeurt!’ De negerin stond op, bereidde de vissen en deed ze in de pan op het vuur. Na enige ogenblikken spleet de muur weer open en het jonge meisje verscheen opnieuw. Het meisje had dezelfde kleding aan en ook hetzelfde stokje in haar hand. Zij stak het stokje in de pan en riep: ‘Vissen, houden jullie je nog steeds aan jullie belofte?’ De vissen tilden allen hun kop op en zongen in koor:  

‘Als je je belofte niet vervult,

heb je bij ons een grote schuld.

Houd je aan je gegeven woord,

dan zijn we helemaal akkoord!

Waag geen poging tot ontrouw

daarvan krijg je zeker berouw!’ 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Maar toen de 7e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Mij werd verteld, majesteit, dat, toen de vissen begonnen te spreken, het jonge meisje met haar stokje de pan omkeerde en terug ging door de opening waardoor ze was binnengekomen, waarna de muur zich weer sloot. De minister stond op en zei: ‘Dit is een zaak die ik voor de koning niet verborgen mag houden!’ Hij ging naar de koning en vertelde hem, wat er in zijn aanwezigheid in de keuken was gebeurd. De koning zei: ‘Dat moet ik met mijn eigen ogen zien!’ Daarop zond hij iemand om de visser op te halen. De visser was nog maar net binnen of de koning gaf hem opdracht om weer precies dezelfde vier vissen te halen. De visser had maar drie dagen de tijd. Hij ging haastig naar de vijver terug en bracht onmiddellijk weer vier vissen. De koning gaf bevel om hem vierhonderd dinar te geven en zei tegen zijn minister: ‘Maak in mijn aanwezigheid deze vissen klaar!’ De minister antwoordde: ‘Ik luister en gehoorzaam!’ Nadat de minister de vissen had schoongemaakt, liet hij de braadpan brengen, bakte de vissen aan één kant bruin en draaide ze om. Plotseling spleet de muur van de keuken en kwam er een neger binnen. Deze neger hield in zijn hand een groene twijg. Hij sprak luid en met verschrikkelijke stem: ‘Vissen, houden jullie je nog steeds aan jullie belofte?’ De vissen hieven hun kopjes uit de pan op en zeiden: ‘Ja zeker, ja zeker!’ Hierop zongen ze in koor: 

‘Als je je belofte niet vervult,

heb je bij ons een grote schuld.

Houd je aan je gegeven woord,

dan zijn we helemaal akkoord!

Waag geen poging tot ontrouw

daarvan krijg je zeker berouw!’ 

De neger ging hierop naar de pan en keerde deze om met de tak, de vissen verbrandden en werden zwart als kool. Daarna vertrok hij door dezelfde opening als waardoor hij gekomen was. Nadat de neger vertrokken was, zei de koning: ‘Dit is een zaak waarover wij inderdaad niet kunnen zwijgen! Bovendien, er is geen twijfel mogelijk dat deze vissen een vreemde geschiedenis moeten hebben.’ Hij gaf opnieuw bevel de visser op te halen.

Toen de visser bij hem was, vroeg de koning aan hem: ‘Waar komen deze vissen vandaan?’ De visser antwoordde: ‘Majesteit, deze vissen komen uit een vijver gelegen tussen vier heuvels achter de berg, die uw stad omringt!’ De koning vroeg hem: ‘Hoeveel dagen zijn er voor nodig om daar te komen?’ De visser antwoordde: ‘Majesteit, daar is slechts een half uur voor nodig!’ De koning was erg verbaasd en gaf zijn wachters bevel, de visser onmiddellijk te volgen. De visser, die dit zeer vervelend vond, begon de geest te vervloeken.

De visser, de koning en de andere mannen vertrokken. Na een tijd beklommen ze de berg en daalden ze af naar een eenzame vlakte. Behalve de visser, had geen van de mannen deze vlakte eerder gezien. De koning en de soldaten verwonderden zich over deze verlaten vlakte, gelegen tussen vier bergen. Zij keken bewonderend naar de vijver, waarin vissen spartelden van vier verschillende kleuren: rood, wit, geel en blauw. De koning stond met open mond te kijken. Na een poosje verbrak hij de stilte en vroeg aan alle aanwezigen: ‘Is er behalve de visser, iemand van jullie die dit meer eerder heeft gezien?’ ‘Nee majesteit,’ riepen alle mannen in koor. Hierop sprak de koning: ‘Bij God, ik zal niet meer naar mijn stad terugkeren en niet meer plaats nemen op mijn troon, voordat ik het geheim ken van dit meer en van deze vissen!’ Hij gaf zijn soldaten bevel een afzetting om de berg heen te maken. Daarna riep hij zijn minister, een geleerde en wijze man. Toen de minister bij hem was, sprak de koning tot hem: ‘Ik ben van plan iets te gaan doen en wil u er van tevoren over inlichten. Ik ben van plan mij vannacht af te zonderen en alleen de oplossing te zoeken van het geheim van dit meer en van de vissen. U neemt plaats bij de ingang van mijn tent en zegt tegen de bevelhebbers, de gouverneurs en de kamerheren dat de majesteit van streek is en dat hij u het bevel heeft gegeven niemand bij hem toe te laten. U mag niets over mijn plan aan iemand anders vertellen.’ De minister had geen andere keus dan de koning te gehoorzamen. Daarna vermomde de koning zich, gespte zijn zwaard om en sloop weg zonder te worden opgemerkt. De koning liet iedereen achter. Hij liep zonder te rusten de hele nacht door tot aan het ogenblik waarop de hitte te drukkend werd en hem dwong om te rusten. De koning liep opnieuw de rest van de dag en een tweede nacht door tot aan zonsopgang. Plotseling zag hij in de verte iets zwarts. De koning was zeer verheugd en sprak tot zichzelf: Misschien zal ik daar iemand vinden, die mij de geschiedenis van dit meer en van deze vissen kan vertellen! Toen hij dichter bij dat zwarte iets kwam, zag hij dat het een paleis was, geheel uit zwarte steen opgetrokken en verstevigd met brede muurijzers. De koning zag dat de ene vleugel van de deur open stond en dat de andere vleugel gesloten was. Hij liep naar de deur en klopte zachtjes aan, maar er kwam geen antwoord. Daarna klopte hij nog een tweede en een derde keer, maar weer kwam er geen antwoord. Hij besloot om de vierde keer heel hard te kloppen, maar nog steeds kwam er geen antwoord. Toen zei hij tegen zichzelf: ‘Er is geen twijfel mogelijk, dit paleis is verlaten.’ De koning vatte moed en ging het paleis binnen. Hij kwam in een gang en riep luid: ‘Hallo, eigenaar van het paleis. Is hier iemand? Hallo, hier staat een reiziger die eten nodig heeft. Wilt u mij alstublieft helpen?’ Hij stelde zijn vraag nog een tweede en een derde keer, maar er kwam geen antwoord. Hij liep verder het paleis binnen, maar ook daar zag hij niemand. Het paleis was versierd met prachtige tapijten. In het midden van de grote salon stond een waterbassin waaruit vier leeuwen van rood goud oprezen. Het water dat uit hun open muilen sproeide, flonkerde als vloeibaar kristal. Rondom het waterbassin waren allemaal vogels, ze konden het paleis niet uitvliegen. Een groot net was over het paleis heen gespannen. De koning vond dit een schitterend gezicht. Hij vond het jammer dat hij niemand kon vinden die hem het geheim van het meer, de vissen, de bergen en het paleis kon vertellen. Vervolgens ging de koning tussen twee deuren in zitten en dacht na over wat hij verder zou doen. Plotseling hoorde hij iemand zachtjes klagend, met een verdrietige stem, de volgende verzen zingen:  

‘Mijn smarten heb ik niet lang geheim kunnen houden,

ik heb liefdesverdriet, ik kan geen mens vertrouwen!

De slaap in mijn ogen is veranderd in slapeloosheid

gedurende de nacht, ik ben al mijn krachten kwijt!

Ach liefde! Zij is op het roepen van mijn stem afgekomen,

wat een kwelling is dit! Hoe kan mij dit overkomen?

Ik wil lang genieten in alle rust,

heb medelijden voordat je me kust.

Bovenal, zoek haar, die heel mijn ziel is, niet op

om haar te doen lijden: Ze haalt mij telkens uit het slop.’

Toen de koning deze klaagzang hoorde, stond hij op en liep in de richting waar de stem vandaan kwam. Hij kwam bij een deuropening waar een gordijn voor hing. Hij tilde het gordijn op en zag in een grote zaal een jongeman die, steunend op zijn elleboog, op een groot bed lag. Het was een slanke jongeman met een fluweelzachte stem. Hij had in het midden van zijn ene wang een mooie moedervlek, die leek op een druppel donkere amber. En de dichter zei:  

‘Slank en charmant, die jongeman, wat een pracht,

haren zo donker, zó zwart als de duistere nacht!

Zijn voorhoofd zo helder als een stralende ster

die de nacht verlicht, dichtbij en heel ver!

Met zoiets moois zijn mensenogen nog nooit verwend,

het schouwspel van zijn sierlijkheid is ongekend.

Onder één van zijn ogen, op de roos van zijn wang,

zit een vlek, die daar blijft een heel leven lang.

Zo herken je deze vreemde sinjeur,

onder alle jongemannen met grandeur.’ 

Toen de koning de jongeman zag, was hij opgetogen en sprak tot hem: ‘Vrede zij met u!’ De jongeman bleef op zijn bed liggen. Hij droeg een zijden kleed dat gestikt was met goud. De jongeman straalde een grote droefheid uit. Hij begroette de koning: ‘Verontschuldig mij dat ik niet opsta!’ De koning zei: ‘Jongeman, kun je mij het geheim vertellen van het meer en van zijn gekleurde vissen? Wat is er met dit paleis aan de hand en waarom huil je?’ De koning had deze woorden nog niet uitgesproken of de jongeman begon nog harder te huilen, de tranen liepen over zijn wangen. De koning vroeg hem: ‘Wat is er aan de hand, dat je zo moet huilen?’ De jongeman antwoordde: ‘Waarom zou ik niet huilen?’ Hij strekte zijn hand uit naar de zoom van zijn kleed en sloeg dit op. De koning zag dat de onderste helft van de man van marmer was, de andere helft was die van een levend mens. De jongeman zei tegen de koning: ‘De geschiedenis van de vissen is een vreemd verhaal, maar wie dit hoort kan er een les uit trekken.’ Daarna vertelde de jongeman deze geschiedenis: 

Verhaal van de betoverde jongeman en de vissen 

‘Weet u, mijnheer, de naam van mijn vader was Mahmoed. Hij was de koning van deze stad en bovendien de heerser over de Zwarte Eilanden en over deze vier bergen. Na zeventig jaar te hebben geregeerd, stierf hij. Ik erfde zijn koninkrijk en werd de koning van deze stad. Ik trouwde met de dochter van mijn oom. Zij hield zo veel van mij, dat ze niet at en dronk als ik niet bij haar was. Wij waren vijf jaar zeer gelukkig getrouwd.

Op zekere dag ging ze naar het badhuis. Dit was tegelijk het einde van ons gelukkige huwelijk. Voordat zij naar het badhuis ging, gaf zij opdracht aan de chef-kok om de schotels voor ons avondmaal klaar te maken. Toen mijn vrouw ons paleis verliet om naar het badhuis te gaan, ging ik op ons bed liggen en droeg twee van mijn slavinnen op om mij koelte toe te wuiven met een waaier. De ene plaatste zich bij mijn hoofd, de andere bij mijn voeten. Omdat ik aan mijn afwezige vrouw dacht, kon ik niet slapen. Ik had dan wel mijn ogen dicht, maar mijn geest bleef wakker. Toen hoorde ik de slavin die achter mijn hoofd stond, tegen de slavin die bij mijn voeten stond, zeggen: ‘Ach Masoeda, wat heeft onze meester een ongelukkige jeugd! Wat jammer dat hij onze meesteres tot echtgenote heeft, deze misdadigster!’ De andere antwoordde: ‘Ik hoop dat God deze overspelige vrouw zal straffen! Hoe is het mogelijk dat een vrouw als deze, een man heeft gekregen met zo ’n goed karakter als onze jonge koning? Zij, die al haar nachten in verschillende bedden doorbrengt!’ De slavin die aan het hoofdeinde van mijn bed stond, antwoordde: ‘Echt, onze koning moet wel goed van vertrouwen zijn, om geen vermoeden te hebben van de daden van deze vrouw!’ De andere slavin zei: ‘Hoe moet hij weten wat zijn echtgenote ‘s nachts uitspookt? Denk je dat hij ooit de kans krijgt dit te ontdekken? Weet je dan niet dat ze altijd iets in de beker doet waaruit hij elke nacht drinkt voordat hij gaat slapen?’ De andere antwoordde: ‘Wat beweer je allemaal, meisje? Hoe kan onze koning vermoeden wat zijn vrouw doet? Ze doet een slaapmiddel in de beker met wijn, geeft deze aan hem, hij drinkt dit op en valt in een diepe slaap. In deze toestand kan hij niet weten wat er gebeurt, noch waar zij heengaat, noch wat zij doet. Nadat ze hem de wijn laat drinken, kleedt zij zich om en gaat weg tot het weer ochtend is. Als ze terugkomt, verbrandt ze poeder onder zijn neus. Hij ademt de rook in en dan ontwaakt hij uit zijn slaap.’ Toen ik de woorden van deze slavinnen hoorde, wachtte ik somber tot het avond werd en mijn vrouw terugkwam van het badhuis. De bedienden dekten de tafel en nadat we samen hadden gegeten, vroeg ik om de dagelijkse beker wijn. Mijn vrouw gaf me de beker wijn en ik deed net of ik deze leegdronk, maar goot de wijn ondertussen bij mijn kleding in. Daarna stond ik op, ging naar bed en deed alsof ik sliep. Mijn vrouw fluisterde: ‘Slaap en ik hoop dat je nooit meer wakker wordt. Ik walg van je en ik heb meer dan genoeg van jou.’ Daarna stond ze op, deed haar mooiste kleren aan en besprenkelde zich met parfum. Ze gespte een zwaard om, opende de deur van het paleis en liep naar buiten. Zodra ze buiten was, stond ik op en volgde haar. Ze liep door de stad en uiteindelijk bereikte zij de stadspoorten. Daar sprak ze tegen de poortwachters in een taal die ik niet verstond. De wachters openden de poort, zodat ze de stad uit kon. Ik achtervolgde haar zonder dat ze het merkte, totdat ze bij een paar heuvels aankwam. Deze waren gevormd door een opeenhoping van afval. Naast de heuvels stond een kasteel met een koepel er bovenop. Ze liep naar binnen en ik klom op het dakterras van de koepel en hield haar vanuit deze hoogte in de gaten. Daarbinnen lag een neger uitgestrekt op een hoopje stro van suikerriet. Deze neger zag er verschrikkelijk uit. Hij had een bovenlip als een keteldeksel en een onderlip als de ketel zelf. Deze twee lippen hingen zo laag, dat ze de kiezels uit het zand konden zeven. Zodra mijn vrouw de neger zag, kuste zij zijn handen. De neger hief het hoofd op en zei tegen haar: ‘Waarom ben je zo laat? Ik heb ook andere mannen uitgenodigd. Deze mannen zijn alvast begonnen met drinken. Ze zitten bij hun minnaressen, maar ik moest op jou wachten.’ Mijn vrouw antwoordde: ‘Ach liefste van mijn hart, je weet toch dat ik een gebonden vrouw ben. Ik ben met mijn neef getrouwd, maar je weet toch dat ik een hekel aan hem heb! Overigens, als ik niet bang was dat jij, mijn liefste, zou worden getroffen, dan had ik deze stad al lang verwoest, met alle bewoners daarin. Dan was in deze stad alleen maar de roep van de uil en het gekras van de kraai nog te horen. Ik zou dan de stenen naar het Kaukasus-gebergte laten brengen!’ De neger sprak: ‘Je liegt, bedriegster! Ik zweer je dat, als je vanaf vandaag nog een keer te laat bent, ik je vriendschap zal afwijzen en niet meer met je verder zal gaan! Weet je, je bent een trouweloze verraadster. Je bent alleen maar te laat, omdat jij je verlangens ergens anders bent gaan bevredigen.’

Dit alles vertelde de verdrietige prins aan de koning. Hij vertelde verder: ‘Toen ik dit gesprek hoorde en met mijn eigen ogen zag wat er verder nog tussen hen gebeurde, werd ik zo kwaad dat ik niet meer wist waar ik was en wat ik deed. Mijn vrouw begon te huilen en kuste de handen van de neger, terwijl ze zei: ‘Ach mijn liefste, ik heb alleen maar jou, als je me wegstuurt dan weet ik niet meer wat ik moet doen.’ Ze hield niet op met huilen en ging zo lang door met smeken totdat de neger het haar vergaf. Ze stond op, deed al haar kleren uit en vroeg toen: ‘Ach mijn meester, heb je voor je slavin iets te eten?’ De neger antwoordde: ‘Neem het deksel van die ketel daar, daarin vind je gehakt van muizenbeenderen. Eet dit en kauw de beenderen fijn. Dan moet je de kruik die je daar ziet pakken en de wonderdrank boeza opdrinken.’ Mijn vrouw stond op, at en dronk wat, waste daarna haar handen en ging terug naar de neger om naast hem te gaan liggen. Toen ik al deze dingen zag, die mijn vrouw deed, kon ik mij niet langer beheersen. Ik klom naar beneden en stormde het vertrek binnen waar mijn vrouw en de neger zich bevonden. Daar nam ik het zwaard dat mijn vrouw had meegenomen. Ik was vastbesloten om hen te doden. Eerst sloeg ik de neger in zijn nek en wist niet beter dan dat ik hem gedood had.” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Toen het weer ochtend was, ging koning Sjahriar weer naar de gerechtszaal, om na een drukke dag terug te keren in het paleis. 

Maar toen de 8e Nacht was aangebroken, zei Donyazad tegen haar zus: “Ik smeek je, ga verder met je vertelling!” Sjahrzad antwoordde: “Van harte en met plezier! Mij werd verteld, majesteit, dat de betoverde jongeman tegen de koning zei: ‘Toen ik de neger sloeg met de bedoeling hem het hoofd af te hakken, raakte ik inderdaad zijn hals, de huid en het vlees. Ik dacht hem te hebben gedood, want hij rochelde met een vreselijk geluid. Mijn vrouw, die tijdens dit gebeuren in diepe slaap was, werd wakker nadat ik vertrok. Ze pakte het zwaard, stak het weer in de schede en keerde terug naar de stad. Daar aangekomen, ging ze naast mij op het bed liggen tot het weer ochtend werd. De volgende dag zag ik, dat mijn vrouw haar lokken had afgeknipt en rouwkleding droeg. Tegen mij zei ze: ‘Beste echtgenoot, veroordeel mij niet om wat ik doe, want ik heb net het bericht gekregen dat mijn moeder is overleden! Ook is mij verteld dat mijn vader is gesneuveld in de heilige oorlog. Tevens heb ik een bericht ontvangen dat één van mijn broers is gedood door de steek van een schorpioen. Mijn andere broer is levend begraven onder de puinhopen van een instortend gebouw. Ik heb dus het recht te huilen en te treuren.’

Toen mijn vrouw dit vertelde, deed ik net of ik van niets wist en zei: ‘Doe wat je nodig vindt, want ik sta je dit toe.’ Het hele jaar bleef ze in de rouw, maar toen het jaar afgelopen was, zei ze tegen mij: ‘Ik wil graag voor mezelf in jouw paleis een graftombe bouwen met een koepel. Deze zal het Rouwhuis heten! Daar wil ik mij afzonderen in mijn verdriet.’ Ik zei tegen haar: ‘Doe wat je nodig vindt!’ Ze bouwde toen voor zichzelf haar Rouwhuis, met een koepel. Zij bracht de neger die niet dood was, maar wel zwak en uitgeput, naar dit Rouwhuis. Dit hield de neger echter niet tegen. Hij bleef steeds wijn en de wonderdrank boeza drinken. Sinds de dag dat hij gewond was, kon hij niet meer spreken, maar hij bleef wel in leven. Zijn tijd was nog niet gekomen. Elke dag ging mijn vrouw naar hem toe in het Rouwhuis en bleef bij hem, van de vroege ochtend tot de nacht. Zij verzorgde de neger en gaf hem ‘s morgens en ‘s avond te eten en te drinken. Dit ging zo het hele tweede jaar door. Maar op een dag, toen ik onverwacht in haar kamer kwam, trof ik haar aan terwijl zij huilde en zichzelf in het gezicht sloeg en met een treurige stem deze verzen opzei: 

‘Ach liefste, sinds je bent weggegaan,

leid ik een sober kluizenaarsbestaan.

Ik ben erg eenzaam met een gesloten hart,

dit heb ik aan jou te danken, het was hard.

Bij terugkeer naar je geliefde en amant,

neem haar dode lichaam mee, heel galant.

Als herinnering aan haar aardse leven,

schenk haar een graf dat je haar wilt geven.

Maar dichtbij jezelf, zodat jullie altijd

bij elkaar kunnen blijven, heel gewijd.

Zodra je bij haar graf komt treuren,

zal jouw stem haar naam opfleuren.

Dan zal je geliefde zich jouw naam

kunnen herinneren met roem en faam.

Maar uit mijn graf zul je niets horen

wat jou, de ontrouwe, zal kunnen bekoren.

Het enige wat je nog zal kunnen horen,

is mijn droeve zuchten in je dove oren.’ 

Zodra ze gestopt was met haar klaagzang, zei ik tegen haar, met het ontblote zwaard in mijn hand: ‘Jij verraadster! Dit zijn de woorden van een trouweloze, die de banden van het verleden verloochent en trapt op onze vriendschap!’ Toen ik mijn arm omhoog hief om haar te slaan, stond ze plotseling op. Ze wist nu dat ik degene was die de neger had verwond. Ze richtte zich in haar volle lengte op en sprak woorden uit die ik niet begreep: ‘Moge God je door de kracht van mijn toverkunst veranderen in half steen en half mens!’ Mijnheer, ik veranderde op dat ogenblik in de gedaante zoals u mij nu ziet. Ik kon mij niet meer bewegen. Op deze wijze ben ik dood noch levend. Nadat mijn vrouw mij in deze toestand had gebracht, betoverde zij de vier eilanden van mijn koninkrijk en veranderde deze in bergen met een meer in het midden. Mijn onderdanen veranderde zij in vissen. Maar dit was nog niet alles. Vanaf dat moment martelt ze mij iedere dag. Zij slaat mij met een dunne lederen riem en geeft me honderd zweepslagen tot bloedens toe.” 

Sjahrzad vervolgde haar vertelling: “De jongeman begon na deze woorden te huilen en zei de volgende verzen op:

‘Ik wacht op uw rechtvaardig oordeel,

o mijn God, ik heb geduld, heel veel!

De geprezen wil van Hem is altijd welkom,

Hoewel, ik kom zeker in mijn ellende om!

Ik kan nergens anders heen, ik ben Uw bezit,

Heer o God, die onze gezegende profeet aanbidt!’ 

Toen wendde de koning zich tot de jongeman en zei tegen hem: ‘Je hebt mij nog verdrietiger gemaakt dan dat ik al was. Zeg mij, waar is deze vrouw?’ De jongeman antwoordde: ‘In de graftombe onder de koepel bij de neger. Elke dag komt ze naar mij toe, ontdoet mij van mijn kleren en geeft mij honderd zweepslagen, terwijl ik huil en schreeuw en me niet verdedigen kan. Nadat ze mij heeft mishandeld, keert zij naar de neger terug en brengt hem ’s ochtends en ’s avonds wijn en eten.’ De koning reageerde: ‘Mijn God, jongeman, ik zal je een dienst bewijzen en je bevrijden uit de narigheid waarin jij je bevindt!’ Vervolgens zette de koning het gesprek voort, totdat het weer nacht werd. Toen het uur van de tovenaars gekomen was, stond de koning op. Hij kleedde zich uit, gespte zijn zwaard om en ging naar de plaats waar de neger zich bevond. Daar brandden de kandelaars, hij rook opnieuw de wierook. Hij liep recht op de neger af en sloeg hem dood met zijn zwaard. Vervolgens nam hij hem op zijn rug en gooide hem in een diepe put die vlak bij het paleis lag. Daarna kwam hij terug, deed de kleren van de neger aan en wandelde een poosje onder de koepel op en neer, terwijl hij met zijn hand het zwaard rondzwaaide. Een uur later kwam de tovenares bij de jongeman. Onmiddellijk nadat zij binnenkwam, ontkleedde zij de zoon van haar oom, nam een zweep en ranselde hem af. De jongeman schreeuwde uit volle borst: ‘Houd op! Heb medelijden met me! Mijn ellende is groot!’ Zij antwoordde: ‘En jij, heb jij medelijden met mij gehad? Heb jij mijn minnaar gespaard? Nee! Welnu, wacht!’ Zij trok hem kleren van prikkend geitenhaar aan. Zij deed zijn andere kleding daar weer overheen. Daarna ging zij terug naar de neger en bracht hem een beker wijn en een kom afgietsel van kruiden. Ze ging onder de koepel staan en begon luid te huilen en te smeken: ‘Ach, ach, ach mijn meester, spreek alstublieft tegen mij!’ Vervolgens zei ze met droevige stem deze verzen:  

‘Hoe lang zal deze pijnlijke afstand nog duren?

Ik moet jouw liefde vanaf vandaag wel bezuren.

Dit is voor mij een marteling boven mijn krachten,

hoe lang ontwijk je mij, hoe lang moet ik wachten?

Was het je om mijn last, verdriet en ellende te doen,

je wens is vervuld, ik zit nu in zak en as, net als toen!’ 

Daarna barstte ze in snikken uit en herhaalde: ‘Ach meester, spreek tegen mij, ik wil u nog een keer horen!’ De zogenaamde neger zette toen zijn tong scheef en begon de negerspraak na te bootsen, terwijl hij zei: ‘Ha, ha, alle krachten en machten komen van God!’ Toen ze zijn woorden hoorde, na al die tijd dat hij niet gesproken had, schreeuwde ze het uit van vreugde en blijdschap: ‘Is mijn meester genezen?’ De koning, die de kleding van de neger droeg, antwoordde met zwakke stem: ‘Ach ontuchtige, je verdient het niet dat ik met je spreek!’ Ze vroeg: ‘Waarom dan niet?’ ‘Omdat je alle dagen niets anders doet, dan je man mishandelen, tot hij schreeuwt en om hulp roept,’ antwoordde de koning. Hij houdt mij met zijn geschreeuw de hele nacht wakker, waardoor mijn krachten niet terugkomen en ik jou geen antwoord kan geven.’ Ze zei: ‘Als jij het beveelt, zal ik hem verlossen uit de toestand, waarin hij zich bevindt.’ De koning antwoordde: ‘Verlos hem en geef ons onze rust terug!’ De vrouw sprak: ‘Ik luister en gehoorzaam!’ Na dit gezegd te hebben, stond ze op en liep de tombe uit. Ze liep het paleis weer in en nam een koperen beker, gevuld met water. Zij sprak daar toverwoorden over uit en het water begon te koken, zoals water kookt in een ketel. Daarna besprenkelde zij de jongeman ermee en zei: ‘Ik beveel je om weer te veranderen in de gedaante die je vroeger had!’ De jongeman begon te trillen, kwam overeind en ging staan. Hij schreeuwde van blijdschap. Daarna zei de vrouw tegen hem: ‘Verdwijn en kom niet terug, anders zal ik je doden!’ Hierop ging zij terug naar de tombe. Daar aangekomen sprak ze: ‘Ach mijn meester, sta op, zodat ik je weer goed kan zien!’ De koning in de kledij van de neger zei met zwakke stem: ‘Ach jij hebt nog niets gedaan! Je hebt me slechts een gedeelte van mijn rust teruggegeven. De voornaamste oorzaak heb je nog niet weggenomen!’ Zij vroeg: ‘Maar mijn liefste, wat is dan de voornaamste oorzaak?’ Hij antwoordde: ‘De vissen in het meer, die niets anders zijn dan de inwoners van deze oude stad en van de vier vroegere eilanden. Ze houden niet op, elke nacht hun koppen uit het water te steken en jou en mij te vervloeken. Dat is de reden waarom ik mijn krachten niet terugkrijg. Je moet hen dus weer veranderen in de gedaante van vroeger. Pas daarna kun je komen om mij te helpen bij het opstaan. Dan zal ik mijn gezondheid weer terugkrijgen!’ Toen zij de woorden van de koning hoorde, van wie zij dacht dat hij de neger was, zei ze: ‘Ach mijn liefste, ik zal doen wat je van me vraagt.’ Na dit gezegd te hebben, stond ze op en liep weg. Bij het meer aangekomen, nam ze een beetje water en …” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Maar toen de 9e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Mij werd verteld, majesteit, dat de tovenares een beetje water uit het meer nam en daarover een paar geheimzinnige woorden uitsprak. Daarop begonnen de vissen te spartelen en staken hun koppen uit het water. Op datzelfde ogenblik veranderden ze weer in mensen. De toverkracht die de inwoners in zijn ban hield, was verbroken. De stad werd een welvarende stad met fraaie winkelstraten. De inwoners gingen weer aan het werk. De bergen waren weer de eilanden, die ze altijd waren geweest. Daarna ging de jonge vrouw haastig naar de neger terug, maar ze wist nog steeds niet dat hij de koning was. Ze zei tegen hem: ‘Ach mijn liefste, geef mij je hand, zodat ik hem kan kussen!’ De koning antwoordde met diepe stem: ‘Kom dichterbij!’ Ze liep naar hem toe. Plotseling pakte de koning zijn zwaard en stak haar met zoveel kracht in haar borst, dat de punt er bij haar rug weer uit kwam. Daarop hakte hij haar met één slag in twee helften. Nadat dit gebeurd was, ging de koning naar de betoverde jongeman. Deze kon zijn benen weer gebruiken. De koning wenste hem geluk met zijn bevrijding. De jongeman kuste de hand van de koning uit dank en eerbied. Hierop zei de koning: ‘Wil je in jouw stad blijven of ga je met mij mee naar mijn stad?’ De jongeman antwoordde: ‘Majesteit, u weet niet welke afstand er tussen hier en uw stad is?’ De koning zei: ‘Twee en een halve dag.’ Toen zei de jongeman tegen de koning: ‘Majesteit, om hiervandaan naar uw stad te gaan, hebt u een heel jaar nodig. Als u in twee en een halve dag hier bent gekomen, komt dat doordat de stad betoverd was. Overigens, majesteit, ik zal geen moment meer van uw zijde wijken!’ De koning was erg blij met deze woorden en zei: ‘Ik dank God dat Hij jou op mijn weg heeft laten komen. Voortaan ben je mijn zoon, aangezien God mij tot nu toe geen kind geschonken heeft!’ Ze omhelsden elkaar en liepen naar het paleis van de jonge koning. De jonge koning liet bekend maken dat hij ging vertrekken voor een heilige bedevaart naar Mekka. Hij liet zijn ministers de reis goed voorbereiden en alles klaarzetten wat hij ook maar nodig zou kunnen hebben. Vervolgens vertrok hij samen met de koning. Deze verlangde erg naar zijn stad, want hij was een jaar afwezig geweest. Zij hadden vijftig blanke slaven bij zich, beladen met geschenken. Ze onderbraken hun reis niet en reisden dag en nacht door. Na een jaar kwamen ze in de omgeving van de stad van de koning. De minister ging met de notabelen van de stad en vele soldaten op weg om de koning tegemoet te gaan. Ze hadden langzamerhand de hoop opgegeven om de koning ooit weer terug te zien. De soldaten naderden de koning, knielden voor hun vorst neer en heetten hem welkom. De koning trad zijn paleis binnen en nam na een lange afwezigheid plaats op de troon. Toen riep hij zijn minister bij zich en bracht hem op de hoogte van alles, wat er was gebeurd. Nadat de minister de geschiedenis van de jongeman had gehoord, wenste hij hem geluk met zijn redding. Ondertussen deelde de koning de geschenken uit en zei tegen zijn minister: ‘Laat onmiddellijk de visser hier komen, die mij destijds de vissen heeft gebracht.’ De minister stuurde iemand om de visser te halen, die aanleiding had gegeven tot de redding van de bewoners van de stad. De koning liet hem bij zich komen, schonk hem eregewaden en stelde hem allemaal vragen over zijn leven, onder meer of hij kinderen had. De visser antwoordde dat hij een zoon en twee dochters had en dat zijn zoon inmiddels getrouwd was. De koning hield de visser bij zich en benoemde hem tot hoofdbewaker van de schatkamer. Hierna stuurde de koning zijn minister als gouverneur naar de stad van de jongeman, gelegen op de Zwarte Eilanden. Ook stuurde hij vijftig blanke slaven met hem mee. Deze slaven dienden al een lange tijd in zijn paleis. De koning schonk deze minister nog meer sieraden en eregewaden. De minister kuste uit eerbied de beide handen van de koning en vertrok naar de stad, gelegen op de Zwarte Eilanden. De jongeman was nu een vaste bewoner van het paleis van de koning.

Wat de visser betreft: Hij was benoemd tot hoofdbewaker van de schatkamer. Hij vergaarde hierdoor grote rijkdom, hij was de rijkste man van zijn tijd geworden. Zijn twee dochters trouwden met twee gouverneurs, zij stierven als de twee echtgenotes van twee gouverneurs.”

Na een adempauze ging Sjahrzad verder met haar vertelling: “U moet niet denken dat deze geschiedenis wonderbaarlijker is dan die van de lastdrager. 

Geschiedenis van de lastdrager en de drie meisjes 

Er leefde eens een vrijgezelle man in Bagdad, hij was lastdrager van beroep. Op een dag, toen hij op de markt gedachteloos tegen zijn mand aanleunde, zag hij dat er een dame recht voor hem stond. Zij was gehuld in een wijde zijden sluier. Haar mantel was van brokaat met gouden lovertjes. Zij deed haar gezichtssluier even omhoog en daar vertoonden zich een paar mooie, dromerige, zwarte ogen met lange wimpers! Ze was slank en fijn van gestalte. Zij sprak warm tot de drager: ‘O drager, pak je mand op en volg mij!’ De onthutste drager kon niet geloven wat hij gehoord had. Hij pakte zijn mand op en volgde de jonge vrouw. Na een tijdje lopen stopte de dame voor de deur van een huis. Zij klopte op de deur en er kwam een olijfboer naar buiten. De jonge vrouw kocht van hem voor één dinar olijven. Zij deed deze in de mand en zei tegen de drager: ‘Pak je mand op en volg mij!’ De drager pakte vol enthousiasme zijn mand op en volgde de jonge vrouw. Daarna stopte zij voor de kraam van een groenteman. Zij kocht appels uit Syrië, kweeperen uit Turkije, perziken uit Oman, jasmijn uit Aleppo, waterlelies uit Damascus, komkommers uit het Nijl-gebied, limoenen uit Egypte, vorstelijke sukade, veenbessen, hennabloemen, bloedrode anemonen, viooltjes, granaatappelbloesem en narcissen. Ze deed deze boodschappen in de mand van de drager en zei: ‘We gaan,’ en de drager pakte de mand op en volgde haar. Toen ze bij de slager kwamen, vroeg de jongedame aan de slager: ‘Ik wil graag drie pond vlees.’ Zij wikkelde het vlees in een pisangblad, deed dit in de mand en zei: ‘Drager, we gaan!’ Hij droeg de mand en volgde haar naar de notenventer. Zij kocht hier allerlei soorten noten en zei weer tegen de drager: ‘Volg mij!’ Bij de banketbakker kocht zij een schotel met gesuikerde krakelingen, muskusgebak, gevulde koekjes, pasteitjes, limoentaart, appetijtelijke confituren, bonbons, kleine soesjes, Turks fruit en boterkoekjes. De banketbakker pakte deze schotel feestelijk in, plaatste deze in de mand en zei: ‘Als u mij gewaarschuwd had, had ik een lastdier geregeld om al uw boodschappen naar huis te brengen.’ De jonge vrouw glimlachte, wees naar de drager en zei: ‘Hij is een flinke drager!’ Verder kocht ze bij de parfumerie tien soorten geuren zoals rozenwater, een hoeveelheid bedwelmende parfums, een verstuiver met muskus, wierook, aloëhout, amber en muskuspoeder. Als laatste kocht zij waskaarsen uit Alexandrië. Zij deed al deze boodschappen weer in de mand en sprak tot de drager: ‘Pak de mand op en volg mij!’De man pakte de mand op en volgde de jonge vrouw tot zij middenin een tuin bij een prachtig paleis aankwam. Het was een statig gebouw, vierkant van vorm en indrukwekkend. De hoofddeur bestond uit twee ebbenhouten vleugels met roodgouden platen. De jongedame bleef voor de deur staan en trok aan de bel. Een meisje deed de deur open. De drager zag alweer een elegant en mooi meisje, ze was lieftallig en volmaakt. Haar voorhoofd schitterde als de nieuwe maan, haar ogen waren mooi als die van een ree, haar wenkbrauwen waren als de maansikkel, haar rode wangen leken op een anemoon, haar mond was als een robijn, haar gelaat was als de maan, haar borsten waren als twee granaatappels. De drager kreeg het gevoel dat hij zijn verstand aan het verliezen was. Hij dacht: Dit is wel de beste dag van mijn leven! Het meisje dat de deur open had gedaan, nodigde de drager en de jongedame naar binnen: ‘Kom binnen zus, je bent hier van harte welkom! Ook jij, beste drager!’

Ze liepen een grote zaal binnen, waar zijden tapijten op de grond lagen en de muren waren bekleed met goudbrokaat. De meubels waren met goud bewerkt. Met goud versierde en geglazuurde vazen stonden overal te pronken. De stoelen waren bekleed met goudbrokaat in prachtige motieven. Er hingen fraaie fluwelen gordijnen in de kamers. In het midden van de zaal stond een sofa van marmer. Deze was versierd met schitterende parels en edelstenen. Boven het bed was een roodsatijnen muskietennet gespannen. Op dit bed lag een wonderschoon meisje met prachtige ogen te rusten. Ze was als een schitterende ster, een echte Arabische vrouw. Immers luidt een gedicht: 

‘Ach meisje, wie jou ziet onder het blauwe dak,

denkt aan een prachtige, elegant gebogen tak.

Wat men over je zegt, zonder te overdrijven,

kan jou nimmer naar behoren omschrijven.

Ofschoon ieders gestalte uniek is,

is die van jou volmaakt, ach schone narcis.

Een tak is alleen mooi aan de boom,

maar jij bent altijd mooi, een levende droom!

De kleding die je draagt, van zijde en brokaat,

verhogen de schoonheid van je gestalte en gelaat.’ 

Het meisje kwam van het bed af, liep naar het midden van de zaal toe, naar haar zussen en zei: ‘Waarom blijven jullie daar staan? Help de drager met zijn spullen.’ Daarop gingen de drie zussen de man helpen om de boodschappen weg te zetten. Ze haalden alles uit de mand, ze legden alle boodschappen op hun plek. Ze gaven de drager twee dinar en zeiden: ‘Drager, je kunt gaan!’ De drager keek naar de jonge meisjes en dacht: Zulke mooie meisjes heb ik nog nooit in mijn leven gezien en ook zo’n prachtig paleis niet. Hij vroeg zich af of de meisjes nog vrijgezel waren. Hij zag en rook veel wijn, fruit en heerlijk geurende bloemen in de zaal. Hij wilde graag bij al dit moois blijven. Het oudste meisje vroeg aan hem: ‘Waarom ga je niet weg? Of wil je meer geld hebben?’ Ze richtte zich tot haar zus: ‘Geef hem nog een derde dinar.’ Maar de drager zei: ‘Jullie hebben mij tien keer zoveel gegeven als mijn normale loon. Hier heb ik genoeg aan. Ik vraag me af of er een man in jullie leven is, want jullie zijn mooie en lieve jongedames.’ De meisjes bloosden en knikten dat er inderdaad geen man in hun leven was. Hierop reageerde de drager: ‘Jullie weten toch, dat een moskee vier minaretten heeft! Het wordt tijd dat er een man in jullie leven komt. Met vier zielen zal dit huis nog gezelliger zijn. Wat denken jullie hiervan?’ De jonge meisjes vertelden dat de reden dat ze nog ongehuwd waren, te maken had met een geheim dat zij aan niemand durfden te vertellen. Bij deze woorden riep de drager uit: 

‘Ik zweer dat ik jullie geheim zal bewaren,

al word ik opgehangen aan mijn haren.’ 

De drager zei verder dat hij volgens de regels leefde van het volgende gedicht:  

‘Alleen begaafde mannen en vrouwen

kun je een groot geheim toevertrouwen.

De goede mensen komen hun beloften na,

dus vertrouw mij, zoals ik hier sta!’ 

De meisjes zeiden toen: ‘Drager, wij hebben voor dit paleis een groot bedrag betaald. Als je graag dag en nacht bij ons wilt blijven en huis en haard met ons wilt delen, dan moet je jouw deel van de prijs van dit paleis in goud aan ons betalen.’ De oudste van de meisjes zei:  

‘Liefde zonder geld op de weegschaal

heeft geen gewicht, dus einde verhaal!’ 

Het meisje dat de deur had geopend, zei: ‘Heb je geen gouden munten, dan kun je wel weer weggaan!’ Op dat ogenblik kwam het meisje dat de boodschappen had gedaan, tussenbeide en zei: ‘Meiden, laten we hiermee ophouden! Deze jongen heeft ons niets kwaads gedaan. Wie ook in zijn schoenen stond, hij was er al lang van doorgegaan. Ik zal zijn deel betalen.’ ‘Dankzij jou kan ik hier blijven,’ zei de drager vol vreugde. De zusjes riepen tegelijk: ‘Beste drager, je kunt hier blijven, alles wat van ons is, is ook van jou!’ Toen stond het meisje van de inkopen op en pakte een kan wijn. De andere meisjes brachten hapjes en kleine versnaperingen. Daarop ging iedereen op een mooie plaats bij de vijver zitten. Het eerste meisje schonk iedereen een beker wijn in en nam plaats bij de anderen. De drager dacht, dat hij sliep en droomde. Het meisje schonk de ene beker na de andere, totdat iedereen aangeschoten was. De drager zong het gedicht:  

‘Drink deze wijn, ook in een zware tijd,

dit is de verwekker van alle vrolijkheid.

De wijn schenkt je gezondheid en kracht,

het middel dat meer goed dan kwaad bracht!

Neem slechts wijn in een goede stemming,

dan bewijst hij je zijn dienst zonder remming!

Alleen een vrolijke dronkenschap is in staat

ons met wellust te verzadigen, vroeg of laat!’ 

Hij kuste daarna de handen van de drie meisjes en dronk nog een beker leeg. Vervolgens ging hij naar de oudste zus en zei: ‘Mijn dame, ik wil graag bij u horen!’ Toen zong hij verder: 

‘Aan je deur staat de slaaf van je ogen,

de minste van je slaven, door liefde bewogen!

Hij kent zijn meesteres, haar gewaden,

haar edelmoedigheid en vele weldaden.

Hij weet tevens van alle dank en eerbied

die iedereen haar aanbiedt met een loflied.’ 

Toen sprak zij tot hem: 

‘Drink dan nu, mijn goede vriend,

dit water dat je dorst bedient!

Ik wens dat het je kracht mag geven

en een lang en gezond leven!’ 

Na dit gedicht nam de drager nog een beker, kuste de hand van het tweede meisje en zong verder: 

‘Ik bood mijn geliefde een beker wijn,

net zo rood als haar wangen zijn.

Die gloeiden van liefde en hartstocht

ik was van de wijs en voorgoed verkocht.’ 

De woorden van de drager spraken het meisje aan. Zij vroeg hem: ‘Hoe wil je mij dan mijn eigen wangen schenken?’ Terwijl de drager het meisje de beker aanreikte, antwoordde hij: ‘Drink, mijn liefste, dit is de wijn van mijn vurige hart! Mijn kostbare tranen vormen dit water. De rode kleur is mijn bloed. Mijn ziel zit in deze wijn!’ Het meisje nam de beker van de drager aan, nam een slok en ging daarna bij haar zussen zitten. De meisjes begonnen te dansen, te zingen en met prachtige bloemen te spelen. En al die tijd nam de drager de meisjes in zijn armen en kuste hen. De ene maakte grapjes met hem, de andere trok hem naar zich toe en de derde streelde hem met bloemen. Ze bleven drinken tot ze allemaal bedwelmd waren.

Na een tijdje stond één van de meisjes op, deed al haar kleren uit, sprong in de vijver en begon met het water te spelen. Ze gooide water naar de drager totdat hij drijfnat was. Het meisje waste zich helemaal en vervolgens kwam zij uit het water. Ze liep naar de drager, ging naast hem zitten, legde haar hoofd op zijn schoot en terwijl ze naar het plekje tussen haar dijen wees, vroeg zij: ‘Mijn lieveling, weet je de naam hiervan?’ De drager antwoordde: ‘Ha, ha! Dit heet gewoon ‘het huis van genade!’ Toen riep zij uit: ‘Hé, hé, schaam je je niet?’ ‘Ze pakte hem bij zijn nek en begon hem te slaan. De drager zei: ‘Nee, nee, dat heet een vulva!’ Maar zij zei: ‘Een andere naam!’ De man zei: ‘Welnee, dat is je middenmootje!’ Zij antwoordde: ‘Iets anders!’ ‘Het is je horzel,’ antwoordde hij. Bij deze woorden begon ze hem zo hard op zijn nek te slaan, dat zijn huid kapot ging. Toen zei hij: ‘Zeg me dan eens hoe het heet!’ ‘Het heet koningskruid voor een boterham,’ antwoordde het meisje. Hierna gingen de beker en de schotel rond.

Het tweede meisje deed haar kleren uit en sprong in de vijver om zichzelf te wassen. Zij ging net als haar zusje op de schoot van de drager zitten. Daar, terwijl ze met de vinger naar haar dijen en het plekje tussen haar dijen wees, vroeg zij aan de drager: ‘Beste drager, wat is de naam hiervan?’ ‘Je steegje,’ antwoordde hij. Het meisje riep uit: ‘Ach wat zeg je toch lelijke dingen.’ Ze sloeg hem en gaf hem zulke klappen in het gezicht, dat de hele zaal ervan weergalmde. De drager zei hierop: ‘Welnee, dat is je middenmootje!’ Ze riep: ‘Welnee,’ en begon hem weer op zijn nek te slaan. Toen vroeg hij aan haar: ‘Maar hoe heet het dan?’ ‘Een geopende sesamdoosvrucht,’ antwoordde het meisje.

Het derde meisje stond toen op, kleedde zichzelf uit en sprong in de vijver om zichzelf te wassen. Ze trok haar kleren weer aan, ging op de schoot van de drager zitten en zei: ‘Raad de naam van dit plekje,’ terwijl zij naar haar fijne deel wees. De drager zei: ‘Het heet zus, ach nee zo!’ Toen dit meisje hem ook begon te slaan, zei de drager: ‘Oké, zeg me dan hoe dit heet.’ ‘De herberg van vadertje Mansoer,’ antwoordde het meisje.

Toen stond de drager op en deed zijn kleren ook uit. Hij sprong in de vijver terwijl zijn zwaard op het water dreef! Hij waste zijn lichaam en ging op de schoot van één van de zusjes zitten. Hij strekte zijn beide benen uit tussen die van het meisje dat de inkopen had gedaan. Toen, naar zijn mannelijkheid wijzend, vroeg hij aan dit meisje: ‘Lief meisje, hoe heet hij?’ Bij deze woorden barstten de drie meisjes in lachen uit en riepen: ‘Je lid!’ ‘Foei nee,’ zei de drager en gaf elk van hen een beet. Toen zeiden de meisjes: ‘Je werktuig!’ ‘O nee,’ zei hij en kneep hen alle drie in de borst. Verbaasd riepen ze in koor: ‘Maar dat is wel je werktuig, hij gloeit! Het is wel je lid, hij is opgewonden!’ Toen schudde de drager weer zijn hoofd. Hij zoende hen daarna, beet hen, kneep hen en klemde hen in zijn armen, terwijl zij uitbundig lachten. Uiteindelijk vroegen ze hem: ‘Zeg ons dan hoe hij heet!’ De drager dacht een ogenblik na, keek tussen zijn dijen, knipoogde en zei: ‘Ach mijn beste meiden, dit zijn de woorden die dit ding, mijn lid dus, zojuist heeft gezegd: ‘Mijn naam is de sterke en gezonde spier, die het koningskruid voor een boterham raakt en van het proeven daarvan geniet. Hij logeert in de herberg van vadertje Mansoer.’ Bij deze woorden vielen zij weer om van het lachen.

Daarna gingen ze verder met het drinken van wijn tot diep in de avond. De meisjes zeiden tegen de drager: ‘Nu is het genoeg, omdraaien en wegwezen!’ ‘Mij ziel kan veel makkelijker mijn lichaam verlaten dan ik dit huis,’ antwoordde de drager. Laten we deze nacht samen doorbrengen tot zonsopgang. Morgen zal ieder van ons weer naar de bestemming gaan die de Almachtige God aanwijst!’

Het meisje dat samen met de drager de inkopen had gedaan zei: ‘Zusjes, we vragen hem om de nacht met ons door te brengen. We zullen zeker veel om hem lachen, want hij is een schaamteloze losbol en hij is erg lief!’ Ze zeiden tegen de drager: ‘Je kunt vannacht bij ons blijven op voorwaarde dat je je niet bemoeit met zaken die je niet aangaan!’ De drager zei: ‘Uw wens is mijn bevel, beste dames!’ ‘Lees voor wat er op de deur geschreven staat,’ bevalen de meisjes aan de drager. Hij keek in de richting van de deur en zag dat daar in gouden letters stond geschreven: 

‘Spreek niet over de zaken die je niet aangaan,

anders hoor je lelijke dingen! Heb je ’t verstaan?’ 

Nadat de drager dit had voorgelezen, beloofde hij: ‘Ik zal me niet bemoeien met zaken die mij niet aangaan!” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

Maar toen de 10e Nacht was aangebroken, sprak Donyazad tot Sjahrzad: “Beste zus, zou je verder willen gaan met het vertellen van het verhaal van gisteravond?” “Graag, zus, met alle liefde,” zei Sjahrzad en vertelde verder, terwijl ze zich tot koning Sjahriar richtte: “Majesteit, gisteravond hoorden wij dat de drager de belofte had gedaan om zich niet te bemoeien met zaken die hem niet aangingen.

Toen stond één van de meisjes op, zette het eten op tafel en iedereen liet zich dit goed smaken. Na het eten stak men de geurkaarsen aan, er werd hout en wierook gebrand. Iedereen zat gezellig te drinken en van de gekochte hapjes te genieten. De drager droeg uit het hoofd mooie gedichten voor, met gesloten ogen en opgeheven hoofd.

Plotseling hoorden ze dat er op de deur geklopt werd. Dit stoorde hun gezellige feest niet, ze gingen door met het nuttigen van de heerlijke hapjes en de drank. Het meisje dat bij de deur zat, stond op en liep naar de deur. Ze keerde terug en vertelde: ‘Onze tafel wordt vanavond voltallig. Aan de deur staan drie niet-Arabische gasten met afgeschoren baard. Ze zijn alle drie blind aan het linker oog: Een wonderlijk toeval! Het zijn vreemdelingen, ik zag dit meteen, ze moeten uit Rome gekomen zijn. Elk van hen heeft een ander uiterlijk, ze zijn grappig en ze zien er belachelijk uit. Zullen we hen laten binnenkomen? Dan hebben we zeker plezier!’ De woorden van dit meisje waren zo overtuigend, dat de andere twee meisjes en de drager in koor zeiden: ‘Zeg tegen hen: Jullie mogen binnenkomen, maar op één voorwaarde. Jullie mogen je niet mengen in ons gesprek, want onze zaken zullen voor jullie onaangenaam klinken.’ Het meisje liep naar de deur en kwam terug met de drie éénogigen. Inderdaad: Hun baarden waren afgeschoren, hun snorren waren omhoog gedraaid. Alles aan deze onverwachte gasten wees erop, dat zij bedelaars waren.

Binnenkomend, groetten de drie mannen het gezelschap. De andere twee meisjes stonden op en nodigden hen gastvrij uit te gaan zitten. Nadat ze plaats hadden genomen, keken ze naar de drager, die stomdronken was. Toen ze hem goed hadden geobserveerd, kwamen ze tot de ontdekking dat ook hij een vreemdeling was en zeiden: ‘Kijk, hij is ook een niet-Arabier, net als wij! Hij zal ons dus goed gezelschap kunnen houden.’ Maar de drager reageerde: ‘Kom nou! Ik heb niets te maken met jullie! Kijk wat er geschreven staat, daar op de deur!’ Bij deze woorden barstten de meisjes in lachen uit en zeiden: ‘Wij zullen ons kostelijk vermaken met deze vreemdelingen en de drager!’

Eén van de zusjes bood de bedelaars wijn aan. De vreemdelingen begonnen om de beurt te drinken en lieten de beker telkens door het meisje aangeven. Toen ze een paar slokken hadden gehad, zei de drager: ‘Oké, mannen, hebben jullie niet één of ander mooi verhaal of wonderbaarlijk avontuur te vertellen?’ Ze werden enthousiast en blij door deze woorden. Er werden muziekinstrumenten gebracht om muziek te kunnen maken. Eén van de meisjes kwam met een tamboerijn met belletjes uit Mosul, een luit uit Irak en een flageolet uit Perzië. De drie vreemde mannen gingen staan. De één nam de tamboerijn met belletjes, de tweede nam de luit en de derde de flageolet. De drie mannen begonnen te spelen en de meisjes begeleidden hen met zang. De drager was behoorlijk enthousiast, hij was ontroerd door de prachtige stemmen van de meisjes. Tussen de liederen door hoorde men opnieuw aan de deur kloppen.

Weer ging hetzelfde meisje kijken wie er was. Aan de deur stond kalief Haroen ar-Rasjid in burgerkleding. Hij had zijn paleis verlaten om zijn stad te bezoeken en zelf te zien en te horen welke dingen er mogelijkerwijs aan de hand waren. Haroen was vergezeld van zijn minister Jafar Barmaki en van zijn zwaardridder en beul Masroer. Haroen had de gewoonte zich dikwijls als koopman te vermommen. Die nacht kwam hij, door de straten van de stad lopend, bij de woning waar hij muziek hoorde en het lawaai van het feest. Kalief Haroen beval tot zijn minister Jafar: ‘Ik wil hier naar binnen om te kijken van wie deze stemmen zijn.’ ‘Dit moet een groep dronkaards zijn. Laten we wachten om naar binnen te gaan, er zou iets lelijks met ons kunnen gebeuren,’ merkte Jafar op. De kalief zei echter: ‘We moeten beslist naar binnen gaan. En ik wil, dat je een middel vindt om binnen te komen en hen te verrassen.’ ‘Ik luister en gehoorzaam,’ antwoordde Jafar op dit bevel. De minister trad naar voren en klopte op de deur. Een meisje deed de deur open en vroeg wie ze waren. Jafar antwoordde: ‘Jongedame, wij zijn handelaren uit Tabarestan bij de Kaspische zee. Tien dagen geleden zijn wij met koopwaar in Bagdad aangekomen en we logeren in de Handelarenherberg. Vanavond had één van de handelaren uit Bagdad ons getrakteerd op een heerlijk diner in zijn huis. Na deze heerlijke en uitvoerige maaltijd die een uur duurde, verlieten we zijn huis om terug te gaan naar de herberg. Maar het was donker en wij konden de herberg niet vinden, dus zijn we verdwaald. Nu doen wij een beroep op uw gastvrijheid. Zou u ons toestemming willen geven om binnen te komen en de nacht bij u door te brengen? God zal u hier zeker voor belonen!’ Het meisje dat de deur had opengedaan, vond dat deze mannen er werkelijk als keurige handelaren uitzagen. Zij excuseerde zich even, ging naar haar beide zussen en vroeg hen om raad. De andere twee meisjes zeiden: ‘Laat hen binnen!’ Het meisje liep terug om hen binnen te laten. Nadat zij de deur weer open had gedaan, sprak zij tot de mannen op de stoep: ‘Jullie zijn welkom, kom binnen!’ De kalief Haroen, de minister Jafar en de beul Masroer gingen naar binnen. Bij binnenkomst van deze drie mannen, stonden de andere meisjes op en heetten hen welkom: ‘Jullie zijn hier van harte welkom! Neem het ervan, gasten! Wij stellen u alleen één voorwaarde! Onze voorwaarde luidt dat jullie niet mogen praten over dingen die jullie niet aangaan. Jullie zullen vanavond dingen te horen krijgen die voor jullie onaangenaam zijn.’ ‘We zullen ons zeker aan uw voorwaarde houden,’ riepen de drie handelaren in koor. Na deze belofte gingen de mannen zitten. Ze kregen wijn te drinken en lieten de beker rondgaan. De kalief keek met grote verbazing naar de drie bedelaars en zag dat ze blind waren aan hun linkeroog. Toen merkte hij op dat de meisjes jong en mooi waren. De meisjes bleven zich met de gasten bezig houden. Toen één van de meisjes de kalief een beker wijn aanbood, weigerde hij deze met de woorden: ‘Ik ben een goede hadji!’* 

* Hadji: Iedere vermogende moslim heeft de religieuze plicht om tenminste eenmaal in zijn leven op bedevaart (= hadj) naar Mekka te gaan. Als hij deze bedevaart heeft volbracht, wordt hij aangesproken met hadji. 

Het meisje dat bij de deur zat, plaatste een fijn ingelegd tafeltje voor de kalief, waarop ze een kopje van Chinees porselein neerzette. Zij goot bronwater, rozenwater en suiker met een stukje ijs in het kopje: Een heerlijk zoete drank voor een hadji. Kalief Haroen nam het aan en bedankte het meisje. Hij dacht: ‘Ik moet haar morgen voor deze daad en al het goede wat zij doet, belonen!’ De meisjes bleven hun plicht als gastvrouw vervullen en de drankjes rondbrengen. Toen de wijn zijn werk had gedaan, stonden de meisjes op en vroegen de aanwezige mannen of ze nog iets wensten. De mannen dankten de vrouwen voor het genotene. Het meisje dat boodschappen had gedaan sprak tot de andere twee meisjes: ‘Meiden, sta op, we gaan onze plichten als gastvrouw vervullen!’ ‘Zoals je wilt,’ riepen de twee meisjes.

Het meisje dat bij de deur zat, stond op en sprak tot de aanwezigen: ‘Ga in het midden van de zaal staan, want ik moet de zaal schoonmaken.’ De andere twee meisjes riepen toen de drager bij zich en zeiden: ‘Kom, jij bent hier geen vreemde, jij behoort tot het huis!’ De drager stond op, tilde de panden van zijn gewaad omhoog, snoerde zijn riem dicht en zei: ‘Ik gehoorzaam jullie!’ ‘Wacht op je plaats,’ zeiden de meisjes. Na enige tijd zei het meisje van de boodschappen tot de drager: ‘Kom me helpen!’ De drager volgde haar en ze gingen de zaal uit. Buiten de zaal zag hij twee teven van een zwart hondenras, die een ketting om hun hals droegen. De drager bracht ze naar het midden van de zaal. Eén van de meisjes stroopte haar mouwen op, nam een zweep en zei tegen de drager: ‘Breng mij één van de teven!’ Hij pakte de halsketting van één van de teven, sleepte haar mee en bracht haar naar het meisje. De teef begon te janken en hief haar kop op naar het meisje. Zonder hierop te letten, viel het meisje de hond aan en sloeg haar met de zweep op de kop. De teef jankte en huilde. Het meisje hield niet op met slaan totdat ze lamme armen kreeg. Ze wierp de zweep weg en nam de teef in haar armen, drukte haar tegen de borst, droogde haar tranen en kuste haar kop, terwijl ze deze in haar twee handen vasthield. Daarop zei het meisje tegen de drager: ‘Breng mij de andere hond!’ De drager liet de andere teef dichterbij komen en het meisje behandelde haar net als de eerste hond.

De kalief aanschouwde dit alles met grote verbijstering. Zijn hart was van medelijden vervuld en zijn borst kromp ineen van verdriet. Hij gaf Jafar een teken om hem duidelijk te maken, dat hij het meisje hierover uitleg moest vragen. Jafar antwoordde hem met gebaren, dat het beter was zich stil te houden. Toen wendde het meisje zich tot haar zussen: ‘Kom, laten we doen wat we anders ook gewend zijn!’ ‘Wij gehoorzamen,’ riepen de twee meisjes. De oudste zus ging op het met goud en zilver ingelegde marmeren bed liggen en zei tegen haar twee zussen: ‘Laat ons nu zien wat jullie weten.’ Vervolgens stond het meisje dat bij de deur zat, op en ging naast haar zus op het bed liggen. Het meisje van de boodschappen stond ook op en ging naar haar kamer. Even later kwam ze terug met een satijnen zak, versierd met franje en groene zijde. Zij bleef voor de meisjes op het bed staan, opende de zak en haalde een luit tevoorschijn. Zij gaf de luit aan het meisje van de deur. Terwijl dit meisje de luit stemde, zong zij een levenslied: 

‘Ach toe, geef de slaap terug aan mijn ogen

en vertel me, waarheen is mijn geest gevlogen?

Toen ik de liefde in mijn lichaam liet komen,

verliet de slaap boos mijn ogen, ook al mijn dromen.

Het noodlot keek naar mij en vroeg,

terwijl ik mijn ogen snel neersloeg:

‘Wat heb je gedaan, beste kameraad?

Je was toch braaf en sprak nooit kwaad!

Jij was deugdzaam, zo kenden we jou,

je bewandelde het rechte pad zo trouw!

Zeg ons dan, zonder te dralen,

wie heeft je nu zo laten dwalen?’

Ik sprak weemoedig tot het noodlot,

terwijl ik voelde zijn lichte spot:

‘Ik ben het niet, geduld maar even,

de liefde zal u opheldering geven.

Ik, ik antwoord u steeds, dat mijn bloed

haar toebehoort, dit geeft mij levensmoed.

Ik antwoord u steeds, het is geschied,

omdat ik het liever voor haar vergiet.

Ik ga eerder met de dood trouwen,

dan deze zware last in mij te houden!

Ik heb een vrouw gekozen om haar

in m’n gedachten te prenten, voorwaar.

Mijn gedachten weerspiegelen haar beeld,

haar rol in mijn wereld is niet uitgespeeld!

Als ik dat beeld verjoeg, zou ik mijn hart

in vlam zetten of in een oceaan van smart.

U zult mij vergeven als u haar ziet,

en mij gelijk geven door een loflied!

God heeft dit juweel gemaakt

en met levenswater aangeraakt.

Hij heeft met hetzelfde levenswater

granaatappel met parels gemaakt, later!’

Men vroeg mij: ‘Ach onnozele dwaas,

vind je nog iets anders dan een waas

van klachten, tranen en leed, wat je griefde

of de spaarzame genoegens in de liefde?

Als je in het heldere water kijkt,

zie je een schaduw die op je lijkt!

Je drinkt uit een bron zonder te proeven,

toch ben je verzadigd naar behoeven!’

Ik antwoordde iedereen heel zacht,

terwijl ik het volgende overdacht:

De drank heeft mij niet in zijn macht,

met zijn verraderlijke smaak en kracht.

Dit gebeurde niet alleen door haar te zien,

er gebeurden nog andere dingen bovendien!

Dit heeft voor altijd in mijn leven,

de slaap uit mijn ogen verdreven!

Het zijn niet de voorbije zaken

die mij nachten hebben doen waken.

Dit allemaal hoort bij haar verleden,

maar steekt de kop op in het heden.

Het zijn niet de dierbare zaken

die ik kwijt heb moeten raken,

die mij in deze staat hebben gebracht,

maar haar bittere afscheid, onverwacht.

Nu zou ik met mijn blikken,

weer een ander kunnen strikken.

Ik ben degene van wie de ziel is verknocht

aan haar welriekend lichaam, verkocht

aan de ambergeur en de muskuslucht

van haar lijf, waarnaar ik steeds zucht.’ 

Toen het meisje klaar was met haar levenslied, sprak haar zus tot haar: ‘Hopelijk zal God je troosten, lieve zus!’ Het meisje van de deur werd zo verdrietig door dit lied, dat zij haar kleren scheurde en bewusteloos op de grond viel. De kalief zag dat het meisje allemaal zweepslagen en striemen op haar rug had. Hij was hierover zeer verbaasd. Het meisje dat boodschappen had gedaan, besprenkelde het gezicht van haar zus, waardoor ze weer bijkwam. Zij deed haar zus andere kleren aan. De kalief zei tegen Jafar: ‘Het lijkt alsof jou dit allemaal niets kan schelen, zie je dan niet dat die vrouw geslagen is en onder de striemen zit? Ik zal hier niet eerder vertrekken voordat ik de waarheid weet over het mishandelen van deze vrouw en de twee honden.’ ‘Spreek niet over de zaken die je niet aangaan, anders hoor je lelijke dingen! Heb je ’t verstaan?’ antwoordde Jafar. Ondertussen pakte het meisje van de boodschappen de luit, ging hierop tokkelen en zong: 

‘Wat zouden we antwoorden in deze tijd,

als men klaagt over liefde en genegenheid?

Als wij zelf door de liefde waren geveld,

dan was het slecht met ons gesteld.

Een antwoord op deze levensvragen

bracht ons slechts tot weeklagen.

Waarlijk, een tolk is sprakeloos en stom,

hij maakt van de liefde kuit noch hom.

Als wij geduld oefenen, kalm en stil,

dan is het liefdesverdriet geen bittere pil.

De smart van de liefde brengt de mens,

man en vrouw, tot de doodsgrens.

Voor ons is er niets meer over dan spijt,

rouw en tranen, door de liefde in deze tijd.

Ach vertrokken geliefde, hier ben ik,

met gepijnigde ogen en verstarde blik.

Ik moet jouw afscheid nog verwerken,

maar dat brengt mij bijna onder de zerken.

Ach geliefde, spreek een woord tegen mij,

dan vind ik jou en ben ik voorgoed blij.

Onze vervlogen liefde is dan toch bewaard

en mijn totale verdwazing daarmee verklaard.

Ach geliefde, ben je ons liefdeslied vergeten?

Het had onze liefde vereeuwigd, ongesleten.

Al mijn krachten zijn uitgeput, ik ben op,

dit dank ik aan jou, ik ben rijp voor de strop!

Als van onze liefde mijn deel de verbanning is,

zal ik op de Grote Dag bij God klagen, gewis.’ 

Bij dit trieste lied verscheurde de oudste zus haar kleren, huilde en viel bewusteloos neer. Het meisje van de boodschappen stond weer op, besprenkelde het gezicht van haar oudere zus zodat ze bijkwam. Zij deed haar andere kleren aan. De oudste zus ging op het bed zitten en zei bijna smekend: ‘Zing nog eens zo’n mooi triest lied, zodat wij ons schuldgevoel een beetje kunnen verzachten. Het meisje van de boodschappen stemde haar luit en begon opnieuw te zingen:  

‘Hoe lang duurt deze verwijdering nog,

want in mij woedt hevig een oorlog?

Waarom heb je mij zonder enige emotie

verlaten en mij doen twijfelen aan jouw devotie?

Weet je dat ik geen tranen meer over heb

en nog steeds gevangen zit in jouw liefdesweb?

Jij verliet mij en denkt zo onze oude band

te verwaarlozen, maar ik ben nog altijd tolerant.

Als het je doel was om mij jaloers te maken,

is dat gelukt, ik schreeuw het van de daken!

Het lot trekt steeds de verliefde mannen voor,

de arme vrouwen krijgen dit altijd te laat door.

De vrouwen vinden geen dag zonder te blaken,

om hun ontrouwe minnaars verwijten te maken.

Bij wie moet ik mij beklagen en wie betichten,

om mijn ongeluk een beetje te verlichten?

Mijn aanhoudende ongeluk is door jou gekomen,

moordenaar van mijn hart, verlaat mijn dromen.

De teleurstelling wacht op klager,

want zijn vordering is nu heel mager.

Hij heeft zijn betaalde schuld verloren,

maar hij is nog niet droog achter de oren!

Het verdriet van mijn gebroken hart

verhoogt jouw weerzin en mijn smart.

Ik begeer je, ik verlang naar jou,

je beloofde mij een leven van trouw!

Ach geliefde met een hart van steen,

waar gaat dit toch allemaal heen?

Ik heb genoeg van jou en mij,

ach alle moslims, keer het tij!

Ik laat het aan jou over, aan jou,

om mij te wreken op je ontrouw!

Moge hij hetzelfde verdriet ondergaan

en niet meer op zijn benen kunnen staan!

Mogen zijn ogen geen slaap ontmoeten

en geen dromen hem meer begroeten.

Hij heeft me door zijn liefde klein gemaakt,

toen ik mijn hart aan hem ben kwijtgeraakt.

Ik wens dat ook een ander, zoals ik,

hem meemaakt, vooral zijn mooie blik.

Dan weet men wat geluk is en vrolijkheid,

verliefdheid kent immers gelukzaligheid!’

Van ons twee kreeg ik de meeste ellende,

maar hij was degene die voorgoed wegrende!

Aan degene die mij dit alles verwijt,

is morgen de tijd van diepe spijt!’ 

Het meisje dat bij de deur zat, scheurde haar kleding en viel bewusteloos op de grond. Op haar ontblote lichaam waren ook de striemen van zweepslagen te zien. Bij dit aanzicht zeiden de drie handelaars tegen elkaar: ‘Het zou veel beter voor ons geweest zijn, als we dit huis niet waren binnengekomen, zelfs op gevaar af de hele nacht op aardhopen te hebben moeten liggen. Dit schouwspel heeft ons zo droevig gestemd, dat het ons de ruggengraat breekt!’ De kalief riep verbijsterd tegen de meisjes: ‘Waarom?!’ ‘Wat daarnet allemaal gebeurd is, heeft ons allen zeer diep getroffen,’ antwoordden de meisjes. De kalief vroeg: ‘Zijn jullie niet de eigenaars van dit huis?’ ‘Welnee, dit huis is van de man die naast jullie zit,’ antwoordden de meisjes, terwijl zij naar de drager wezen. De drager riep: ‘Bij God, dit is de eerste nacht dat ik in dit huis doorbreng!’ De handelaars overlegden met elkaar en zeiden: ‘Wij zijn hier met zeven mannen en zij zijn met slechts drie vrouwen! Laten we hen vragen waarom dit alles hier gebeurt.’ De mannen waren het hierover eens, behalve Jafar, die zei: ‘Is dit wel eerlijk? Denk eraan, dat wij hun gasten zijn en dat zij ons hun voorwaarden gesteld hebben. Wij moeten daaraan voldoen. Bovendien zullen we wel zien hoe deze nacht afloopt. Dan zullen we met Gods zegen vertrekken en zien wat God voor ons heeft gepland.’ Daarop knipoogde hij tegen de kalief en zei: ‘We zullen hier nog maar een uurtje blijven. Ik beloof u, dat ik deze dames morgen bij u zal brengen en dat ze zullen praten over wat hier allemaal gebeurt.’ Maar de kalief weigerde dit en zei: ‘Ik heb geen geduld meer om tot morgen te wachten.’ De mannen vroegen zich af: Wie van ons zal deze vraag aan de vrouwen stellen? Ze waren het er over eens dat de drager dit moest doen. De meisjes bemerkten het geroezemoes van de mannen en vroegen hen waar zij het over hadden. De drager stond op en zei: ‘Lieve dames, wij willen graag nu het hele verhaal horen over de mishandeling van de twee honden en waarom jullie deze twee honden daarna liefkoosden. Wat is de oorzaak van de striemen die jullie op de rug hebben? Wat is jullie antwoord hierop?’ De oudste zus vroeg aan de mannen: ‘Is het waar, dat de drager dit namens jullie zegt?’ Alle mannen, uitgezonderd Jafar, antwoordden: ‘Ja, het is waar!’ Jafar hield zich stil. Het jongste meisje zei: ‘Bij God, jullie hebben ons vreselijk beledigd! We hebben jullie van te voren onze voorwaarde gesteld. Denk hieraan: 

‘Spreek niet over de zaken die je niet aangaan,

anders hoor je lelijke dingen! Heb je ’t verstaan?’ 

We hebben jullie met goede zorgen behandeld en jullie hebben kunnen genieten van een heerlijke maaltijd.’ Bij deze woorden stroopte zij haar mouwen op, stampte driemaal met haar voet op de grond en riep: ‘Kom onmiddellijk!’ Direct ging één van de deuren van de kleedkamertjes, waarvan de gordijnen waren neergelaten, open en kwamen er zeven gespierde negers te voorschijn. Zij zwaaiden met de scherpe zwaarden in hun handen. Het meisje riep tot deze negers: ‘Bind ze vast, deze mannen met hun grote mond. De negers riepen in koor: ‘Meesteres, ach roos die verborgen is voor een mannenblik, wilt u dat wij de hoofden van deze mannen afhakken?’ ‘Heb geduld! Ik wil eerst van deze mannen horen wie zij echt zijn,’ antwoordde het meisje. De drager riep: ‘Beste vrouw, ik ben onschuldig. Deze mannen zijn hun belofte niet nagekomen, maar ik wel!’ En terwijl hij naar de kalief wees, zei hij verder: ‘Bij God, we hadden een fantastische nacht beleefd als deze man zijn belofte was nagekomen!

Deze onheilbrengende man heeft met al zijn gedachten en daden onze fantastische nacht in een nachtmerrie veranderd!’ De drager riep de volgende dichtregel:  

‘Zoals de sterke kan vergeven

is een schoonheid te beleven,

vooral voor hen die weerloos zijn

is de schoonheid ervan immer rein.

Om de vriendschap die ons verbindt,

die ik absoluut onverwoestbaar vind,

ik smeek je, dood de onschuldige niet

om hem die je als schuldig ziet!’ 

Toen de drager klaar was met zijn gedicht, begon het meisje te lachen.”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.


Maar toen de 11e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Het meisje dat eerst erg kwaad was, zei nu lachend: ‘Vertel alles wat je kunt vertellen, want je hebt nog slechts een uur te leven! Ik heb nog aardig veel geduld gehad, omdat ik weet dat jullie arme mannen zijn. Als jullie voorname mannen waren, was het direct slechter met jullie afgelopen.’ Hierop zei de kalief tegen Jafar: ‘Vertel de meisjes wie wij ‘echt’ zijn, anders gaan zij ons doden.’ Jafar antwoordde: ‘Wij krijgen wat we verdienen!’ De kalief zei: ‘Ga nu even geen grappen maken, onze tijd is kostbaar.’ Eén van de meisjes vroeg aan de bedelaars: ‘Zijn jullie soms broers van elkaar?’ ‘Nee, wij zijn de meest arme mensen onder de bevolking. Wij scheren onze koppen en laten ons aderlaten,’ riepen de bedelaars in koor. Het meisje vroeg aan één van de bedelaars: ‘Ben je met één oog geboren?’ ‘Nee, bij God niet! De geschiedenis van hoe ik mijn oog verloor, is zo’n wonderbaarlijk verhaal! Als dit verhaal met een naald op de ooghoek geschreven was, was het een les voor iedereen die het met eerbied las,’ antwoordde de bedelaar. De tweede en de derde bedelaar gaven hetzelfde antwoord. Daarop zeiden ze tegen het meisje: ‘Ieder van ons is afkomstig uit een ander land. Onze geschiedenissen zijn bijzonder en we hebben allemaal vreemde avonturen beleefd!’ Hierop sprak het meisje tot de bedelaars: ‘Laat ieder van jullie zijn geschiedenis en de reden waarom hij naar ons huis gekomen is, vertellen. Laat vervolgens elk van jullie zijn hand naar zijn voorhoofd brengen om ons te bedanken. Daarna gaan jullie je eigen weg!’ De eerste die naar voren kwam, was de drager. Hij zei: ‘Ach, weldadige dame, ik, ik ben maar een gewone drager, meer niet! Het meisje dat boodschappen had gedaan, liet me haar boodschappen hier naartoe dragen. Geweldige dame, ik ben nu overgeleverd aan uw genade! Ik wens u vrede toe, wees mij alstublieft genadig!’ ‘Kom, breng je hand naar je hoofd om te zien of dit zich nog op zijn plaats bevindt, strijk je haren glad en verdwijn,’ zei het meisje. De drager riep: ‘Nee, bij God, ik ga niet weg, voordat ik het verhaal van jullie schone dames gehoord heb.’ Eén van de bedelaars kwam naar voren en begon met zijn verhaal: 

Verhaal van de Eerste Bedelaar 

‘Ik ga jullie de reden vertellen waarom ik gedwongen was mijn baard af te scheren en waardoor ik mijn oog verloor! Mijn vader was koning. Hij had een broer die koning was in een andere stad. Het was een groot toeval, dat mijn moeder op dezelfde dag beviel als de dag waarop de zoon van mijn oom geboren werd. Dagen en jaren gingen voorbij en ik en de zoon van mijn oom groeiden op. Ik ging vaak op bezoek bij mijn neef. Hij was bijzonder gastvrij en liet ter ere van mij schapen slachten en wijn schenken. We gingen meer en meer drinken, zodat de wijn sterker werd dan wij. Mijn neef zei op een dag tegen mij: ‘Ach zoon van mijn oom! Jou, die ik op een zeer bijzondere wijze liefheb, moet ik iets belangrijks vragen. Ik wil dat je me niet tegenhoudt om te doen wat ik heb besloten!’ Ik antwoordde: ‘Jazeker, dat zal ik doen met heel mijn hart.’ Om mij geheel te kunnen vertrouwen, nam hij mij de heilige eed af. Mijn neef stond onmiddellijk op, ging even weg en kwam terug met een vrouw. Zij was heel mooi gekleed in prachtige gewaden en ze droeg een heerlijk parfum. Mijn neef zei tegen mij: ‘Neem deze vrouw mee en ga naar de plek die ik je zal aanwijzen. Op die plaats aangekomen, zul je een begraafplaats vinden. Daar moet je op mij wachten!’ Ik kon hem dit niet weigeren, ik had hem dit gezworen! Ik nam deze vrouw dus mee en ging op pad.

Bij de begraafplaats aangekomen, liepen we de koepel van de graftombe binnen. We gingen daar zitten en wachtten op mijn neef. Even later zagen we hem aankomen met een kom water, een zak met kalk en een scherp houweel. Hij legde dit alles neer, hield alleen het houweel bij zich en ging naar het metselwerk van het graf onder de koepel. Hij verwijderde de stenen één voor één en legde ze opzij. Daarop begon hij met het houweel de grond uit te graven tot hij een deksel zag dat zo groot was als een kleine deur. Hij opende het deksel en daaronder was een trap. Hij sprak tot mij: ‘Beste neef! Zodra ik afgedaald ben, moet je het deksel weer sluiten en deze met aarde bedekken, zoals het was. Zodoende heb je mij je dienst bewezen. Wat de kalk in die zak betreft en het water in die kom: meng ze goed door elkaar heen. Daarna leg je de stenen weer net zo als tevoren neer en met het mengsel metsel je met de stenen een nieuwe muur! Beste neef, hier heb ik al een jaar aan gewerkt en niemand anders dan God mag dit weten! Dit is mijn verzoek!’ Hij vertelde verder: ‘Nu mag God me niet verdrietig maken, ik moet afscheid van je nemen!’ Vervolgens daalde hij de trap af en ging het graf binnen. Toen hij verdwenen was, stond ik op en sloot het deksel en deed ik wat hij mij verteld had om te doen. Zodoende werd het graf weer zoals het was. Ik ging naar het paleis van mijn oom terug. Mijn oom was op dat moment bezig met een klopjacht. Ik ging naar mijn slaapkamer om te rusten.
Toen het ochtend was, begon ik over alle dingen van de dag daarvoor na te denken en over alles wat er tussen mij en mijn neef gebeurd was. Ik had spijt van deze daad. Maar spijt komt altijd te laat. Ik ging naar de bewuste begraafplaats terug en zocht het graf, maar herkende dit niet. Ik keerde naar het paleis terug. Ik kon eten noch drinken. Mijn gedachten waren bij mijn neef, ik wist niet waar hij heen was gegaan. Ik was erg bedroefd.

De volgende ochtend ging ik voor de tweede keer naar de begraafplaats terug. Opnieuw begon ik het graf te zoeken te midden van al de andere graven, zonder het te kunnen vinden. Ik zette mijn onderzoek zeven dagen voort en ik vond de juiste weg niet terug. Ik stond op het punt gek te worden door de bezorgdheid over het lot van mijn neef. Om hiervoor genezing te vinden en mijn verdriet te doen kalmeren, besloot ik te gaan reizen. Ik vertrok om terug te gaan naar mijn vader. Op het moment dat ik de poorten van de stad van mijn vader bereikte, kwam plotseling een troep mannen te voorschijn. Deze mannen grepen mij en bonden mijn armen vast. Hierover was ik zeer verbaasd. Ik dacht dat zij niet wisten dat ik een zoon van de koning van deze stad was. Deze mannen waren de bedienden van mijn vader en ook mijn slaven. Angstig riep ik luid: ‘Weten jullie niet dat ik de zoon van de koning ben? Nu gaan we naar de koning!’ Maar zij zeiden aanvankelijk niets. Later zei één van die mannen, die tot mijn slaven behoorde: ‘Het lot heeft zich ten opzichte van uw vader vijandig betoond. De soldaten hebben hem verraden en de minister heeft hem laten doden. Wat ons betreft, wij lagen in hinderlaag om te wachten tot je in onze handen zou vallen.’ Ze namen me mee en ik was zeer ontdaan over wat ik hoorde over mijn vader. Ze leverden mij over aan de handen van de minister, die mijn vader gedood had. Tussen die minister en mij was er een vete. De reden van die vete was mijn passie om met de kruisboog te schieten. Op zekere dag, toen ik op het terras van het paleis was, daalde er een grote vogel neer op het terras van de minister. Op dat moment was de minister ook op het terras. Ik wilde de vogel met de kruisboog raken, maar de pijl miste deze en raakte het oog van de minister. Hij werd blind. Zoals de dichter zegt: 

‘Laat het lot zich voltrekken door de vechters

en probeer de handelingen van de rechters

over de aarde niet te herstellen,

want niet alles is te voorspellen!

Wees in de eerste plaats niet vrolijk,

wees niet bedroefd, maar wel olijk!

Want de dingen zijn niet voor eeuwig en altijd,

zelfs niet voor een beroemdheid of majesteit!

Ons lot is intussen bepaald door de Zetter,

ons leven volgt de regels tot de laatste letter.

Alle zaken zijn voorgeschreven door het lot,

van de wieg tot aan ‘t sterfbed of aan ‘t schavot!

Heeft het lot voor iemand een lijn getrokken,

moet hij of zij die volgen, zonder mokken.’ 

De bedelaar vertelde verder: ‘De minister durfde niets te zeggen, want mijn vader was koning van de stad. Dat was de oorzaak van de vete tussen mij en hem. Toen ik met gebonden armen naar hem werd gebracht, gaf hij bevel mij te onthoofden! Ik zei tegen hem: ‘Ga je me doden zonder dat ik een misdaad heb begaan?’ De minister antwoordde: ‘Welke misdaad is erger dan deze?’ wijzend op het oog dat hij verloren had. Ik zei: ‘Dat deed ik per ongeluk.’ Maar hij zei: ‘Als jij het per ongeluk deed, zal ik het met opzet doen!’ Daarop riep hij uit: ‘Breng hem hier!’ Hij stak zijn hand uit en drong met zijn vinger mijn linker oog binnen en vernielde alles. Sindsdien heb ik maar één oog zoals jullie allemaal zien. Daarop sloeg de minister mij in de boeien en liet mij in een kist leggen. Hij zei tegen de beul: ‘Deze man is helemaal voor jou. Scherp je zwaard en breng hem weg. Neem hem mee buiten de stad, dood hem en laat hem daar door de wilde beesten opvreten.’ De beul nam mij mee en liep snel door, tot hij de stad verlaten had. Hij haalde me uit de kist. Mijn handen waren geboeid en mijn voeten geketend. Hij wilde mij blinddoeken voordat hij mij ter dood bracht. Ik barstte in huilen uit zei deze dichtregels op:  

‘Ik heb u beschouwd als een betrouwbaar harnas

tegen vijandelijke speren in mijn borstkas:

Jij bent zelf het ijzer voor een lans geweest,

die het scherpe ijzer doorboort en dit ontvleest!

Wat mij betreft: toen ik de macht had,

hield mijn rechterhand, bevend als een blad,

die moest straffen die schildknapen,

zich afzijdig en bracht het wapen

over naar mijn machteloze linkerhand;

zo handelde ik naar mijn verstand.

Spaar me dus genadig deze handelingen:

wrede verwijten en diepe vernederingen,

en laat mijn vijanden hun pijlen van smart

schieten in mijn diepbloedend hart!

Geef mijn arme ziel, die is bedroefd

en door vijandige martelingen beproefd,

de gave van de stilte en wijsheid

en onderdruk die niet in deze tijd

door de hardheid van giftige woorden

van een vijand die je kunnen vermoorden!

Ik heb al mijn zielsverwanten uitgezocht

om als schild te dienen op mijn tocht.

Zij waren het, maar tegen mij gekeerd,

in handen van mijn vijanden, onteerd!

Ik heb ze gekozen om als moordlustige pijlen

te dienen, niet als scherpe, hakkende bijlen!

Maar ze troffen mijn hart

en bezorgden mij smart!

Ik heb met vurige ijver harten opgeroepen

om ze trouw te maken, als vriendengroepen!

Zij waren wel zeer toegewijd en trouw

maar aan andere geliefden, zonder berouw!

Ik heb ze met innigheid verzorgd altijd

om hen standvastig te maken in goedheid!

Zij waren onverzettelijk in woord en daad,

helaas in valsheid, bedrog en hoogverraad!’ 

Toen de beul mijn dichtregels had gehoord, herinnerde hij zich weer, dat hij de beul van mijn vader was geweest. Ik had deze man altijd goed behandeld en beloond. De beul zei vol medelijden: ‘Hoe zou ik u kunnen doden? Ik ben uw onderdanige slaaf! Loop weg! Vlucht! Kom niet meer in dit gebied terug, want dan moet je sterven, zoals de dichter zegt:  

‘Vriend, bevrijd je, zonder de aarde te schroeien,

en red je ziel van de tirannie en alle boeien!

Laat de huizen dienen als graven

voor de bouwers daarvan, die slaven!

Ga en vind andere grond dan je eigen grond,

andere landen dan je eigen land, kijk in het rond!

Weet goed dat je nooit zult krijgen

een andere ziel dan alleen je eigen!

Geen enkel feit dan ook,

kan vernedering doen opgaan in rook,

zelfs als God de aarde uitstrekt

tot in het oneindige uitgerekt!

Het staat geschreven als een wens

dat te allen tijde een kind van een mens,

van wie het lot is bepaald in een zeker oord te sterven,

daar dood zal gaan, zonder verder te zwerven!

Niet alleen jij, niemand in dit aards bestaan

weet waar en wanneer hij dood zal gaan!

Vergeet vooral niet, dat de hals van een leeuw

zich slechts ontwikkelt door gebrul en geschreeuw.

Deze wordt nog groter als de ziel van dit dier

zich in alle vrijheid ontwikkelt, trots en fier!’ 

Toen hij deze verzen opgezegd had, kuste ik zijn handen uit eerbied. Ik kon dit verhaal moeilijk geloven. Ik troostte mij met de gedachte dat ik alleen mijn oog verloren had en niet gedood was. Na een lange tijd reizen kwam ik aan in de stad van mijn oom. Ik vertelde hem over wat mijn vader was overkomen en over hoe ik mijn oog had verloren. Mijn oom begon heel hard te huilen en riep uit: ‘Beste zoon van mijn broer! Ik moet je vertellen, dat de zoon van je arme oom, die hier voor je staat, al lang vermist is. Ik weet niet wat hem is overkomen, niemand kan zeggen waar hij is!’ Waarna hij hard begon te huilen, totdat hij neerviel. Toen hij weer tot zichzelf kwam, zei hij: ‘Beste jongen! Ik ben erg bedroefd vanwege je neef! En jij, jij voegt nog leed aan mijn leed toe, door me te vertellen wat jou en je vader is overkomen! Wat jou betreft, kind, het is beter je oog verloren te hebben, dan je leven!’ Bij deze woorden kon ik mij niet meer stilhouden over wat de zoon van mijn oom was overkomen, zijn eigen kind. Ik vertelde hem de hele waarheid. Hij zei: ‘Laat me snel dat graf zien.’ Ik antwoordde: ‘Oom, ik weet niet waar dit ligt. Ik ben meerdere keren gaan zoeken, zonder het te kunnen vinden!’ Mijn oom en ik gingen naar de begraafplaats. Door links en rechts te kijken herkende ik deze keer het graf. Mijn oom en ik gingen de koepel binnen. Wij verwijderden de aarde en daarna het deksel en gingen vijftig treden van de trap naar beneden. Toen we aan het einde van de trap gekomen waren, zagen we rook opstijgen, we werden hierdoor verblind.

Mijn oom riep uit: ‘Er is geen macht en kracht groter dan die van de Almachtige God!’ We liepen verder en kwamen in een grote zaal. Daar stonden zakken vol met meel en allerlei soorten granen, met allerlei soorten gerechten en nog heel wat andere dingen. We zagen in het midden van de zaal een gordijn hangen. Een bed was omgeven door dit gordijn. Mijn oom keek in het bed en herkende zijn zoon, die daar in de armen van de vrouw lag, die samen met hem was afgedaald. Ze waren allebei verkoold. Na dit gezien te hebben, spuugde mijn oom in het gezicht van zijn zoon en riep uit: ‘Je verdient het, schurk! Dit is de straf hier beneden in deze wereld! Maar er wacht je nog een straf in de andere wereld, die verschrikkelijker is en langer duurt!’ Na dit te hebben gezegd trok hij zijn pantoffel uit en sloeg met de zool ervan in het gezicht van zijn zoon.” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Maar toen de 12e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Ik was heel verdrietig over mijn neef toen ik zag dat ze alle twee verkoold waren: hij en het jonge meisje! Daarom riep ik uit: ‘Lieve God, oom, laten we weggaan! Denk er wel aan, dat deze man uw zoon was! Ik word er triest van, nu ik zie hoe hij en het jonge meisje verkoold zijn en ik zie hoe jij, zijn vader, daar geen vrede mee heeft en hem met de zool van uw pantoffel slaat.’ Mijn oom vertelde het volgende verhaal: ‘Beste neef, weet dat dit kind verliefd was op zijn eigen zus, mijn dochter. Ik moest hen steeds uit elkaar houden. Ik dacht bij mezelf: Blijf rustig! Ze zijn nog erg jong! Maar geen sprake van! Lichamelijk begonnen ze te veranderen en ja hoor, nog steeds konden ze niet van elkaar afblijven! Kwaad zei ik tegen hen: ‘Pas op voor de mensen die hierover gaan roddelen! Jullie zullen tot aan onze dood onder de koningen onteerd en veracht zijn. Koeriers zullen onze geschiedenis in de hele wereld gaan rondvertellen!’ Toen zorgde ik ervoor dat die twee van elkaar werden gescheiden, want satan versterkte zijn werk in hen! Toen mijn zoon zag, dat ik hem van zijn zus gescheiden had, heeft hij deze onderaardse plek gemaakt zonder iemand iets te zeggen. Toen ik op jacht was maakte hij gebruik van mijn afwezigheid, om met zijn zus hier naartoe te gaan! Hij verbrandde zijn zus en zichzelf hier op deze plek! De straf in het hiernamaals is vreselijk en zal lang gaan duren!’

Urenlang lag ik te piekeren over de zaken die in het bovennatuurlijke gebeuren. Ook dacht ik na over de dood van mijn vader op bevel van de minister; de minister had met geweld de troon bemachtigd, over mijn vernielde oog en over alles wat de zoon van mijn oom aan vreemde dingen overkomen was. Ik moest heel erg huilen! Hierna verlieten wij het graf en sloten het deksel. Wij gooiden aarde over het graf heen en brachten het in de staat waarin we dit hadden gevonden. Daarna keerden we naar onze woning terug. Op het moment dat we weer thuis waren, hoorden we het geluid van trommels en trompetten en zagen we soldaten rennen. De hele stad was in rep en roer, vol lawaai en stof, dat door de hoeven van paarden ontstond. We hadden geen flauw idee wat er aan de hand was. Eindelijk vroeg de koning, mijn oom, naar de reden van dit alles en mensen vertelden: ‘Uw broer is door zijn minister gedood en deze heeft met spoed alle soldaten opgetrommeld om de stad te veroveren. Maar de inwoners van de stad hebben ingezien dat ze hem geen weerstand konden bieden en hebben de stad overgegeven!’ Bij deze woorden, dacht ik: ‘Hij doodt mij zeker als hij mij te pakken krijgt!’ Mijn verdriet begon weer op te spelen en ik moest weer denken aan wat mijn vader en mijn moeder plotseling was overkomen. Ik wist niet meer wat ik moest doen. Als ik mezelf in de stad zou laten zien, zouden de bewoners en de soldaten van mijn vader me herkennen en pogingen doen mij gevangen te nemen en te doden! Ik vond geen andere uitweg dan mijn baard af te scheren. Dus schoor ik mijn baard af, vermomde ik me met andere kleren en verliet de stad. Ik ging op weg naar de stad Bagdad, waar ik veilig hoopte aan te komen. Ik hoopte daar iemand te vinden, die me het paleis van de emir van de gelovigen, de kalief van de God van het heelal, Haroen ar-Rasjid, aan zou kunnen wijzen. Dan zou ik aan hem mijn geschiedenis vertellen. Ik kwam die nacht veilig aan in de stad Bagdad.

Plotseling stond ik tegenover deze bedelaar! Ik wenste hem vrede toe en zei: ‘Ik ben een vreemdeling!’ Hij antwoordde: ‘Ook ik ben een vreemdeling!’ Wij spraken fijn met elkaar.

Op een gegeven moment zagen we nog een bedelaar op ons afkomen. Deze werd onze derde metgezel. Hij wenste ons ook vrede toe en zei: ‘Ik ben een vreemdeling’. We liepen samen verder, tot de avond viel. Het lot bracht ons gelukkig hierheen, naar jullie toe! Dit was de oorzaak van mijn afgeschoren baard en het oog dat ik mis.’ Na dit verhaal van de eerste bedelaar, sprak één van de drie zussen die deze mannen allemaal gastvrij behandelden: ‘Kom, dat is goed! U hebt uw verhaal nu aan ons allen verteld. U kunt vertrekken.’ De eerste bedelaar antwoordde haar: ‘Ach jongedame, ik ga niet weg voordat ik de verhalen van al mijn metgezellen die hier aanwezig zijn, gehoord heb.’ De hele tijd was het gezelschap geboeid door dit verbazingwekkende verhaal en kalief Haroen ar-Rasjid zei tegen zijn minister Jafar: ‘Ik heb nog nooit in mijn leven zo’n  avontuur gehoord, als dat van deze bedelaar!’

De eerste bedelaar kruiste zijn benen en ging in kleermakerszit zitten. De tweede bedelaar kwam naar voren, knielde op de grond, kuste de aarde voor de gastvrouw en begon met zijn verhaal: 

Verhaal van de Tweede Bedelaar 

‘Beste dame, ik ben niet met één oog geboren. Maar mijn verhaal, dat ik u nu ga vertellen, is zo wonderlijk dat, als ze met een naald op de binnenste ooghoek was geschreven, iedereen hier een les uit zou kunnen leren. Ik ben de zoon van een koning! Weet ook dat ik geschoold ben, ik heb de Koran gelezen met de zeven vertellingen. Ik heb ook boeken gelezen van de meesters van de wetenschap. Ik heb de astrologie bestudeerd en de woorden van de dichters. Ik ben zo ver gekomen in de studies van alle wetenschappen, dat ik alle geleerden van mijn eeuw heb overtroffen. Dus werd mijn naam bekender dan alle andere schrijvers. Mijn faam bereikte alle districten en alle streken, ik was beroemd bij alle koningen. Zo hoorde de koning van Hindoestan over mij. Hij zond een bericht naar mijn vader om mij naar hem toe te sturen. Terwijl hij dat vroeg, kreeg mijn vader kostbare cadeaus en geschenken van hem. Mijn vader stemde hiermee in en liet zes schepen vol met verschillende spullen inladen. Toen alle voorbereidingen klaar waren, vertrok ik. Wij reisden een volle maand op zee voordat wij weer land zagen. We gingen de schepen uitladen. Daarna laadden we onze kamelen vol met geschenken, die bestemd waren voor de koning van Hindoestan. We waren amper op weg, of een wolk van stof kwam dichterbij, dit was een zandstorm en duurde één uur lang. Nadien trok deze op en daaronder vandaan verschenen zestig ruiters die op leeuwen leken. Toen we hen goed bekeken hadden, zagen we dat zij woestijn-Arabieren waren, struikrovers! We begonnen te vluchten met al onze ladingen en geschenken voor de koning van Hindoestan. De struikrovers hadden in de gaten dat we een kostbare last bij ons hadden. Ze kwamen in galop achter ons aan. We riepen naar hen: ‘Wij zijn gezanten voor de machtige koning van Hindoestan. Doe ons dus geen kwaad!’ Zij riepen: ‘We zijn niet op zijn grond!’ De rovers doodden een paar van mijn jongste bedienden, terwijl de anderen en ik in alle richtingen vluchtten. Ondertussen hielden de woestijn-Arabieren zich bezig met het plunderen van onze rijkdommen en cadeaus die op de ruggen van de kamelen achtergelaten waren.

Wat mij betreft, ik wist in mijn vlucht niet meer waar ik was, wist niet wat ik moest doen! Helaas, kort geleden was ik nog in aanzien en nu ben ik ongelukkig en arm! Ik bleef vluchten tot ik op de top van een berg gekomen was. Daar vond ik een grot. Ik rustte er uit en bracht er de nacht door.

‘s Ochtends verliet ik de grot en vervolgde mijn weg tot ik in een prachtige en welvarende stad was aangekomen. Deze stad had een heerlijk klimaat. De winter had geen vat op haar en de lente bedekte haar steeds met rozen. Helemaal uitgeput kwam ik in deze stad aan. Ik was erg bleek geworden en erg veranderd. In deze stad wist ik niet waar ik heen moest. Opeens zag ik de winkel van een kleermaker. Hij zat in zijn winkel te naaien. Ik ging naar hem toe en wenste hem vrede! Hij beantwoordde mijn vredeswens en nodigde me hartelijk uit om te gaan zitten en omhelsde me. De kleermaker vroeg me vriendelijk naar de reden waarom ik uit mijn eigen land was vertrokken. Ik vertelde hem alles wat mij overkomen was, van het begin tot het einde. Hij was zeer bedroefd over mij en zei: ‘Ach jongeman, je moet deze geschiedenis aan niemand vertellen, want ik maak me bezorgd om je, vanwege de koning van deze stad. Hij is de grootste vijand van je vader en wil wraak op hem nemen!’ Daarna maakte de kleermaker eten en drinken voor me klaar en ik, ik at en ik dronk samen met hem. We brachten de nacht al pratende door en hij gaf me een plaats in een hoek van zijn winkel, waar ik me uitstrekte om te slapen. Vervolgens bracht hij me alles wat ik nodig kon hebben, een matras en een deken. Ik bleef drie dagen lang bij hem, waarna hij me vroeg: ‘Ken je een beroep waarmee je je brood kunt verdienen?’ Ik antwoordde: ‘Jazeker, ik ben een geleerde. Ik ben een rechtsgeleerde en een bevoegd meester in de wetenschappen. Ik kan goed lezen en rekenen!’ De kleermaker merkte op: ‘Beste vriend, wat je net noemde is geen beroep!’ Omdat hij zag dat ik gekwetst was, veranderde hij van mening: ‘Als je wilt is het een beroep, maar je vindt geen klanten op de markt van onze stad! Hier in deze stad kan niemand studeren, schrijven, lezen, of rekenen. Maar men kan eenvoudig zijn brood verdienen.’ Hierdoor voelde ik mij triest en zei: ‘Lieve God, ik kan werkelijk niets anders dan dit beroep.’ Waarop de kleermaker antwoordde: ‘Neem een bijl en een touw en ga hout hakken op het land, totdat God je een beter lot wil toestaan! Vertel niemand iets over de toestand waarin je je bevindt, anders doden ze je!’ Na deze woorden ging hij een bijl en een touw voor mij kopen. Hij stuurde me erop uit om hout te hakken met de andere houthakkers. Na het hakken van het hout zette ik dit op mijn hoofd, bracht het naar de stad en verkocht dit voor een halve dinar. Ik kocht iets om te eten van mijn kleingeld en bewaarde de rest. Zo bleef ik een heel jaar werken en ging ik elke dag mijn vriend de kleermaker een bezoek brengen, waar ik in een hoek uitrustte met mijn benen over elkaar geslagen.

Op zekere dag ging ik hout hakken op het land. Daar aangekomen zag ik een dicht bebladerd bos, waar heel wat hout te hakken was. Ik koos een dor uitziende boom uit en begon de aarde om zijn wortels weg te graven, maar terwijl ik werkte, haakte mijn bijl plotseling in een koperen ring. Ik haalde de aarde helemaal weg en vond een houten deksel waaraan de koperen ring was vastgemaakt en tilde deze op. Ik ontdekte daaronder een trap, daalde deze naar beneden af en vond een deur. Ik ging door die deur en vond een prachtige zaal van een fraai gebouwd en wonderlijk paleis. In dit paleis bevond zich een zeer mooi jong meisje, net zo mooi als een parel. Al het verdriet wat in mij zat was ik vergeten, toen ik haar zag. Ik keek haar aan en maakte een buiging uit respect. God had haar volledige volmaaktheid en schoonheid gegeven. Ze keek me aan en zei: ‘Ben je een menselijk wezen of een boze geest?’ ‘Een menselijk wezen,’ antwoordde ik. ‘Wie heeft je dan naar deze plaats gebracht, waar ik al twintig jaar zit, zonder ooit een menselijk wezen te hebben gezien?’ antwoordde ze. Bij die woorden, die mij heerlijk en zacht in de oren klonken, zei ik:‘Ach schoonheid, God heeft me naar uw woning geleid, zodat ik mijn leed en smart vergeten kan.’ Ik vertelde haar alles wat mij overkomen was, van het begin tot het einde. Dit maakte haar heel erg verdrietig. Ze huilde en zei: ‘Ook ik zal je mijn geschiedenis vertellen. Weet dat ik de dochter ben van koning Aknamus, de laatste koning van Hindoestan, heerser van het Eiland van Ebbenhout. Hij liet mij trouwen met de zoon van mijn oom. Maar in de huwelijksnacht, voordat ik mijn maagdelijkheid verloor, werd ik ontvoerd door een boze geest, die Georgirus heette. Hij was de zoon van Rajmus, de zoon van Satan! Hij bracht mij hier op deze plaats, waar hij alles heenbracht wat ik kon wensen op het gebied van snoepgoed, mooie gewaden, kostbare stoffen, meubels, voedsel en drank. Sinds die tijd komt hij me eens in de tien dagen opzoeken, slaapt dan een nacht bij me en gaat ’s ochtends weer weg. Hij waarschuwde me dat, mocht ik hem nodig hebben, ik met mijn hand deze twee regels aan moet raken. Zij staan daar geschreven onder de koepel van deze zaal. Waarlijk, als ik dit geschrift aanraak, verschijnt hij. Nu is hij vier dagen niet gekomen en hij blijft dus nog zes dagen afwezig. Je zou hier vijf dagen bij me kunnen blijven en vóór zijn komst weggaan.’ Ik sprak daarop: ‘Zeker, dat zal ik doen.’ Ze ging rechtop staan, nam me bij de hand, liet me door een deur gaan, die van boven gewelfd was en bracht me in een fantastisch badhuis. Daar kleedden we ons uit en stapten in het bad. Na het bad gingen we op de verhoging zitten, ze bood me muskussiroop aan en zette heerlijke taartjes voor me neer. We bleven daarna prettig met elkaar praten en aten van dit alles, dat het eigendom was van de boze geest, haar ontvoerder. Zij zei: ‘Vanavond moet je slapen en goed uitrusten, om weer fris te zijn.’ Toen ik wakker werd, zat ze naast me en ze masseerde mijn lichaam. Ik vroeg aan God om haar te zegenen. We gingen een uur zitten praten en ze zei erg lieve dingen tegen me. Daarna vertelde ze: ‘In de tijd dat ik alleen was in dit onderaardse paleis voelde ik me erg verdrietig en somber, want ik had niemand om mee te praten, en dat twintig jaar lang!’ Ze zong met haar lieve stem dit lied voor mij:  

‘Als wij van je komst tevoren waren bericht,

zouden wij liggen als een kleed voor je voeten, allicht,

het zuivere bloed van onze harten, aan u toegewijd,

en het fluweel van onze ogen hebben uitgespreid.

Wij zouden uw frisse wangen, om te betijen,

en het jonge vlees van onze zijdeachtige dijen

hebben toegestoken om u hartelijk te ontvangen,

ach, nachtelijke reiziger. Niets kan u vervangen!

Want uw plaats is achter onze oogleden,

daar zijn wij gelukkig en tevreden!’ 

Na dit lied te hebben gehoord, bedankte ik haar en ik begon veel voor haar te voelen. We dronken door tot de nacht viel en ik sliep weer bij haar. Nog nooit van mijn leven had ik zo’n nacht gehad. ‘s Ochtends stonden we heel gelukkig samen op. Ik zei tegen haar: ‘Wil je dat ik je uit dit onderaardse hol verlos en ik je zo van deze boze geest bevrijd?’ Ze begon te lachen en zei: ‘Hou je stil en wees tevreden met wat je hebt! Die arme boze geest ziet mij maar één keer in de tien dagen en jij hebt de andere negen!’ Ik liet mij erg meeslepen door mijn hartstocht en sprak tot haar: ‘Helemaal niet! Ik ga direct deze koepel, waarin deze toverformules staan, vernietigen, zodat de boze geest hier komt en ik hem kan doden!

Na jaren van oefening en studie heb ik geleerd om alle boze geesten op deze wereld om te brengen!’ Bij deze woorden zei ze kalmerend de volgende regels op: 

‘Ach jij die voor onze scheiding uitstel vraagt,

en die zo ver weg wilt, godgeklaagd,

weet je niet, dat scheiding een middel is

om aan elkaar te hechten, zonder deernis,

en is deze ook slechts om heel bescheiden

van elkaar te houden voor alle tijden?

Afkeer is een liefdesregel, als een laatste stap,

en een breuk het besluit van elke vriendschap!’ 

Maar zonder goed te luisteren naar deze verzen, die ze opdroeg aan mij, gaf ik een stevige schop tegen de koepel.”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Maar toen de 13e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Beste koning, de tweede bedelaar zette zijn verhaal voort als volgt: ‘Ik gaf de koepel een hevige schop en de vrouw zei tegen mij: ‘Daar is de geest! Hij komt naar ons toe, had ik je niet gewaarschuwd? Lieve God, nu ben je me kwijt! Denk er aan om jezelf te redden en vertrek langs dezelfde weg, die je gekomen bent!’ Ik vloog naar de trap, maar ongelukkigerwijze vergat ik van schrik mijn sandalen en mijn bijl. Nauwelijks had ik een paar treden van de trap beklommen, of ik keerde me even om, om een laatste blik op mijn sandalen en mijn bijl te werpen. Toen zag ik hoe de aarde openbarstte en een grote geest tevoorschijn kwam, verschrikkelijk lelijk, die tegen de vrouw zei: ‘Waarom maak je me met zo’n vreselijke schok aan het schrikken? Wat voor een ongeluk is je overkomen?’ Zij antwoordde: ‘Helemaal geen ongeluk, ik voelde me erg eenzaam. Ik stond op om een drankje te nemen en gleed uit en viel tegen de koepel aan.’ ‘Ach schaamteloze vrouw! Wat kun jij liegen,’ sprak de geest. Daarop keek hij naar links en rechts in het paleis en hij zag mijn sandalen en bijl. Meteen riep hij uit: ‘Hé, wat zijn dit voor werktuigen? Zeg het me! Waar komen deze voorwerpen vandaan?’ ‘Je laat ze me net zien! Ik heb ze voorheen nog nooit opgemerkt. Waarschijnlijk waren ze achter je rug vastgemaakt en heb je ze zelf hier gebracht,’ antwoordde de vrouw in nood. Nu riep de lelijke geest woedend: ‘Wat zijn dit voor een ongerijmde, verdachte en misleidende woorden! Maar ze zullen geen vat op mij hebben, jij vreselijke vrouw!’ Bij deze woorden rukte hij haar kleren van haar lichaam, zodat ze naakt stond en spietste haar in een kruis tussen vier puntige palen, die in de grond waren geslagen. Nadat hij haar gemarteld had, begon hij haar te ondervragen over wat was voorgevallen. Maar ik, ik kon dat niet langer verdragen en haar gesnik niet langer aanhoren. Ik klom bevend van angst snel de trap op en eindelijk buiten gekomen, legde ik het deksel neer. Ik bedekte deze met aarde. Echter, ik had spijt van mijn daad en dacht aan de jonge vrouw, aan haar schoonheid en aan de folteringen die ze moest ondergaan. Ze was al twintig jaar lang in de macht van deze geest. Op dat moment moest ik weer aan mijn vader denken, aan zijn koninkrijk en aan mijn ellendige toestand als houthakker. Ik barste in tranen uit en bleef doorlopen tot ik bij mijn kameraad, de kleermaker, was aangekomen. Hij zat op hete kolen omdat ik nog niet terug was. Toen hij mij voor de ingang van zijn winkel zag, zei hij: ‘Gisteren, toen je niet thuis kwam, kon ik niet slapen en was doodongerust. Ik was bang dat je misschien was gepakt door een wild dier of iets anders in het bos.’ Ik dankte God voor de goedheid van de kleermaker, ging de winkel binnen en ging in mijn hoek zitten. Ik dacht aan wat me overkomen was, vooral aan de schop die ik de koepel gegeven had. In gedachten verzonken zat ik daar toen plotseling mijn vriend de kleermaker binnen kwam en zei: ‘Aan de deur van de winkel staat iemand uit Perzië. Hij vraagt naar jou en heeft je bijl en sandalen bij zich. Hij is bij alle kleermakers van de straat langs geweest en heeft tegen hen gezegd: ‘Bij zonsopgang vertrok ik, om na het horen van de gebedsoproeper naar het ochtendgebed te gaan en vond ik op de weg deze voorwerpen, zonder te weten aan wie ze toebehoren. Vertel me, wie van jullie is de eigenaar?’ Toen de kleermakers van de straat, die je kennen, de bijl en de sandalen zagen, wisten ze dat deze jouw eigendommen waren en gaven de Perzische man dit adres. Hij is hier nu en wacht bij de deur. Ga mee en bedank hem voor de moeite, neem je bijl en sandalen terug.’ Ik voelde me bij deze woorden bleek worden en zakte van schrik ineen. Terwijl ik in elkaar gezakt bleef zitten, zag ik de geest voor de deur staan. In een flits zag ik deze geest de jonge vrouw martelen om er achter te komen van wie die spullen waren. Ik zag ook de vrouw die niet wilde toegeven dat deze spullen van mij waren. Ik zag de geest de bijl en de sandalen pakken en tegen haar zeggen: Ik zal bewijzen, dat ik nog steeds Georgirus, de nazaat van Satan ben! Je zult zien dat ik de eigenaar van deze bijl en sandalen zal pakken! Ik zag dit allemaal in een flits. Toen kwam de geest met geweld de winkel binnen en ontvoerde me zonder een ogenblik te verliezen! Hij vloog weg, de lucht in, daalde weer neer en dook de grond in en ik verloor mijn bewustzijn. Hij ging met mij het onderaards paleis binnen en ik zag de jonge vrouw daar naakt liggen, terwijl het bloed langs haar lichaam naar beneden liep! Mijn ogen waren nat van de tranen. De geest keerde zich tot haar, pakte haar vast en schreeuwde: ‘Vreselijke vrouw, hier is je minnaar!’ ‘Ik ken hem niet en heb hem nog nooit eerder gezien,’ kermde de vrouw. De geest schreeuwde verder: ‘Wat hoor ik daar? Hier heb je het bewijs voor je staan en toch durf je nog te liegen!’ Daarop zei ze: ‘Ik ken hem echt niet, ik heb hem nog nooit van mijn leven gezien. Ik durf in het gezicht van God niet te liegen!’ ‘Als je hem echt niet kent, neem dan deze sabel en hak zijn hoofd eraf, ’ beval de geest. De jonge vrouw pakte de sabel, kwam op mij af en bleef vlak voor me staan. Ik gaf haar een teken van ontkenning met mijn wenkbrauwen, om haar te smeken medelijden met me te hebben. De tranen stroomden over mijn wangen. Ze knipoogde naar mij, maar riep met luide stem: ‘Jij bent het, die de oorzaak is van al ons ongeluk!’ Ik gaf haar opnieuw een teken met mijn wenkbrauwen en vertelde verzen die een dubbele betekenis hadden, die de geest niet begreep: 

‘Mijn ogen kunnen zo goed met je spreken,

dat mijn tong overbodig is met al haar gebreken.

Mijn ogen kunnen geheimen openbaren,

die in mijn hart verborgen zitten sinds vele jaren.

Toen jij aan mij verschenen was, zo onbevangen,

stroomden er zoute tranen over mijn wangen.

Ik werd stom: mijn ogen spraken genoeg

van het vuur, dat ik in mijn hart droeg!

De oogleden, die zich openen en sluiten,

weerspiegelen elk gevoel dat ik wil uiten.

Zo laten wij dan ’t gebruik van verstand

achterwege voor het gebruik van de hand.

Onze wenkbrauwen nemen de plaats in

van alle andere zaken van liefde en min.

Stil jij dus! Laten we het woord alleen

aan de liefde, dat houdt ons op de been.’ 

Zij begreep mijn verzen en gooide de sabel van de geest weg. Daarop nam de geest de sabel en hield hem voor me. Ik liep moedig naar voren en hief mijn arm omhoog! De vrouw zei, terwijl ze me een teken gaf met haar wenkbrauwen: ‘Heb ik je onrecht aangedaan?’ Weer vulden mijn ogen zich met tranen en ik gooide de sabel weg en zei: ‘Ach sterke en onoverwinnelijke held! Als die vrouw, zoals u gelooft, ontrouw en oneerlijk was, dan zou ze de val van mijn afgeslagen hoofd afschuwelijk hebben gevonden! Maar integendeel, ze heeft de sabel zelf weggegooid. Hoe zou ik nu haar het hoofd af kunnen slaan, terwijl ik haar nog nooit heb gezien?’ Bij deze woorden riep de geest uit: ‘Ha, nu weet ik zeker dat er iets tussen jullie is!’ Daarop pakte die akelige geest de sabel en sloeg daarmee eerst de rechterhand van de jonge vrouw af; toen de andere hand; daarna hakte hij haar rechtervoet en linkervoet af. En ik, ik keek er met mijn ogen naar en ik dacht: ik ga dood. Op dat ogenblik keek de jonge vrouw me aan en knipoogde naar me. Maar, helaas, de geest zag dit en riep: ‘Ach, jij akelige vrouw!’ Toen hakte hij met de sabel haar hoofd eraf. Hij draaide zich naar mij om en zei: ‘Weet je dat ik met deze jonge vrouw in haar huwelijksnacht heb geslapen, toen ze nog maar twaalf jaar oud was! Ik heb haar hierheen gebracht en ik kwam haar van elke tien dagen één dag bezoeken om de nacht met haar door te brengen en ik had de gedaante van een Perzische man. Toen kwam de dag waarop ik het vermoeden had dat ze me bedroog en heb haar nu gedood. Ze heeft me met haar ene oog bedrogen, het oog waarmee ze knipoogde toen ze je aankeek. Omdat ik niet kan uitmaken of je haar hebt geholpen om mij te bedriegen, zal ik jou niet doden.

Toch wil ik voorkomen dat je me achter mijn rug uitlacht en mij iets kwaads zal aandoen! Daarom verander ik je in een andere gedaante. Ik geef je de keus om een gedaante te kiezen.’ Toen ik inzag dat ik aan de dood zou ontsnappen, was ik dolblij. Dit moedigde mij aan om van deze gelegenheid gebruik te maken. Ik zei hem: ‘Ik weet werkelijk niet welke gedaante ik moet kiezen. Ik geef aan geen enkele de voorkeur!’ De geest trapte kwaad met zijn voet op de grond en riep: ‘Ik zeg je, dat je moet kiezen! Kies de gedaante, waarin ik jou zal toveren. Geef je de voorkeur aan de gedaante van een ezel?,’ ‘Nee,’ antwoordde ik. ‘De gedaante van een hond, een muildier, een raaf, of misschien de gedaante van een aap?’ Op al deze voorstellingen antwoordde ik: ‘Nee!’ Zo hoopte ik in mijn hart op volledige genade van God en sprak tot de geest: ‘Ach meester van het nageslacht van de machtige Satan! Als u me genade schenkt, dan zal God u genade schenken!’ Ik bleef hem smeken tot ik niet verder kon gaan, terwijl ik onderdanig voor hem stond en zei: ‘U behandelt mij oneerlijk!’ Waarop de geest zei: ‘Genoeg van dit soort woorden en anders: de dood! Maak dus geen misbruik van mijn goedheid, want ik moet je omtoveren!’ Bij deze woorden pakte hij me op, deed hemel en aarde boven ons openen en vloog de lucht in met me, zo hoog dat ik de aarde beneden als een kom water zag. Toen liep hij naar de top van een berg en zette mij daar neer; hij nam wat aarde in zijn hand, mompelde wat, brommend: ‘Hum! Hum! Hum!’ Hij riep een paar woorden, gooide de aarde op me en riep: ‘Verlaat deze persoon en neem de gedaante aan van een aap!’ Op hetzelfde moment, lieve jonge vrouw, werd ik een aap en wat voor een aap! Minstens honderd jaar oud en lelijk! Toen ik naar mijn spiegelbeeld in het water keek, werd ik erg chagrijnig en begon te springen. En springen kon ik, echt waar! Daarna dacht ik na over wat ik had meegemaakt en begon te huilen. De geest lachte op een gemene manier en verdween. Ik begon na te denken over het onrecht dat mij was aangedaan en ik kwam tot de onthutsende conclusie dat het lot echt niet van deze schepselen afhing. Na dit alles begon ik de bergtop af te hollen tot ik helemaal beneden was. Ik reisde door het land, ’s nachts sliep ik in de bomen. Dit deed ik een maand lang, tot ik aan de kust van de blauwe zee was aangekomen. Ik bleef daar bijna een uur en zag opeens midden op zee een vaartuig, dat door een gunstige wind in mijn richting naar de oever gedreven werd. Ik verborg mij achter een rots en wachtte af. Nadat ik de mensen heen en weer zag lopen, begon ik moed te krijgen en sprong uiteindelijk midden op het schip. Daarop schreeuwde één van de mannen: ‘Jaag die enge aap weg!’ Een andere man riep: ‘Nee, laten we hem doden!’ Een derde schreeuwde: ‘Ja, laten we hem met deze sabel van kant maken!’ Ik begon te huilen en ik hield met mijn poot het uiteinde van de sabel tegen terwijl mijn tranen over mijn wangen liepen. De kapitein kreeg medelijden met me en zei: ‘Kooplui, deze aap roept mijn hulp in, hij bevindt zich onder mijn bescherming. Niemand mag hem tegenhouden of wegjagen of hinderen.’ De kapitein begon aangename en vriendelijke woorden tegen mij te fluisteren. Deze woorden begreep ik, gelukkig! Hij nam mij aan als knecht en ik deed allemaal dingen voor hem en bediende hem op het schip. De wind was ons vijftig dagen lang gunstig en we meerden aan bij een enorme stad, met een ontelbaar groot aantal inwoners. Bij onze aankomst zagen we blanke slaven op ons schip afkomen, die door de koning van de stad waren gestuurd. Ze heetten ons welkom en zeiden: ‘Onze koning heet u welkom, hij heeft ons opdracht gegeven u deze rol perkament te overhandigen: ‘Ieder van u mag er in zijn beste schrift een regel op schrijven!’ Ik stond op, nog steeds in de gedaante van een aap, trok snel de rol perkament uit hun handen en sprong er een eind mee weg. Ze werden bang dat ik de rol zou verscheuren en in het water zou gooien. Ze schreeuwden naar me en wilden me doden. Toen gaf ik hun een teken, dat ik kon en wilde schrijven! De kapitein reageerde daarop: ‘Laat hem schrijven! Als we hem zien krabbelen, dan kunnen we hem laten stoppen, maar als hij werkelijk mooi kan schrijven, neem ik hem aan als mijn zoon! Want ik heb nog nooit zo’n intelligente aap gezien!’ Ik spreidde de inkt goed over beide kanten van de rietpen uit en begon te schrijven. Ik schreef zo voor de vuist weg vier dichtregels, ieder in een ander schrift en in een andere stijl: de eerste dichtregel volgens de manier Rika; de tweede regel volgens de manier Rihan; de derde regel volgens de manier Soels en de vierde regel volgens de manier Moesjk:  

‘dichtregels 1.

De tijd heeft allang de geschenken en weldaden

van de edelmoedigen opgemerkt, ook hun daden.

De tijd wanhoopt, laat zijn geluid niet verstommen,

zodat hij er in kan slagen die van u op te sommen.

Na God heeft het mensdom geen andere toevlucht dan jij,

want jij bent als de vader van alle weldaden erbij! 

dichtregels 2.

Ik zal u over zijn pen spreken: Zijn pen doet hem kennen,

deze is de eerste en de oorsprong van alle schrijfpennen!

De macht van zijn pen is een verrassend groot fenomeen,

deze heeft hem onder de geleerden gesteld, boven iedereen.

Van deze pen, tussen duim en wijsvinger, vloeien altijd

vijf stromen van proza, poëzie en welsprekendheid! 

dichtregels 3.

Ik zal u over zijn onsterfelijkheid vertellen,

zonder hem in een kwaad daglicht te stellen:

Er is geen schrijver die sterft, in alle landen:

de tijd vereeuwigt het schrift van zijn handen!

Laat uw pen dus alleen dingen schrijven, groot of klein,

waar u op de Dag van de Opstanding trots op zult zijn. 

dichtregels 4.

Als u de inktkoker opent, met veel zin,

doop uw persoonlijke pen er dan alleen in,

om er de regels van een schenker mee te schrijven,

de regels van een weldoener; ze zullen altijd blijven!

Maar als u zich er niet van kunt bedienen

om schenkingen te doen, moet u niet grienen,

u moet uw pen dan tenminste in de inktkoker dopen

omwille van de schoonheid, die je niet kunt kopen!

Zodoende zult u tot degenen behoren,

die onder de grootste schrijvers is geboren!’  

Toen ik klaar was met schrijven, hield ik hun de rol perkament voor. Iedereen stond met de mond open van verbazing. Alle bemanningsleden van het schip schreven ieder op hun beurt een regel in schoonschrift. De slaven gingen weg om de rol naar de koning te brengen. Toen de koning de perkamentrol had gelezen, was hij alleen over mijn geschreven tekst tevreden, omdat deze op vier verschillende manieren geschreven was. De koning sprak tot al zijn vrienden en slaven: ‘Ga terug naar de schrijver van dit schone schrift en geef hem dit prachtige gewaad, laat hem rijden op het mooiste muildier uit de stal en begeleid hem met prachtige muziek en zang.’ Iedereen begon bij dit verhaal te glimlachen. De koning, die dit opmerkte, was heel boos en riep uit: ‘Wat! Ik geef jullie een bevel en jullie lachen me uit!’ ‘Majesteit, wij moeten u zeggen, dat degene die dit mooie schrift geschreven heeft, geen mensenkind is, maar een aap. Deze aap is eigendom van de kapitein van het schip,’ zeiden de mensen lachend. De koning was verbaasd over hun woorden, hij gierde het uit van het lachen en riep uit: ‘Die aap moet ik hebben, ik wil hem graag kopen!’ De koning beval aan de dienaren van zijn hof de aap in ontvangst te nemen: ‘Jullie moeten hem de mantel aandoen en hem op het muildier zetten en hem hierheen brengen!’ Daarna ging iedereen naar het schip. Ze kochten de aap voor heel veel geld van de kapitein. Ik gaf een teken aan de kapitein om te zeggen, dat ik zeer verdrietig was hem te verlaten. Ze sloegen een mooie mantel om mij heen, ik besteeg het muildier dat ze hadden meegenomen en zo vertrokken wij bij de klanken van luide instrumenten naar de stad. Alle inwoners waren stom van verbazing en keken met grote belangstelling naar dit verbazingwekkende en ontzagwekkende schouwspel. Toen ik de koning zag, kuste ik driemaal achter elkaar de grond voor zijn voeten uit eerbied, en bleef stilstaan. De koning nodigde mij uit te gaan zitten en ik knielde. Alle aanwezigen waren tevreden over mijn goede opvoeding en mijn beleefdheid, maar het was de koning die het meest verbaasd was van alle mensen. Zodra ik op mijn knieën was gaan zitten, beval de koning iedereen weg te gaan. In de zaal bleven alleen de koning, het hoofd van de eunuchen, een jonge slaaf die populair was en ik! Nu gaf de koning bevel iets te eten te brengen. Ze brachten een tafellaken, waarop alle gerechten werden geplaatst die men zich maar kon wensen. De koning gaf een teken om te gaan eten. Toen stond ik op, kuste uit eerbied zeven maal de grond voor zijn voeten en ging heel beleefd zitten om te gaan eten. Toen men het tafellaken wegnam, stond ik op om mijn handen te wassen. Ik nam de inktkoker, de rietpen en een vel perkament en ik schreef twee dichtregels over de geweldige kwaliteit van het Arabische gebak:

‘Ach, verrukkelijk gebak, zo honingzoet,

met de hand gerold, zoals het moet!

U bent een middel met hemelse kwaliteit,

u geneest zelfs gif met uw uitnemendheid!

Zonder uw zoetheid kan ik niets beginnen,

met al mijn hartstocht wil ik u beminnen!

Mijn hoopvol hart siddert van verlangen,

vervuld van juichende jubelzangen

bij het zien van u daar op het tafellaken.

Ik wil alleen nog maar u aanraken,

in uw geurend badje van boter en honing.

U te proeven is een zoete beloning,

ach kenafa, zo slank en aanlokkelijk mooi

in uw alles-omhullende haartooi!

Mijn begeerte, mijn begeerte in een kreet,

hoor mijn wanhoop, ach kenafa, en weet

hoe ik werkelijk zou kunnen sterven,

alle dagen dolend rondzwerven,

zonder u hier op mijn tafellaken

om mijn maaltijd te vervolmaken,

ach kenafa,

ach kenafa!

Al zou ik alle dagen van mijn hele leven

alleen nog maar uw sap in mijn mond beleven,

dan nog wil ik het paradijs niet betreden

zonder u aan mijn lippen, hoor mijn gebeden.’ 

* Kenafa: Ongezouten, zeer verse, zachte kaas die vrij gemakkelijk smelt.  

Daarna legde ik de rietpen en het blad neer, stond op en ging netjes zitten. Toen keek de koning naar wat ik geschreven had en las het. Hij was zeer enthousiast en riep: ‘Hoe is het mogelijk, dat een aap zo knap is en zo’n mooi handschrift kan bezitten? Lieve God! Dit is een wonder!’ Op dit moment bracht een dienaar de koning een schaakspel, en de koning vroeg me met gebarentaal: ‘Kun je schaken?’ Ik knikte met mijn hoofd: ‘Ja, dat kan ik!’ Ik kwam dichterbij, zette het spel op en begon met de koning te spelen. Tweemaal versloeg ik hem! Toen wist de koning niet meer wat hij moest denken. Zijn verstand stond stil en hij zei: ‘Als dit een mensenkind was, dan zou hij alle levenden van zijn eeuw overtroffen hebben!’ De koning zei tegen de eunuch: ‘Ga naar mijn dochter en vertel haar dat ze snel naar haar vader, de koning, toe moet komen. Ik wil dat mijn dochter van dit schouwspel kan genieten en die wonderbaarlijke aap komt zien!’ De eunuch ging weg en kwam terug met de dochter van de koning. De prinses droeg een prachtige sluier. Zij vroeg aan haar vader: ‘Ach vader, waarom heeft u mij geroepen?’ De koning zei: ‘Dochter, er is niemand anders bij me dan mijn jonge slaaf, het kind dat je daar ziet, de eunuch die jou heeft grootgebracht, die aap en je vader! Voor wie bedek je je gezicht dan?’ Het meisje vertelde: ‘Weet u, vader, dat die aap de zoon van een koning is? Die koning, zijn vader, heet Aymarus en hij is heerser over een rijk ver in het binnenland. Die aap is betoverd door de geest Georgirus, een nazaat van Satan. Deze geest heeft eerst zijn eigen echtgenote, de dochter van koning Aknamus, heerser van het Eiland van Ebbenhout, gedood. Deze aap, die u voor een echte aap aanziet, is dus een geleerde, een zeer wijs en kundig man!’ Bij deze woorden was de koning heel verbaasd, keek me aan en zei: ‘Is het waar, wat mijn dochter hier zegt?’ Daarop knikte ik met mijn hoofd: ‘Ja, het is waar!’ en ik begon te huilen. Nu vroeg de koning aan zijn dochter: ‘Maar hoe kwam je erachter dat hij betoverd is?’ ‘Lieve vader, in mijn kindertijd was er een oude vrouw, die mijn moeder hielp. Zij was een oude tovenares die goed kon toveren. Zij was het die mij de hekserij leerde. Nadien werd ik nog beter dan zij, leerde honderd-zeventig vaardigheden van de hekserij. Eén daarvan zou me in staat stellen een paleis in zijn geheel, met al zijn stenen, of zelfs de hele stad naar achter de Kaukasus te verplaatsen, of deze hele streek in een spiegelgladde zee te veranderen en alle inwoners in vissen om te toveren!’ Toen riep haar vader uit: ‘In godsnaam dochter, help dan deze jongeman, zodat ik hem tot mijn eerste minister kan maken, want het moet een aardige jongeman zijn!’ Het meisje antwoordde daarop: ‘Graag, in vriendschap en vrede!’  

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Maar toen de 14e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad: “ Mij werd verteld, gezegende koning, dat de tweede bedelaar aan de jonge vrouw van het huis zei: ‘Bij deze woorden, mevrouw, nam de prinses een mes in haar hand, waarop woorden in de Hebreeuwse taal waren gegraveerd. Met dat mes trok ze een cirkel in het midden van het paleis. Ze ging in het midden van die cirkel staan, schreef eigennamen en toverspreuken op; las uit een oud boek verzen voor die niemand begreep. Plotseling werd de plaats van het paleis waar wij waren in een dichte duisternis gehuld. De geest Georgirus verscheen in een afschuwelijke en afzichtelijke gedaante vóór ons, met handen als hooivorken, voeten als masten en ogen als twee gloeiende kolen. Wij waren allemaal erg angstig. Maar de dochter van de koning zei tegen de geest: ‘Ik heet u niet welkom, u krijgt geen ere-ontvangst, geest!’ De geest antwoordde haar: ‘Jij, verraadster, hoe kun je je belofte verbreken? Heb je me niet beloofd dat geen van ons beiden zich met de zaken van een ander zou bemoeien? Leugenares, hier pak aan!’ Onmiddellijk veranderde de geest zich in een verschrikkelijke leeuw, die zijn muil wijd opende en op de prinses afsprong. Nu trok ze met een snel gebaar een haar uit haar hoofd, bracht deze naar haar lippen en fluisterde toverwoorden. Meteen werd de haar een sabel met een scherpe punt. Ze pakte de sabel en hakte de leeuw in twee stukken. Onmiddellijk werd de afgeslagen kop van de leeuw een schorpioen, die naar de hiel van het meisje kroop om daarin te steken. Het meisje veranderde zich in een reusachtige slang en sprong op de verwenste schorpioen. De geest in zijn gedaante van schorpioen en het meisje in haar gedaante van een slang begonnen een hevig gevecht met elkaar. Maar de schorpioen veranderde zich plotseling in een gier en de slang werd meteen een adelaar, die de gier begon te achtervolgen. De adelaar zou de gier juist na een achtervolging van een uur pakken, toen de gier zich opeens in een zwarte kat veranderde. Onmiddellijk werd het meisje een wolf. Nu raakten de kat en de wolf slaags met elkaar. In het midden van het paleis hadden ze een vreselijk gevecht. De kat, die zag dat ze overwonnen was, veranderde zich in een grote granaatappel, rood en heel dik. Deze granaatappel liet zich in de fontein vallen, die in het midden van de binnenplaats stond. De wolf sprong in de fontein en wilde de granaatappel grijpen, toen de granaatappel de lucht in sprong. Maar omdat hij te dik was, viel hij op het marmer en spatte uit elkaar. De pitten verspreidden zich en bedekten de hele oppervlakte van de binnenplaats. Daarop veranderde de wolf zich in een haan, die de pitten met zijn snavel begon op te pikken. Eén voor één slikte de haan de pitten door totdat er nog maar één pit overbleef. De haan wilde deze ook doorslikken, maar plotseling viel de pit uit de snavel van de haan en dit was het lot. In een voeg dicht bij de fontein bleef de pit liggen, de haan wist niet waar deze was. De haan begon te kraaien, met zijn vleugels te slaan en gaf tekens met zijn bek. Maar wij begrepen zijn taal niet, noch wat hij ons wilde zeggen. Toen kraaide hij zo’n luide kreet, dat het leek alsof het paleis boven ons instortte. Daarna begon de haan in het midden van de binnenplaats rond te draaien en de pit te zoeken, tot hij hem in de voeg van de fontein gevonden had. Hij probeerde de pit snel op te pikken, maar de pit viel plotseling in het water middenin de fontein. De pit veranderde zich in een vis, die in het water dook. Daarop veranderde de haan zich in een monsterachtige walvis. Deze walvis sprong in het water en dook onder om de vis te achtervolgen, terwijl hij zich een uur lang aan onze blikken onttrok. Na verloop van tijd hoorden we harde geluiden en wij beefden van angst. Onmiddellijk zagen we de geest weer in zijn oude, gruwelijke gedaante verschijnen. Hij stond geheel in brand als een gloeiende kool en uit zijn mond kwam een vlam. Uit zijn ogen en zijn neusgaten kwamen vlammen en rook. Achter hem verscheen het meisje, in haar gedaante van prinses. Ze stond helemaal in brand, als smeltend metaal en ze begon de geest te achtervolgen, die op ons afkwam! Toen werden we allemaal vreselijk bang dat we levend verbrand zouden worden. We wilden juist in het water gaan springen, toen de geest ons door een afgrijselijke gil deed stilstaan. In het midden van de zaal die op de binnenplaats uitkwam, blies hij vuur in onze gezichten. Het meisje blies ook vuur in zijn gezicht. Dit alles maakte dat haar vuur en het vuur van de geest ook ons trof. Haar vuur deed ons geen kwaad, het vuur van de geest echter wel. Zo trof een vlam mij in mijn aapgedaante, in mijn linkeroog! Een vlam trof de koning in het gezicht en verbrandde zijn baard en mond. Alle tanden vielen uit zijn onderkaak. Een vlam trof de eunuch in zijn borst, hij verbrandde helemaal en stierf. Al die tijd achtervolgde het meisje de geest en blies vuur naar hem toe. Maar ineens hoorden we een stem die zei: ‘God alleen is groot. God alleen is machtig! Hij verplettert, beheerst en laat de afvallige in de steek, de afvalligen die niet geloven dat Mohammed Zijn profeet is en de heer van de mensen!’ Deze stem was die van het meisje, dat ons met haar vinger een teken gaf en naar de geest wees. Deze was volkomen verbrand en was een hoopje as geworden. Daarop kwam ze naar ons toe en zei: ‘Vlug, breng me een kop water!’ Vervolgens sprak ze onbegrijpelijke woorden uit, besprenkelde me met het water en zei tegen me: ‘Wees verlost, in de naam en door de waarheid van de enige Ware! Neem uw eerste gedaante weer aan, bij de waarheid van de naam van God.’ Ik werd dankzij God weer een mens, maar ik bleef aan één oog blind. Om mij te troosten zei het meisje: ‘Het vuur is weer echt vuur geworden, arm kind!’ Ze zei hetzelfde tegen haar vader, van wie de baard verbrand was en van wie de tanden uitgevallen waren! Ze zei verder: ‘Wat mij betreft, ach vader, ik moet nu sterven, zoals staat geschreven. Wat de geest betreft, ik zou hem met minder moeite heb kunnen vernietigen. Als hij een mens was geweest, zou ik hem bij de eerste keer gedood hebben! Maar wat me vermoeide en me last bezorgde, dat was de verspreiding van de granaatappelpitten. Want de pit die ik eerst niet heb kunnen oppikken, was juist de voornaamste pit, die de ziel van de geest bevatte. Ach, als ik die pit maar te pakken had kunnen krijgen, dan was de geest op hetzelfde ogenblik vernietigd. Maar helaas! Ik kon hem niet vinden. Dit was de voorbeschikking van het lot! Daarom was ik gedwongen deze gevechten met hem aan te gaan onder de aarde, in de lucht en in het water. Elke keer, als hij een deur opende om te ontsnappen, opende ik een deur die hem in het verderf zou brengen, tot hij de vreselijke deur van het vuur opende! Als de deur van het vuur eenmaal geopend is, dan moet men sterven! Maar het lot veroorloofde mij toch de geest te verbranden vóór ikzelf verbrand werd! En ik, ik ga nu op mijn beurt sterven! God zal mijn plaats bij u innemen en u troosten!’ Bij deze woorden begon ze het vuur te smeken tot het moment waarop zwarte tongen naar haar uitsloegen. Toen het vuur haar gezicht bereikte, huilde ze en zei: ‘Ik weet, dat er geen andere Godheid is dan God! En ik getuig, dat Mohammed de profeet van God is!’ Amper had ze deze woorden uitgesproken, of we zagen hoe ze een hoopje as werd, naast het hoopje as van de geest. We waren erg bedroefd om haar. Ik wou dat ik in haar plaats gegaan was! Maar het bevel van God valt niet tegen te spreken. Vervolgens kwamen de kamerheren en de hoofden van de regering en ze vonden de koning hopeloos huilend naast de as van zijn dochter. Zij waren heel verbaasd en begonnen om de koning heen te draaien, zonder hem aan te durven spreken. Dit alles duurde een uur. Toen kwam de koning langzamerhand tot zichzelf en vertelde hen wat zijn dochter met de geest overkomen was. Ze riepen uit: ‘Wat een groot ongeluk! Wat een ramp!’ Daarna kwamen alle vrouwen van het paleis met hun slavinnen. Zeven dagen lang was het koningshuis in rouw. De koning liet een grote koepel bouwen voor de as van zijn dochter en liet daar dag en nacht kaarsen en lantaarns branden. Wat de as van de geest betreft, die strooide men de lucht in. De koning werd na al dit gebeuren zo ziek, dat het weinig scheelde of hij stierf. Deze ziekte duurde een hele maand. Toen hij weer wat op krachten gekomen was, liet hij me roepen en zei: ‘Jongeman, wij allen leefden voor uw komst in volmaaktheid en geluk! Uw komst was nodig, om deze gebeurtenis te laten plaatsvinden. Waren we u maar nooit tegengekomen! Want, in de eerste plaats, u bent de oorzaak geweest van het verlies van mijn dochter, die zeker meer dan honderd mannen waard is! En ten tweede, ik heb door u een brandwond opgelopen! Mijn tanden zijn weg. Ten derde, mijn arme eunuch, de goede dienaar die mijn dochter had grootgebracht, is ook gedood! Maar dat is uw schuld niet. Dat is het lot! Verlaat, mijn kind, dus dit land! Wat ons door u is overkomen, is meer dan genoeg. Vertrek dus, en ga in vrede!’

Na dit te hebben verteld, sprak de tweede bedelaar tot de jongedame: ‘Toen verliet ik het paleis en de koning, nog overdonderd door wat mij was overkomen. Ik wist niet waar ik heen moest gaan. Ik herinnerde mij in mijn hart wat me was overkomen, van het begin tot het einde. Hoe de woestijnrovers mij gezond en veilig hadden achtergelaten, mijn lange reis van een maand en mijn komst als vreemde in de stad. Mijn ontmoeting met de kleermaker, mijn ontmoeting met de jonge vrouw onder de grond en de bevrijding uit de handen van de geest, die me eerst had willen vermoorden, en uiteindelijk alles van het begin tot het einde. Van mijn verandering in een aap, die de knecht van een zeekapitein werd, de koning die mij voor een hoge prijs kocht wegens mijn mooie handschrift en hoe ik verlost werd! Vooral de laatste gebeurtenis dat het verlies van mijn oog veroorzaakte. Ik dankte God en zei: ‘Beter mijn oog verloren dan mijn leven!’

De tweede bedelaar ging verder met zijn vertelling: ‘Daarop ging ik, voordat ik de stad verliet, naar het badhuis. Hier liet ik mijn baard afscheren om veilig als bedelaar te kunnen reizen! Sindsdien heb ik elke dag gehuild na al het ongeluk, dat ik heb moeten doorstaan. Vooral voor het verlies van mijn linkeroog. Elke keer als ik er aan denk, springen de tranen mij in het rechteroog. Ze zullen me nooit verhinderen om aan deze regels van de dichter te denken:

‘Heeft de barmhartige God in deze tijd

enig vermoeden van mijn verslagenheid?

Het ongeluk is over mij neergedaald,

ik heb het te laat gevoeld en verhaald!

Toch zal ik bij mijn ondraaglijke rampspoed

geduldig zijn tot in mijn bloed,

opdat de wereld mag weten dat ik

geduld heb gehad, ieder ogenblik,

met iets, bitterder dan het geduld zelf,

onder dit onvoorspelbare hemelgewelf!

Het geduld heeft zijn schoonheid,

vooral bij een man in een harde strijd!

Wat ook een vrome man raakt,

is het lot dat God heeft gemaakt.

Hij besluit voor zijn schepselen het lot,

de zaken gaan zoals ze gaan, al klinkt dat bot!

Mijn geheime geliefde, die op mij let,

kent al de geheimen van mijn bed.

Ook het geheim van de geheimen bestaat

niet voor mijn zoete levenskameraad.

Wat degenen betreft die zeggen, al te vlot:

‘In deze wereld bestaat er veel genot,’

ik zeg hen: ‘Jullie hebben gelijk,

maar als ik het heel goed bekijk,

is het achteraf altijd nog bitterder dan

het sap van de mirte uit een kan!’* 

* Mirte, ofwel myrthe, (Myrtus communis) Perzisch مورت (Moert) is een plant uit de mirtefamilie (Myrtaceae). Het is een dichte, veelvertakte, groenblijvende struik. De plant groeit in het wild op droge, zonnige plekken in het Middellandse Zeegebied, maar wordt ook als sierstruik toegepast. 

Ik vertrok dus en verliet deze stad. Ik reisde door landen, doorkruiste hoofdsteden en begaf mij naar de stad Bagdad. Na een lange tijd kwam ik op een nacht eindelijk in Bagdad aan. Daar wilde ik naar de stadhouder gaan in de hoop hem alles te kunnen vertellen wat me overkomen was. Ik vond deze man, de eerste bedelaar, die daar heel verlegen stond en ik zei tegen hem: ‘Vrede zij met u!’ Hij antwoordde: ‘Insgelijks, vrede zij ook met u. De barmhartigheid van God en alle zegeningen!’ Daarop begon ik met hem te praten. Toen zagen we een man aankomen, deze derde bedelaar. Nadat hij ons vrede had toegewenst, vertelde hij dat hij een vreemdeling was. Wij zeiden tegen hem: ‘Wij zijn ook twee vreemdelingen en we zijn in dezelfde nacht in deze gezegende stad aangekomen!’ We liepen met ons drieën verder en geen van ons kende de achtergrond van de ander. Het lot en de voorbestemming leidden ons naar deze deur en wij kwamen binnen!’

De tweede bedelaar sprak verder tot de jonge vrouw van het huis: ‘Dit is dan, jongedame, de oorzaak van mijn afgeschoren baard en mijn vernielde oog!’ Het jonge meisje van het huis zei tegen de tweede bedelaar: ‘Uw geschiedenis is heus schokkend! Strijk de haren op uw hoofd glad en ga op weg, weg van hier!’ Maar hij antwoordde: ‘Echt, ik ga hier niet vandaan voor ik het verhaal van mijn derde reisgezel heb gehoord.’ De derde bedelaar kwam naar voren en vertelde: 

Verhaal van de Derde Bedelaar 

‘Ach jongedame, denk niet, dat mijn geschiedenis even verbazingwekkend is als die van mijn beide kameraden! Mijn geschiedenis is voortdurend veel verbazingwekkender. Terwijl mijn metgezellen beiden eenvoudigweg door het ongeluk getroffen werden als gevolg van het lot en de voorbestemming, is dat bij mij een ander geval! De oorzaak van mijn afgeschoren baard en mijn vernielde oog is als volgt: Ik heb dit zelf gedaan, het is door mijn eigen schuld gebeurd. Mijn hart is vervuld van kommer en verdriet. Kijk, ik ben koning, een koningszoon. Mijn vader heette Kasib en ik ben zijn zoon. Toen de koning, mijn vader, stierf, erfde ik zijn koninkrijk en ik regeerde en bestuurde het land rechtvaardig en behandelde mijn dienaren goed. Ik reisde veel op zee, de hoofdstad waar ik woonde lag aan de zeekust. Ik had veel eilanden in mijn bezit.

Op een dag wilde ik al mijn eilanden gaan bezoeken en liet tien grote schepen uitrusten en er voorraad voor een maand in brengen en ik vertrok. Deze inspectiereis duurde twintig dagen, en al die tijd woei het stevig. Toen de wind was gaan liggen en de zee tot kalmte gekomen was, zagen wij bij zonsopgang een klein eiland, waar we aanlegden. We gingen aan land, maakten eten klaar en rustten uit.

Na twee dagen ging de storm liggen en we vertrokken weer. Na weer twintig dagen reizen, raakten we de koers kwijt. Het water, waarin wij voeren, was ons onbekend. De kapitein herkende de zee niet meer! We zeiden tegen de uitkijk: ‘Let goed op het water!’ De uitkijk klom in de mast, kwam daarna omlaag en zei tegen ons: ‘Rechts heb ik vissen aan de oppervlakte van het water gezien en midden op zee zag ik in de verte iets, dat soms zwart, dan weer wit, bovenkwam!’ Bij deze woorden van de uitkijk werd de kapitein heel angstig; hij gooide zijn tulband op de grond, rukte zich de baard uit en zei tegen ons allen: ‘Dit wordt onze ondergang! Niemand zal dit overleven!’ Daarop begon hij te huilen en uiteindelijk moest iedereen huilen. Toen vroeg ik aan de kapitein: ‘Kapitein, leg ons uit wat er aan de hand is!’ Hij antwoordde: ‘Mijn beste man, weet dat wij vanaf de eerste dag waarop wij tegenwind hadden, de koers zijn kwijtgeraakt. We weten al elf dagen niet waar we heen varen en er is geen gunstige wind die ons weer op de goede weg terug kan brengen. Dat zwarte en witte ding en de vissen die bovendrijven zijn tekenen dat we morgen bij een berg van zwarte rotsen zullen aankomen. Deze groep rotsen heet de Magneetberg. De wateren drijven ons met geweld naar die berg toe. Hierdoor zal ons schip in stukken geslagen worden. Alle spijkers van het vaartuig vliegen weg, aangetrokken door de Magneetberg, en kleven aan zijn hellingen vast. Moge God deze Magneetberg met zijn geheime eigenschap verdoemen! Deze berg trekt elk ijzeren voorwerp aan. Je kunt je niet voorstellen wat voor een ontzagwekkende hoeveelheid ijzeren voorwerpen daar zijn. Zelfs grote schepen zijn er met geweld naartoe getrokken!

Op de top van de berg schittert een koepel van geel koper, ondersteund door tien zuilen. Op die koepel staat een koperen paard met een ruiter. Die ruiter houdt een lans van koper in zijn hand en op zijn borst hangt een loden plaat, geheel gegraveerd met onbekende en toverspreuken! Zolang die ruiter op het paard zit, zullen alle schepen die er voorbijgaan, in stukken geslagen worden en alle passagiers zijn dan voor altijd verloren. Al het ijzer van de schepen zal tegen de berg aan kleven! Er is dus geen redding mogelijk totdat die ruiter van zijn paard gegooid wordt!’

De derde bedelaar ging verder met zijn verhaal: ‘Beste jongedame, de kapitein begon weer te huilen. We waren overtuigd van onze ondergang, zonder uitzicht op redding. Ieder van ons nam afscheid van zijn vrienden.

Toen de ochtend aanbrak, kwamen we dicht in de buurt van deze berg met zijn zwarte, magnetische rotsen. Het water trok ons met geweld daar naartoe. Toen onze tien schepen onderaan de berg kwamen, begonnen de spijkers van de vaartuigen plotseling weg te vliegen, evenals alle andere ijzeren voorwerpen. Ze kleefden aan de berg vast. Onze schepen vielen uiteen en wij werden allen in zee gegooid. Het grootste deel van de bemanning verdronk. De overlevenden konden elkaar amper vinden, want de vreselijke golven en de tegenwinden verspreidden ons naar alle kanten. Ik kon mij aan een plank tussen vele andere planken vasthouden. De golven en de wind brachten mij aan de voet van de magneetberg. Op die berg vond ik een trap, die naar de top van de berg leidde.” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Maar toen de 15e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Majesteit, de derde bedelaar zat bij de jongedame van het huis. Zijn andere metgezellen zaten met gekruiste armen, bewaakt door zeven negers die elk een zwaard in hun handen hielden. De derde bedelaar vertelde verder: ‘Ik smeekte tot God om genade en raakte in de extase van het gebed. Ik greep mij, zo goed ik kon, aan de rotsen vast. Ik slaagde erin, nu de wind was gaan liggen, deze berg te beklimmen. Ik kwam aan bij de koepel. Ik ging op mijn beide knieën liggen en deed mijn gebed en dankte God voor mijn verlossing. Op dat moment overviel de slaap mij en tijdens mijn slaap hoorde ik een stem, die zei: ‘Zoon van Hasib, wanneer je wakker wordt, graaf dan een gat op de plaats waar je ligt. Je zult een koperen boog en drie pijlen vinden, waarop toverspreuken gegraveerd zijn. Neem die boog en versla hiermee de ruiter die op de koepel staat. Wanneer je de ruiter verslagen hebt, zal deze in zee vallen en de boog zal uit je handen vallen. Vervolgens pak je de boog op en begraaf je hem op de plaats waar deze gevallen is. De zee zal ondertussen beginnen te koken, daarna stijgen en stijgen totdat hij de top bereikt heeft. Dan zul je op zee een boot zien. De persoon in de boot zal naar je toekomen, in zijn hand een roeispaan houdend. Wees niet bang om bij deze persoon in de boot te stappen. Hij zal je tien dagen lang meevoeren en je naar de Zee van Verlossing brengen. In deze zee aangekomen, zul je nog iemand anders aantreffen. Deze persoon zal je de goede weg wijzen. Maar vergeet niet, dat dit alleen zal gebeuren op de voorwaarde dat je de naam van God niet noemt.’

Op dat moment, jongedame, werd ik wakker. Ik begon vol goede moed onmiddellijk het bevel van de stem uit te voeren. Met de gevonden pijlen en boog versloeg ik de ruiter en deed hem in zee vallen. De boog viel uit mijn hand en ik begroef hem op die plek. Onmiddellijk werd de zee onstuimig en wild, kookte, bleef stijgen en bereikte de top van de berg. Na een paar minuten zag ik op zee een boot verschijnen, die mijn richting uit kwam. Toen deze boot vlakbij was, zag ik hierin een koperen man zitten. Deze man droeg op zijn borst een loden plaat, waarop namen en toverspreuken waren gegraveerd. Ik stapte in de boot zonder een woord te zeggen. De koperen man voer door tot aan het einde van de tiende dag. Ik zag in de verte eilanden verschijnen, daar lag mijn redding! Vol enthousiasme en vreugde riep ik: ‘O God, dank u voor mijn redding!’ Amper had ik deze woorden uitgesproken, of de koperen man pakte me beet en gooide me uit de boot de zee in en verdween. Gelukkig kon ik zwemmen. Ik zwom de hele dag door, tot het nacht werd. Bekaf was ik en nu ik de dood zag naderen, bereidde ik mij voor om te sterven. Op dat moment kwam er een vloedgolf van verre aansnellen als een reusachtig bolwerk. Deze sleepte mij zo krachtig en zo ver mee, dat ik me ineens op de kust van één van de eilanden bevond. Aan land gekomen wrong het water uit mijn kleren. Ik spreidde mijn kleren op de grond uit om ze te laten drogen, en viel in slaap. Toen ik wakker werd, deed ik mijn kleren aan en ging kijken waar ik heen kon gaan. Ik bevond mij in een klein dal, klom naar boven en zag dat ik op een klein eiland was. Ik was geheel door zee omringd en ik dacht bij mezelf: Wat een ramp! Elke keer dat ik van een ongeluk bevrijd ben, kom ik terecht in een situatie die nog erger is! Terwijl ik in treurige gedachten verdiept was, zag ik op zee een boot naderen, waarin mensen zaten. Ik klom in een boom en verstopte me. De boot legde aan en tien slaven stapten eruit. Ieder van hen droeg een schep. Ze liepen tot ze in het midden van het eilandje waren aangekomen. Ze begonnen een gat te graven waarin een deksel zichtbaar werd. Ze tilden het deksel op en openden de deur die zich daaronder bevond. De slaven gingen terug naar de boot en haalden er een grote hoeveelheid voorwerpen uit die ze op hun schouders zetten. Ik zag brood, meel, honing, boter, schapen, volle zakken en nog veel meer. De slaven bleven heen en weer lopen, van de deur van de ondergrondse woning naar de boot en van de boot naar het deksel. Als laatste haalden ze schitterende kleren en prachtige gewaden uit de boot, die ze over hun armen hingen. Uit het schip zag ik een wijze grijsaard komen, die door zijn jaren gebroken en vermagerd was. Deze grijsaard had een zeer mooie, jongeman bij de hand. Hij was beeldschoon. Ze liepen door tot ze bij de deur aangekomen waren. Ze gingen naar beneden en kwamen na enige tijd zonder de knappe jongeman weer boven. Ze keerden naar het schip terug en voeren weg.

Toen het schip helemaal uit het zicht was verdwenen, klom ik uit de boom en snelde naar de plaats waar het deksel lag. Ik tilde deze op en daalde de gewelfde, stenen trap af. Beneden trof ik een grote zaal aan. De muren waren bedekt met mooie fluwelen stoffen en op de grond lagen schitterende, zijden tapijten. Op een lage divan, tussen brandende kaarsen, en te midden van vazen vol bloemen en potten gevuld met vruchten en zoetigheden, zat die jonge knaap. Hij woei zich koelte toe met een waaier. Toen hij mij zag, schrok hij. Ik sprak rustig tot hem: ‘Vrede zij met u!’ ‘En vrede zij met u,’ antwoordde hij gerustgesteld. Ik zei tegen hem: ‘Jongeman, ik ben een koning en ik kom u bevrijden. Je zult mijn vriend zijn, want alleen al door naar u te kijken, werd ik van mijn verstand beroofd!’ Bij mijn woorden glimlachte de jongeman en nodigde mij uit naast hem op de divan te komen zitten. Hij zei: ‘Beste man, ik ben hier niet om op deze plaats te sterven. Weet, dat ik de zoon van een zeer groot juwelier ben. Hij is in de hele wereld bekend om zijn rijkdom en zijn talrijke schatten. Zijn naam is in alle streken bekend door de karavanen, die hij ver weg zond om kostbare stenen aan de koningen en emirs van deze aarde te verkopen. Bij mijn geboorte, laat in zijn leven, werd mijn vader door de waarzeggers gewaarschuwd, dat deze zoon eerder dan zijn vader en moeder moest sterven. Mijn vader was die dag erg bedroefd, ondanks de vreugde over mijn geboorte en het geluk van mijn moeder, die mij na negen maanden zwangerschap met Gods wil ter wereld had gebracht. De geleerden, die mijn lot in de sterren hadden gezien, hadden hem gezegd: ‘Deze zoon zal op zijn vijftiende verjaardag door een koning gedood worden. Zijn moordenaar is de zoon van koning Kasib. Dit zal gebeuren veertig dagen nadat die koning de koperen ruiter van de magnetische berg de zee in heeft gegooid!’ Mijn vader, de juwelier, was bedroefd. Maar hij nam mij onder zijn hoede en voedde mij met veel zorg op, totdat ik bijna vijftien jaar was. Toen merkte mijn vader, dat de ruiter in zee gegooid was en begon hij samen met mijn moeder te huilen, ze waren erg bedroefd. Zijn huidskleur veranderde en zijn lichaam werd magerder. Hij ging eruitzien als een zeer oude man, gebroken door de jaren en het ongeluk. Toen nam hij me mee naar deze onderaardse woning, op dit eiland. Hij had sinds mijn geboorte mannen aan het werk gezet om me uit de buurt van de koning te houden die me op mijn vijftiende jaar moest doden. Mijn vader en ik waren er zeker van, dat de zoon van Kasib me niet op dit onbekende eiland zou vinden. Dit nu is de reden van mijn verblijf op deze plek.’

De derde bedelaar dacht bij zichzelf: Wat kunnen de mensen die de sterren lezen, zich vergissen! Lieve God! Deze jongen is de vlam van mijn hart en ik zou mezelf doden als ik hem zou doden! Ik zei tegen hem: ‘Ach, kind, de grote God zou nooit willen dat een bloem als jij afgesneden werd! En ik, ik ben hier om je te verdedigen en ik blijf mijn hele leven bij je!’ Daarop antwoordde hij: ‘Mijn vader komt me op het einde van de veertigste dag terughalen, want na die tijd is er geen gevaar meer.’ Ik antwoordde: ‘Lieve God, ach kind, ik blijf die veertig dagen bij je. Daarna zal ik je vader vragen je met me mee naar mijn koninkrijk te laten gaan. Daar zul je mijn vriend en de erfgenaam van mijn troon zijn!’ Toen bedankte de jongeman, de zoon van de juwelier, me met vriendelijke woorden en ik merkte op, hoe beleefd hij was en hoe hij op mij gesteld was en ik op hem. We begonnen vriendschappelijk met elkaar te praten en te eten van al die heerlijke dingen die daar aanwezig waren. Er was voldoende voedsel om honderd gasten gedurende een jaar te eten te geven.

Ik merkte hoezeer mijn hart in verrukking was geraakt door de lieftalligheid van de jonge knaap. We lagen daarna de hele nacht in bed. Bij het aanbreken van de ochtend werd ik wakker en waste ik me. Daarna bracht ik de jonge knaap een koperen schaal met geurend water zodat hij zich kon wassen. Ik maakte het ontbijt klaar. Wij aten samen. Daarna gingen we praten, speelden we samen spelletjes en lachten we tot het avond werd. We legden het tafellaken op de grond en aten schaap gevuld met gemalen amandelen, rozijnen, muskaatnoten, kruidnagelen en peper. We dronken zoet en fris water en aten watermeloen, suikermeloen, taartjes met honing en boter, licht en luchtig, waarbij de boter niet gespaard werd, noch de honing, noch de amandelen, noch de kaneel. Evenals de vorige nacht gingen we naar bed en ik stelde vast, dat we vrienden geworden waren! We bleven gelukkig samen tot de veertigste dag.

Toen het de laatste dag was en de juwelier moest komen, wilde de jonge knaap een groot bad nemen. Ik stak het hout aan en verwarmde het water in de grote ketel. Daarop goot ik het warme water in de grote koperen kuip en voegde er koud water bij om het zacht en aangenaam te maken. De jonge knaap ging erin zitten en ik waste hem. Daarop bracht ik hem naar bed, stopte hem in en wikkelde zijn hoofd in met zilver geborduurde zijden stof. Ik gaf hem een heerlijke sorbet te drinken en bleef bij hem totdat hij in slaap viel.

Toen hij wakker werd, wilde hij eten. Ik koos de mooiste en dikste watermeloen uit en legde die op een schaal. Ik zette de schaal op het kleed en klom op het bed om het grote mes te pakken, dat aan de muur boven het hoofd van de jonge knaap hing. De jongen kriebelde me plotseling voor de grap aan mijn been. Ik was zo gevoelig, dat ik op hem viel. Het mes stak door zijn hart, waardoor hij stierf. 

Toen ik dit zag, beste jongedame, onze goede gastvrouw, sloeg ik mezelf in het gezicht en ik schreeuwde en verscheurde mijn kleren. In wanhoop en tranen liet ik mezelf op de grond vallen. Mijn jonge vriend was dood en de woorden van de astrologen werden verwezenlijkt door mij. Ik bad tot God: ‘O, grote God, als ik een misdaad begaan heb, ben ik bereid hiervoor gestraft te worden.’ Op dat moment zag ik de dood onder ogen. Maar jongedame, onze wensen worden nooit en te nimmer gehoord. Je kunt begrijpen dat ik de aanblik van die plaats nu niet meer kon verdragen. Ik wist dat de vader, de juwelier, op het einde van de veertigste dag zou komen. Ik klom de trap op, ging de deur uit, sloot het deksel en bedekte het als tevoren met aarde. Buiten gekomen, zei ik tot mezelf: ‘Ik moet zien wat er gaat gebeuren, ik moet me verbergen. Als ik dit niet doe, word ik door de tien slaven vermoord. Zij zullen mij de allerergste dood doen sterven.’ Hierop klom ik in een grote boom, die dicht bij de plek van het deksel stond, en keek om me heen.

Een uur later zag ik de boot met de oude juwelier en zijn slaven over zee aankomen. Ze gingen allemaal aan land en snelden naar de boom. Ze zagen dat de aarde nog helemaal vers was en werden heel erg bang. De juwelier voelde zijn ziel wegvliegen. De slaven groeven de aarde weg, openden het deksel en daalden af. De juwelier riep de naam van zijn zoon, maar de jonge knaap antwoordde niet. Ze zochten tot ze hem op het bed vonden, uitgestrekt, met zijn hart doorboord. Zodra de juwelier dit zag viel hij flauw op de grond. De slaven begonnen te klagen en te jammeren. Ze droegen de juwelier op hun schouders de trap op, naar buiten. Toen daalden de slaven weer af, haalden de ontzielde jongeman naar boven. Ze delfden een graf en begroeven hem. Na de laatste schep aarde brachten ze de juwelier naar de boot. Ook brachten ze alle overgebleven voorraden en alles wat van waarde was terug naar de boot. Ze verdwenen in de verte op de zee.

In mijn ongelukkige toestand klom ik nu uit de boom. Ik dacht aan dit ongeluk en huilde erg. In verslagenheid liep ik de hele dag en de hele nacht het eiland rond. Ik bleef in deze toestand, tot ik uiteindelijk opmerkte dat de zee van moment tot moment kleiner werd. De hele strook tussen het eiland en het land was nu droog geworden. Ik dankte God, die me van dit vervloekte eiland wilde bevrijden en liep over het droge zand naar de andere kant.

In de verte zag ik een groot rood vuur schijnen. Ik dacht dat ik daar mensen zou vinden die een schaap aan het braden was. Ik liep erheen en zag dat het geen vuur was, maar een groot paleis van koper. Het zonlicht had dit paleis in vuur en vlam gezet. Ik was zeer verbaasd over dit indrukwekkende paleis, dat helemaal van koper bleek te zijn. Ik voelde de stevigheid van het paleis.

Plotseling kwamen er uit de grote poort van het paleis tien jongemannen tevoorschijn. Deze mannen waren knap en mooi, maar allemaal misten ze hun linkeroog. Er kwam ook een elfde man door de poort, een indrukwekkende oude man. Ik dacht bij mezelf: ‘Lieve God, wat een vreemd toeval! Wat hebben deze tien mannen gedaan? Waarom missen ze allemaal hun linkeroog?’

Terwijl ik in deze gedachten verdiept was, naderden de tien jongemannen mij en zeiden: ‘Vrede zij met u!’ Ik beantwoordde hun vredewens en vertelde hun mijn geschiedenis, van het begin tot het einde.

Over mijn woorden waren zij erg verbaasd en zeiden: ‘Ach, jongeman, kom deze woning binnen en moge jouw ontvangst hartelijk en edelmoedig zijn!’ Ik ging naar binnen. We liepen door talrijke zalen, allemaal behangen met satijnen stoffen. We kwamen uiteindelijk in de laatste zaal. Deze zaal was ruimer en mooier dan al de andere. In het midden van die zaal lagen tien tapijten over tien matrassen gespreid. In het midden van die tien prachtige sofa’s lag een elfde tapijt zonder matras, minstens zo mooi als de tien andere.

De oude man ging op het elfde tapijt zitten en de tien jongemannen elk op hun sofa. Ze zeiden in koor: ‘Ga maar aan het einde van de zaal zitten, jongeman, en vraag niet naar wat u nu te zien gaat krijgen.’

Enkele ogenblikken later stond de grijsaard op, ging weg en haalde telkens weer eten en drinken. We aten en dronken gezellig met elkaar. Daarna ruimde de grijsaard alles op wat overgebleven was en ging weer zitten. Hierop zeiden de tien jongemannen in koor tegen de grijsaard: ‘Hoe kunt u nu gaan zitten alvorens ons het nodige te brengen om onze plichten te vervullen?’ De grijsaard stond op, verliet tien keer de zaal en kwam elke keer terug met een lantaarn en met een schaal die bedekt was met een lap satijn. Hij zette voor iedere jongeman een schaal en een lantaarn neer. Maar hij gaf mij niets en ik was zeer teleurgesteld. De mannen haalden de lappen weg en ik zag, dat elke schaal as, koolstof en zwartsel bevatte. De mannen namen de as en strooiden die op hun hoofd, ze veegden de koolstof op hun gezicht en het zwartsel in hun rechteroog en jammerden: ‘We hebben dit verdiend door de misdaden die we hebben gepleegd!’ Ze gingen met dit ritueel door totdat de ochtend aanbrak. Daarna wasten ze zichzelf en gebruikten daarbij andere kommen, die de grijsaard gebracht had. Ze trokken nieuwe kleren aan. Alles was weer zoals het was.

Beste gastvrouw, ik was erg verbaasd, maar ik durfde niets te vragen, want ik mocht hierover niets zeggen. De volgende nacht herhaalden ze dit ritueel, evenals de derde nacht en de vierde nacht.

Nu kon ik mij niet langer in bedwang houden en riep uit: ‘Ach, mannen, vertel mij waarom u allen uw linkeroog mist, vertel mij van de as, de koolstof en het zwartsel dat u op uw hoofd gooit.’ De mannen reageerden hierop: ‘Uw lot mag zich niet voltrekken! U zult overkomen wat ons is overkomen, maar klaag hierover niet, want het zal uw eigen schuld zijn! Bovendien, na het verlies van uw oog kunt u hier niet terugkomen. We zijn al met tien mannen en er is geen plaats voor een elfde man!’

Bij deze woorden bracht de grijsaard een levend schaap, men slachtte het, vilde het en maakte de huid schoon. Vervolgens zeiden ze tegen mij: ‘Je wordt in deze schapenhuid genaaid en neergelegd op het terras van dit koperen paleis. Daar zal de grote gier, roch genaamd, je voor een echt schaap aanzien. Deze roofvogel is in staat een olifant op te tillen. Hij zal je meenemen naar de top van een berg, in de wolken. Deze berg is niet toegankelijk voor menselijke wezens. Roch, de grote gier, is gek op schapen en hij zal je willen opeten met huid en haar. Voordat hij hiermee kan beginnen, moet je met het mes dat we je geven, de huid van het schaap opensnijden. Je komt dan heelhuids tevoorschijn. Zodra de vreselijke roch je ziet, zal hij verdwijnen en je niet opeten, want hij lust geen mensen!

Je loopt totdat je een paleis ziet dat tien maal groter is dan ons paleis en duizend keer mooier. Dit paleis is helemaal bewerkt met bladgoud en alle muren zijn ingelegd met grote stenen, vooral met smaragden en parels. Je gaat door de open poort naar binnen. Wat ons betreft, wij hebben ons linkeroog achtergelaten en wij ondergaan nog de verdiende straf. Dit is in het kort onze geschiedenis. Als we alle details zouden vertellen, konden we een boek schrijven! Wat u betreft, moge uw lot zich nu voltrekken!’ Ze gaven me het mes, naaiden me in de schapenhuid, legden me op het terras van het paleis en gingen weg.

Plotseling voelde ik dat ik opgepakt werd door de vreselijke vogel roch. Hij vloog met mij weg naar de top van de berg. Ik voelde toen dat ik op de top van de berg werd neergelegd, ik sneed de schapenhuid open en ik kwam tevoorschijn en riep: ‘Kstt! Kstt!’ om de vreselijke roch te verjagen. Hij vloog weg met zware vleugelslag. Ik zag, dat het een grote witte vogel was, even dik als tien olifanten en even groot als twintig kamelen! Ik liep snel weg. Op het midden van de dag kwam ik aan bij het paleis. Bij het aanschouwen van dit paleis was ik, ondanks de beschrijving van de tien jongemannen, zeer verbaasd. Dit paleis was veel mooier dan woorden kunnen uitdrukken. De grote gouden poort, waardoor ik het paleis binnenging, werd geflankeerd door negenennegentig poorten van aloëhout en sandelhout. De deuren van de zalen waren van ebbenhout, ingelegd met goud en diamanten. Al deze deuren leidden naar zalen en naar tuinen, waarin ik al de rijkdommen van de aarde en de zee bijeen zag komen.

In de eerste zaal waar ik binnen kwam, zag ik veertig jonge en beeldschone vrouwen. Deze vrouwen waren zo betoverend mooi, dat een ieder zijn verstand zou verliezen. Het was niet mogelijk slechts naar één vrouw te kijken.

Ik was zo verbaasd, dat ik stilstond en mijn hoofd voelde draaien. De vrouwen kwamen naar mij toe en zeiden met aangename stemmen: ‘Ons huis is het uwe, beste gast.’ Zij nodigden mij uit te gaan zitten en lieten me op een verhoging plaatsnemen. Daarna gingen ze aan mijn voeten op het tapijt zitten en zeiden: ‘Ach beste man, we zijn uw slavinnen en het voorwerp waarover u beschikt. U bent onze meester en de kroon op onze hoofden!’ Toen begonnen ze mij te bedienen. De één bracht me warm water en doeken en waste mijn voeten. De ander goot heerlijk geurend water uit een gouden kan over mijn handen. De derde trok mij een zijden gewaad aan met een ceintuur. Dit gewaad was geborduurd met goud- en zilverdraad. De vierde bood mij een beker aan, gevuld met een heerlijke drank van bloemengeur doordrenkt. Zij keek me aan en glimlachte naar me. Een andere vrouw knipoogde tegen mij en weer een andere vrouw zei verzen voor me op. Zij strekte haar armen naar me uit en deed een buikdans voor me. De vrouwen kirden en ik hoorde woordjes als: ‘Ah!’ en ‘Och!’ en weer een ander zei: ‘Ach, jij, mijn oogappel!’ en: ‘Ach, jij, mijn ziel!’ en nog een ander: ‘Mijn liefste!’ en één: ‘Ach, vlam van mijn hart!’ Ze kwamen allen naar mij toe en masseerden en liefkoosden mij. Ze zeiden: ‘Ach beste gast, vertel ons uw geschiedenis, want we zijn hier al zo lang alleen, zonder man. Ons geluk is nu volmaakt!’ Ik bedaarde langzaam en vertelde hun een deel van mijn geschiedenis, tot de nacht aanbrak. Vervolgens bracht een paar vrouwen kaarsen en de zaal werd verlicht als door de zon. Ze spreidden een tafellaken uit en serveerden de meest heerlijke gerechten. Ook schonken ze een heerlijke drank. Een aantal vrouwen speelde op muziekinstrumenten en zong met prachtige stem. Andere vrouwen begonnen te dansen, terwijl ik doorging met eten. Na al dit plezier zeiden ze tegen mij: ‘Ach, geliefde, nu is het tijd voor het heerlijk vermaak in bed. Kies iemand van ons uit, wees niet bang ons te beledigen. Ieder van ons zal gedurende de nacht aan de beurt komen, elk van de veertig zussen. Daarna zal ieder van ons om de beurt in bed met u gaan spelen, iedere nacht.’ Ik wist, beste gastvrouw en aanwezigen, niet wie van de veertig vrouwen ik moest kiezen, want allen waren ze even aantrekkelijk. Daarom sloot ik mijn ogen, en nam de eerste vrouw die ik aanraakte in mijn armen. Ik opende mijn ogen en sloot ze snel weer, omwille van haar verblindende schoonheid. Zij leidde me naar haar bed en ik bracht de nacht met haar door.

Elke nacht bracht ik door met een andere vrouw en dat duurde zo een jaar lang. Na elke nacht kwam de jonge vrouw van de volgende nacht bij me en bracht me naar het badhuis en waste mijn hele lichaam en masseerde me krachtig. Ze parfumeerde me met allerlei lekkere oliegeurtjes. Zo kwam het einde van het jaar in zicht. Op de ochtend van de laatste nacht zag ik alle jonge vrouwen naar mijn bed snellen. Ze huilden en maakten van verdriet hun haren los. Ze klaagden en zeiden tegen mij: ‘Weet, ach licht van onze ogen, dat wij je moeten verlaten, zoals wij de anderen vóór je verlaten hebben. Je moet weten dat je niet de eerste bent en dat we vele ruiters, evenals jij, lieten begaan! Alleen jij, jij bent als bespringer het rijkste aan sprongen. Ook ben je zeker de meest hartstochtelijke en vriendelijkste van allemaal. Daarom zullen we nooit zonder jou kunnen leven.’ Ik zei tegen hen: ‘Maar zeg me: waarom moeten jullie me verlaten? Want ook ik, ik wil de vreugde, die ik door jullie in het leven schep, niet kwijtraken!’ Ze antwoordden mij: ‘Weet, dat wij allen dochters zijn van één koning, maar van verschillende moeders. Sinds wij huwbaar zijn, wonen we in dit paleis. Elk jaar leidt God op onze weg een belager die ons voldoet en wij hem eveneens. Maar elk jaar moeten we veertig dagen weggaan en onze vader en onze moeders bezoeken. Vandaag is het de dag!’ Ik zei: ‘Maar, ach lieflijke vrouwen, dan blijf ik in het huis achter om God tot jullie terugkomst te prijzen!’ De vrouwen antwoordden: ‘Moge uw wens vervuld worden! Hier zijn de sleutels van het paleis, die op alle deuren passen. Dit paleis is je woning en jij bent er heer en meester. Maar pas op, je mag in geen geval de koperen deur openen, die zich achter in de tuin bevindt, anders zul je ons niet terugzien en zal jou helaas een groot ongeluk overkomen. Kijk dus goed uit!’ Bij deze woorden kwamen ze me allemaal omhelzen, huilend en kussend en zeiden: ‘God zij met u!’ Vervolgens ging ik, beste gastvrouw, de zaal uit met de sleutels in mijn hand. Ik begon het paleis door te snuffelen, want tot die dag had ik geen tijd gehad om dit te bekijken. Mijn lichaam en geest waren erg moe van al die aandacht van die jonge vrouwen. Ik opende met de eerste sleutel de eerste deur. Toen ik de eerste deur opende, zag ik een grote tuin, geheel beplant met grote en mooie vruchtbomen. Ik had zoiets nog nooit van mijn leven en in de hele wereld gezien. Vanuit kleine kanaaltjes besprenkelde het water alle bomen zo goed, dat de vruchten van die bomen wonderlijk schoon en groot waren. Ik at van deze vruchten, in het bijzonder van de bananen en van de dadels die zo lang waren als de vingers van een edele Arabier. Ik at ook van de granaatappels, van de appels en de perziken. Nadat ik deze vruchten had gegeten, bedankte ik God voor zijn gift. Ik opende daarna de tweede deur met de tweede sleutel. Bij het openen van deze deur trokken bloemen in een grote tuin de aandacht van mijn ogen en mijn neus. Dit waren bloemen uit het paradijs: jasmijn, narcissen, rozen, viooltjes, hyacinten, anemonen, anjers, tulpen, ranonkels en vele andere soorten bloemen. Toen ik uiteindelijk aan alle bloemen geroken had, plukte ik jasmijn, stak hem in mijn neus en snoof de geur op. Ik dankte God voor zijn weldaden. Ik opende uiteindelijk de derde deur en mijn oren werden bekoord door de stemmen van vogels in alle kleuren en soorten van de wereld. Deze vogels bevonden zich allen in een grote kooi, gemaakt van spijlen van aloë- en sandelhout. Het drinkwater van deze vogels bevond zich in kleine schoteltjes van gekleurde jade en jaspis; de zaadjes lagen in kleine gouden kopjes. De grond was geveegd en nat gemaakt. Ik luisterde naar het gezang van de vogels totdat de nacht viel. Ik ging slapen. Maar de volgende dag vertrok ik snel en opende de vierde deur met de vierde sleutel. Beste gastvrouw, daar zag ik dingen die een mens zelfs in een droom nooit zou kunnen zien. In het midden van een grote binnenplaats zag ik een koepel, een prachtig gebouw. Deze koepel had trappen van porfier, die omhoog leidden naar veertig deuren van ebbenhout, ingelegd met goud en zilver. Deze deuren, waarvan de vleugels open stonden, lieten een prachtige zaal zien. Elke zaal bevatte een schat en elke schat was meer dan een koninkrijk waard. Ik zag dat de eerste zaal gevuld was met in rijen gelegde stapels dikke en kleine parels. Elke parel was zo groot als een duivenei en even glanzend als de maan in al haar pracht. De tweede zaal overtrof de eerste in zijn rijkdom: deze was volledig gevuld met diamanten, rode robijnen, blauwe robijnen en karbonkels. In de derde zaal waren alleen smaragden. In de vierde zaal stukken goud. In de vijfde zaal gouden dinar-munten. In de zesde zaal lag maagdelijk zilver en in de zevende zaal lagen zilveren dinar-munten. Andere zalen waren gevuld met alle stenen uit de aarde en uit de zeeën, met topazen, turkooizen, hyacintkristallen, met stenen uit Jemen, met kornalijnen in alle kleuren. Er waren vazen van jade, halssnoeren, armbanden, gordels, alle juwelen die aan het hof van emirs en koningen worden gebruikt. En ik, lieftallige gastvrouw, hief mijn handen en mijn ogen naar de hemel en ik dankte God voor zijn weldaden. Ik bleef zo doorgaan, elke dag, en opende één, twee of drie deuren, tot aan de veertigste dag. Mijn nieuwsgierigheid werd elke dag groter: de laatste sleutel bleef over, de sleutel van de koperen deur. Ik dacht aan de veertig jonge vrouwen en ik was ongelukkig terwijl ik aan hen dacht. Ik dacht aan de zachtheid van hun manieren en aan de koelte van hun vlees en aan de stevigheid van hun dijen! Maar de vervloeking liet me de sleutel van die koperen deur voelen, de verleiding was al te groot. Ik opende de koperen deur. Mijn ogen zagen niets, mijn neus bespeurde alleen een zeer sterke lucht, de lucht van vijandigheid. Ik viel flauw en de deur van de kamer ging weer dicht.

Toen ik bijkwam, maakte ik opnieuw de deur open en wachtte tot de lucht minder sterk werd. Ik ging naar binnen en kwam in een ruime zaal, bestrooid met saffraan en verlicht met kaarsen, geparfumeerd met grijze amber en met wierook. Verder waren er prachtige gouden en zilveren lampen, die aromatische oliën bevatten en die een sterke geur verspreidden. Tussen de gouden fakkels en de gouden lampen zag ik een opvallend zwart paard. Het paard had een witte ster op zijn voorhoofd. Het linker en rechtervoorbeen waren aan de uiteinden wit gevlekt. Het zadel was van brokaat gemaakt en zijn teugel was een gouden ketting. Zijn voederbak was vol sesampitten en vol gezeefde gerst. Zijn drinkbak was gevuld met vers water, geparfumeerd met rozenwater. En ik, beste gastvrouw, ik besefte, omdat ik een passie voor paarden had en de meest befaamde ruiter van mijn koninkrijk was, dat dit paard me erg beviel. Ik pakte het beest bij de teugel en bracht het naar de tuin. Ik beklom dit paard, maar het bewoog zich niet. Ik sloeg het met de gouden ketting op de hals. Onmiddellijk, beste gastvrouw, spreidde het paard twee grote vleugels uit, die ik tot nu toe nog niet had gezien. Briesend en hinnikend sloeg het driemaal met zijn hoef op de grond en vloog met mij de lucht in. Ik werd hier duizelig van en kneep mijn dijen stevig tegen de flanken van het paard, ik hield me als een goed ruiter. Uiteindelijk daalde het paard en hield stil op het terras van rood koper, waar ik de tien jongemannen met één oog had gevonden. Het paard steigerde als een gek en schudde zich snel, zodat ik eraf viel. Het paard kwam op me af, liet zijn vleugel naar mijn gezicht zakken en stak het uiteinde van zijn vleugel in mijn linkeroog. Hij vernielde het onherstelbaar. Daarop vloog het dier weer de lucht in en verdween.

En ik, ik legde mijn hand op mijn gewonde oog en liep heen en weer over het terras, huilend en klagend, mijn hand schuddend van de pijn! Plotseling zag ik de tien jongemannen verschijnen. Ze zeiden: ‘Je hebt niet naar ons willen luisteren! Dit is het lot en je eigen schuld. Hier kun je niet blijven, want we zijn al met ons tienen. Maar, als je die en die weg volgt, zul je in de stad Bagdad komen, bij Haroen ar-Rasjid. Hij is beroemd tot in de wijde omtrek. Uw lot zal in zijn handen zijn.’ Ik schoor mijn baard af, zodat mij geen ander ongeluk kon overkomen. Ik vertrok en ik reisde dag en nacht. Ik hield niet op met lopen tot ik aangekomen was in de woning van de Vrede in Bagdad. Ik kwam deze twee eenogigen tegen, ik groette hen en zei: ‘Ik ben een vreemdeling.’ ‘Wij ook, wij zijn ook vreemdelingen,’ antwoordden ze beiden. Zo kwamen wij drieën in dit gezegende huis terecht, beste gastvrouw! Dit is de oorzaak van het oog dat ik mis en van mijn afgeschoren baard!’

Na deze buitengewone geschiedenis zei de gastvrouw van het huis tot de derde bedelaar: ‘Vooruit! Strijk eens over je hoofd en ga weg. Ik vergeef je!’ Maar de derde bedelaar antwoordde: ‘Ik ga niet weg, lieve God nee, vóór ik de geschiedenis van alle anderen heb gehoord.’ Jafar, de minister van kalief Haroen ar-Rasjid, kwam dichterbij en vertelde haar de geschiedenis, die hij eerder al aan het meisje aan de deur had verteld toen hij de woning binnentrad. Nadat het meisje de woorden van Jafar gehoord had, zei zij tegen iedereen: ‘Ik vergeef jullie allemaal, maar ik verzoek jullie om zo snel mogelijk hier weg te gaan!’

Alle mannen vertrokken en gingen de straat op. Daar zei de kalief tegen de bedelaars: ‘Gezellig zeg, waar gaan jullie nu heen? Zij antwoordden: ‘Wij weten niet waar we naar toe moeten gaan.’ Hierop sprak de kalief: ‘Jullie kunnen deze nacht bij mij logeren.’ Na dit gezegd te hebben, sprak hij tot Jafar: ‘Wil je deze mannen meenemen en morgen met hen naar mijn vertrek komen? Dan zullen we zien wat we verder kunnen doen.’ Jafar gehoorzaamde de kalief en nam de bedelaars mee. De kalief ging naar zijn paleis, maar hij kon die nacht niet slapen. Hij stond de volgende dag op en ging op de troon in het paleis zitten. Hij liet zijn adviseurs en andere belangrijke mensen bij hem komen. Nadat hij met hen de dagelijkse zaken had besproken en orders had uitgedeeld, vertrokken zij. Daarop sprak hij tot Jafar: ‘Breng mij de drie meisjes hier, de twee honden en de drie bedelaars!’ Jafar vertrok onmiddellijk en bracht hen naar de kalief. Bij aankomst in het paleis bedekten de meisjes hun gezicht met een sluier. Ze gingen onderdanig voor de kalief staan. Jafar sprak tot hen: ‘Wij hebben elkaar niets te verwijten! Jullie hebben ons goed behandeld, en jullie hebben ons vergeven. Wij staan met z’n allen tegenover de vijfde afstammeling van de oom van de Profeet, Abbas, kalief Haroen ar-Rasjid! Jullie moeten eerlijk tegen hem zijn en de waarheid vertellen.’ Nadat de jonge vrouwen de woorden van Jafar gehoord hadden, kwam de oudste zus naar voren en zei: ‘O majesteit, koning van de gelovigen, mijn geschiedenis is zeer wonderbaarlijk. Het lijkt alsof deze geschiedenis met naalden op de binnenste hoek van mijn oog geschreven is. Mijn levensgeschiedenis kan een les zijn voor degene die deze met eerbied leest!” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.


Maar toen de 16e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Mij werd verteld majesteit, o gezegende koning, dat de oudste van de meisjes boog voor kalief Haroen ar-Rasjid, de emir van de gelovigen en begon haar geschiedenis te vertellen: 

Geschiedenis van Zobeida, het eerste meisje 

‘Beste mannen, ik heet Zobeida. Mijn halfzus, die de deur voor u open deed, heet Amina en mijn jongste halfzusje heet Fahima. Wij hebben alle drie dezelfde vader, maar niet dezelfde moeder. Wat deze honden hier betreft, zij zijn mijn volle zussen, van dezelfde vader en dezelfde moeder als ik. Toen onze vader stierf, liet hij ons vijftienduizend dinar na. Deze moesten onder ons verdeeld worden. Mijn halfzussen Amina en Fahima verlieten mij, om in het huis van hun eigen moeder te gaan wonen. Korte tijd na de dood van onze vader bereidden mijn beide oudste volle zussen zich voor op het huwelijk. Zij trouwden ieder met een man, maar bleven nog enige tijd met mij samen in hetzelfde huis wonen. De echtgenoten van mijn zussen hadden plannen gemaakt om op een handelsreis te gaan. Ze namen duizend dinar mee van hun vrouwen om er spullen voor te kopen. Ze vertrokken samen met mijn zussen en lieten mij helemaal alleen achter. Vier jaar bleven ze weg. De mannen raakten al hun geld en hun bezittingen kwijt en lieten hun vrouwen aan hun lot over. Mijn zussen kwamen als arme bedelaressen weer bij me aan de deur. Ik herkende ze absoluut niet en deed de deur weer dicht. Maar, toen ik hun stemmen hoorde, herkende ik hen en vroeg: ‘Wat is er met jullie gebeurd, wat is jullie overkomen?’ Mijn zussen antwoordden: ‘Lieve zus, woorden schieten tekort om de ellende die wij hebben meegemaakt enigszins uit te beelden!’ Mijn hart was vol van medelijden, ik gaf ze meteen nieuwe gewaden en stuurde ze naar het badhuis.

Toen ze terugkwamen sprak ik tot hen: ‘Lieve zussen, jullie zijn de twee oudsten en ik ben de jongste! Jullie zijn als een vader en moeder voor mij! Onze erfenis is alleen maar groter geworden. Jullie zullen ook de vruchten daarvan plukken. Ons verdere leven zal fijn zijn en we zullen voortaan samen blijven!’

Een jaar lang waren we gelukkig met elkaar. Maar op een dag zongen ze het oude liedje: ‘Mama, ik wil een man!’ Ik antwoordde: ‘Lieve zussen, jullie zullen niets goeds in het huwelijk vinden, want de perfecte en volkomen eerlijke man bestaat niet! Jullie zijn eerder getrouwd geweest. Zijn jullie soms de ellende daarvan vergeten?’ Maar zij luisterden niet naar mijn woorden en wilden toch trouwen. Ik maakte een grote uitzet voor mijn zussen klaar en zodoende trouwden ze opnieuw. Wat gebeurde er toen? De nieuwe echtgenoten van mijn zussen gingen er weer vandoor met het geld en lieten de vrouwen in de steek. Zo stonden ze weer bij mij op de stoep, bankroet. Ze hadden spijt en zeiden: ‘Wijs ons niet terecht, lieve zus! Jij bent weliswaar de jongste van ons drieën, maar je bent de meest verstandige onder ons. We beloven je zelfs het woord huwelijk niet meer uit te spreken!’ Ik zei tegen mijn zussen: ‘Jullie kunnen altijd weer bij me terecht, ik heb niemand die mij dierbaarder is dan jullie!’ Een heel jaar ging voorbij zonder zorgen. Ik had plannen om een schip met handelswaar te laden, naar Basra te vertrekken en deze daar te gaan verkopen. Toen ik dit allemaal voor elkaar had en het schip vol met handelswaar geladen was, zei ik tegen mijn zussen: ‘Lieve zussen, willen jullie liever thuis blijven of willen jullie liever samen met mij vertrekken?’ ‘We gaan mee, we zouden niet zonder jou kunnen,’ antwoordden ze.

Vóór ons vertrek had ik uit voorzorg mijn geld verdeeld. Ik nam de helft met me mee en verborg de andere helft in mijn woning. Ik dacht namelijk: ‘Het is mogelijk, dat we schipbreuk lijden en dat ons leven gered wordt. Bij terugkomst in dit huis zal dat geld ons van pas kunnen komen.’

Een aantal etmalen voeren we door, maar de kapitein raakte ongelukkigerwijs de koers kwijt. De stroom sleepte ons mee naar onbekende zeeën. We kwamen in een zee die heel anders was dan we gewend waren. Een sterke wind, die tien dagen aanhield, blies ons voort. Vaag in de verte zagen we een stad en we vroegen aan de kapitein: ‘Hoe heet die stad, daar in de verte?’ De kapitein antwoordde: ‘Lieve God, ik weet het niet! Ik heb deze stad nog nooit gezien en in mijn hele leven heb ik nog nooit over deze zee gevaren. Maar het voornaamste is, dat we gelukkig buiten gevaar zijn. Er zit niets anders op, dan die stad binnen te gaan en uw handelswaar daar te verkopen!’ Een uur later kwam de kapitein met de mededeling: ‘Ga snel naar de stad en bewonder de almachtige God voor Zijn prachtige schepping. Roep Zijn heilige naam aan en dank Hem dat Hij ons voor ongelukken heeft bewaard!’ We gingen naar de stad. Nauwelijks waren we daar aangekomen, of we waren zeer verbaasd over wat wij hier zagen. We zagen dat alle inwoners van deze stad in zwarte stenen waren veranderd. In nauwe steegjes en in alle winkelstraten vonden we verschillende spullen van goud en zilver. We waren zeer verrast en zeiden tegen elkaar: ‘Dit is ongelofelijk!’ We begonnen al het goud en zilver te verzamelen, we pakten zoveel als we konden dragen. Ik beklom de citadel en zag dat hier het paleis van een koning stond. Ik kwam het paleis door een groot portaal van goud binnen. Ik trok het grote fluwelen gordijn op: daar stonden allerlei prachtige meubels met brokaten zitkussens, en voorwerpen van goud en zilver. Op de binnenplaats en in alle zalen stonden of zaten lijfwachten en kamerheren, maar ze waren allemaal versteend en het leek of ze nog leefden. In de laatste zaal waren allemaal kamerheren, luitenants en ministers. Ik zag de koning op zijn troon zitten, maar ook hij was versteend. Hij was gekleed in fraaie, wonderbaarlijke en rijke gewaden. Dit was het mooiste van alles. De koning was omgeven door vijftig Egyptische soldaten, gekleed in zijden gewaden. De soldaten hielden in hun handen een zwaard vast. De troon van de koning was ingelegd met parels en edelstenen en elke parel glansde als een ster. Ik werd bijna gek van al dat moois, maar ik bleef doorlopen en kwam in de zaal van een harem. Ik ontdekte dat deze nog wonderbaarlijker was. Alles, van de tralies tot en met de vensters, was van goud. De muren waren met zijdebehang bespannen. Voor de deuren en vensters hingen gordijnen van fluweel en satijn. Tussen alle versteende vrouwen zag ik de koningin zelf, gekleed in een met mooie parels versierd gewaad. Op haar hoofd had ze een kroon, versierd met de mooiste stenen. Om haar hals droeg ze een ketting van goud, zeer wonderbaarlijk. Deze koningin was, net als alle anderen, versteend. Ik liep verder en kwam bij een deur die wijd open stond, de twee vleugels van deze deur waren van ongerept zilver gemaakt. Daarbinnen zag ik een trap van porfier. Deze trap had zeven treden. Bovenaan de trap was een grote zaal. Deze zaal was van wit marmer en bedekt met een tapijt dat van gouddraad was geweven. In het midden van die zaal zag ik tussen grote gouden fakkels een verhoging van goud, bezaaid met smaragden en turkooizen edelstenen. Op die verhoging van goud bevond zich een met parels en edelstenen versierd bed. Het was bekleed met kostbare stoffen en borduursels. Achterin zag ik een licht schijnen. Ik merkte op dat dit licht een diamant was, zo groot als een struisvogelei. Deze was op een bankje geplaatst. De facetten van de diamant straalden dat licht uit. Deze diamant was volmaakt. Het licht van deze edelsteen verlichtte de hele zaal. Er brandden fakkels, ik dacht bij mezelf: ‘Deze fakkels moeten toch aangestoken zijn, maar door wie?’ Ik liep verder en ging andere zalen binnen, enthousiast en hoopvol dat ik een levend iemand zou vinden. Ik was zo bezig, dat ik mezelf, mijn reis, mijn schip en mijn zussen vergat. Ik was als het ware door dit sprookje in extase en merkte niet dat het nacht was geworden. Ik was verdwaald en kon de weg terug niet meer vinden. Uiteindelijk kwam ik weer in de zaal terecht, waar het albasten bed met de diamant en de aangestoken gouden fakkels waren. Ik ging op het bed zitten en trok de deken met blauw satijn over mij heen. Deze was versierd met zilver en parels. Daar lag het heilige boek, de koran, waaruit ik ging lezen. Het boek was gekalligrafeerd met prachtige letters van rood bladgoud en miniaturen in alle kleuren. Daarna probeerde ik te slapen, maar dit lukte niet. Tot middernacht was ik wakker en ik hoorde een aangename stem die een vers uit de koran reciteerde. Ik stond meteen op, pakte de fakkel en liep in de richting waar de stem vandaan kwam. Ik kwam in een kamer waarvan de deur open stond, liep zachtjes naar binnen en zette de fakkel neer. Ik keek rond en zag dat dit een tempel was. Er hingen groene lampen en in het midden was een gebedskleed naar het oosten toe uitgelegd. Op het kleed zat een knappe jongeman, die met luide stem uit de koran las. Ik was zeer verbaasd dat deze man als enige niet versteende man in de stad was overgebleven. Ik liep naar hem toe, stelde mezelf voor, wenste hem vrede en zei: ‘Zou u mij een vraag willen beantwoordden?’ Hij glimlachte rustig en zei vriendelijk: ‘Om te beginnen beste dame, vertel mij eerst waarom u deze huiskapel bent binnengekomen, dan beantwoord ik uw vraag op mijn beurt!’ Ik vertelde hem mijn geschiedenis, die hem verbaasde. Daarna vroeg ik hem wat de vreemde toestand van de stad te betekenen had. Toen sloot de man het boek en stak het in een satijnen zak. Hij vroeg me naast hem te gaan zitten. Ik ging zitten en keek hem aandachtig aan. Ik vond dat hij eruit zag zo mooi als de volle maan, aantrekkelijk, volmaakt! Hij was charmant, fijn en harmonisch van bouw, zijn wangen waren als kristal, zijn ogen als de kleur van verse dadels, zoals in deze dichtregels: 

‘Plotseling verscheen er een jongeman

een bekoorlijke gestalte in een kaftan.

Deze man keek in die duistere nacht,

en sprak liefdevol en zeer zacht:

Saturnus heeft deze ster, het is geschreven,

zijn zwarte en uitstaande haren meegegeven.

Zo lijkt hij op een berg van goud

en is het dat men deze ster voor een komeet houdt.

Wat het rozenrood betreft van zijn wangen:

                                        Mars zorgt dat deze overal wordt ontvangen.

De doordringende stralen van zijn ogen

zijn de pijlen waarop Mars kan bogen.

Hij is een onvervalste mannetjesputter

met zeven sterren als de Boogschutter!

Mercurius schenkt hem scherpzinnigheid

en het zonnestelsel goud en eeuwigheid!

De waarnemer van de sterren wist niet meer

wat hij moest denken en was verlegen en teer.

Toen neeg de ster naar hem en glimlachte,

je weet toch: ‘twee zielen, één gedachte!’ 

Toen ik hem zo zag, was ik hevig ontroerd en ik vond het zeer jammer dat ik hem nog niet eerder ontmoet had. Ik vroeg: ‘Mijnheer, zou u mij nu het hele verhaal willen vertellen over deze stad en uzelf?’ Hij antwoordde: ‘Zeker. Weet, beste vrouw, dat deze stad de stad van mijn vader was. Mijn familie woonde hier en al onze onderdanen. Mijn vader is de koning, die in steen veranderd is en nog op zijn troon zit. De koningin is mijn moeder, u bent haar vast tegengekomen. Mijn vader en mijn moeder waren tovenaars, aanbidders van de vreselijke afgod Nardoen. Zij legden een eed af bij het vuur en het licht, op de schaduw en de warmte van de draaiende sterren! Mijn ouders waren lange tijd kinderloos. Toen mijn vader al zeer oud was, werd ik geboren. Mijn vader bracht me met veel liefde groot. Toen ik ouder werd, overkwam mij een groot geluk. In het paleis woonde een zeer bejaarde vrouw. Zij was een moslima en geloofde in God. Ze beleefde haar geloof heimelijk. Ze deed uiterlijk alsof zij het met mijn ouders eens was. Mijn vader had een groot vertrouwen in haar, om de trouw en de eer welke hij in haar zag. Hij was heel vrijgevig tegenover haar en gaf haar veel cadeaus. Hij wist zeker, dat zij betrouwbaar en christelijk was. Toen ik groter werd, vertrouwde hij mij aan haar toe en zei tegen haar: ‘Neem hem mee, onderwijs hem in de wetten van onze godsdienst, geef hem een uitstekende opvoeding en omring hem met veel zorg!’ De oude vrouw nam me mee en onderwees mij in de godsdienst van de islam. Zij leerde mij de islamitische geboden, alle religieuze plichten over reiniging, wassing en gebed. Ze onderwees me ook de koran in het Arabisch, de taal van de Profeet. Toen ik genoeg geleerd had zei ze: ‘Beste jongen, je moet dit geheim zorgvuldig voor je vader verbergen, anders zal hij je doden!’ En ik, ik bewaarde het geheim inderdaad. Niet lang daarna stierf de oude vrouw. Ik bleef in het geheim een gelovige in de enige God en Zijn profeet. De bewoners van de stad bleven aan hun eigen geloof vasthouden.

Op een dag klonk de luide stem van een onzichtbare gebedsoproeper: ‘Inwoners van deze stad, verloochen de aanbidding van het vuur en van de afgod Nardoen. Bid allen tot de enige God!’ De inwoners schrokken ongelofelijk en ze verzamelden zich bij mijn vader en vroegen: ‘Wat is dat voor een angstaanjagende stem die wij daar horen? We zijn nog steeds niet van de schrik bekomen van al dat geschreeuw!’ ‘Wees niet bang voor die stem en laat je er niet door van de wijs brengen. Blijf bij je oude geloof,’ sprak mijn vader. En dat deden de inwoners.

Na een jaar liet de stem zich voor de tweede maal horen en na een jaar nog een derde keer. Maar ondanks dit hielden de bewoners niet op met het naleven van hun verkeerde praktijken.

Op een ochtend, bij zonsopgang, werden we verdoemd en vervloekt, ieder mens en ieder dier veranderde opeens in steen! Van alle inwoners ontsnapte ik alleen aan dat ongeluk, want ik was de enige gelovige. Sinds die dag blijf ik hier vasten, ben ik in gebed en lees ik uit de koran. Beste vrouw, ik heb genoeg van de eenzaamheid en van het alleen moeten leven!’

Toen de jongeman klaar was met zijn woorden, vroeg ik: ‘Jongeman, ik ben onderweg naar de stad Bagdad, wil je met me meegaan?’ Hij knikte, terwijl ik toevoegde: ‘Daar vind je geleerden en sjeiks, zij zijn ervaren in wetten en godsdienst. In hun gezelschap zul je meer kennis opdoen. Als je wilt, zal ik voor je zorgen en je dienen! Ik ben een rijke vrouw en heb mensen in dienst. Ik ben hier gekomen met een schip, dat beladen is met handelswaar. Het lot liet ons stranden op deze kust en we kwamen in deze stad terecht. Ik zie dat het lot ons samen heeft gebracht!” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Toen de 17e nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Gezegende majesteit, er is mij verteld dat de jonge vrouw Zobeida het vertrouwen van de jongeman wilde winnen en hem graag wilde meenemen. Dit lukte haar inderdaad, want hij stemde toe om met Zobeida mee te gaan. Ze boeiden elkaar zo dat ze geen besef van tijd hadden en zonder dat ze het in de gaten hadden vielen ze in slaap. Toen ze wakker werden, ging Zobeida bescheiden aan de voeten van de jongeman liggen, ze was dolgelukkig!

Daarop vertelde Zobeida haar verhaal verder aan kalief Haroen ar-Rasjid, aan Jafar en aan de drie bedelaren: ‘Toen het ochtend was, stonden we op en traden binnen om alle schatkamers te openen en we namen alles mee wat niet te zwaar was om te dragen en wat van grote waarde was. We gingen uit de citadel naar beneden, naar de stad. Daar ontmoetten we mijn slaven en de kapitein, die lang naar mij hadden gezocht. Toen ze me zagen, waren ze heel blij en ze vroegen me naar de oorzaak van mijn afwezigheid. Ik vertelde hen wat ik gezien had, evenals de geschiedenis van de jongeman en de reden waarom de bewoners van de stad in steen veranderd waren. Ze waren heel verbaasd over mijn verhaal. Mijn zussen zagen mij met de knappe man en werden ontzettend jaloers. Ze waren ineens tegen mij en spanden met elkaar samen. Ondertussen gingen we allemaal terug naar het schip. Ik was heel gelukkig met de liefde van de jongeman. Wij wachtten tot de wind gunstig was, hesen de zeilen en vertrokken weer. Mijn zussen bleven ons gezelschap houden.

Op zekere dag zeiden mijn zussen, toen we samen waren, tegen mij: ‘Lieve zus, wat denk je met die knappe jongeman te gaan doen?’ Ik zei tegen hen: ‘Het is mijn bedoeling om met hem te gaan trouwen.’ Op een gegeven moment sprak ik tot mijn geliefde: ‘Jongeheer, het is mijn verlangen om voor u te zorgen als uw echtgenote. Daarom verzoek ik u mij niet af te wijzen! Zou u mij uw jawoord kunnen geven?’ Hij antwoordde: ‘Graag, ik geef gehoor aan dit verzoek!’ Ik ging naar mijn zussen en zei: ‘Ik zal gelukkig worden met deze jongeman! Wat al mijn rijkdommen betreft, deze zijn vanaf nu allemaal voor jullie!’ Ze merkten op: ‘Dus dit zijn jouw woorden,’ maar smeedden ondertussen een akelig plan. We bleven met gunstige wind doorvaren en we verlieten de zee van de Ontzetting en kwamen daarna in de zee van de Veiligheid terecht. Op deze zee voeren we nog een aantal dagen, totdat we dicht bij de stad Basra waren. We zagen in de verte de gebouwen opdoemen. Daar ging het schip voor anker, want het was donker, de avond was al gevallen en we gingen slapen.

Toen we lagen te slapen, stonden mijn beide zussen op, tilden mij en de jongeman met onze matrassen en al op en gooiden ons het water in. Mijn geliefde kon niet zwemmen en hij verdronk. Dit was het lot dat God bepaald had en ik was degene die gered werd.

Waar ik in zee werd gesmeten, dreef een groot stuk hout. Ik greep naar dit hout en hield mij er stevig aan vast. Door de golven dreef ik naar de kust en ik spoelde aan op een eiland.

Daar aangekomen, droogde ik mijn kleren en ging slapen tot de volgende dag. ‘s Ochtends werd ik wakker, ik deed mijn gedroogde kleren aan en ging op pad. Ik zag voetsporen van mensen! Het pad begon aan de kust en drong diep in het eiland door. Ik hield niet op met lopen totdat ik aan de andere kant van het eiland was aangekomen, tegenover de vaste wal, waar ik in de verte de stad Basra zag liggen.

Plotseling zag ik een gladde, niet-giftige slang, op mij afkomen. Onmiddellijk achter haar kroop een grote, dikke slang, die de kleinere slang wilde doden. De gladde slang was uitgeput van het vluchten, de tong van de slang hing uit zijn bek. Ik kreeg medelijden met deze slang, pakte een dikke steen en gooide die naar de kop van de grote slang, zodat deze werd vermorzeld. Toen sloeg de gladde slang die ik gered had twee vleugels uit, vloog de lucht in en verdween. Ik was zeer verbaasd over dit alles. Ik was ook ontzettend moe en ging slapen onder een boom. Toen ik wakker werd zat er een aardige negerin aan mijn voeten. Zij masseerde mijn benen en streelde mij. Ik trok snel mijn voeten terug en een gevoel van hevige schaamte overviel me, want ik wist niet wat de knappe negerin van mij wilde! Ik vroeg: ‘Wie ben je en wat wil je?’ De negerin antwoordde: ‘Ik ben snel naar u toegekomen, want u hebt mij een grote dienst bewezen door die grote slang te doden. Ik ben die gladde slang. U hebt mijn leven gered. Ik ben een goedaardige djinn. De grote slang was ook een djinn, maar een kwaadaardige. Hij was mijn vijand, hij wilde me verkrachten en doden. Om iets voor u terug te kunnen doen, vloog ik zo snel als de wind naar het schip, waar uw zussen u vanaf gegooid hadden. Ik heb uw twee zussen betoverd in de gedaante van twee zwarte teven en heb ze meegenomen.’ Ik zag de twee teven, vastgemaakt aan een boom achter me. De djinn vertelde verder: ‘Alle rijkdommen die zich in het schip bevonden, heb ik naar uw huis in Bagdad gebracht en ik heb het schip laten zinken. Wat uw geliefde betreft, hij was al verdronken en tegen de dood kan ik niets beginnen. Want God alleen is almachtig!’ Bij deze woorden nam ze mij in haar armen, maakte de twee teven, mijn beide zussen, los, tilde hen op en bracht ons al vliegend over. Zij zette ons gezond op het terras van mijn huis in Bagdad neer! Ik keek rond in mijn huis en vond er alle rijkdommen en alle voorwerpen die zich in het schip hadden bevonden. Niets was verloren gegaan of beschadigd. De djinn zei: ‘Ik draag u het bevel over om, in de heilige naam van het zegel van Salomo, deze twee teven iedere dag driehonderd zweepslagen te geven. Als u dit een dag vergeet, kom ik snel en verander ik u in de gedaante van een hond, net als uw zussen!’ Ik antwoordde: ‘Ik luister en gehoorzaam!’ Sinds die tijd, sla ik de twee teven met de zweep, daarna krijg ik medelijden met hen en omhels ik ze! Dit was mijn geschiedenis! Hier is mijn zus Amina, zij zal u zelf haar geschiedenis vertellen. Haar levensverhaal is nog veel verbazingwekkender dan het mijne.’

Door dit verhaal was kalief Haroen ar-Rasjid bijzonder opgetogen. Hij werd natuurlijk ontzettend nieuwsgierig. Hij vroeg aan de jonge Amina, die de vorige avond de deur voor hem geopend had: ‘Wat voor oorzaak hebben toch de littekens van slagen, die op uw lichaam te zien zijn?’

Geschiedenis van Amina, het tweede meisje 

Bij deze woorden van de kalief liep de jonge Amina naar voren en zei: ‘Ach heer, ik zal de woorden van mijn zus Zobeida over onze ouders niet herhalen. Toen onze vader stierf, gingen ik en Fahima bij onze moeder wonen. Mijn zus Zobeida en de beide anderen ging bij hun moeder wonen. Daarna huwelijkte mijn moeder mij uit aan een oude rijke man, de rijkste van de stad en van zijn tijd. Een jaar later overleed mijn oude echtgenoot en liet me als wettelijk erfdeel, volgens ons officieel wetboek, tachtigduizend gouden dinar na. Op een dag kwam een oude vrouw mij opzoeken. Deze oude vrouw had ik tevoren nog nooit gezien. Zij zag er afschuwelijk uit: haar gezicht was zo lelijk als een oud achterste, haar neus was platgedrukt, haar wenkbrauwen waren uitgevallen, zij had de ogen van een oude verdorven vrouw, gebroken tanden, haar neus liep en haar hals stond scheef. Overigens is zij goed beschreven door de dichter:  

‘Die oude, kwade en boze vrouw,

zag eruit als satan, heel ontrouw!

Satan zou haar in alle bedrog les geven,

zonder te spreken, in haar dagelijkse leven!

Duizend koppige muilezels maakt zij los,

zij is tegelijk een tijger, een slang en een vos.

Als het ware zitten deze muilezels in een web,

zij ontwarde deze zonder een trap of een mep!

Zij kan koelbloedig het slechte lot gooien

en zich met grove en grote misdaden tooien.

Zij heeft het achterste van een jong meisje

gestreeld, dat stond op haar verlanglijstje.

Zij heeft ontucht gepleegd met een jonge vrouw,

want je weet, in het donker zijn alle katjes grauw!

Zij heeft op een dag een rijpe vrouw verkracht,

al was deze vrouw van haar eigen geslacht.

Zij heeft een oude vrouw doen ontvlammen

door haar op te winden en door te drammen.’ 

De oude vrouw kwam binnen, wierp zich aan mijn voeten en smeekte huilend: ‘Ach fijne vrouw! Ik heb een jong weesmeisje bij me in huis en deze nacht is het haar bruidsnacht. Ik kwam u vragen, en God zal u belonen, de bruiloft van dit droevige en nederige meisje dat niemand hier kent, bij te wonen.’ Ik kreeg medelijden met deze arme vrouw en zei: ‘Ik luister en gehoorzaam!’ De oude vrouw sprak: ‘Nu ga ik met toestemming alvast naar de bruiloft, gaat u zich alvast omkleden. Tegen de avond kom ik weer om u op te halen.’ Na dit gezegd te hebben, kuste ze mijn hand uit eerbied en ging weer weg. Ik stond op, ging naar het badhuis, deed parfum op, koos de mooiste van mijn tien gewaden uit en kleedde me aan. Daarna deed ik mijn mooiste halssnoer van parels om, mijn armbanden, mijn oorbellen en al mijn juwelen. Toen hulde ik mij in mijn grote, lange, met goud versierde sluier van blauwe zijde. Ik knoopte mijn ceintuur van brokaat om mijn middel en deed mijn kleine gezichtssluier voor. Mijn ogen maakte ik op met houtskool. De oude vrouw kwam terug en zei: ‘Beste dame, het huis is vol met familieleden van de echtgenoot. Er zijn veel vrouwen van adel uit de stad aanwezig. Ik heb de bruid verteld dat u ook zult komen. Zij zijn heel gelukkig en wachten vol ongeduld op u.’ Daarop verliet ik mijn huis, begeleid door een paar van mijn slaven. We kwamen met ons allen op een brede en goed besproeide straat, waar een frisse bries doorheen waaide. We zagen een groot marmeren portaal, bekroond met een koepel die tussen twee minaretten in stond. Dit alles was van albast. Door dat portaal heen zagen we een groot paleis, dat de wolken raakte. We gingen naar binnen en kwamen in een gang. In deze gang lagen tapijten op de grond en de muren waren versierd met prachtig behang. Aan het plafond hingen gekleurde lampen en brandende fakkels waren langs de kant gezet. Er hingen ook gouden en zilveren versiersels en juwelen van kostbaar metaal aan de muren. We liepen de gang door en kwamen in een prachtige zaal, te mooi om te omschrijven. Het midden van de zaal was met zijden stoffen bespannen. Daar stond een albasten bed, versierd met fijne parels en kostbare stenen. Het bed was bedekt met een satijnen muskietennet. Er stond een meisje op van het bed en zij was als de maan zo schoon. Zij zei: ‘Gegroet, vrede aan u! Ach zus, je doet ons de grootste eer aan die een mens in staat is om te geven! Je bent onze trots!’ Toen droeg zij deze dichtregels voor:  

‘Alle stenen zien uit alle hoeken,

dat een welkome gast ons zou bezoeken.

Ze zullen zich in elkaars armen verheugen

door het blijde bericht zonder één enkele leugen.

Alle stenen van het huis zouden geneigd zijn

om uw voetsporen te verheerlijken, heel fijn!

In hun taal zouden ze de gast verwelkomen:

Vrede van God aan u en alle andere vromen!

Heil van de Almachtige, ook aan alle mensen

die edelmoedig zijn, binnen alle grenzen!’ 

Na deze dichtregels gingen de twee meisjes zitten en zei het weesmeisje: ‘Ach zus, ik moet u zeggen, dat ik een broer heb. Deze jongeman is heel mooi, knapper dan ik. Sinds die speciale avond heeft hij u met een verliefd hart bemind. Hij is degene die een som geld aan de oude vrouw heeft gegeven, zodat ze naar u toe zou komen en u hier met list en bedrog zou brengen. Hij deed dat om u te ontmoeten, want mijn broer koestert geen ander verlangen dan in dit jaar, gezegend door God, met u te trouwen. Er steekt geen schande in het doen van legale zaken!’

Toen ik deze woorden hoorde en zag dat ik welkom was in dit huis, zei ik tegen de jonge vrouw: ‘Ik luister en gehoorzaam!’ Ze was vol vreugde en zij klapte in haar handen. Bij dit gebaar ging een deur open en een jongeman, schoon als de maan, kwam binnen, zoals in dit gedicht: 

‘Hij is een charmante, mooie man,

hij kwam uit de hemel met veel elan!

Hij is het mooiste dat Hij heeft geschapen,

iedereen staat zich aan hem te vergapen!

Een juweel kun je hem makkelijk noemen,

een goudsmid kan zich hierop beroemen.

Hij is innerlijk schoon en volmaakt,

tevens onder de mensen welbespraakt!

Wees niet verwonderd over hem,

iedereen verliest bij hem zijn stem!

Door zijn charme word je verblind,

want de zon is hem goed gezind.

Ik roep in alle oprechte eerlijkheid

dat iedere schoonheid om hem strijdt.’ 

Toen ik hem zag, was ik meteen verliefd. Hij kwam naar voren en ging dicht bij zijn zus zitten. Toen kwam de huwelijksvoltrekker met vier getuigen binnen. Zij groetten ons en gingen zitten. Deze man stelde het huwelijkscontract met de jongeman op. De getuigen maakten hun zegel aan het contract vast en vertrokken weer. De knappe jongeman zei toen tegen me: ‘Laat dit een gezegende nacht zijn! Lieve vrouw, ik wil je één voorwaarde stellen!’ ‘Ach jongeheer, zeg me, welke voorwaarde is dat?’ vroeg ik. Hij stond op, bracht het Heilige Boek en zei: ‘Je moet zweren op de koran, dat je nooit een ander dan mij zult kiezen en dat je nooit een ander genegen zult zijn!’ En ik, ik zwoer dat ik aan deze voorwaarde zou voldoen.

Toen sloeg hij zijn armen om mij heen en ik voelde hoe zijn liefde tot mijn ingewanden binnendrong en tot in het diepst van mijn hart! De slaven maakten een groot diner voor ons klaar en wij aten en dronken rijkelijk. Diep in de nacht, toen we gingen slapen, nam hij me in zijn armen en strekte me uit op het bed. We brachten de nacht door met omhelzingen, tot aan de ochtend. Zo bleven we een maand lang zeer gelukkig.

Toen vroeg ik mijn echtgenoot toestemming om naar de markt te gaan, om stoffen te kopen. Ik trok mijn kleren aan en nam de oude vrouw met me mee. Ze was na ons huwelijk in ons huis blijven wonen. Bij een stoffenwinkel bleef ik staan. Daar verkocht een jonge koopman zijden stoffen. De oude vrouw had mij deze winkel aanbevolen om de kwaliteit van de stoffen. Zij kende deze koopman al een tijdje. Ze vertelde: ‘Het is een jongeman, die na de dood van zijn vader veel geld en vermogen heeft geërfd!’ Ze vroeg aan de koopman: ‘Laat ons je mooiste en duurste stoffen zien, want het is voor deze mooie, jonge vrouw!’ De koopman zei: ‘Ik luister en gehoorzaam!’ Terwijl de jonge koopman bezig was de stoffen voor ons uit te spreiden, gaf de oude vrouw de jongeman volop complimenten. Ik zei tegen haar: ‘Ik heb niets te maken met de complimenten die je aan hem geeft. Het is onze bedoeling om de stoffen van hem te kopen die we nodig hebben en daarna terug naar huis te gaan.’

Toen we de gewenste stoffen hadden uitgezocht, gaven we de koopman het geld. Maar hij weigerde ons geld en zei: ‘Vandaag neem ik van u geen geld aan. Dit is een cadeau in ruil voor het genoegen en de eer die u mij aandoet door mijn winkel te bezoeken!’ Hierop zei ik tot de oude vrouw: ‘Als hij het geld niet wil aannemen, geef hem zijn stoffen dan terug!’ De koopman riep uit: ‘Bij God, ik neem niets van u aan! Dit is een cadeau van mij. Zou u mij willen toestaan, ach schone dame, u een kus te geven, eentje maar! Ik beschouw deze kus als de prijs van al mijn spullen samen in mijn winkel!’ ‘Ach jongeman, je bent een idioot, deze kus met zoiets kostbaars te vergelijken!’ zei de oude vrouw lachend tot hem. Zij zei vervolgens tegen mij: ‘Wees kalm, er kan je niets ergs overkomen als hij je een kus geeft. In ruil daarvoor krijg je de kostbare stoffen.’ Ik antwoordde hierop: ‘Je weet toch, dat ik een belofte heb afgelegd aan mijn echtgenoot?’ De oude vrouw zei: ‘Laat je kussen door hem, maar jij zegt niets tegen je man. Je krijg je geld terug, evenals de stoffen!’ De oude vrouw bleef zo op mij in praten en uiteindelijk moest ik toestemmen, net doen alsof ik niets zag en het aanbod aannemen. Hiertoe bedekte ik mijn ogen en spreidde een slip van mijn sluier uit, opdat de voorbijgangers het niet zagen. De jongeman stak zijn hoofd onder mijn sluier, bracht zijn mond naar mijn wang en kuste me. Tegelijkertijd beet hij mij in de wang, zo erg dat de huid bloedde! Ik viel flauw van pijn en emotie.

Toen ik weer bijkwam, lag ik op de knieën van de oude vrouw, die er bedroefd uitzag. Wat de winkel betreft, deze was gesloten en de jonge koopman was verdwenen. Toen zei de oude vrouw tegen mij: ‘Godzijdank, hij heeft ons een erger ongeluk bespaard! Nu moeten we teruggaan naar huis. Maar jij, jij moet doen alsof je je niet goed voelt en ik, ik zal je iets brengen dat je op je wang moet leggen. Dan geneest het sneller.’ Ik stond snel op, in gedachten en denkend aan de angst voor de gevolgen van dit voorval. Ik begon te rennen, mijn angst werd groter naarmate ik het huis naderde. Thuis gekomen, kwam mijn echtgenoot ons slaapvertrek binnen en vroeg vol bezorgdheid: ‘Ach mijn lieve vrouw, wat is je overkomen?’ ‘Niets, ik voel me heel goed!’ Hij keek me oplettend aan en zei: ‘Maar wat is dat voor een wond op je wang, juist op de zachtste en liefste plek?’ Ik antwoordde hem: ‘Toen ik stoffen was gaan kopen, heeft een met houtblokken beladen kameel mij in een overvolle straat bekneld, mijn sluier gescheurd en mijn wang verwond, zoals je ziet. Ach, die nauwe straten van Bagdad!’ Hierover was mijn echtgenoot heel kwaad en hij zei: ‘Ik ga morgen meteen naar de gouverneur om de kameeldrijvers en houthakkers aan te klagen. De gouverneur zal ze allemaal laten ophangen!’ Vol medelijden antwoordde ik: ‘Lieve God! Belast je niet met de zonden van anderen! Bovendien is het mijn eigen schuld, want ik reed op een ezel, die achteruit begon te schoppen en te galopperen en toen ben ik op de grond gevallen. Toevallig was daar een stuk hout, dat mijn gezicht heeft geschaafd en zo mijn wang heeft verwond.’ Mijn echtgenoot riep uit: ‘Morgen ga ik naar Jafar Barmaki en ik zal hem deze geschiedenis vertellen, dan doodt hij alle ezeldrijvers van de stad!’ ‘Ga je dan de hele wereld omwille van mij doden? Je weet dat dit me per ongeluk is overkomen door de wil van God en het noodlot, dat hij beheerst,’ reageerde ik.

Bij deze woorden kon mijn man zich niet langer inhouden en hij schreeuwde: ‘Ach, valse vrouw! Genoeg leugens! Ik zal je hiervoor straffen!’ Hij schreeuwde en schold me uit, stampte met de voet op de grond en riep met een luide stem. Toen ging de deur open en zeven vreselijke negers kwamen binnen stormen, ze sleurden mij uit het bed en gooiden me midden op de binnenplaats van het huis. Mijn man beval één van de negers om me bij mijn schouders vast te pakken en op mij te gaan zitten. Hij vroeg aan de tweede neger om op mijn knieën te gaan zitten en mijn voeten vast te houden. Nu kwam de derde neger met een zwaard in zijn hand en zei: ‘Meneer, ik zal haar met het zwaard slaan en haar in twee stukken hakken!’ De tweede neger voegde hier aan toe: ‘Ieder van ons slaat een stuk van haar lichaam af en gooit het als eten voor de vissen in de rivier de Tigris! Zo wordt zij gestraft die haar belofte breekt en haar vriendschap verraadt!’ Om zijn uitspraak kracht te geven, sprak hij deze regels:  

‘Als ik op een dag in de gaten zou krijgen

dat ik een rivaal heb, zal ik niet zwijgen.

Als mijn geliefde voor de rivaal kiest

doet dit mij pijn en maakt het mij zeer triest.

Ik zal het er niet bij laten,

dit blijft vast niet bij praten.

Mijn ziel komt zeker in opstand,

ik neem wraak, ’t is tand om tand.

Tegen zo’n geliefde zeg ik: ‘Vaarwel!’

dan is het afgehandeld met gelijkspel!

Ik zal dan oprecht en in tevredenheid

tegen mijn ziel zeggen, na deze tijd:

‘Ach ziel, beter is het als edelen te sterven,

dan ’t leven door de rivaal te laten bederven!’ 

Toen zei mijn man tegen de neger die het zwaard vasthield: ‘Ach brave Saad, sla die verraadster!’ Saad hief het zwaard op! Mijn man zei tegen mij: ‘Wat jou betreft, toon nu met luide stem spijt. Denk aan de spullen en kleren die van je zijn en maak je testament, want dit is het einde van je leven!’ ‘O lieve God, geef me de tijd om geloofsbelijdenis te doen en mijn testament te maken,’ zei ik tegen hem. Ik keek naar de hemel en begon na te denken over de ongelukkige en schandelijke toestand waarin ik me bevond. De tranen kwamen in mijn ogen en ik zei huilend: 

‘Je hebt de passie in mij opgewekt,

maar mij behandeld als een nietswaardig object.

Nachtenlang hield je me wakker,

wat ben ik toch een arme stakker!

Met alles wat je me hebt aangedaan,

blijf ik van je houden, mijn hele bestaan.

Ik blijf altijd voor jou bidden

ook al is mijn ziel doormidden.

Mijn hart vergeet jou niet,

en mijn ogen staan vol tranen van verdriet.

Je hebt me eeuwig trouw beloofd,

maar nu is jouw liefdesvuur gedoofd.

Je hebt me eerst verleid

En nu ben je tot doden bereid! 

Je hebt geen mededogen met dit hart,

noch oor voor de stem van mijn smart.

Jij bent geboren voor mijn ongeluk,

 je maakt al mijn meisjesdromen stuk.

Ach zus, schrijf omwille van God,

als ik sterf op mijn graf, niet voor spot:

‘Hier rust een zondares, na haar berouw,

zij was haar geliefde tot het einde toe trouw!’

Dan zal een bedroefde passant,

vervuld van liefdessmart en zo hier beland,

zodra hij mijn graf ziet, met betraande ogen

 een blik werpen vol mededogen!’ 

Nadat ik deze regels had opgezegd, huilde ik nog steeds. Mijn echtgenoot werd nog kwader, en raakte nog heviger opgewonden toen hij naar mijn verzen luisterde en mijn tranen zag. Hij zei deze regels: 

‘Als ik m’n beminde verlaat met hartzeer

komt dat niet door verveling of afkeer.

Zij heeft een verraderlijke fout begaan,

en is daarom niet meer in mijn bestaan!

Ze heeft een ander begeerd, één der piraten,

heeft deze in onze beslotenheid binnengelaten.

Mijn hart, ziel en verstand begrijpen dit niet,

helaas is het kwaad echter al geschied!’ 

Nadat hij deze verzen had opgezegd, begon ik weer te huilen om hem milder te doen stemmen. Ik dacht: ‘Ik zal de onderdanige spelen, en ik zal mijn mond stil proberen te houden. Zo zal hij mij in leven houden. Hij zal zich tevreden stellen door alles wat in mijn bezit is, over te nemen!’ Ik zei deze regels op, vriendelijk en smekend: 

Ben jij rechtvaardig? Mijn ziel ligt in scherven!

Verneder mij niet en laat mij niet sterven!

Wie zei dat de scheiding moest komen,

is geen rechtvaardige onder de vromen!

Je stuurde mij naar de diepe zee

en golven van liefde namen mij mee!

Voor het dragen van zo’n grootse last

waren mijn schouders te smal en te onvast!

Ze konden zelfs niet een zijden hemd dragen,

zo zwak waren ze en zo door het lot geslagen!

De dood beangstigt mij niet, deze is aangenaam,

voor mijn krachteloze en vermoeide lichaam.

Ik verlang zelfs nog altijd

naar mijn geliefde, al wil hij mij kwijt!’

Huilend stopte ik met deze regels. Hij keek me aan, duwde me met een heftig gebaar achteruit en zei deze regels op: 

‘Je hebt voor een ander gekozen,

mij niet ontzien in je minnekozen.

Je liet mij je lusteloosheid voelen

en onze liefde totaal bekoelen.

Zo stonden wij tegenover elkaar,

zo zijn we niet langer een liefdespaar.

Ik ga bij je weg, ik ben in alle staten,

want je hebt me verlaagd en verlaten!

Mijn geduld met jou is helemaal op,

onze liefde is gesmoord in de knop!

Ik zal mijn liefde aan een ander geven,

want jij deelt vandaag andermans leven.

Deze breuk blijft altijd tussen ons bestaan,

dit is niet mijn schuld, dit heb jij gedaan.’ 

Nadat hij deze regels had uitgesproken, riep hij de neger en zei: ‘Hak haar in twee stukken! Zij betekent niets meer voor ons!’ Toen de neger op mij afkwam, was ik zeker van mijn dood. Ik gaf mijn lot in de handen van God. Op datzelfde ogenblik zag ik de oude vrouw binnenkomen. Zij wierp zich aan de voeten van de jongeman, begon hem te omhelzen en zei: ‘Ach kind, ik zweer je, ik heb je groot gebracht! Alstublieft, vergeef deze jonge vrouw. Zij heeft geen misstap begaan, zij verdient geen straf! Je bent nog zo jong, ik ben bang dat haar vloek op jou terug zal vallen!’ Daarna begon de oude vrouw te huilen en smeekte hem net zolang totdat hij zei: ‘Nou, vooruit, ik vergeef haar, omdat je zoveel voor mij hebt gedaan! Maar ik moet haar toch een litteken geven, dat de rest van haar leven zichtbaar blijft!’ Bij deze woorden gaf hij een bevel aan de negers. Zij trokken mijn kleren uit. Ik stond daar spiernaakt voor iedereen. Hij nam een buigzaam takje van de kweepeer en begon mijn hele lichaam te geselen. Hij gaf vooral zweepslagen op mijn rug en borst. Hij ging hiermee net zolang door totdat ik mijn bewustzijn verloor. Toen hield hij eindelijk op met slaan en ging weg. Hij liet me op de grond achter, terwijl hij zijn slaven bevel gaf mij tot in de avond in deze toestand te laten liggen. In de duisternis brachten ze me naar mijn eigen huis en smeten me daar als een dood voorwerp neer. Toen ik weer bijkwam, bleef ik lange tijd liggen zonder me te kunnen bewegen, vanwege al die kneuzingen. Ik verzorgde mijn wonden en langzamerhand werd ik beter, maar de littekens, de sporen van de slagen, bleven op mijn lichaam achter! Toen ik na een behandeling van vier maanden uiteindelijk beter was, ging ik naar het paleis waar ik de lijfstraf had ondergaan. Maar het paleis was geheel in puin. Op deze plaats bevond zich niets anders dan mesthopen en afval uit de stad. Des te meer ik naar mijn echtgenoot zocht, des te minder ik hem vond. Ik ging terug naar mijn jongste zus Fahima, die nog steeds ongehuwd was, en vrijgezel. Wij brachten samen een bezoek aan onze zus van dezelfde vader, Zobeida, de vrouw die de geschiedenis verteld heeft van haar beide halfzussen die in honden veranderd waren. Toen we bij haar waren, vertelde zij ons haar geschiedenis. Ik vertelde haar ook mijn verhaal, waarop Zobeida troostend zei: ‘Lieve zus, iedereen krijgt zijn portie ellende. Iedereen, zonder één uitzondering! Maar godzijdank zijn we beiden nog in leven. Laten we voortaan bij elkaar blijven. Laat het woord huwelijk nooit meer uitgesproken worden!’ Ook onze jongste zus Fahima bleef bij ons. Zij is degene die in ons huis voor de boodschappen zorgt. Ik, ik ben degene die de deur open doet en de gasten ontvangt. Onze oudste zus Zobeida doet het huishouden. We waren gelukkig met ons drieën, vooral zonder mannen in ons leven!

Dit geluk werd verstoord op de dag dat onze zus Fahima de drager meebracht. Deze man was beladen met een grote hoeveelheid spullen. We nodigden hem uit om een ogenblik bij ons te rusten. Terwijl wij plezier maakten kwamen plotseling de drie bedelaren aan onze deur. Zij vertelden ons hun levensgeschiedenis. Vervolgens kwamen jullie met zijn drieën, vermomd als drie zakenmannen. Dit was nu mijn levensgeschiedenis!’ De kalief was zeer verrast door alles wat hij hoorde.” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Maar toen de 18e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Kalief Haroen ar-Rasjid voelde zich erg gelukkig. Hij gaf bevel, de verhalen van Fahima en Zobeida en die van de drie bedelaren, op te schrijven. Dit zou worden geschreven in mooie sierlijke letters en de teksten zouden bewaard blijven. De kalief zei tegen de jonge vrouw Zobeida: ‘Beste dame, heeft u geen nieuws meer vernomen van de djinn, die uw beide zussen heeft betoverd in de gedaante van twee honden?’ Ze zei: ‘Ze heeft me een haarlok gegeven.’ En daarna zei ze: ‘Als je me nodig hebt, verbrandt dan één van deze haren en dan verschijn ik meteen, op elke plek waar je bent, zelfs al ben ik in de Kaukasus!’ De kalief vervolgde: ‘Breng me deze haren!’ Zobeida gaf hem een haarlok en de kalief verbrandde deze. Amper kon je de lucht ruiken van het verbrande haar, of er kwam een trilling door het hele paleis heen. Deze werd gevolgd door een enorme schok. Plotseling verscheen de djinn in de gedaante van een rijk gekleed meisje. Zij was moslim en zei: ‘Vrede zij met u’. De kalief zei: ‘Vrede en genade van God zijn met u! Moge zijn zegeningen uw deel zijn!’ Zobeida zei: ‘Weet, ach koning van gelovigen, dat deze jonge vrouw, die me heeft laten verschijnen me een grote dienst bewezen heeft. Wat haar zussen betreft, die heb ik in teven veranderd. Ik heb ze niet laten doden, om Zobeida geen groot verdriet te doen. Vergeet niet dat ik moslim ben!’ De kalief antwoordde daarop: ‘Zeker! Ik wens, dat je haar verlost van deze vervloeking!’ Daarna laten we de littekens en kneuzingen van het lichaam van de jonge vrouw behandelen. Als ik de waarheid over haar verhaal weet, dan zal ik haar verdediging op me nemen en wraak nemen op degene, die haar zo gestraft heeft!’ De djinn zei: ‘Beste kalief, ik zal nu degene aanwijzen, die de jonge Amina slecht behandeld heeft, haar heeft onderdrukt en haar bezittingen heeft afgenomen! Toen nam de djinn een kopje water en sprak daar bezweringen over uit. Daarna sprenkelde de djinn dit water over de twee teven en zei: ‘Keer in menselijke gedaante terug!’ Op dat moment veranderden de twee teven in twee knappe jonge vrouwen. De djinn zei tegen de kalief: ‘Degene die de jonge Amina zo slecht behandeld heeft, is uw eigen zoon, al-Amin!’ Ze vertelde haar geschiedenis over deze zoon! De kalief was zeer verbaasd hierover maar besliste: ‘Dank God voor de verlossing van deze twee teven door deze daad!’ Daarna liet hij zijn zoon al-Amin bij zich komen en vroeg hem, een verklaring te geven over zijn gedrag. Al-Amin vertelde zijn vader de waarheid. Daarop liet de kalief de rechters en de getuigen bijeenkomen. Toen liet hij de rechters en de getuigen zijn zoon al-Amin en de jonge Amina in het huwelijk treden. Hij liet de jonge Zobeida met de eerste bedelaar, of beter gezegd de koningszoon, trouwen. De beide andere jonge vrouwen trouwden met de beide andere bedelaars, de koningszonen. De kalief liet een huwelijksovereenkomst opstellen met de jongste van de vijf zussen. Dit was Fahima, het lieve, zachte meisje van de boodschappen! Voor elk paar liet hij een paleis bouwen. Hij gaf hen allemaal een grote schat, zodat ze in geluk en welvaart konden leven. Toen het avond was, lag hij in de armen van Fahima, met wie hij een bijzondere en aangename nacht doorbracht!” Sjahrzad vervolgde haar verhaal na een korte onderbreking: “De volgende geschiedenis is nog verbazingwekkender dan dit verhaal! 

Geschiedenis van de in stukken gesneden vrouw, de drie appels en de neger Rihan 

Eens op een nacht zei kalief Haroen ar-Rasjid tegen Jafar Barmaki: ‘Ik wil, dat we vannacht de stad in gaan, om te kijken wat de districtshoofden en stadhouders allemaal doen en laten. Bovendien ben ik van plan om ieder van deze grote heren tegen wie een klacht is ingediend, af te zetten.’ Jafar antwoordde: ‘Ik luister en gehoorzaam!’

Die nacht vermomden kalief Haroen ar-Rasjid, Jafar en de zwaardridder Masroer zich en zij trokken de stad in. Ze doorkruisten de straten van Bagdad, tot ze bij het passeren van een steeg een stokoude grijsaard zagen. De grijsaard liep met een stok, hij droeg een mand en had op zijn hoofd een visnet. Terwijl hij langzaam verder liep, prevelde hij de volgende zinnen:  

‘Ze zeiden tegen mij: ‘Ach wijze man, komaan,

u schittert door uw kennis als de zilveren maan!

Bespaar me alstublieft dit mooie compliment,

ik ben daar helemaal niet aan gewend!

Er bestaat geen kennis dan die van het Noodlot,

met zijn dreigementen voor wijze en zot!

Al zou ik op mijn kennis, boeken en inktpot afgaan,

toch zou ik de kracht van het Noodlot niet weerstaan.

Zij, die op mij wedden, zouden hun geld verliezen,

wat is troostelozer dan een arme die zit te kniezen:

het droge brood van de sloeber en zijn leven,

‘s zomers put hij zich uit, heel gedreven.

‘s Winters heeft hij niets om zich te warmen,

dan de schamele stoof van alle armen!

Als zijn benen hem niet meer dragen,

komen de honden om hem op te jagen!

Hij voelt zich ellendig en kapot,

hij wordt beledigd en bespot!

Wie zit er nog dieper in de put

dan hij, die dromend is ingedut.

Als hij niet besluit open te zijn over zijn klachten,

zijn ellende te tonen, wie zal dan zijn leed verzachten?

Als het leven van de armen zo is,

kiest men het graf bij zoveel gemis!’ 

Jafar en Masroer tilden hun kist op en droegen die naar het paleis. De kalief liet de fakkels aansteken, Jafar en Masroer braken de kist open. Toen de kist geopend was, vonden ze er een grote mand in, gemaakt van palmbladeren, aan elkaar genaaid met rode wol. Nadat ze de woldraden doorgesneden hadden, zagen ze dat er een kleed in de mand lag. Ze verwijderden het kleed en daaronder vonden ze een grote witte vrouwensluier. De sluier werd opgetild, daaronder lag een in stukken gesneden jonge, blanke vrouw. Toen de kalief dit zag, liepen de tranen over zijn wangen. Hij draaide zich uitzinnig van woede om naar Jafar en riep uit: ‘Ellendige minister, zie hoe er onder mijn gezag, alle dagen moorden worden gepleegd en de slachtoffers in het water gegooid worden! Ooit zal ik verantwoording af moeten leggen voor de daden die onder mijn bewind zijn gepleegd! Ik moet de schuldigen vinden en zorgen dat ze hun straf niet ontlopen. Wat jou betreft, Jafar, ik zweer je dat, als je de moordenaar van deze vrouw niet vindt, ik je op de deur van mijn paleis laat kruisigen, jij en veertig van jouw neven!’ Jafar vroeg aan de kalief: ‘Geef me drie dagen uitstel om de moordenaar te vinden.’ ‘Dat is goed,’ antwoordde de kalief. Daarop verliet Jafar het paleis. De minister liep bedroefd door de stad en vroeg zich af: Waar kan ik de moordenaar van deze jonge vrouw vinden om hem naar de kalief te brengen? Jafar dacht verder: Als ik iemand anders dan de moordenaar naar de kalief breng om die in zijn plaats te laten straffen, dan krijg ik problemen met mijn geweten. Zo nadenkend liep de minister naar huis en bleef daar drie dagen wanhopig proberen om een oplossing voor zijn probleem te vinden. De vierde dag liet de kalief zijn minister Jafar bij zich komen en vroeg aan hem: ‘Waar is de moordenaar van de jonge vrouw?’ Jafar antwoordde: ‘Wanneer ik niet weet wat er gebeurd is, hoe kan ik dan de moordenaar vinden in deze stad?’ De kalief werd woedend en gaf bevel Jafar op de deur van het paleis te kruisigen. Hierop gaf de kalief opdracht om het volgende door de hele stad te laten omroepen: ‘Wie de kruisiging van Jafar, zoon van Barmak en veertig van zijn neven wil bijwonen, moet naar het stadsplein komen!’ De bewoners van Bagdad kwamen uit alle straten om bij de kruisiging aanwezig te zijn. Niemand wist waarom dit ging gebeuren maar iedereen was bedroefd en huilde, want Jafar en zijn neven waren erg geliefd om hun goede daden en hun edelmoedigheid. Het kruis voor de terechtstelling werd op het schavot geplaatst. Men bracht de veroordeelde hiernaartoe. Iedereen wachtte gespannen tot de kalief het bevel zou geven om het vonnis uit te voeren. De kalief had zijn bevel nog niet uitgesproken, of plotseling drong er een knappe jongeman, keurig gekleed, snel door de menigte. Hij liep naar Jafar toe en zei tegen hem: ‘Ik kan niet toestaan dat u zich voor mij opoffert, u weldoener van de armen! Want ik ben degene die de vrouw heeft vermoord en in stukken heeft gehakt. Daarna heb ik haar in de kist gelegd en in de Tigris gegooid. Jullie hebben de kist uit de rivier opgevist. Straf mij dus en dood mij!’ Toen Jafar de woorden van de jongeman hoorde, was hij erg blij dat hij niet terechtgesteld werd. Het speet hem echter voor de jongeman dat hij nu gedood werd. Hij vroeg aan de jongeman om uit te leggen wat er precies gebeurd was.

Plotseling duwde een grijsaard de mensen opzij en liep snel in de richting van Jafar en de jongeman. Hij begroette hen en sprak: ‘Geloof de jongeman niet! Ik ben degene die de jonge vrouw vermoord heeft! Dus ik verdien de straf en niet deze jongeman!’ De jongeman riep: ‘Ach minister, deze oude man spreekt wartaal en weet niet wat hij zegt! Ik zeg u nogmaals dat ik haar heb vermoord, dus u moet mij straffen en niet deze grijsaard.’ Hierop sprak de grijsaard tegen de jongeman: ‘Ach kind, je bent nog zo jong en je moet nog van het leven genieten. Ik ben oud en ik heb al een heel leven achter me! Ik zal als losprijs voor jou, de minister en zijn neven, dienen.’ De grijsaard riep toen opnieuw: ‘Ik ben de moordenaar en op mij moet wraak genomen worden.’ Hierop nam Jafar, met toestemming van de bevelhebber van het leger, de jongeman en de grijsaard mee naar de kalief. Daar aangekomen, zei Jafar tegen de kalief: ‘Ik heb de moordenaar van de jonge vrouw.’ De kalief vroeg aan hem: ‘Waar is hij?’ ‘Deze jongeman beweert dat hij de jonge vrouw heeft vermoord, maar deze grijsaard spreekt dit tegen en beweert, op zijn beurt, dat hij de moordenaar is,’ verklaarde Jafar. De kalief richtte zich tot de grijsaard en de jongeman en vroeg aan hen: ‘Wie van jullie heeft de jonge vrouw gedood?’ De jongeman antwoordde: ‘Ik!’ Maar de grijsaard riep tegelijkertijd: ‘Ik!’

De kalief zei zonder verder iets te vragen, tegen Jafar: ‘Neem beiden en laat hen alle twee kruisigen!’ Jafar merkte op: ‘Als er slechts één moordenaar is, dan is het kruisigen van de ander onrechtvaardig!’ De jongeman riep: ‘Ik zweer bij alle heiligen dat ik de moordenaar ben! Ik heb bewijs dat mijn bewering bevestigt.’ Hierna beschreef hij hoe de kist er van binnen uitzag. Dit was alleen bekend bij de kalief, Jafar en Masroer.

Nu was de kalief overtuigd van de schuld van de jongeman en hij vroeg verwonderd aan hem: ‘Maar waarom heb je haar dan vermoord? Vertel me waarom, zonder dat ik je hier met stokslagen toe dwing. Zeg mij, waarom wil je hiervoor zo graag gestraft worden?’ De jongeman antwoordde: ‘Weet u, majesteit, de jonge vrouw was mijn echtgenote. Ze was de dochter van die oude grijsaard. Dus deze oude man is mijn schoonvader. Ik trouwde met haar, toen ze nog heel jong was en maagd. God heeft ons drie zonen geschonken. Wij waren heel gelukkig en ik had niets op haar aan te merken. Maar aan het begin van deze maand werd zij ernstig ziek. Ik liet onmiddellijk de meest vakkundige artsen komen. De artsen deden alles wat in hun macht lag om haar te genezen. Vanaf het begin van haar ziekte had ik niet meer bij haar geslapen. Omdat mij nu de lust wel bekroop, wilde ik haar eerst een bad laten nemen. Voordat zij naar het badhuis ging, zei ze tegen mij dat zij een verzoek had. Toen ik haar vroeg wat het verzoek was, antwoordde ze dat zij naar een appel verlangde om eraan te ruiken en erin te bijten. Onmiddellijk ging ik naar de stad om een appel te kopen, al moest deze een gouden dinar kosten! Ik ging naar alle fruitwinkels in de stad, maar nergens waren er appels te koop. Ik keerde heel bedroefd terug naar huis. Hierna durfde ik mijn echtgenote niet onder ogen te komen. Ik bleef de hele nacht wakker om te bedenken hoe ik toch aan een appel kon komen.

De volgende dag, bij zonsopgang, verliet ik mijn huis en ging naar de boomgaarden. Daar zocht ik in alle bomen naar een appel. Maar nergens was een appel te vinden. Onderweg naar huis kwam ik de tuinman, een bejaarde man, tegen. Toen ik hem naar een appel vroeg, antwoordde hij: ‘Mijn kind, die is heel moeilijk te vinden. De reden daarvan is heel simpel en eenvoudig: het is geen appelseizoen. Hij vertelde mij ook, dat er alleen appels waren in Basra, in de boomgaard van de emir van de gelovigen, de kalief. De tuinman zei verder dat het zelfs daar ook moeilijk is om aan een appel te komen. Hij zei dat de bewaker de appels zorgvuldig bewaakte voor de kalief. Na dit van de oude tuinman te hebben gehoord, keerde ik naar mijn echtgenote terug en vertelde haar alles. Maar mijn liefde voor haar bracht mij ertoe om onmiddellijk op reis te gaan en toch te proberen een appel voor haar te kopen. Ik vertrok naar Basra en het duurde vijftien etmalen voordat ik weer thuis was. Het lot was mij gunstig gezind en ik kwam bij mijn echtgenote terug in het bezit van drie appels. Deze vruchten had ik voor drie gouden dinar van de bewaker van de boomgaard in Basra gekocht.

Thuisgekomen, liep ik blij naar binnen en bood mijn echtgenote de drie appels aan. Toen zij de appels in haar handen had, was ze helemaal niet blij. Zij legde de vruchten onverschillig naast zich neer. Ik zag echter dat mijn vrouw weer ziek was, ze had hoge koorts. Mijn echtgenote bleef nog tien dagen ziek en in die tijd liet ik haar geen moment alleen. Daarna knapte ze op, zodat ik op zekere dag het huis weer kon verlaten om naar mijn winkel te gaan. Ik begon weer met mijn handel. Tegen het middaguur zat ik in mijn winkel en zag een neger voorbij lopen. Deze man hield een appel in zijn handen, waar hij mee speelde. Toen vroeg ik hem: ‘Hé vriend, vertel eens waar je die appel vandaan hebt, dan ga ik daarheen om ook een appel te kopen.’ De neger begon te lachen en hij zei: ‘Ik heb deze appel van mijn minnares! Toen ik haar kwam bezoeken, trof ik haar ziek aan. Naast haar lagen drie appels. Ik vroeg mijn minnares naar de appels, waarop zij antwoordde: ‘Stel je eens voor lieveling, die stomme echtgenoot van mij is expres naar Basra gegaan om deze appels voor mij te kopen voor drie gouden dinar!’ Na dit gezegd te hebben, gaf ze mij de appel die ik in mijn handen heb!’ Toen ik deze woorden van de neger hoorde, verloor ik mijn verstand, sloot de winkel en keerde naar huis terug.

Thuisgekomen, liep ik meteen door naar de slaapkamer. Daar zag ik dat er inderdaad een appel verdwenen was. Ik vroeg mijn echtgenote: ‘Waar is de derde appel?’ ‘Ik weet het niet,’ antwoordde mijn vrouw. Hierdoor begreep ik dat de woorden van de neger waar waren.

Ik pakte een mes en sprong boven op mijn echtgenote. Ik zette mijn knieën op haar buik, sneed haar in stukken en hakte haar hoofd en ledematen af. Na deze daad deed ik haar haastig in de mand en legde die in de kist. Daarna spijkerde ik de kist dicht. Ik plaatste de kist op mijn muilezel en reed naar de Tigris. Bij deze rivier tilde ik de kist op en gooide deze het water in. Zodoende heb ik mijn vrouw vermoord en haar in de rivier gegooid. Daarom smeek ik u om mij te doden als straf, want ik ben bang voor de Dag des Oordeels. De dag waarop ik tot verantwoording wordt geroepen. Nadat ik haar in de Tigris gegooid had, zonder dat iemand mij had gezien, keerde ik naar huis terug. Hier trof ik mijn oudste zoon huilend aan. Omdat ik er zeker van was, dat hij niets van de dood van zijn moeder wist, vroeg ik hem: ‘Waarom huil je?’ Hij antwoordde: ‘Ik heb één van de appels van mijn moeder weggenomen. Daarna ben ik de straat op gegaan om met mijn broers te spelen. Daar kwam een neger langs die mij de appel uit mijn handen rukte en vroeg: ‘Waar komt deze appel vandaan?’ Ik antwoordde hem: ‘Deze appel is van mijn moeder. Mijn vader heeft deze appel voor mijn moeder meegebracht, samen met nog twee andere appels. Hij heeft deze appels voor drie gouden dinar in Basra gekocht.’ Ondanks die woorden gaf de neger mij de appel niet terug, hij sloeg me en liep er mee weg! Daarom ben ik nu bang, dat mijn moeder me om die appel zal slaan!’ Uit de woorden van mijn kind begreep ik, dat de neger leugenachtige praatjes over mijn echtgenote had verteld en dat ik haar ten onrechte had gedood. Toen begon ik te huilen. Ik zag mijn schoonvader aankomen, de eerbiedwaardige grijsaard die hier naast mij staat. Ik vertelde hem de droevige geschiedenis, waarop hij naast me kwam zitten en mee ging huilen. We bleven de gehele vijf dagen van de begrafenisplechtigheid huilen en rouwen. Nog steeds treuren wij over deze dood. Ik smeek u om mij snel terecht te stellen en deze moord te wreken!’ Toen de kalief dit verhaal hoorde, merkte hij op: ‘Bij God, wij moeten die neger vinden. Hij is de echte dader en hij moet gestraft worden!” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Maar toen de 19e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Majesteit, ik ben aangekomen bij het moment, waarop de kalief Haroen ar-Rasjid zwoer, dat hij alleen de neger wilde doden. Hij vond dat de jongeman al genoeg gestraft was. De kalief beval Jafar: ‘Breng mij die gemene neger, de man die deze ellende heeft veroorzaakt! Als je hem niet binnen drie dagen vindt, laat ik jou in zijn plaats sterven!’ Jafar boog uit eerbied en verliet huilend het paleis. Onder weg naar huis zei hij tegen zichzelf: ‘Waar haal ik in vredesnaam die neger vandaan? Het zou wel heel toevallig zijn als ik hem vond, net zo toevallig als het niet breken van een kruik die je laat vallen. De eerste keer heb ik geluk gehad en ben ik aan de dood ontsnapt. Maar nu is het de vraag of ik weer zoveel geluk kan hebben. Ik sluit me weer drie dagen op in mijn huis, want wat heeft het voor zin om die neger te zoeken, ik vind hem toch nooit.’

Jafar bleef drie dagen thuis en op de vierde dag liet hij een notaris komen om zijn testament op te maken. Daarna nam hij huilend afscheid van zijn kinderen.

Later op de dag kwam de gezant van de koning naar Jafar. Hij vertelde hem dat de kalief nog steeds van plan was om Jafar te doden als hij de neger niet had gevonden. Jafar begon nog harder te huilen en zijn kinderen huilden met hem mee. Daarna tilde hij zijn jongste dochter op, om haar voor de laatste keer te omhelzen. Hij hield van al zijn kinderen, maar het meest van haar. Jafar drukte haar tegen zijn borst en huilde bij de gedachte dat hij gedwongen was haar te verlaten. Terwijl hij haar tegen zich aandrukte, voelde hij iets ronds in de borstzak van zijn dochter en vroeg aan haar: ‘Wat heb je in je zak liefje?’ ‘Ach vader, een appel,’ antwoordde het meisje. Zij vertelde verder: ‘Onze neger Rihan heeft deze appel aan mij gegeven, ik heb deze appel al vier dagen. Maar ik moest wel twee gouden dinar aan Rihan geven.’ Bij de woorden ‘neger’ en ‘appel’ riep Jafar vol vreugde uit: ‘O mijn God, dank U! Nu heb ik toch de neger gevonden.’ Hij gaf bevel om de neger Rihan te laten halen. Rihan kwam en Jafar liet hem de appel zien en vroeg aan hem: ‘Waar komt deze appel vandaan?’ De neger antwoordde: ‘Ach meester, vijf dagen geleden, toen ik door de stad liep, kwam ik in een smalle straat en zag daar kinderen spelen. Eén van de kinderen had die appel bij zich.

Ik nam hem die appel af en sloeg hem. De jongen zei huilend: ‘De appel is van mijn moeder die ziek is. Zij had trek in een appel en mijn vader heeft drie appels uit Basra gehaald en daarvoor heeft hij drie gouden dinar betaald. Ik heb er één meegenomen om mee te spelen.’ Na dit gezegd te hebben, begon de jongen te huilen. Zonder op zijn tranen te letten, ging ik met deze appel naar huis. Daar verkocht ik de appel voor twee gouden dinar aan uw jongste dochter!’ Jafar was erg verrast toen hij dit verhaal hoorde. Hij wist nu, dat zijn eigen dienaar Rihan verantwoordelijk was voor de dood van de jonge vrouw. Hij gaf bevel om de neger onmiddellijk in de gevangenis op te sluiten. Jafar was blij dat hij nu zelf aan een zekere dood was ontsnapt. Hij zei toen deze regels op:

‘Als je ongeluk slechts aan één van jouw slaven te wijten is,

waarom wil je hem dan niet laten gaan, al is het met treurnis?

Weet je, al zijn er nog zoveel slaven en is er keuze te over,

jij hebt slechts één ziel, niet te vervangen zonder getover!’ 

Na dit vers opgezegd te hebben, liet Jafar de neger uit de gevangenis halen en bracht hem naar  kalief Haroen ar-Rasjid. Bij de kalief aangekomen, vertelde Jafar de kalief wat de neger hem verteld had. De kalief was zo opgetogen dat hij bevel gaf om deze geschiedenis op te nemen in het jaarboek, als voorbeeld voor alle mensen. Jafar sprak tot de kalief: ‘Wees niet te opgetogen over deze geschiedenis, want dit verhaal is nog niets in vergelijking met het verhaal van Noereddin en zijn broer Sjamseddin.’ Hierop riep de kalief uit: ‘Wat is dat dan voor een verbazingwekkend verhaal?’ Jafar antwoordde: ‘Dat kan ik u alleen vertellen als u mijn neger Rihan gratie verleent voor zijn onbezonnen daad!’ De kalief sprak: ‘Het zij zo! Ik zal je neger Rihan gratie verlenen.’ 

Geschiedenis van minister Noereddin, zijn broer minister Sjamseddin en Hasan Badreddin 

* Sjamseddin: Zon van het geloof. Noereddin: Licht van het geloof. Badreddin: Maan van het geloof. 

Jafar, de zoon van Barmak, begon met zijn verhaal: ‘Weet u, emir van de gelovigen, dat in Egypte een rechtvaardige en liefdadige sultan woonde? Deze sultan had een bekwame minister, en geleerde in wetenschappen en letteren. Deze minister was een bejaarde grijsaard en hij had twee kinderen. De oudste heette Sjamseddin en de jongste heette Noereddin. De jongste was de knapste van de twee, terwijl Sjamseddin al volmaakt was. In de hele wereld was er niemand die zo knap was als Noereddin, zijn schoonheid was in alle landen bekend. Veel reizigers kwamen naar Egypte om Noereddin te zien. Het noodlot wilde dat de minister, de vader van de twee jongens, stierf. De sultan was erg bedroefd, hij liet Sjamseddin en Noereddin bij zich komen. De sultan gaf beide jongens een ere-gewaad en hij sprak tot hen: ‘Van dit ogenblik af bekleden jullie het ambt van jullie vader.’ Sjamseddin en Noereddin waren opgetogen en kusten de handen van de sultan uit eerbied.

De begrafenisplechtigheden en de rouwperiode van hun vader duurde een volle maand. Daarna aanvaardden ze de functie van minister. De ene week was Sjamseddin minister en de volgende week Noereddin. Als de sultan op reis ging, nam hij altijd een van de twee broers met zich mee. Op de avond voordat de sultan met Sjamseddin, die deze week minister was, zou vertrekken, zaten de twee broers bij elkaar om de zaken met elkaar door te spreken. In de loop van het gesprek zei Sjamseddin, de oudste, tegen Noereddin: ‘Broer, vind je niet dat het tijd wordt dat we aan trouwen gaan denken? En wat vind je ervan dat wij in dezelfde nacht gaan trouwen?’ Noereddin vond dit een goed plan. Sjamseddin ging verder: ‘Als wij met twee jonge meisjes trouwen, en wij in dezelfde nacht met haar slapen, krijgen we misschien wel op dezelfde dag een kind. Als mijn vrouw dan een meisje ter wereld brengt en jouw vrouw een jongen, dan moeten we de kinderen als neef en nicht met elkaar laten trouwen!’ Noereddin zei: ‘Ach broer en wat denk je dan als bruidsschat van mijn zoon te vragen om aan je dochter te geven?’ Sjamseddin antwoordde: ‘Ik neem als prijs voor mijn dochter, van je zoon drie duizend dinar, drie boomgaarden en drie van de beste dorpen in Egypte. Ik kan je wel vertellen, dat is heel weinig in ruil voor mijn dochter.’

Sjamseddin zei: ‘Als je zoon die voorwaarden niet accepteert, komt er geen huwelijk tussen jouw zoon en mijn dochter.’ Noereddin antwoordde: ‘Wat mankeert jou, wat is dat voor een bruidsschat die je van mijn zoon wil vragen? Vergeet niet dat wij broers zijn en zelfs de baan van minister delen. In plaats van een bruidsschat te vragen, moest je je dochter als geschenk aanbieden, je weet toch dat de man meer waard is dan de vrouw. Mijn zoon is van het mannelijk geslacht, maar jij eist een bruidsschat die je dochter zelf had moeten meebrengen! Je doet als die koopman, die niet van zijn koopwaar wil scheiden, en om de klant af te schrikken de prijs van de boter tot het viervoudige verhoogt!’ Sjamseddin merkte hierna op: ‘Ik zie het wel, je verbeeldt je dat jouw zoon meer waard is dan mijn dochter. Dit is het bewijs dat jij je verstand verloren hebt. Weet je, je bent gewoon ondankbaar! Want op het moment dat je het over de functie van minister hebt, vergeet je, dat je alleen aan mij je hoge functie te danken hebt. Ik wilde alleen met je samenwerken omdat ik medelijden met je had en omdat je me kon helpen bij mijn werk. Maar, het zij zo! Je kunt zeggen wat je wilt, maar vanaf het ogenblik dat jij je zo opstelt, laat ik mijn dochter voor geen goud meer met jouw zoon trouwen!’ Nadat Noereddin deze woorden hoorde, werd hij erg verdrietig en reageerde: ‘Ik wil mijn zoon niet meer met jouw dochter laten trouwen.’ ‘Ja, dat is van de baan.’ antwoordde Sjamseddin en zei verder: ‘Ik heb nu geen tijd om over je onbeschofte woorden na te denken. Ik heb het nu te druk omdat ik morgen met de sultan op reis ga. Maar daarna zul je zien, bij mijn terugkomst zal als God het wil, gebeuren wat er zal gebeuren.’ Verdrietig om deze scène vertrok Noereddin en ging slapen, overgeleverd aan zijn droevige gedachten.

De volgende dag vertrok de sultan, vergezeld door minister Sjamseddin, om zijn reis te maken. Ze gingen naar de oever van de Nijl, waar ze in een boot stapten. Daarvandaan voeren ze naar de overkant om in Koesria te komen en van daar gingen ze in de richting van de Piramiden.

Wat Noereddin betreft, na een slapeloze nacht vanwege de ruzie met zijn broer, stond hij vroeg op, verrichtte zijn rituele reinigingen en zei het eerste ochtendgebed op. Daarna ging hij naar zijn kast, waar hij een dubbele zak uit nam die hij met goud vulde. Noereddin kon de minachtende woorden en de ondergane vernedering niet vergeten en hij herinnerde zich dit vers, wat hij opzegde:  

‘Vertrek, vriend! Verlaat alles en vertrek,

je vindt weer vrienden op je nieuwe plek!

Ga en verlaat je huis, zet je tent ergens anders op,

woon slechts in die tent, zo kom je uit het slop.

Het huis, de warmte, het genot van het leven

en de innigheid duren in de stad maar even.

Geloof me en ontvlucht je vaderland,

maak je los van die grond, ga naar een andere kant!

Ga naar mensen die veelkleurig zijn geverfd,

want ik heb ervaren, dat stilstaand water bederft!

Bedorven water kan weer gezond zijn

door voluit te stromen, dan is het weer rein.

Ik heb naar de maan gekeken toen deze vol was,

ik begaf mij helemaal in haar licht, zij was mij tot jas!

Als ik mij met deze ervaring niet had kunnen verrijken,

zou ik nooit in de ogen van een mens kunnen kijken.

En de leeuw? Ik zou te paard op leeuwen kunnen jagen,

als ik het dichte woud zou verlaten, zoals in de sagen.

En de pijl? Deze zal nooit dodelijk kunnen zijn bij het raken,

als hij zich niet van de gespannen boog kon losmaken.

En goud of zilver? Deze zijn niet gelijk, weet iedereen,

zodra ze uit hun bedding zijn gehaald, uit harde steen.

En wat de harmonieuze luit betreft: zonder klank en snaren,

is deze een blok hout, hij ligt er al jaren.

Als de houthakker de boom niet ontworteld had,

was hij nog steeds een onbeschreven blad!

Verlaat dus je familie, vrienden en vaderland,

je zult toppen bereiken, dat ligt voor de hand!

Maar als je aan de grond gehecht blijft voor altijd,

zie je geen toppen en ervaar je geen vrijheid!’ 

Toen Noereddin dit vers opgezegd had, beval hij een van zijn jonge slaven om een groot en snel muildier te zadelen. De slaaf haalde het mooiste muildier uit de stal. Hij deed een dekkleed van Isfahans fluweel op de rug van het dier en zadelde het met een brokaten zadel, met Hindoestaanse stijgbeugels. Hij deed dit zo goed, dat het muildier er uitzag als een pasgetrouwde vrouw, geheel in het nieuw gestoken en stralend van schoonheid. Noereddin beval verder om een groot zijden kleed uit te spreiden en een bidkleedje. Nadat de slaven dit gedaan hadden, legde hij de zak vol goud en juwelen tussen het grote en het kleine kleed, rolde ze op en bond ze vast op zijn muildier. Daarna sprak hij tegen zijn slaven: ‘Ik ga een tocht buiten de stad maken, richting Kaloebia bij de piramiden in Egypte en blijf daar drie nachten slapen. Ik voel me erg neerslachtig en ik verbied iedereen om mij te volgen. Hij pakte voedsel voor onderweg, besteeg zijn muildier en reed snel weg. Nadat Noereddin Caïro had verlaten, schoot hij zo snel op dat hij ’s middags Belbeis al bereikte, waar hij stopte. Hij steeg af om zijn muildier wat rust te geven en om zelf ook te pauzeren. Noereddin at iets en kocht in Belbeis alles wat hij nodig kon hebben voor zichzelf en voor zijn muildier, daarna vertrok hij weer en vervolgde zijn weg.

Twee dagen later kwam hij, dankzij zijn muildier, precies om twaalf uur ’s middags in de heilige stad Jeruzalem aan. Noereddin steeg af en spreidde het grote kleed uit. Terwijl zijn muildier en hijzelf uitrustten, haalde hij ondertussen iets te eten uit zijn tas.

Zodra hij klaar was met eten, legde hij de tas op de grond, ging er met zijn hoofd op liggen en viel in slaap, nog steeds woedend over het gedrag van zijn broer. Zijn middagdutje duurde echter tot de volgende ochtend.

Bij zonsopgang steeg Noereddin weer op zijn muildier en reed flink door, tot hij was aangekomen bij de stad Aleppo. Daar nam hij zijn intrek in één van de herbergen van de stad en bleef daar drie dagen om zijn muildier en zichzelf wat rust te gunnen. Nadat Noereddin de zuivere lucht van Aleppo had ingeademd en goed uitgerust was, kocht hij wat van het suikerwerk waar Aleppo om bekend stond en vertrok.

Toen hij Aleppo eenmaal verlaten had, liet hij het muildier zijn eigen weg zoeken, want hij wist niet meer waar hij zich bevond. Na een etmaal snel doorgereden te hebben, bereikte Noereddin tegen zonsondergang een stad, waarvan hij de naam niet wist. Noereddin zocht een herberg, steeg af en verloste het muildier van zijn vracht. Daarna beval hij de portier van de herberg om wat met het muildier rond te lopen, zodat het dier geen kou zou vatten door meteen stil te staan.

Binnengekomen vertelde men hem dat dit de stad Basra was en Noereddin spreidde zijn kleed uit en ging zitten om in de herberg uit te rusten. De portier van de herberg nam het muildier bij de teugel en begon er mee rond te lopen. Toevallig stond op dat moment de stadhouder van Basra voor het raam van zijn paleis en keek naar buiten. Hij stond te kijken naar wat er allemaal op straat gebeurde. Zo zag de stadhouder van Basra dus ook het mooie muildier met zijn waardevolle tuig. Hij dacht bij zichzelf dat dit prachtige dier wel van een vreemde minister of zelfs van een koning moest zijn. Hij gaf bevel aan één van zijn jonge slaven om de portier die het muildier leidde, op te halen. De jongen vloog weg om de portier te halen en naar de stadhouder te brengen.

Bij de stadhouder aangekomen stapte de portier naar voren en kuste uit eerbied de handen van de stadhouder. De portier was een eerwaardige grijsaard. De stadhouder sprak tegen de portier: ‘Wie is de eigenaar van dat muildier en wat is zijn stand?’ De portier antwoordde: ‘Ach heer, de eigenaar van dat muildier is een zeer knappe jongeman, erg aantrekkelijk, rijk gekleed als de zoon van de één of andere rijke koopman en zijn uiterlijk dwingt eerbied en bewondering af.’ Bij deze woorden van de portier stond de stadhouder op, steeg op zijn paard, ging haastig naar de herberg en reed de binnenplaats op.

Toen hij de stadhouder zag, stond Noereddin op, kwam hem tegemoet en hielp hem om van zijn paard af te stijgen. De stadhouder begroette Noereddin, die de groet beantwoordde en de stadhouder hartelijk ontving. De stadhouder kwam naast Noereddin zitten en zei tegen hem: ‘Jongeman, waar kom je vandaan en waarom ben je in Basra?’ Noereddin antwoordde: ‘Mijn heer, ik kom uit Caïro, mijn stad en de plaats waar ik geboren en getogen ben. Mijn vader was de minister van de sultan van Egypte, maar hij is gestorven.’ Daarop vertelde Noereddin aan de stadhouder zijn geschiedenis van het begin tot het einde. Hij zei erbij: ‘Ik heb het besluit genomen, om niet meer naar Egypte terug te keren, voordat ik andere steden en landen heb bezocht!’ Na deze woorden van Noereddin antwoordde de stadhouder hem: ‘Mijn kind, jaag niet de rampzalige ideeën van een eindeloze reis na, want zij kunnen tot je ondergang leiden. Weet je dat reizen in vreemde landen, je geest verderft en het einde van alles kan betekenen! Luister naar mijn raad, mijn kind, want ik ben bang dat de tegenspoed van het leven en het lot je kunnen treffen!’ Daarna gaf de stadhouder zijn slaven het bevel om het muildier mee te nemen en ook nam hij Noereddin mee naar zijn huis. Hij bood Noereddin een kamer aan, liet hem uitrusten en gaf hem alles wat hij ook maar nodig kon hebben. Noereddin bleef enige tijd bij de stadhouder. De stadhouder zag hem elke dag en ging veel van Noereddin houden. Zoveel zelfs dat hij op een dag tegen hem sprak: ‘Mijn kind, ik ben heel oud en ik heb geen mannelijke nakomeling. Maar God heeft me een dochter geschonken, die in schoonheid en volmaaktheid je gelijke is. Tot op heden heb ik iedere kandidaat geweigerd die haar ten huwelijk vroeg. Ik houd zo oneindig veel van je, dat ik je vraag om met mijn dochter te trouwen. Als jij hiermee instemt, ga dan onmiddellijk naar de sultan en zeg hem dat je mijn neef bent. Zeg hem ook dat je pas aangekomen bent uit Egypte en dat je speciaal naar Basra komt om mijn dochter ten huwelijk te vragen. De sultan benoemt je dan omwille van mij als stadhouder, want ik word erg oud en heb rust nodig. Met groot genoegen zal ik weer intrek nemen in mijn eigen huis om het niet meer te verlaten.’ Op dit voorstel van de stadhouder zweeg Noereddin en sloeg zijn ogen neer en hij zei: ‘Ik luister en gehoorzaam!’ De stadhouder was buiten zichzelf van vreugde en gaf de slaven onmiddellijk bevel een feestmaal te bereiden. De ontvangstzaal werd feestelijk versierd en verlicht op een manier die alleen gereserveerd was voor de voornaamste eregasten. De stadhouder liet al zijn vrienden bij zich komen en nodigde alle notabelen van het rijk uit en ze kwamen allemaal. Om hun uit te leggen waarom hij Noereddin had gekozen en aan hem de voorkeur had gegeven boven alle andere kandidaten, sprak de stadhouder tot hen: ‘Ik had een broer, die minister was aan het hof van Egypte. God schonk hem twee zonen, zoals Hij mij een dochter heeft geschonken. Nu had mijn broer vóór zijn dood aan mij gevraagd, om mijn dochter met één van zijn zonen te laten trouwen en ik heb hem dat beloofd. Deze jongeman is één van de twee zonen van mijn broer. Met dat doel is hij hier gekomen en ik verlang er naar om die belofte aan mijn broer na te komen. Bovendien komen ze dan bij me wonen.’ De notabelen antwoordden: ‘Wat u beslist is goed.’ Na dit gezegd te hebben, namen ze allemaal deel aan het feest. Ze dronken allerlei soorten wijn en aten grote stukken taart. Daarna besprenkelden ze volgens de traditie de zalen met rozenwater en namen toen afscheid van de stadhouder en Noereddin. De stadhouder gaf zijn jonge slaven bevel om Noereddin naar het badhuis te brengen om hem een bad te laten nemen. Bovendien schonk hij hem één van zijn eigen mooiste feestgewaden. Ook kreeg hij zachte handdoeken mee, branders voor heerlijk ruikende olie en alles wat hij verder nog maar nodig kon hebben. Noereddin nam een uitvoerig bad, trok het feestgewaad aan dat hij van de stadhouder gekregen had en verliet het badhuis. Hij besteeg zijn muildier en reed naar het paleis van de stadhouder, onderweg straten passerend waar de bevolking vol bewondering keek naar zoveel schoonheid. Hij steeg van het muildier af, liep het paleis binnen, ging naar de stadhouder en kuste hem uit eerbied de hand. De stadhouder stond op….” 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe. 

Toen de 20e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Mij werd verteld majesteit, dat de stadhouder opstond en Noereddin ontving en tegen hem zei: ‘Kom mijn zoon, ga naar je echtgenote en wees gelukkig! Morgen ga ik met je mee naar de sultan. Voor nu vraag ik God om jou te zegenen.’ Noereddin kuste uit eerbied de hand van de stadhouder, zijn schoonvader, en ging toen naar het verblijf van het jonge meisje, waar hij met het meisje sliep. Tot zover is dit het verhaal van Noereddin.

Wat zijn broer Sjamseddin in Caïro betreft: Toen hij samen met de sultan van Egypte terugkeerde van hun reis naar de Piramiden, kon hij thuis zijn broer Noereddin nergens vinden. Sjamseddin vroeg zijn bedienden of zij ook wisten waar Noereddin was. Deze vertelden hem dat Noereddin op dezelfde dag waarop Sjamseddin met de sultan was vertrokken, ook op zijn muildier was weggereden. De bedienden vertelden ook, dat Noereddin had gezegd: ‘Ik ga de kant van Kaloebia op en blijf een dag of twee weg, want ik voel me verdrietig en ik heb wat frisse lucht nodig.’ De bedienden zeiden dat Noereddin had gezegd dat niemand hem mocht volgen. Vanaf die dag hadden ze niets meer van hem gehoord. Sjamseddin was erg bedroefd dat zijn broer niet meer bij hem was, en dit maakte hem met de dag wanhopiger. Hij zei tegen zichzelf: ‘Volgens mij is mijn broer weggegaan, omdat wij de avond voor mijn reis met de sultan ruzie hebben gehad. Ik moet hem zoeken en het weer goed maken.’ Sjamseddin ging onmiddellijk naar de sultan en vertelde hem het hele verhaal. De sultan liet brieven schrijven, voorzien van zijn zegel, en stuurde koeriers te paard weg. In deze brieven stond dat Noereddin verdwenen was en dat men hem moest gaan zoeken. De koeriers brachten de brieven naar de vertegenwoordigers van de sultan in alle andere landen.

Na enige tijd kwamen alle koeriers zonder resultaat terug, want geen van hen was naar Basra gegaan waar Noereddin was. Sjamseddin betreurde de hele gang van zaken en zei tegen zichzelf: ‘Dit alles is mijn schuld! Dit alles is alleen gebeurd door mijn gebrek aan tact!’ Uiteindelijk legde hij zich erbij neer dat Noereddin verdwenen was. Hierbij dacht hij aan de wijsheid:  

‘Ben je verdrietig of juist blij

zeg dan: Ook dit gaat weer voorbij!’ 

Na verloop van tijd verloofde hij zich met de dochter van één der grootste zakenmannen uit Caïro en trouwde enige tijd later met haar. En wat moest gebeuren, gebeurde!

Door deze samenloop van omstandigheden gebeurde er iets bijzonders: in de nacht waarin Sjamseddin de bruidskamer betrad, ging Noereddin in Basra ook de bruidskamer van zijn vrouw, de dochter van de stadhouder, binnen. Maar het is God, die het samenvallen van het huwelijk van beide broers in dezelfde nacht toestond. Verder gebeurde alles precies zoals de beide broers hadden gefantaseerd, voordat ze ruzie kregen. De twee echtgenotes werden dezelfde nacht zwanger en bevielen op dezelfde dag en op hetzelfde uur.

De vrouw van Sjamseddin beviel van een dochter, die in schoonheid haar gelijke niet had in heel Egypte. De vrouw van Noereddin bracht een zoon ter wereld, het was het mooiste kind dat ooit geboren was. Zoals de dichter zegt:  

‘Dat kind, hoe lief is het en hoe fijn gebouwd,

Het drinkt met zijn mondje heel vertrouwd.

Drink en vergeet de volle bekers en vazen,

die geven altijd gedonder in de glazen.

Drink van zijn zoete lippen en les je dorst

aan de koelte van zijn wangen, als een vorst.

Onze ogen zijn de spiegels van de ziel,

de waarneming van het kind is subtiel!

Het purper van de wijn, zijn aroma en smaak

schenken dronkenschap, vreugde en vermaak.

Als schoonheid zich met dit kind zou meten,

zou zij verlegen buigen, als bescheiden estheten.

Als je haar vroeg: ‘Wat denk je, schoonheid,

heb je ooit je gelijke gezien, ben je ooit benijd?’

Dan zou zij antwoorden: ‘Als hij? Nooit,

want schoonheid blijft altijd onvoltooid!’ 

De zoon van Noereddin werd wegens zijn schoonheid Hasan Badreddin genoemd. Hasan betekent: De schone. Badreddin betekent: De volle maan van het geloof.

De geboorte van Hasan Badreddin was de aanleiding om een groot feest te geven. Op de zevende dag na zijn geboorte was er als afsluiting een groot feestmaal. Na afloop van de feestelijkheden nam de stadhouder Noereddin mee naar de sultan. Noereddin kuste uit eerbied de hand van de sultan en omdat hij een uitstekende kennis van de literatuur had, zei hij voor de sultan dit gedicht op: 

‘Alle grote weldoeners buigen voor hem,

ze treden terug en praten met zachte stem.

Dit kind heeft het hart van alle schepsels gewonnen,

het is de oerbron van alle schoonheidsbronnen!

Ik bejubel zijn werk, met zijn schone zaken

 kun je hier een halsketting van maken.

Een waardevol sieraad voor de hals,

een echt juweel, noch nep noch vals.

Als ik zijn vingertoppen een kus geef,

                                              voelt het alsof ik in de hemel zweef!

Dit zijn geen vingers, besmeurd met kwaden,

maar de sleutels tot alle wijze en goede daden.’ 

De sultan, opgetogen over dit gedicht, gaf de stadhouder en Noereddin geschenken, maar hij was nog niet op de hoogte van het huwelijk van Noereddin. Hij vroeg aan de stadhouder: ‘Wie is toch deze welbespraakte jongeman?’ De stadhouder vertelde de sultan de geschiedenis van de jongeman, van begin tot eind. Hij voegde toe: ‘Deze jongeman is mijn neef!’ De sultan vroeg: ‘Hoe komt het dat jij mij nog nooit iets over hem hebt verteld?’ De stadhouder antwoordde: ‘Majesteit, ik had een broer, hij was minister aan het hof van Egypte. Na zijn dood liet hij twee zoons na. De oudste werd in plaats van mijn broer minister. De tweede zoon is deze jongeman die u hier ziet. Hij kwam mij opzoeken, want ik had zijn vader beloofd, dat mijn dochter met één van zijn zonen zou trouwen. Nauwelijks was hij aangekomen of ik liet hem met mijn dochter trouwen. Hij is een jongeman zoals u ziet en ik, ik word oud en ook een beetje doof, en slordig ten aanzien van de zaken van het koninkrijk. Ik kom u vragen majesteit, om mijn neef, die ook mijn schoonzoon is, mij te laten opvolgen als minister. Ik kan u verzekeren dat hij een bekwame opvolger is, met het hart op de juiste plaats en bovendien een ervaren leider.’ De sultan bekeek de jonge Noereddin nog eens goed en wat hij zag beviel hem. Hij besloot het advies van de oude stadhouder op te volgen. De sultan benoemde Noereddin tot stadhouder, gaf hem een prachtig eregewaad en ook een muildier uit zijn eigen stallen. Ook wees de sultan lijfwachten en kamerheren aan. Noereddin kuste uit eerbied de hand van de sultan, vertrok samen met zijn schoonvader en ze kwamen opgetogen thuis. Daar aangekomen gingen ze bij de pasgeboren Hasan Badreddin kijken en zeiden tegen elkaar: ‘De geboorte van dit kind heeft ons geluk gebracht!’

De volgende dag ging Noereddin naar het paleis om zijn nieuwe taak te vervullen. Daar aangekomen kuste hij uit eerbied de hand van de sultan en zei deze regels op: 

‘U ontvangt elke dag nieuwe gelukzaligheid en voorspoed,

vele afgunstigen worden rood van nijd en gaan de droogte tegemoet!

Mogen voor u alle dagen wit zijn als de sneeuw van de bergtop,

en zwart de dagen voor alle afgunstigen met een harde kop! 

Daarna gaf de sultan hem toestemming om op de ministerszetel plaats te nemen. Noereddin ging zitten en begon aan zijn functie alsof hij al jarenlang minister was. Hij deed dit eerst onder toezicht van de sultan, die opgetogen was over de intelligentie van Noereddin. Ook zijn inzicht in de zaken en zijn manier van rechtspreken spraken de sultan erg aan. De sultan sloot vriendschap met Noereddin en hield veel van hem. Wat Noereddin betreft, hij was een uitstekend minister, maar ondanks zijn drukke bezigheden vergat hij de opvoeding van zijn zoon Hasan Badreddin niet. Noereddin werd elke dag machtiger en kwam steeds meer in de gunst van de sultan, die het aantal kamerheren, bedienden en lijfwachten van Noereddin verhoogde. Noereddin werd een rijk man, en hij kon naast zijn ministerschap ook als koopman handel drijven. Zijn schepen voeren de hele wereld rond. Verder liet hij huurhuizen en molens bouwen en prachtige tuinen en boomgaarden aanleggen. Dit ging zo door tot zijn zoon Hasan Badreddin de leeftijd van vier jaar had bereikt. Omstreeks datzelfde tijdstip overleed de schoonvader van Noereddin, de oude minister. Noereddin nodigde alle notabelen van het sultanaat uit voor de plechtige begrafenis. Daarna wijdde Noereddin zich aan de opvoeding van zijn zoon. Hij vertrouwde hem toe aan een oude geleerde, die zeer deskundig was in de burgerlijke en godsdienstige wetten. Deze geleerde gaf Hasan Badreddin elke dag thuis les. Naarmate de jongen ouder werd, wijdde hij hem in in de kennis van de koran, die de jonge Hasan helemaal uit zijn hoofd leerde. De oude geleerde besteedde vele jaren om zijn leerling Hasan alle nuttige kennis te onderwijzen. Hasan groeide op in schoonheid, bevalligheid en volmaaktheid. Zoals de dichter zegt: 

‘Deze jonge knaap is het evenbeeld van de volle maan;

als de maan schittert, groeit zijn schoonheid stilaan.

De zon ontleent de glans van zijn stralen aldoor

aan de anemonen van zijn wangen, stel je voor!

Deze jongeman is de koning der schoonheid;

door zijn voornaamheid maakt hij het onderscheid.

Men is geneigd te denken dat de prachtige weiden

en bloemen aan hem zijn ontleend, in alle tijden!’ 

Tijdens al deze jaren verliet de jonge Hasan Badreddin geen ogenblik het paleis van zijn vader Noereddin, want de oude geleerde eiste alle aandacht op voor zijn lessen. Na de vijftiende verjaardag van Hasan kon de oude geleerde hem niets meer leren, daarom haalde zijn vader Noereddin hem op. Hasan Badreddin moest het mooiste feestgewaad dat hij kon vinden, aantrekken en daarna liet hij hem het beste en mooiste muildier bestijgen dat hij bezat. Noereddin begaf zich samen met Badreddin in optocht door de straten van Basra naar het paleis van de sultan. De bewoners van Basra keken vol bewondering naar de stoet en riepen: ‘Wat een beeldschone man, zo sierlijk, zo charmant. Moge God hem behoeden voor het boze oog!’ De mensen dachten terug aan de prachtige woorden van de dichter:  

‘Deze jonge knaap is het evenbeeld van de volle maan;

als de maan schittert, groeit zijn schoonheid stilaan.

De zon ontleent de glans van zijn stralen aldoor

aan de anemonen van zijn wangen, stel je voor!

Deze jongeman is de koning der schoonheid;

door zijn voornaamheid maakt hij het onderscheid.

Men is geneigd te denken dat de prachtige weiden

en bloemen aan hem zijn ontleend, in alle tijden!’ 

Dit ging zo door tot Badreddin en zijn vader bij het paleis aankwamen. Nu begrepen de mensen wat de dichter met het gedeclameerde gedicht bedoelde.

Toen de sultan zag, dat de jonge Hasan tot een beeldschone jongeman was opgegroeid, vergat hij bijna adem te halen. Hij liet Hasan bij zich komen, overlaadde hem met geschenken en zei tegen zijn vader Noereddin: ‘Minister, je moet hem elke dag hier brengen, want ik kan niet meer zonder hem.’ Noereddin was wel verplicht om te antwoorden: ‘Ik luister en gehoorzaam.’ Hasan Badreddin werd de vriend en favoriet van de sultan. Omstreeks die tijd werd Noereddin ernstig ziek. Hij voelde dat hij niet lang meer te leven had. Hij liet zijn zoon bij zich komen en zei tegen hem: ‘Weet je mijn kind, deze wereld is een tijdelijke woning, maar de toekomstige wereld is eeuwig! Voordat ik sterf, wil ik je raad geven, dus luister goed en open je hart!’ Noereddin vertelde Hasan hoe hij zich in het gezelschap van belangrijke mensen moest gedragen. Hij gaf hem verder aanwijzingen hoe hij zich het beste door het leven kon slaan. Noereddin dacht toen aan zijn broer Sjamseddin, de minister van Egypte. Ook dacht hij aan zijn ouders en al zijn vrienden in Caïro. Bij deze herinnering begon hij te huilen, omdat hij hen niet meer terug had gezien. Hij bedacht dat hij zijn zoon Hasan nog een raad had te geven. Noereddin zei tegen zijn zoon: ‘Jongen, onthoud de woorden goed, die ik nu tegen je zeg, want ze zijn heel belangrijk. Weet, dat ik in Caïro een broer heb die Sjamseddin heet, dat is je oom en bovendien is hij minister van Egypte. Lang geleden ben ik na een ruzie weggegaan, dus hij weet niet dat ik in Basra woon. Ik zal je daarom mijn laatste raad geven. Pak nu je rieten pen en zet deze raad op papier.’ Hasan Badreddin pakte een stuk papier, haalde de schrijfkoker uit zijn gordel en pakte zijn beste pen eruit. Daarna ging hij zitten, legde het stuk papier neer, pakte de pen in zijn rechterhand en sprak tot zijn vader: ‘Vader ik luister!’ Noereddin begon te dicteren: ‘In de naam van God, de Barmhartige, de Genadige.’ Noereddin liet hem de data van zijn aankomst in Basra en die van zijn huwelijk met de dochter van de oude minister, de moeder van Hasan, opschrijven. Hij vroeg zijn zoon om ook de volledige stamboom op te schrijven van zijn directe en indirecte voorvaderen, met hun namen en de namen van hun vader en hun grootvaders. Verder ook nog de graad van de door hen persoonlijk verworven adeldom. Daarna zei hij tegen Hasan: ‘Bewaar dit papier goed. Mocht je ooit in de problemen komen, keer dan terug naar het land waar ik vandaan kom en naar Caïro, de welvarende stad. Daar vraag je dan het adres van je oom de minister, die in ons huis woont. Groet hem van mij en breng hem vrede. Zeg hem dat ik dood ben, bedroefd in den vreemde gestorven, ver van hem vandaan. Zeg hem ook dat ik, voordat ik stierf, geen andere wens had dan om hem weer te zien. Dit was, mijn zoon, wat ik je wilde vertellen. Ik smeek je dan ook om dit niet te vergeten!’ Hasan vouwde het papier zorgvuldig op, nadat hij het met zand bestrooid en gedroogd had. Hij zegelde het met de zegel van zijn vader en wikkelde het in een stuk wasdoek om het tegen vocht te beschermen. Daarna stak hij het in de omslag van zijn tulband tussen de rand in de kap en naaide het vast. Nadat dit gedaan was, kuste Hasan huilend de hand van zijn vader uit eerbied. Hij was erg bedroefd dat hij zo jong zijn vader al moest missen. Noereddin bleef Hasan goede raad geven, totdat hij stierf. Hasan was in diepe rouw om de dood van zijn vader en ook de sultan en de andere notabelen rouwden om Noereddin. Noereddin kreeg de begrafenis die bij zijn rang paste. Hasan Badreddin liet de rouw om Noereddin twee maanden duren en in die twee maanden verliet hij geen moment zijn huis. Hij ging in deze periode zelfs niet naar het paleis om de sultan te bezoeken, zoals zijn gewoonte was. De sultan, die niet begreep dat Hasan niet bij hem kwam omdat hij zo bedroefd was, dacht dat Hasan hem in de steek had gelaten. De sultan was hierdoor zo beledigd dat hij in plaats van Hasan een ander tot minister benoemde. Bovendien nam hij ook een andere jonge kamerheer tot vriend. Hiermee was de sultan nog niet tevreden, hij liet al de huizen en goederen van Hasan verzegelen en in beslag nemen. Hij beval Hasan Badreddin gevangen te nemen en hem bij zich te brengen. De nieuwe minister ging meteen samen met enige kamerheren naar het huis van Hasan, die geen enkel idee had van wat hem te wachten stond. Er bevond zich onder de slaven van het paleis een jonge blanke slaaf. Deze slaaf hield veel van Hasan Badreddin. Toen deze slaaf hoorde wat het plan van de sultan was, haastte hij zich naar de woning van Hasan. Daar aangekomen, trof hij Hasan, die nog erg bedroefd was om de dood van zijn vader. De slaaf vertelde aan Hasan wat de sultan van plan was en dat hij moest vluchten. Hasan schrok hier erg van en vroeg aan de slaaf: ‘Maar heb ik dan nog tijd om iets mee te nemen op mijn vlucht, zodat ik tenminste in mijn onderhoud kan voorzien?’ De blanke slaaf antwoordde hem: ‘De tijd dringt, denk er dus in de eerste plaats aan uw leven te redden.’ Bij deze woorden vertrok Hasan haastig, zonder verder ook maar iets mee te nemen. Hij trok de panden van zijn gewaad over zijn hoofd zodat niemand hem kon herkennen en liep de stad uit. De inwoners van Basra hoorden het nieuws van de voorgenomen arrestatie van Hasan Badreddin, de zoon van de overleden minister Noereddin. Zij hoorden ook over de inbeslagname van al zijn goederen. Dit maakte hen erg bedroefd. Er gingen geruchten onder het volk over zijn vermoedelijke dood. Mensen jammerden over het verlies van zo’n schone en beminnelijke persoonlijkheid! De straten doorlopend zonder herkend te worden, hoorde de jonge Hasan deze betuigingen van spijt. Maar hij haastte zich nog meer en liep nog sneller. Het lot leidde hem langs het kerkhof waar de graftombe van zijn vader zich bevond. Hij betrad het kerkhof en tussen de graven doorlopend, bereikte hij de tombe van zijn vader. Nu liet hij het gewaad zakken, waarmee zijn hoofd bedekt was. Hij begaf zich onder de koepel van de graftombe en besloot om hier de nacht door te brengen. Terwijl hij daar diep in gedachten zat, zag hij een bekende jood uit Basra naar hem toekomen. Deze jood was een koopman uit een naburig dorp. Hij was onderweg naar de stad. Terwijl hij dicht langs de tombe van Noereddin kwam, keek hij naar binnen en zag Hasan Badreddin. Hij herkende Hasan onmiddellijk, liep eerbiedig naar hem toe en zei: ‘Mijn heer, wat ziet u er ontdaan en verward uit! Is u iets ergs overkomen buiten de dood van uw vader? Uw vader minister Noereddin was mij zeer geliefd. Hij kende mij persoonlijk en ik was bij hem altijd welkom. Moge God hem genadig zijn!’ Hasan wilde hem echter niet de juiste reden van de verandering in zijn uiterlijk vertellen. Daarom sprak hij tot hem: ‘Toen ik vanmiddag thuis in mijn bed sliep, verscheen mijn overleden vader plotseling in mijn droom en verweet me streng, dat ik zo weinig bij hem in zijn tombe kwam. Ik ontwaakte vol ontzetting en zelfverwijt en haastte mij hiernaartoe. U ziet dat ik nog steeds onder de indruk ben van deze pijnlijke ervaring.’ De joodse koopman sprak tot hem: ‘Mijn heer, al enige tijd geleden had ik u moeten bezoeken om met u over een zaak te spreken, maar het lot is me vandaag gunstig gezind, omdat ik u hier nu tegenkom. Weet u, dat uw vader, de minister met wie ik zaken deed, schepen naar verre landen had gezonden? Die schepen zijn nu beladen met koopwaar op zijn naam teruggekeerd. Ik wil graag deze lading hier ter plekke van u kopen. Ik bied u voor elke lading duizend dinar. Ik betaal u het gehele bedrag contant. Wat vindt u hiervan?’ Na dit gezegd te hebben, haalde de joodse man uit zijn kleed een beurs met goud te voorschijn, telde duizend dinar uit en bood ze Hasan aan. Hasan aarzelde geen moment en nam dit aanbod aan, want hij kon met dit geld een einde maken aan zijn berooide toestand. De zakenman voegde er aan toe: ‘Nu moet u, heer, op dit papier een verklaring van ontvangst opschrijven en er uw zegel op drukken!’ Hasan Badreddin nam de pen en het papier dat de man hem voorhield. Hij bevochtigde de rieten pen in de koperen inktkoker en schreef op het papier: ‘Bij dezen verklaart de ondergetekende, Hasan Badreddin, dat hij de zoon is van de overleden minister Noereddin. Hij heeft aan de houder van dit document, te weten: die en die, de zoon van die en die, koopman te Basra, de lading verkocht van het eerste schip dat in Basra aan zal komen. Dit zal geschieden mits dat schip deel uitmaakt van de vaartuigen die zijn vader Noereddin hebben toebehoord. De ondergetekende heeft in ruil daarvoor een geldsom van duizend dinar in ontvangst genomen.’ Hasan verzegelde het papier met zijn zegel en gaf het aan de joodse koopman. De koopman bedankte Hasan Badreddin, wenste hem vrede en vertrok. Nu Hasan weer alleen was, begon hij te huilen. Hij dacht aan zijn overleden vader en aan hoe het nu toch verder met hem moest gaan. Hij was uitgeput door wat er de laatste dag was gebeurd en omdat het al donker was, ging hij in de tombe op het graf van zijn vader liggen en viel in slaap.

Midden in de nacht werd hij even wakker toen zijn hoofd van de steen rolde, hij ging op zijn rug liggen en sliep verder. De maan verlichtte zijn gezicht en nu kon je goed zien dat hij een erg knappe man was. Nu was dat kerkhof een plek die werd bezocht door goede geesten. En, toevallig was er op dat ogenblik een vriendelijke vrouwelijke geest die op haar tocht langs de tombe kwam en daar Hasan zag liggen. Ze bekeek hem eens goed en zei opgetogen tegen zichzelf: ‘Wat een mooie man, ik ben verliefd op zijn mooie ogen, want ik weet gewoon dat ze zwart zijn. Zolang hij slaapt, ga ik wat rondvliegen.’ Terwijl ze door de lucht vloog, kwam ze een mannelijke geest tegen. Ze begroette hem vriendelijk en hij beantwoordde die groet beleefd. Ze vroeg hem: ‘Waar kom je vandaan mijn vriend?’ ‘Uit Caïro,’ antwoordde hij haar. Ze vroeg aan hem: ‘Gaat het goed met de gelovigen uit Caïro?’ Hij antwoordde: ‘Zeker, het gaat goed met hen!’ Na enige tijd samen te hebben gesproken vroeg ze aan hem: ‘Wil je met mij meegaan, vriend, om de schoonheid van een jongeman te bewonderen, die op het kerkhof van Basra ligt te slapen?’ ‘Natuurlijk ga ik met je mee,’ antwoordde de andere geest. Ze namen elkaar bij de hand en daalden samen af naar het kerkhof. Daar aangekomen bleven ze voor de slapende Hasan staan. De vrouwelijke geest zei tegen haar metgezel: ‘Volgens mij heb ik geen woord teveel gezegd over de schoonheid van Hasan Badreddin, vind je niet?’ De mannelijke geest antwoordde: ‘Mijn God, ik heb nog nooit zo’n beeldschone man gezien, hij is geschapen om alle vrouwen het hoofd op hol te brengen.’ Hij vervolgde: ‘Toch kan ik je vertellen dat ik iemand heb gezien die als twee druppels water op deze knappe man lijkt, maar dat is een zij!’ De vrouwelijke geest riep uit: ‘Maar dit is onmogelijk!’

Hij hield vol dat dit toch het geval was: ‘Ze is in Caïro, in Egypte en ze is de dochter van minister Sjamseddin!’ ‘Maar ik ken haar niet,’ merkte de vrouwelijke geest op. Hierop zei de mannelijke geest: ‘Luister, dit is haar geschiedenis: Minister Sjamseddin heeft grote zorgen om zijn dochter. De sultan van Egypte hoorde zijn vrouwen spreken over de buitengewone schoonheid van de dochter van de minister, en hij wilde met haar trouwen. Hij vroeg aan minister Sjamseddin om haar hand. Maar minister Sjamseddin had iets anders voor zijn dochter besloten en zei schuchter tegen de sultan: ‘Majesteit vergeef mij, maar ik kan haar niet met u laten trouwen. U kent de geschiedenis van mijn arme broer Noereddin, die samen met mij uw minister was. U weet dat hij op zekere dag is vertrokken en dat we nooit meer iets van hem hebben gehoord. Hij is vertrokken omdat we een domme ruzie hadden en hij vertelde de sultan de reden van deze ruzie.’ Na een adempauze ging hij verder: ‘Toen mijn dochter geboren was, zwoer ik bij God, dat wat er ook gebeurde, ik haar alleen met de zoon van mijn broer Noereddin zou laten trouwen. Dat is inmiddels al achttien jaar geleden. Gelukkig heb ik een paar dagen geleden gehoord dat mijn broer Noereddin getrouwd was met de dochter van de minister van Basra. Ik vernam toen ook dat ze samen een zoon hadden. Zo is mijn dochter dus bestemd voor haar neef, de zoon van mijn broer Noereddin! Wat u betreft majesteit, u kunt elk meisje krijgen dat u wilt hebben. Er zijn er genoeg in Egypte die een koning waardig zijn.’ Toen de sultan deze woorden van de minister hoorde, riep hij woedend uit: ‘Wat? Jij, ellendige minister, ik wilde jou een gunst bewijzen door met je dochter te trouwen en jij durft me met een dom smoesje te weigeren? Het zij zo! Maar ik zweer je: ik zal je dwingen om haar met mijn lelijkste en domste knecht te laten trouwen!’ De sultan had een kleine en mismaakte bochelaar als knecht, hij had een bochel van voren en een bochel van achteren. Ondanks de smeekbede van de minister om dit niet te doen, liet de sultan de knecht bij zich komen en liet een huwelijkscontract opstellen voor hem en de dochter van minister Sjamseddin. De sultan gaf de gebochelde de opdracht om nog dezelfde nacht bij het meisje te gaan slapen. Hij gaf de opdracht om dit met een groot huwelijksfeest te vieren. Wat mij betreft, ik verliet hen juist op het ogenblik dat de jonge slaven van het paleis de kleine mismaakte knecht omringden. Zij bestookten hem met allerlei koddige, typisch Egyptische grappen. Ook hadden ze elk al een aangestoken huwelijkskaars in hun hand om de bruidegom te vergezellen. Ik verliet de bruidegom terwijl hij een bad nam in het badhuis onder het gelach en geplaag van de jonge slaven. Geloof me, hij is erg lelijk, die knecht, weerzinwekkend gewoon,  en de geest spuwde bij die herinnering op de grond.’

Na een adempauze vertelde hij verder: ‘Wat het jonge meisje betreft, zij is het mooiste schepsel, dat ik ooit in mijn leven heb gezien. Ik verzeker je, dat ze nog mooier is dan deze jongeman. Ze heet overigens prinses Hosn: de koningin der schoonheid. Toen ik vertrok, huilde ze. Men heeft haar vader verboden om bij het feest aanwezig te zijn. Zij is helemaal alleen bij dat feest, te midden van de muzikanten, de danseressen en de zangeressen. Ze wachten op die ellendige bochelaar. Zodra die knecht uit het badhuis komt, begint het feest!’ 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

 

Vervolg deel 2

nacht 101 t/m 200