deel 9 (nacht 801 t/m 900)

هزارویک شب

1001-Nacht

الف لیلة و لیلة

Maar toen de 801e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Zijn vrouw bleef op de binnenplaats wachten om bij zijn terugkomst aanwezig te zijn, maar plotseling zag zij haar minnaar binnenkomen, die dacht dat de tolgaarder al vertrokken was. Hij zei tegen de jonge vrouw: ‘Ik heb dringend geld nodig. Je moet mij dadelijk driehonderd drachmen geven!’

Zij antwoordde: ‘Bij de Profeet, ik heb ze vandaag niet en ik weet niet waar ik ze vandaan moet halen.’ De jongeling zei: ‘Daar staat het ezeltje, ach mijn zus! Je kunt mij best de ezel van je man geven, die ik daar helemaal bepakt voor zijn krib zie staan, zodat ik hem kan verkopen. Hij zal mij vast wel de driehonderd drachmen opbrengen die ik nodig, absoluut nodig heb!’ Hoogst verrast riep de jonge vrouw uit: ‘Bij de Profeet, je weet niet wat je zegt! Mijn man die zó terugkomt en zijn ezel niet meer vindt? Ik denk er niet aan! Hij zal me er zeker van beschuldigen, dat ik de ezel kwijtgeraakt ben, omdat hij mij opdracht gegeven heeft hier te blijven wachten en hij zal me slaan.’ Maar de jongeling zette zo’n ongelukkig gezicht en smeekte haar met zulk een welsprekendheid de ezel aan hem te geven, dat zij zijn smeekbeden niet langer kon weerstaan. Ondanks de angst die haar man, de tolgaarder haar inboezemde, liet ze de ezel meenemen, maar na hem van zijn tuig ontdaan te hebben.

Welnu, enkele ogenblikken later kwam de echtgenoot met de platte, ronde broden onder de arm terug en ging naar de stal om ze in zijn knapzak te stoppen en het grauwtje mee te nemen. Hij zag de halster van de ezel aan een spijker hangen en het pakzadel en de knapzak op het stro neergezet, maar geen ezel, noch een spoor van een ezel, noch de geur van een ezel. Uitermate verrast kwam hij bij zijn echtgenote terug en zei haar: ‘Ach vrouw, wat is er van het grauwtje geworden?’ Zonder in verlegenheid te geraken, antwoordde zijn vrouw met rustige stem: ‘Ach zoon van mijn oom, het grauwtje is zojuist weggegaan en heeft zich op de drempel van de deur naar mij omgedraaid en mij gezegd, dat hij zitting ging houden in het hof van het Gerecht van de stad.’ Bij het horen van deze woorden hief de tolgaarder vol woede en boosheid de vuist tegen zijn vrouw op en schreeuwde haar toe: ‘Ach onbeschaamde, durf je mij voor de gek te houden? Weet je niet dat ik met één slag je lengte door je breedte heen kan slaan?’ Zonder iets van haar rust te verliezen, antwoordde zij: ‘De naam van God over jou en over mij en rondom jou en rondom mij! Waarom zou ik je voor de gek houden, ach zoon van mijn oom? Sinds wanneer ben ik in staat je met wat dan ook te bedriegen? Overigens, al durfde ik dat, je inzicht en je scherpzinnigheid van geest zouden gauw genoeg mijn grofheden en lompe bedenksels ontmaskerd hebben. Maar met je verlof, ach zoon van mijn oom, ik moet je nu toch eindelijk iets zeggen, dat ik je tot dusver niet heb durven vertellen, omdat ik bang was dat het bekendmaken daarvan onherroepelijk het een of ander onheil over ons zou afroepen. Weet dan, dat je ezel heus betoverd is en dat hij zich van tijd tot tijd in een rechter verandert.’ Bij het horen hiervan riep de tolgaarder uit: ‘O God!’

Maar zonder hem de tijd te laten nog verdere ontboezemingen te slaken, of na te denken of te smeken, ging de jonge vrouw op dezelfde toon van rustige zelfverzekerdheid voort: ‘Inderdaad, de eerste keer toen ik plotseling een onbekende man uit de stal zag komen, die ik daar volstrekt niet had zien binnengaan en die ik nooit tevoren opgemerkt had, heb ik een verschrikkelijke angst gehad. Toen ik hem mijn rug toekeerde en vlug mijn gezicht bedekte met de onderkant van mijn rok, die ik optilde omdat ik op dat ogenblik in het geheel geen sluier op het hoofd had, wilde ik snel wegrennen en mijn heil zoeken in de vlucht, omdat jij van huis afwezig was. Maar de man trad op mij toe en zei mij met een stem vol deftige ernst en goedheid, zonder zijn ogen tot mij op te heffen, uit vrees mijn zedigheid te kwetsen: ‘Stel je ziel gerust, mijn dochter en verkoel je ogen! Ik ben in het geheel geen onbekende voor je, want ik ben de ezel van de zoon van je oom! Maar volgens mijn werkelijke natuur ben ik een menselijk wezen, rechter van beroep. Ik ben in een grauwtje veranderd door een paar vrienden van mij, die goed thuis zijn in hekserij en toverkunst. Omdat ik hun occulte wetenschappen niet ken, sta ik hulpeloos en ongewapend tegenover hen. Maar, terwijl zij toch ook gelovigen zijn, staan zij toe dat ik van tijd tot tijd, op de dagen dat er rechtszittingen zijn, mijn menselijke gedaante weer aanneem om, hoewel ik een ezel was, in het hof zitting te gaan houden. Op die manier moet ik nu eens als ezel, dan weer als rechter leven, totdat het God de Allerhoogste behaagt, mij van de betovering van mijn vijanden te bevrijden en de hekserij te verbreken die zij mij hebben aangedaan. Maar om ’s hemels wil, ach hulpvaardige, ik smeek je bij je vader, bij je moeder en bij al de jouwen, met geen mens over mijn toestand te spreken. Zelfs niet met de zoon van je oom, mijn meester, de tolgaarder, want als hij mijn geheim kende, zou hij in staat zijn zich van mij te ontdoen, omdat hij een man van verlichte beginselen is en nauwgezet gehoorzaamt aan zijn geloof en omdat hij dan geen wezen meer in zijn huis zou hebben dat onder de macht van tovenaars staat. Hij zou mij aan één of andere landbouwer verkopen, die mij van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat zou mishandelen. Hij zou mij bedorven bonen te eten geven, terwijl ik het hier in ieder opzicht zo goed heb.’ Daarop ging hij verder: ‘Ik heb je nog iets te vragen, ach beste meesteres, ach goede, ach behulpzame. Dat is, mijn meester, de tolgaarder, de zoon van je oom, te vragen mij niet te erg in mijn achterste te steken wanneer hij haast heeft, want dit gedeelte van mijn gepijnigde persoon is tot mijn spijt uitermate gevoelig en van een onvoorstelbare zachtheid.’ Na zo gesproken te hebben, liet ons grauwtje dat rechter geworden was, mij in grote verbijstering achter en ging het hof voorzitten. Daar vind je hem dan terug als je dat wilt. Welnu, ach zoon van mijn oom, ik kon dit zwaarwichtig geheim niet langer alleen dragen, vooral omdat ik nu zelf beschuldigd word en ik gevaar loop, mij je woede en boosheid en je ongenade op de hals te halen. Ik vraag dan ook aan God vergiffenis dat ik op die manier mijn gelofte breek, die ik voor de arme rechter heb afgelegd, om nooit met iemand te spreken over zijn toestand als ezel. Nu dit toch gebeurd is, veroorloof mij, ach beste meester, je een raad te geven, namelijk dit grauwtje niet weg te doen. Het is niet alleen een uitstekend beestje, maar het is ook vol ijver, sober, laat nooit poepjes ruiken, is vol schaamtegevoel en laat maar hoogst zelden zijn gereedschap zien wanneer men naar hem kijkt. Het zou je, zo nodig, uitstekend raad kunnen geven in de delicate vraagstukken van de rechtswetenschap en over de wettigheid van deze of gene procedure.’

Toen de tolgaarder deze woorden van zijn vrouw vernomen had, die hij met een steeds duidelijker verbouwereerd gezicht had aangehoord, stond hij paf en zei: ‘Ja, bij God, dit zaakje is verbazingwekkend! Maar wat moet ik nu beginnen, nu ik geen ezel meer bij de hand heb en ik toch de belasting moet gaan ophalen van dat en dat dorp in de omgeving? Weet je dan op zijn minst op welk uur hij terugkomt? Of heeft hij je daarover niets gezegd?’ De jonge vrouw antwoordde: ‘Nee, hij heeft me het uur niet genoemd. Hij heeft me alleen gezegd dat hij zitting ging houden in het hof. Nu, ik weet wel wat ik in jouw plaats zou doen, maar ik heb het volstrekt niet nodig raad te geven aan iemand die veel verstandiger en ontegenzeggelijk slimmer en scherpzinniger is dan ik ben.’ De goede man zei nu: ‘Kom toch maar voor de dag met wat je hebt en laat mij eens zien of je niet helemaal een warhoofd bent.’ Ze zei: ‘Welnu, in jouw plaats zou ik regelrecht naar het hof gaan waar de rechter zetelt en ik zou een flinke hand vol bonen meenemen. Wanneer ik dicht bij de ongelukkige betoverde die het hof voorzit zou zijn, zou ik hem van verre de bonen laten zien die ik in mijn hand heb. Ik zou hem door tekens te verstaan geven, dat ik zijn diensten als ezel nodig heb en hij zou me begrijpen. Daar hij plichtsgevoel heeft, zal hij het hof wel verlaten en mij volgen, temeer wanneer hij de bonen ziet, zijn geliefkoosd voer, dan zal hij zich niet kunnen weerhouden achter mij aan te lopen.’ Bij het horen van deze woorden vond de tolgaarder het idee van zijn vrouw heel redelijk en hij zei: ‘Ik geloof dat ik dat het beste kan doen, je bent beslist een vrouw van goede raad.’ Hij verliet het huis om na een handvol bonen genomen te hebben voor het geval dat hij zijn grauwtje niet door overreding kon terugbrengen, hij zich tenminste van hem meester zou kunnen maken door zijn gulzigheid, zijn voornaamste ondeugd. Terwijl hij wegging, riep zijn vrouw hem nog na: ‘Pas vooral op, ach zoon van mijn oom, dat je in geen geval boos op hem wordt en dat je hem niet mishandelt, want je weet nu dat hij gevoelig is, en bovendien als ezel en als rechter ook dubbel koppig en wraakzuchtig!’ Na deze laatste raad van zijn vrouw, begaf de tolgaarder zich naar het hof en trad hij de gehoorzaal binnen, waar de rechter zetelde op zijn verhoging. Helemaal aan het eind van de zaal bleef hij achter de aanwezigen staan en terwijl hij zijn hand, waarin hij de bonen hield, omhoog stak, begon hij met de andere hand de rechter tekens van dringende uitnodiging te geven, die duidelijk te beduiden hadden: ‘Kom vlug! Ik moet je hoognodig spreken! Kom!’ De rechter bemerkte eindelijk die tekens en herkende in de man die ze gaf, een oppertolgaarder van wie hij meende dat hij hem belangrijke dingen onder vier ogen wilde zeggen, of hem de een of andere dringende mededeling namens de gouverneur wilde doen. Hij stond dus direct op, hief de rechtszitting op en volgde de tolgaarder in het portaal, terwijl deze, om hem beter mee te lokken, voorop liep en hem de bonen wees en hem aanmoedigde met zijn gebaren en zijn stem, zoals men dat met ezels pleegt te doen.

Welnu, zodra zij beiden in het portaal stonden, boog de tolgaarder zich naar het oor van de rechter en zei tegen hem: ‘Bij God, ach beste vriend, ik baal flink en het spijt me zeer en ik ben heel boos over de hekserij die je betoverd houdt. Het is stellig ook niet om je te dwarsbomen dat ik je hier kom halen, maar ik moet absoluut dadelijk voor dienst op reis en ik kan niet wachten tot je hier met je dagtaak klaar bent. Ik verzoek je dus onmiddellijk weer in een ezel te veranderen en mij op je rug te laten stijgen.’

Toen hij echter zag dat de rechter met ontzetting terugdeinsde, naarmate hij meer te horen kreeg, nam de tolgaarder een toon van diep medelijden aan en ging voort: ‘Ik zweer je bij de Profeet, over hem het gebed en de vrede!, dat als je mij dadelijk wilt volgen, ik je nooit meer met mijn prikker in je achterste zal steken, want ik weet dat je heel gevoelig bent en heel teer wat dat deel van je persoontje betreft. Vooruit, kom dus mijn beste grauwtje, mijn brave vriend! Je krijgt vanavond een dubbel rantsoen bonen en verse klaver!’ Dit alles geschiedde!

Maar de rechter, die dacht dat hij te doen had met de een of andere uit het ziekenhuis ontsnapte gek, deinsde steeds verder terug naar de ingang van de zaal, aan de hoogste ontsteltenis en ontzetting ten prooi gevallen en nog geler geworden dan saffraan.

Toen de tolgaarder echter zag dat hij hem ging ontsnappen, maakte hij een vlugge zwenking. Hij stelde zich tussen hem en de deur van het hof op. Daardoor sneed hij hem de terugtocht af.

Daar de rechter merkte dat geen enkele wachter of wie dan ook aan zijn hulpgeroep gehoor schonk, gaf hij er de voorkeur aan, zachtheid, voorzichtigheid en overreding te gebruiken en hij zei tegen de tolgaarder: ‘Je schijnt, ach beste meester, je grauwtje verloren te hebben, vermoed ik en er naar verlangt om hem te vervangen. Welnu, niets is rechtvaardiger dunkt mij. Hier heb je dus wat mij betreft driehonderd drachmen, die ik je geef opdat je je een andere kunt kopen en daar het vandaag juist marktdag is op de dierenmarkt, zal het je gemakkelijk vallen de mooiste ezel voor deze prijs uit te zoeken. Vrede zij met u!’

Na dit gezegd te hebben, haalde hij de driehonderd drachmen uit zijn gordel, stelde ze de tolgaarder ter hand, die het aanbod aanvaardde, ging daarna terug in de zittingszaal, waar hij een ernstig en in gedachten verzonken houding aannam, alsof men hem juist mededeling gedaan had van een hoogst belangrijke zaak. Hij zei bij zichzelf: ‘Bij God, het is mijn eigen schuld dat ik op die manier die driehonderd drachmen verspeeld heb. Maar toch is het beter dan wanneer ik een schandaal veroorzaakt had tegenover degenen die aan mijn recht onderworpen zijn. Overigens zal ik mijn geld best terug weten te krijgen, door hen die bij mij komen pleiten, te villen.’ Hij ging op zijn plaats zitten en zette de rechtszitting voort. Dit dan wat hem betreft.

Wat de tolgaarder aangaat, het volgende! Toen hij op de dierenmarkt was aangekomen om een ezeltje te kopen, begon hij alle dieren één voor één aandachtig te onderzoeken en er zijn tijd voor te nemen. Uiteindelijk bemerkte hij een heel goed grauwtje, dat aan alle vereiste voorwaarden scheen te voldoen en hij ging er op af om het van nabij te bekijken. Plotseling ontdekte hij dat het zijn eigen grauwtje was. De ezel herkende hem eveneens, stak zijn oren naar achteren en begon van vreugde te snuiven en te balken. Maar de tolgaarder die na al het gebeuren erg in de war geraakt was door zijn eigen waanvoorstelling, deinsde schuddend met de hand terug en riep uit: ‘Nee, bij God, jij zult het niet zijn die ik koop, nu ik een trouwe ezel nodig heb, want als je nu eens rechter en dan weer een ezel bent, kun je mij werkelijk niet van dienst zijn!’

Verontwaardigd over de brutaliteit van zijn ezel die hem durfde uitnodigen om hem mee te nemen, ging hij weg. Hij ging een andere kopen en haastte zich naar huis terug, om hem te zadelen en erop te gaan zitten, nadat hij zijn vrouw alles had verteld over wat hem overkomen was. Dankzij de vindingrijke geest van de jonge vrouw, de echtgenote van de tolgaarder, was op die manier iedereen voldaan en werd niemand voor het hoofd gestoten. Immers: De minnaar kreeg het geld dat hij nodig had, de echtgenoot had zich van een betere ezel voorzien, zonder een drachme uit eigen zak te besteden. De rechter zorgde er wel voor zijn geld terug te krijgen door op eerlijke wijze aan zijn dankbare klagers en pleiters het dubbele te verdienen van wat hij de tolgaarder gegeven had. Dit is dan, ach gezegende koning, alles wat ik weet over de ezel als rechter. Maar God is veel wijzer!’

Toen de sultan deze geschiedenis vernomen had, riep hij uit: ‘Ach suikermond, ach heerlijkste onder alle metgezellen, ik benoem je tot mijn grootkamerheer!’ Hij liet hem dadelijk met de eretekens van zijn ambt bekleden en hem nog dichter bij zich zitten, en hij zei tegen hem: ‘Bij mijn leven over je, ach mijn grootkamerheer, je kent stellig nog wel een geschiedenis. Ik zou je die heel graag horen vertellen!’ De visser, de hasjiesj-eter die door een voorschrift van het noodlot kamerheer ten paleize geworden was, antwoordde: ‘Hartelijk, uit vriendschap en als verschuldigd eerbetoon.’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 802e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Met het hoofd wiegelend, vertelde hij:

 

De rechter en het ezeltje

 

‘Mij werd bekend, ach gezegende koning, dat er in een stad onder de steden een man met zijn vrouw leefde, die arme lieden waren, rondtrekkende venters van geroosterde maïs en die een dochter, zo mooi als de maan en van huwbare leeftijd bezaten. God gedoogde, dat de rechter haar ten huwelijk liet vragen en haar ouders gaven maar al te graag hun toestemming, hoewel de rechter erg lelijk was, met baardharen zo grof als de stekels van een egel, scheel aan een oog en zo oud dat hij wel voor de vader van het meisje had kunnen doorgaan. Maar hij was rijk en genoot een groot aanzien. De ouders van het meisje keken slechts naar de verbetering van hun status die dit huwelijk met zich mee zou brengen en overwogen dan ook niet dat rijkdom niet de grondslag voor het geluk vormt, hoewel het er wel aan bijdraagt. Maar overigens was het de rechter zelf, die dit weldra tot zijn schade en schande zou ondervinden.

Hij begon dus met, ondanks de nadelen die door zijn ouderdom en lelijkheid aan zijn persoon kleefden, te trachten zich aangenaam te vermaken, door zijn jonge echtgenote dagelijks met nieuwe geschenken te overladen en aan haar kleinste grillen toe te geven. Maar hij vergat, dat noch geschenken, noch het voldoen aan grillen opwegen tegen een jonge liefde welke de begeerten weet te doven. Hij beklaagde zich in zijn binnenste, dat hij nooit kreeg wat hij van zijn vrouw verwachtte, die immers zonder ervaring was.

Welnu, de rechter had in zijn dienst een jonge schrijver van wie hij veel hield en hij kon niet nalaten af en toe met zijn echtgenote over hem te spreken. Hoewel dat zozeer in strijd was met de gewoonte, kon hij het al evenmin nalaten de jongeling te onderhouden over de schoonheid van zijn vrouw en de liefde die hij voor haar koesterde en over de koudheid van zijn echtgenote tegenover hem, ondanks alles wat hij voor haar deed. Want op deze wijze verblindt God het schepsel dat zijn verderf verdient. Erger nog! Opdat Zijn raadsbesluiten vervuld zouden worden dreef Hij de rechter in zijn waanzin en zijn verblinding zo ver, dat hij op een keer de jongeling door het venster op zijn jonge vrouw wees. Daar deze mooi en beminnelijk was, werd de jonge vrouw verliefd op de jongeling. Omdat twee harten die elkaar zoeken op den duur, ondanks alle hinderpalen elkaar nu eenmaal altijd weten te vinden en zich verenigen, slaagden de twee jongelieden erin de waakzaamheid van de rechter te verschalken en zijn ontwaakte jaloezie weer in slaap te wiegen. De jonge dochter beminde de jongeling meer dan haar eigen oogappel en terwijl zij hem haar ziel schonk, gaf zij ook geheel haar lichaam aan hem over. De jonge schrijver was haar uitstekend van wederdienst en liet haar datgene ondervinden, wat de oude rechter nooit teweeg kon brengen. Beiden leefden dus op die wijze tot de grens van alle geluk, zij zagen elkaar dikwijls en hielden dagelijks meer en meer van elkaar. De rechter toonde zich voldaan, dat hij zijn vrouw nog mooier door jeugd, gezondheid en frisheid zag worden, zodat iedereen op zijn manier gelukkig was.

Welnu, om haar minnaar in alle veiligheid te kunnen ontmoeten, had de jonge vrouw met hem afgesproken, dat hij, wanneer de zakdoek, die uit het venster hing dat op de tuin uitzag, wit was, binnen kon komen om haar gezelschap te houden, maar dat als de zakdoek rood was, hij dit moest nalaten en weggaan, want dit zou betekenen dat de rechter thuis was.

Maar het noodlot wilde dat op zekere dag, toen zij na het vertrek van rechter naar het hof net de witte zakdoek had uitgehangen, zij haastig geklop op de deur en geschreeuw hoorde. Weldra zag zij haar echtgenoot, gesteund op de armen van zijn eunuchen, binnentreden, helemaal geel en volkomen veranderd van kleur en uitdrukking. De eunuchen legden haar uit, dat de rechter tijdens het hof door een plotseling onbehagen overvallen was en dat hij zich gehaast had naar huis te komen om er uit te rusten en zich te laten verzorgen.

Inderdaad zag de grijsaard er zo erbarmelijk uit, dat de jonge vrouw, zijn echtgenote, ondanks alle tegenslag die hij haar bezorgde en de verwarring die hij teweegbracht, hem met rozenwater begon te besprenkelen en hem begon te verzorgen. Toen zij hem geholpen had om zich uit te kleden, stopte zij hem in het bed dat zij zelf voor hem gereed maakte, waar hij, dankzij de goede zorgen van zijn echtgenote, snel insliep. De jonge vrouw wilde van de vrijgekomen tijd die de plotselinge terugkeer van haar man haar bezorgde, gebruik maken om een bad in het badhuis te gaan nemen. Door de tegenspoed, die zij had ondervonden, vergat zij de witte zakdoek van de ontmoeting naar binnen te halen en die van de beletselen uit te hangen. Na een pakje geparfumeerd ondergoed genomen te hebben, verliet zij het huis en ging naar het badhuis.

Welnu, toen de jonge schrijver de witte zakdoek aan het venster zag, snelde hij met rappe voeten naar het naburig terras, vanwaar hij volgens zijn gewoonte op dat van de rechter sprong en hij drong door tot in de kamer waar hij gewoonlijk zijn geliefde vond, die daar geheel naakt onder de dekens van het bed op hem wachtte. Omdat de vensters van de kamers volkomen gesloten waren en er een grote duisternis in de kamer heerste, juist om de sluimer van de rechter te begunstigen. En omdat de jonge vrouw hem ook uit speelsheid vaak zwijgend ontving en geen teken van haar aanwezigheid gaf, ging hij lachend op het bed toe. Hij tilde de dekens op, om snel zijn hand, als om haar te kietelen, op de veronderstelde geschiedenis van de jonge dochter te brengen. Maar ach en wee, daar viel zijn hand juist, verre van ons zij de boze!, op iets slaps en weeks dat te midden van een struikgewas zwom, en dat niets anders was dan het oude gezelschap van de rechter. Bij deze aanraking trok hij zijn hand met afschuw en ontsteltenis terug, maar niet vlug genoeg en de rechter, met een schok gewekt en plotseling van zijn onbehagen genezen, greep de hand die aan zijn buik gerommeld had en wierp zich vol woede op de eigenaar daarvan. Terwijl ontzetting de eigenaar van de hand onbeweeglijk vast gekluisterd hield, gaven de woede en boosheid hem zoveel kracht, dat hij hem meteen een beentje lichtte, hem midden in de kamer ondersteboven gooide. Hij maakte zich van hem meester, hem in de duisternis bij zijn arm optilde en hem in de grote kist smeet, waarin men overdag de matrassen opborg en die daar juist open en leeg stond, omdat men de matrassen er uit gehaald had. Snel sloeg hij het deksel dicht en deed de kist op slot, zonder zich de tijd te gunnen naar het gezicht van de opgeslotene te kijken, waarna hij zijn krachten geheel terugkreeg, daar deze opwinding, die zijn bloed sneller had doen stromen, een heilzame uitwerking op hem had.

Toen hij zich aangekleed had, ging hij aan de eunuch vragen, waar zijn vrouw heen gegaan was en hij ging op de drempel van het badhuis op haar terugkeer wachten. Hij zei bij zichzelf: ‘Alvorens de indringer te doden, moet ik weten of hij onder één hoedje met mijn vrouw speelt. Daarom ga ik hier wachten tot zij naar buiten komt en zal ik haar mee naar huis nemen en zal ik haar ten overstaan van getuigen met de opgeslotene confronteren. Want omdat ik de rechter ben, is het nodig dat alles op legale wijze gebeurt. Dan zal ik wel zien of er maar één schuldige is, of dat er ook een medeplichtige is. In het eerste geval zal ik de opgeslotene eigenhandig doden in aanwezigheid van getuigen. In het tweede geval zal ik ze allebei met mijn tien vingers wurgen!’

Na zo gedacht en in zijn hersens dit wraakplan telkens herhaald te hebben, begon hij om beurten alle baadsters die het badhuis binnengingen, tegen te houden om tegen elk van hen te zeggen: ‘Bij God over u, wilt u tegen mijn vrouw die-en-die zeggen, dat ze dadelijk naar buiten moet komen, omdat ik haar beslist moet spreken.’ Hij zei hun die woorden echter met zoveel onstuimigheid en opwinding en hij had zulke vlammende ogen en zo’n gele kleur, zulke wanordelijke gebaren en zo’n bevende stem en een uiterlijk dat zoveel woede uitdrukte, dat de vrouwen er ontzet vandoor gingen, onder het uitstoten van schrille kreten, omdat zij hem voor een gek aanzagen. De eerste van hen die de boodschap luidop midden in de zaal van het badhuis overbracht, riep plotseling in het geheugen van de jonge vrouw, de echtgenote van de rechter, de herinnering op aan haar nalatigheid en haar slordigheid om de witte zakdoek aan het venster te laten hangen. Ze zei bij zichzelf: ‘Voorwaar! Ik ben onherroepelijk verloren! God alleen weet wat mijn minnaar overkomen is!’ Zij haastte zich een einde te maken aan haar bad, terwijl de boodschappen van de baadsters die binnenkwamen, elkaar steeds sneller opvolgden in de zaal en haar man, de rechter, het enige onderwerp van gesprek van de ontstelde vrouwen werd. Maar gelukkig kende geen van hen de jonge vrouw die overigens voorwendde dat zij niet de geringste belangstelling had voor wat er gezegd werd, alsof heel het geval haar totaal niet aanging.

Toen zij aangekleed was, ging ze naar de ingangszaal waar zij een arme koopvrouw van grauwe erwten zag zitten voor haar stapel kekers, die zij aan de baadsters verkocht. Zij riep haar en zei tegen haar: ‘Mijn beste tante, hier heb je een gouden dinar, als je mij even voor een uur je blauwe sluier en de lege mand die naast je staat, wilt lenen.’ Gelukkig met dit buitenkansje, gaf het oudje haar de wilgenmand en de armoedige sluier van grove stof. De jonge vrouw wikkelde zich in de sluier, nam de mand aan de arm en verliet op die manier vermomd het badhuis. Op straat bemerkte zij haar man, die voor de deur op en neer liep te gesticuleren en die luidkeels het badhuis vervloekte en al degenen die naar het badhuis gingen en de eigenaars van de badhuizen en de bouwers van badhuizen. De ogen puilden hem uit zijn kop en er stond schuim op zijn mond. Zij ging op hem toe en terwijl zij haar stem verdraaide en die van de rondventende vrouwen nadeed, vroeg zij hem of hij grauwe erwten wilde kopen. Waarop hij de grauwe erwten begon te verwensen en de verkoopsters van grauwe erwten en de planters van grauwe erwten en de eters van grauwe erwten. Lachend over zijn waanzin liep de jonge vrouw door in de richting van haar huis, zonder in haar vermomming herkend te worden. Zij ging naar binnen en klom vlug naar haar kamer, waar zij al gekerm hoorde. Daar zij niemand in de kamer zag, waarvan zij haastig de vensters had opengezet, werd zij bang en stond al op het punt de eunuch te roepen opdat deze haar gerust zou stellen, toen zij duidelijk hoorde dat het gekerm uit de matrassenkist kwam. Zij snelde naar die kist, waarvan de sleutel niet was weggenomen en deed haar open, terwijl zij uitriep: ‘In de naam van God, de Genadige, de Barmhartige!’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 803e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Daar zag zij haar minnaar die de dood nabij was door gebrek aan lucht. Ondanks alle ontroering die zij voelde, kon zij het niet laten om het uit te schateren van het lachen, toen zij hem daar in elkaar gedoken zag, met verdraaide ogen. Zij haastte zich hem met rozenwater te besprenkelen en hem weer bij te brengen. Toen zij hem weer in zijn oude doen terugzag, liet zij zich vlug op de hoogte stellen van wat er gebeurd was. Dadelijk had zij haar plan klaar om alles weer in het reine te brengen. Er stond immers in hun stal een ezelin die juist de avond tevoren een klein ezeltje geworpen had. De jonge vrouw liep naar de stal, nam het lieve ezeltje in haar armen en stopte het in de kist waarin haar minnaar opgesloten had gezeten en deed het deksel op slot. Na haar minnaar omhelsd te hebben, stuurde zij hem weg met de mededeling dat hij niet terug moest komen voordat hij het teken van de witte zakdoek zou zien.

Van haar kant keerde zij ijlings naar het badhuis terug en zag haar man, die nog steeds op en neer wandelde onder het vervloeken van alle badhuizen en alles wat daarmee samenhing.

Toen hij haar naar binnen zag gaan, riep hij haar aan en zei: ‘Ach verkoopster van grauwe erwten, zeg tegen mijn vrouw die-en-die, dat als ze nog lang wacht met naar buiten te komen, ik God zweer dat ik haar nog vóór vanavond vermoord en het badhuis over haar hoofd zal doen instorten!’ Lachend in haar binnenste ging de jonge vrouw het portaal van het badhuis binnen, gaf de sluier en de mand aan de verkoopster van grauwe erwten terug en ging dadelijk daarna weer naar buiten met haar pakje onder de arm wiegend met haar heupen.

Welnu, zodra de rechter, haar man, haar bemerkt had, snelde hij op haar af en schreeuwde: ‘Waar ben je, waar ben je? Al twee uur lang wacht ik hier op jou! Vooruit, volg mij! Kom, ach kwaadaardige, ach gemene, kom!’ De jonge vrouw antwoordde, terwijl ze ophield met lopen: ‘Bij God, wat heb je? De naam van God over mij! Wat heb je, ach mens? Ben je plotseling gek geworden om zo’n schandaal op straat te maken, jij, die de rechter van de stad bent? Of heeft je ziekte soms je verstand verbijsterd en je oordeel verdraaid, om zo in het publiek en op straat in fatsoen te kort te schieten tegenover de dochter van je oom?’ Maar de rechter antwoordde: ‘Hou op met die nutteloze woorden! Thuis mag je zeggen wat je wilt. Volg mij!’ Hij begon voor haar uit te lopen, met veel gebaren en geschreeuw en zijn gal spuwend, zonder zich echter rechtstreeks tot zijn vrouw te wenden, die hem zwijgend op tien passen afstand volgde.

Toen ze thuis aangekomen waren, sloot de rechter zijn echtgenote in een bovenkamer op, en ging de sjeik van de wijk en vier wettige getuigen halen, evenals alle buren die hij maar tegenkwam. Hij bracht ze allen in de kamer met de koffer, waarin hij nu ook zijn vrouw opsloot en waar hij wilde dat een ieder getuige zou zijn van wat er ging gebeuren.

Toen de rechter en allen die hem vergezelden, de kamer binnengekomen waren, zagen zij de jonge vrouw nog met haar sluiers bedekt, die zich helemaal achterin het vertrek in een hoek had teruggetrokken en daar hardop tegen zichzelf sprak, zodat zij door iedereen gehoord kon worden. Ze zei: ‘Ach ramp, helaas, helaas, hij is gek, volkomen gek!’ Inderdaad was de rechter in zo’n toestand van woede, van zwartgalligheid en opwinding, dat hij er met zijn bevende baard en zijn vlammende ogen uitzag alsof hij een aanval van hoge koorts en razernij had. Sommigen van hen die hem begeleidden, trachtten hem dan ook te kalmeren en hem aan te raden tot zichzelf te komen. Maar hun woorden wonden hem slechts erger op en hij schreeuwde hun toe: ‘Kom binnen, kom binnen! Luister niet naar die schurk van een vrouw! Laat jullie niet vertederen door het geweeklaag van dat gemene wijf! Jullie zullen zien! Dit is haar laatste dag! Dit is het uur der gerechtigheid! Kom binnen! Kom binnen!’

Welnu, toen iedereen binnen was, sloot de rechter de deur, ging naar de koffer en tilde het deksel op. Daar stak het ezeltje zijn kop op, schudde met de oren en keek iedereen met zijn grote zwarte en zachte ogen aan, haalde luidruchtig adem en terwijl hij zijn staart optilde en rechtop uitstak, begon hij, in zijn vreugde het daglicht terug te zien, te balken en om zijn moeder te roepen. Bij deze aanblik geraakte de rechter tot de uiterste grens van razernij en woede en werd hij door stuiptrekkingen en krampen bevangen. Plotseling wierp hij zich op zijn vrouw om haar te wurgen.

Maar terwijl zij dwars door het vertrek holde, begon zij te schreeuwen: ‘Bij de Profeet, hij wil me wurgen! Houd de gek tegen, ach moslim! Help, help!’ Daar de aanwezigen inderdaad het schuim van woede op de lippen van de rechter zagen, twijfelden zij niet langer aan zijn waanzin. Zij wierpen zich tussen hem en zijn vrouw, grepen hem vast bij zijn armen en hielden hem met geweld op het tapijt vast, terwijl hij onverstaanbare woorden uitbracht en aan hun handen trachtte te ontsnappen om zijn vrouw te vermoorden. De sjeik van de wijk, die er uitermate door getroffen was de rechter van de stad in een dergelijke toestand te zien, kon zich, toen hij diens woedende waanzin bemerkte, dan ook niet weerhouden tegen de aanwezigen te zeggen: ‘Hij moet helaas, onbeweeglijk zoals hij daar ligt, in het oog gehouden worden, totdat God hem kalmeert en hem weer tot bezinning laat komen!’ Allen riepen uit: ‘Moge God hem genezen! Zo’n respectabele man! Wat een kwaadaardige ziekte!’ Anderen zeiden: ‘Hoe kan men jaloers zijn op een ezeltje?’ Weer anderen vroegen: ‘Hoe is dat ezeltje toch in die matrassenkoffer terecht gekomen?’ Nog anderen zeiden: ‘Helaas, hij heeft dat ezeltje zelf daarin opgesloten, omdat hij hem aanzag voor een man!’ Om te besluiten, hernam de sjeik van de wijk: ‘Moge God hem te hulp komen! Dat hij de Boze verre van hem houde!’

Allen antwoordden: ‘Verre van ons zij de Boze!’ Iedereen ging weer heen, met uitzondering van hen die de rechter onbeweeglijk op het tapijt hielden. Maar overigens bleven zij niet lang meer daar, want de rechter werd plotseling door zo’n hevige crisis van woede aangegrepen en begon zo luid zijn onverstaanbare woorden te schreeuwen en zich zo hardnekkig te verzetten, terwijl hij voortdurend trachtte zich op zijn vrouw te werpen die van verre in het geniep grimassen trok en spottende gebaren tegen hem maakte, dat de aderen van zijn hals sprongen en hij onder het spuwen van een golf bloed, stierf. Moge God hem in Zijn barmhartigheid opnemen, want hij was niet alleen een eerzaam rechter, maar hij liet zijn echtgenote, de bewuste jonge vrouw, voldoende rijkdommen na. Zij kon plezierig blijven leven en kon trouwen met de jonge schrijver van wie zij hield en die van haar hield.

Na deze geschiedenis zo verteld te hebben, zag de visser, die hasjiesj-eter, dat de koning vol verrukking naar hem geluisterd had en hij zei bij zichzelf: ‘Ik ga hem nog iets vertellen!’

En hij begon:

 

De loze rechter

 

‘Men vertelt dat er in Caïro een rechter was die zoveel ambtsmisdrijven bedreven en zoveel baatzuchtige vonnissen geveld had, dat hij uit zijn ambt gezet werd en zich verplicht zag van allerlei scharreltjes te leven, om niet van honger te sterven.

Welnu, op zekere dag kon hij zich het hoofd nog zo lang breken, hij vond geen enkel middel om wat geld te verdienen, want hij had alle hulpbronnen van zijn geest uitgeput, net zoals hij alle bronnen van zijn leven had drooggelegd. Nu hij zag dat hij tot dit uiterste gekomen was, riep hij de enige slaaf die hem overbleef en zei hem: ‘Ach die-en-die, ik ben vandaag erg ziek en kan het huis niet uit, maar tracht jij iets voor ons te eten te vinden, of mij een paar mensen te zenden die rechtskundige bijstand nodig hebben. Ik zal ze wel behoorlijk voor mijn inspanning laten betalen.’

De slaaf die wat betreft schelmerijen en listen al net zo’n dubbel doorgehaalde boef was als zijn meester en evenveel belang had in het welslagen van zijn plan als hij, ging weg, terwijl hij bij zichzelf zei: ‘Ik ga een paar voorbijgangers de een na de ander lastig vallen en herrie met ze maken. Daar niet iedereen weet dat mijn meester is afgezet, zal ik ze voor hem slepen, onder voorwendsel de ruzie te beslechten en ik zal ze dwingen hun gordel leeg te schudden in zijn handen.’

Terwijl hij zo dacht, kreeg hij een wandelaar in het oog, die voor hem uit liep en stilletjes, met zijn stok over de nek en in zijn beide handen, zijns weegs ging. Met een handige beweging lichtte hij hem een beentje en liet hij hem in het slijk rollen.

Woedend stond de arme man met besmeurde kleren en geschaafde muilen op, met de bedoeling zijn aanvaller te kastijden. Maar toen hij de slaaf van de rechter herkende, wilde hij zich volstrekt niet met hem meten en heel benauwd, terwijl hij zich zo snel mogelijk uit de voeten maakte, stelde hij zich tevreden met tegen hem te zeggen: ‘Moge God de Boze verdoemen!’

Toen de slaaf, die schurk, zag dat zijn eerste streek mislukt was, vervolgde hij zijn weg terwijl hij bij zichzelf zei: ‘Dit middel is niet goed, wij gaan een ander bedenken, want iedereen kent mijn meester en kent mij!’

Terwijl hij nog bezig was na te denken over wat hem te doen stond, bemerkte hij een bediende die op zijn hoofd een blad droeg waarop een prachtige, gevulde gans lag, rondom helemaal opgemaakt met tomaten, kleine pompoenen en aubergines, alles zeer kunstig gerangschikt. Hij volgde de drager die zich naar de publieke oven begaf om daar de gans te laten braden. Hij zag hem binnengaan en het dienblad aan de meester van de oven ter hand stellen, met de woorden: ‘Over een uur kom ik het halen.’ Daarop ging hij weer.

Nu zei de slaaf van de rechter bij zichzelf: ‘Dit is mijn zaakje!’

Na een zekere tijd ging hij de braadinrichting binnen en zei: ‘Vrede met u, ach waardige Mostafa!’ De ovenmeester herkende de slaaf van de rechter, die hij sinds lang niet meer gezien had, aangezien er in het huis van de rechter nooit iets was om te laten braden en hij antwoordde: ‘Vrede met u, ach beste broer Moebarak! Wat brengt jou hier? Het is al zo lang geleden dat mijn oven niet meer vlamt voor onze meester de rechter. Wat moet ik vandaag doen om je te dienen en wat breng je mij?’ De slaaf zei: ‘Niets anders dan wat je al hebt, want ik kom de gevulde gans halen die je in de oven hebt staan.’ De ovenmeester antwoordde: ‘Maar die gans, ach beste broer, is niet van jou.’ De ander zei: ‘Spreek niet zo, ach sjeik! Die gans is niet van mij, zeg je? Maar ik heb hem uit het ei zien komen, ik heb hem gevoerd, ik heb hem gekeeld, ik heb hem gevuld en ik heb hem klaargemaakt!’ De ovenmeester zei: ‘Bij God, ik wil best, maar wat moet ik dan zeggen tegen degene die hem hier gebracht heeft, wanneer hij terugkomt?’ De ander antwoordde: ‘Ik geloof niet dat hij terugkomt, maar in ieder geval zeg je hem eenvoudig bij wijze van grap, want het is een heel vrolijke man die ervan houdt te lachen: ‘Bij God, ach beste broer, op het ogenblik dat ik de schotel in de oven stiet, heeft de gans plotseling een snerpende kreet gegeven en is hij weggevlogen.’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 804e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Hij ging voort: ‘Geef mij nu de gans die zeker wel gaar genoeg moet zijn!’ Lachend om de woorden die hij daarnet hoorde, haalde de ovenmeester de schotel uit de oven en gaf deze geheel te goeder trouw aan de slaaf van de rechter, die zich haastte hem naar zijn meester te brengen en de gans met hem op te eten, terwijl hij zich de vingers aflikte. Inmiddels kwam de brenger van de gans bij de oven terug en vroeg naar zijn dienblad, zeggende: ‘De gans moet nu in orde zijn, ach meester!’ De ovenmeester antwoordde: ‘Bij God, op het ogenblik dat ik hem in de oven zette, heeft hij een snerpende kreet uitgestoten en is weggevlogen!’ De man die in werkelijkheid allerminst een vrolijke kameraad was, werd woedend, in de overtuiging dat de ovenmeester hem voor de gek wilde houden en riep uit: ‘Hoe durf je mij uit te lachen, ach vent van niks!’

Van het ene woord kwam het andere en van de ene belediging de andere. De beide mannen gingen met elkaar op de vuist. Het duurde niet lang of een menigte liep buiten te hoop bij het horen van hun geschreeuw en drong weldra de braadinrichting binnen. De een zei tegen de ander: ‘De waardige Mostafa vecht met een man vanwege de verrijzenis van een gevulde gans!’ Het merendeel nam het op voor de meester van de oven, van wie de goede trouw en eerlijkheid hun al lang bekend was. Slechts enkelen veroorloofden zich enige twijfel aan die verrijzenis te uiten.

Welnu, onder degenen die zich op die manier om de twee vechtende mannen heen verdrongen was ook een zwangere vrouw, wier nieuwsgierigheid haar tot in de voorste rij gedreven had. Maar het was tot haar ongeluk, want op het ogenblik dat de ovenmeester achteruit sprong om zijn tegenstander beter te raken, kreeg zij midden op haar buik een verschrikkelijke schop die voor heel iemand anders dan voor haar bestemd was. Zij rolde over de grond onder het uitstoten van een hevige kippenkreet en kreeg op stel en sprong een miskraam.

Welnu, de echtgenoot van die bewuste vrouw, die in een naburige fruitwinkel woonde, werd dadelijk gewaarschuwd en kwam met een enorme knuppel aangesneld, al schreeuwend: ‘Voor zijn kont zal ik de ovenmeester en de vader van de ovenmeester en zijn grootvader slaan en hen uitroeien!’ De ovenmeester die al door zijn eerste gevecht uitgeput was en nu die woedende man met een verschrikkelijke knuppel gewapend op zich af zag komen, kon niet langer stand houden en sloeg de benen in de wind, om de wijk te nemen naar de binnenplaats.

Ziende dat hij achtervolgd werd, klom hij over een stuk muur, klauterde op een naburig terras, en liet zich vandaar op de grond vallen. Het noodlot wilde dat hij juist op een Marokkaan viel, die beneden tegen het huis in zijn dekens gewikkeld lag te slapen. De ovenmeester, die van boven naar beneden kwam en heel zwaar was, brak hem al zijn ribben. Zonder dralen gaf de Marokkaan op slag de geest. Al zijn verwanten, de overige Marokkanen van de markt, snelden toe en grepen de ovenmeester vast om hem met slagen te overdekken en maakten zich gereed om hem voor de rechter te sleuren. De brenger van de gans voegde zich, toen hij zag dat de ovenmeester vastgegrepen was, eveneens dadelijk bij de Marokkanen. Onder gejoel en geschreeuw ging de hele menigte op weg naar het hof van het gerecht.

Welnu, op dat ogenblik zei de bediende van de rechter, ofwel de ganzenvreter, die zich onder de menigte bevond en teruggekomen was om te zien wat er gaande was, tegen alle klagers: ‘Volg mij, ach brave lieden, ik zal jullie de weg wijzen!’ Hij bracht hen bij zijn meester.

Met een ernstig voorkomen begon de rechter nu met elk van de klagers een dubbel procesgeld te laten betalen. Daarop wendde hij zich tot de schuldige naar wie alle vingers wezen en zei tegen hem: ‘Wat hebt u over de gans te antwoorden, ach ovenmeester?’ De goede man begreep, dat het in het onderhavige geval, vanwege de aanwezigheid van de slaaf van de rechter, beter was zijn eerste bewering vol te houden en dus antwoordde hij: ‘Bij God, ach beste meester, ach rechter, het beest heeft een snerpende kreet uitgestoten en is gevuld en wel uit zijn garnering opgestaan en weggevlogen!’

Toen de drager dat hoorde, riep hij uit: ‘Ach, hondenzoon, durf je dat nog te beweren tegenover mijnheer de rechter?’ De rechter nam een verontwaardigde houding aan, en zei tegen de drager: ‘Jij, ach ongelovige, ach goddeloze, hoe waag jij het niet te geloven dat Degene die alle schepselen op de Dag des Oordeels zal laten verrijzen, door hun botten die over heel het oppervlak van de aarde verspreid liggen, weer te herenigen, ook in staat zou zijn het leven terug te geven aan een gans die nog al zijn botten heeft en waaraan alleen de veren ontbreken?’ Bij deze woorden riep de menigte uit: ‘Ere zij God die de doden opwekt!’ Zij begonnen de ongelukkige drager van de gans uit te jouwen, zodat die meteen wegging, vol berouw over zijn gebrek aan geloof. De rechter wendde zich daarna tot de echtgenoot van de vrouw met de miskraam en tegen hem zei: ‘Jij, wat heb jij tegen die man in te brengen?’

Toen hij de aanklacht gehoord had, zei hij: ‘De oorzaak is duidelijk, daar valt niet aan te twijfelen. Stellig, de ovenmeester is schuldig, omdat hij de miskraam veroorzaakt heeft. De wet van oog om oog en tand om tand is volkomen van toepassing op hem!’

Daarop wendde hij zich tot de echtgenoot en zei tegen hem: ‘De wet geeft je gelijk en ik geef je het recht je vrouw bij de schuldige te brengen, opdat hij haar weer zwanger maakt. Dan laat je haar gedurende de eerste zes maanden van haar zwangerschap op zijn kosten bij hem, daar de miskraam in de zesde maand heeft plaatsgevonden.’

Toen de echtgenoot dit vonnis hoorde, riep hij uit: ‘Bij God, ach mijnheer de rechter, ik trek mijn aanklacht in en moge God mijn tegenstander vergiffenis schenken!’ Hij vertrok.

Daarop zei de rechter tegen de bloedverwanten van de gestorven Marokkaan: Jullie, ach Marokkanen, wat is jullie aanklacht tegen deze man, die ovenmeester van beroep is?’

Met grote gebaren en een stroom van woorden zetten de Marokkanen hun aanklacht uiteen en toonden het ontzielde lichaam van hun verwant, onder het opeisen van de prijs van zijn bloed.

De rechter zei tegen hen: ‘Ongetwijfeld, ach Marokkanen, komt de prijs van het bloed jullie toe, want er is een overvloed aan bewijzen tegen de ovenmeester, zodat jullie mij alleen maar te zeggen hebben, of jullie willen dat deze prijs jullie in natura, dat wil zeggen bloed tegen bloed, of bij wijze van schadevergoeding in geld uitgekeerd wordt?’ De Marokkanen, zoons van een wreedaardig ras, antwoordden in koor: ‘In natura, ach mijnheer de rechter!’ Hij zei toen tegen hen: ‘Het zij zo! Neem deze ovenmeester, wikkel hem in de dekens van jullie gestorven bloedverwant en leg hem onder de minaret van de moskee van sultan Hasan. Als dat gebeurd is, moet de broer van het slachtoffer op de minaret klimmen en zich van de top op de ovenmeester laten vallen, om hem te verpletteren zoals de ovenmeester zijn broer verpletterd heeft!’ Hij ging voort: ‘Waar ben je dan toch, ach broer van het slachtoffer?’

Bij deze woorden kwam een Marokkaan uit de groep Marokkanen tevoorschijn en riep uit: ‘Bij God, ach mijnheer de rechter, ik zie af van mijn aanklacht tegen die man, moge God hem vergiffenis schenken!’ Hij ging weg, gevolgd door de andere Marokkanen. De menigte, die bij al deze uiteenzettingen aanwezig geweest was, vertrok vol verbazing over de rechtswetenschap van de rechter, zijn geest van billijkheid, zijn vaardigheid en zijn scherpzinnigheid. Daar het gerucht van deze geschiedenis zelfs de oren van de sultan bereikte, werd de rechter weer in genade aangenomen en in zijn ambt hersteld. Degene die hem vervangen had, zag zich weer afgezet zonder dat hij daar part noch deel aan had, enkel en alleen omdat hij het charisma miste dat de ganzeneter wel bezat. De visser, die hasjiesj-eter, die wel zag dat de koning nog altijd met dezelfde verrukte aandacht naar hem luisterde, voelde zich zeer in zijn eigenliefde gestreeld en vertelde ook nog:

 

De les van de vrouwenkenner

 

‘Mij werd bekend, ach gezegende koning, dat er in Caïro twee jongelieden waren, de een getrouwd en de ander vrijgezel, die erg met elkaar bevriend waren. Degene die getrouwd was, heette Ahmad, en degene die het niet was, heette Mahmoed.

Welnu, Ahmad was twee jaar ouder dan Mahmoed en maakte gebruik van het overwicht dat dit leeftijdsverschil hem gaf, om voor opvoeder en meester tegenover zijn vriend te spelen, vooral waar het de kennis van vrouwen betrof. Voortdurend sprak hij hem hierover en vertelde hij hem duizend staaltjes van zijn ondervinding, waarbij hij steeds tot besluit de uitspraak deed: ‘Nu kun je, ach Mahmoed, werkelijk zeggen dat je in je leven iemand hebt leren kennen die deze kwaadaardige schepsels helemaal door heeft! Je mag je gelukkig prijzen dat je mij tot vriend hebt, die je kan waarschuwen tegen al hun schelmerijen.’

Met de dag raakte Mahmoed enthousiaster over de wetenschap van zijn vriend. Hij was ervan overtuigd dat er nooit een vrouw, zij mocht zo slim zijn als ze wilde, in staat zou zijn hem te bedriegen of hem ook maar te betrappen op een gebrek aan waakzaamheid. Dikwijls zei hij hem dan ook: ‘Ach Ahmad, wat ben je bewonderenswaardig.’ Ahmad zette een hoge borst op en sloeg met een beschermende houding zijn vriend op de schouder met de woorden: ‘Ik zal je wel bijbrengen net zo te zijn als ik.’

Welnu, op zekere dag toen Ahmad hem herhaalde: ‘Ik zal je bijbrengen net zo te zijn als ik, want men leert wel van iemand die ervaren is en niet van iemand die onderwijst zonder ervaring te hebben.’ De jonge Mahmoed antwoordde hem: ‘Bij God, voordat je mij leert hoe ik de listen en lagen van vrouwen ongedaan moet maken, ach vriend, moet je mij leren wat ik moet doen om met een van hen in aanraking te komen. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 805e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Ahmad antwoordde op de toon van een schoolmeester: ‘Bij God, dat is de eenvoudigste zaak! Je hoeft alleen maar morgen naar het feest van de geboorte van de Profeet in de tenten te gaan en goed te kijken naar de vrouwen. Het wemelt er daar van. Dan kies je er een uit die door een klein kind begeleid wordt en die tegelijkertijd een mooie gang en mooie schitterende ogen onder haar gezichtsluier heeft. Als je zo je keus gedaan hebt, koop je wat dadels en in suiker gebakken grauwe erwten en die geef je aan het kind. Je speelt er wat mee, je liefkoost hem vriendelijk, omhelst hem en past er vooral voor op je ogen naar zijn moeder op te heffen. Pas wanneer het kind goed aan je gewend is, moet je de moeder, maar zonder haar aan te kijken, om de gunst verzoeken het kind in haar plaats te mogen dragen. Gedurende heel de weg jaag je dan de vliegen van het gezicht van het kind en je spreekt het toe in zijn eigen taal, om duizend grapjes te vertellen. De moeder zal dan uiteindelijk vast het woord tegen je richten. Als zij dat doet, dan kun je er zeker van zijn dat je het haantje bent!’ Na zo gesproken te hebben, verliet hij hem. In uiterste bewondering voor zijn vriend, bracht Mahmoed heel die nacht door met de lessen, die hij zojuist gekregen had, bij zichzelf te herhalen.

Welnu, de volgende morgen vroeg al haastte hij zich naar het geboortefeest te gaan, waar hij met een nauwgezetheid die wel bewees hoeveel vertrouwen hij in de ervaring van zijn vriend stelde, diens raad van de vorige avond in praktijk bracht. Tot zijn grote verbazing overtrof het resultaat zijn verwachtingen.

Het lot wilde echter, dat de vrouw die hij naar haar huis vergezelde en van wie hij het kind op zijn schouders droeg, juist de echtgenote van zijn vriend Ahmad was. Toen hij bij haar binnenging, had hij er geen idee van dat hij zijn vriend bedroog. Van de ene kant had hij nog nooit diens huis betreden en aan de andere kant kon hij ook niet raden dat zij de echtgenote van Ahmad was, daar hij haar nooit bedekt of onbedekt gezien had.

Wat de jonge vrouw betreft, zij was blij dat zij eindelijk eens een ervaring kon opdoen over de mate van scherpzinnigheid van haar man, die haar al net zo vaak bestookte met zijn wetenschap van de vrouwen en zijn kennis van hun boosaardigheid.

Nu, deze eerste ontmoeting tussen de jonge Mahmoed en de vrouw van Ahmad verliep heel aangenaam voor beiden. De jongeling die nog maagd en onervaren was, genoot de vreugde, genomen te worden tussen de armen en de benen van de Egyptische, die goed thuis was in het bedrijf, in de ganse volheid. Zo tevreden waren zij met elkaar, dat zij hun bedrijf heel wat keren herhaalden tijdens de daarop volgende dagen. Op die wijze verheugde de vrouw zich er op haar echtgenoot, die zich heel veel verbeeldde, te vernederen zonder dat hij het wist. De echtgenoot verbaasde zich erover zijn vriend Mahmoed niet meer te ontmoeten op de uren dat hij gewend was hem te treffen en hij zei bij zichzelf: ‘Hij heeft zeker een vrouw gevonden met gebruikmaking van mijn lessen en mijn raadgevingen!’ Toch ontdekte hij na zekere tijd, toen hij op een vrijdag naar de moskee ging, op de binnenplaats dichtbij de fontein voor de afwassingen, zijn vriend Mahmoed. Hij ging naar hem toe en na de begroetingen vroeg hij hem met een blik van verstandhouding of hij geslaagd was bij zijn pogingen en of de vrouw aardig was. Uitermate verheugd dat hij zijn hart bij zijn vriend kon uitstorten, riep Mahmoed uit: ‘Ach God, of zij mooi is! Boter en melk tegelijk! En dik en blank! Muskus en jasmijn! Wat een goed verstand! Wat weet zij te kokkerellen om mij te onthalen bij elke ontmoeting van ons! Maar de man, ach beste vriend Ahmad, die schijnt mij een onverbeterlijke dwaas en een pooier te zijn!’ Ahmad begon te lachen en zei: ‘Bij God, het merendeel van de getrouwde mannen is zo! Komaan, ik zie dat je goed gebruik hebt weten te maken van mijn raadgevingen. Ga op die manier voort, ach Mahmoed!’ Samen gingen zij de moskee binnen voor het gebed en verloren elkaar daarop uit het oog.

Welnu, op die vrijdag ging Ahmad bij het verlaten van de moskee, daar hij niet wist hoe zijn tijd door te brengen, aangezien de winkels gesloten waren, eens op bezoek bij een buurman die vlak naast hem woonde en hij ging met hem aan het venster zitten dat op de straat uitkeek. Plotseling zag hij met eigen ogen zijn vriend Mahmoed in eigen persoon aankomen. Die ging dadelijk het huis binnen, zelfs zonder te kloppen, wat wel het onweerlegbare bewijs was, dat men binnenshuis een goede verstandhouding met hem had en zijn komst verwachtte. Verbouwereerd over wat hij daarnet zag, dacht Ahmad er eerst over rechtstreeks naar huis te snellen om zijn vriend bij zijn vrouw te betrappen en hen allebei te kastijden. Maar hij bedacht dat zijn vrouw, die een haaibaai was, bij het lawaai dat hij zou maken door aan de deur te kloppen, de jongeman wel zou weten te verbergen of hem langs het terras zou laten ontsnappen. Hij besloot dus het huis op een andere manier binnen te gaan, zonder iemands aandacht te trekken. Er was immers in zijn huis een gemeenschappelijke regenbak, in twee helften verdeeld, waarvan de ene helft hem toekwam en op zijn binnenplaats stond en de andere helft aan zijn buurman toebehoorde, bij wie hij juist zat, en die op diens binnenplaats uitkwam. Ahmad zei nu bij zichzelf: ‘Langs die weg ga ik ze verrassen!’ Hij zei tegen zijn buurman: ‘Bij God, ach buurman, ik herinner mij nu, dat ik vanmorgen mijn beurs in de put heb laten vallen en ik vraag je toestemming erin af te dalen om die te gaan zoeken. Ik zal vervolgens naar huis teruggaan langs de kant die op mijn binnenplaats is.’ De buurman antwoordde: ‘Daar is geen enkel bezwaar tegen. En ik kom je zelfs bijlichten, ach beste broer!’ Maar Ahmad wilde deze dienst niet aannemen en gaf er de voorkeur aan in het donker af te dalen, opdat het licht dat uit de put kwam, bij hem in huis geen vermoedens zou wekken. Na afscheid van zijn vriend genomen te hebben, daalde hij dus af in de put.

Welnu, alles ging heel goed zolang het afdalen duurde, maar toen hij aan de andere kant weer omhoog moest, keerde het noodlot zich op een heel zonderlinge wijze tegen hem. Immers, Ahmad was al met behulp van zijn armen en zijn benen tot halverwege omhoog geklauterd, toen de zwarte bediende die water uit de regenbak kwam putten, wat lawaai hoorde in het gat, zich er overheen boog en er inkeek. Zij zag die donkere vorm die zich in het halfduister bewoog en verre van haar meester te herkennen werd zij door ontzetting aangegrepen. Terwijl zij het touw van de emmer uit haar hand liet glippen, sloeg zij op de vlucht, terwijl ze uit alle macht schreeuwde: ‘De goede geest! De goede geest! Hij komt uit de put, ach moslim! Help, help!’ En de emmer die zij op die wijze had losgelaten, viel met heel zijn gewicht op Ahmads kop en sloeg hem halfdood.

Toen de negerin zo alarm geslagen had, haastte de vrouw van Ahmad zich haar minnaar te laten ontsnappen en ging zij beneden naar de binnenplaats, waar zij zich over de stenen putrand boog en vroeg: ‘Wie zit er in de put?’

Toen herkende zij de stem van haar man, die ondanks zijn ongeluk nog de kracht bezat duizend verschrikkelijke scheldwoorden te uiten tegen de putten en tegen de eigenaars van de putten en tegen hen die in putten afdalen en tegen hen die water putten uit de putten. Zij vroeg hem: ‘Bij God en bij de Profeet, maar wat doe je dan onder in de put?’ Hij antwoordde: ‘Zwijg toch, ach vervloekte! Het is alleen maar voor de beurs die ik er vanmorgen in liet vallen! In plaats van mij vragen te stellen, doe je er beter aan mij te helpen om er uit te komen!’ Inwendig lachend, omdat zij de ware reden van die afdaling in de put wel begrepen had, ging de jonge vrouw haar buren halen, die met touwen de ongelukkige Ahmad eruit kwamen trekken, omdat hij zich niet bewegen kon, zo hard was de slag met de emmer aangekomen. Zonder iets te zeggen, liet hij zich naar zijn bed dragen, wetende dat het onder die omstandigheden veel verstandiger was zijn wrok te verzwijgen. Hij voelde zich erg vernederd, maar niet alleen in zijn waardigheid, maar vooral in zijn ervaring met vrouwen en zijn kennis van hun schelmenstreken. Hij besloot de volgende keer veel voorzichtiger te zijn, en begon te zinnen op de middelen die hij moest gebruiken om het boosaardige vrouwtje te verrassen.

Toen hij na een poos weer op kon staan, had hij dan ook geen andere zorg dan op de loer te gaan staan om zich te wreken. Op een keer, terwijl hij zich op een straathoek schuil hield, bemerkte hij zijn vriend Mahmoed, die juist zijn huis binnenging waarvan de deur, die op een kier stond, onmiddellijk nadat hij binnengegaan was gesloten werd. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 806e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Hij snelde er heen en begon met verdubbelde slagen op de deur te kloppen. Zonder enige aarzeling zei zijn vrouw tegen Mahmoed: ‘Sta op en volg mij!’ Zij ging met hem naar beneden en na hem in een hoek gestopt te hebben achter diezelfde straatdeur, deed zij haar man open met de woorden: ‘Bij God, wat is er aan de hand om zo hard te kloppen.’ Maar Ahmad greep haar bij de hand en sleepte haar heftig naar binnen en snelde brullend naar de kamer boven, om Mahmoed, die inmiddels rustig de deur waarachter hij verborgen stond geopend had en weggevlucht was, te verrassen.

Toen Ahmad zag hoe vruchteloos zijn nasporingen waren scheelde het niet veel of hij stierf van razernij en hij besloot zijn vrouw op staande voet te verstoten. Daarop bedacht hij, dat het beter was nog een poosje geduld te hebben en hij verzwolg zijn wrok in stilte.

Welnu, de gelegenheid die hij zocht liet niet lang op zich wachten en bood zich een paar dagen na dit voorval vanzelf aan. De oom van Ahmad immers, de vader van zijn echtgenote, gaf een feestmaal ter gelegenheid van de besnijdenis van een kind dat hij nog in zijn ouderdom gekregen had. Ahmad en zijn vrouw waren uitgenodigd om de dag en de avond bij hem te komen doorbrengen. Op dat moment meende hij het plan ten uitvoer te kunnen brengen, dat hij bedacht had. Hij ging dus op zoek naar zijn vriend Mahmoed, die de enige was die niet wist dat hij zijn vriend bedroog en na hem ontmoet te hebben, nodigde hij hem uit, hem te vergezellen om deel te nemen aan het feestmaal van zijn oom. Iedereen ging daar zitten voor de met spijzen bedekte dienbladen, midden op de verlichte binnenplaats, die met tapijten belegd en met slingers en banieren versierd was. De vrouwen konden zo vanuit de vensters van de harem alles zien wat op de binnenplaats gebeurde en horen wat er gezegd werd, zonder zelf gezien te worden.

Gedurende de maaltijd bracht Ahmad nu het gesprek op schuine anekdotes, waar de vader van zijn vrouw in het bijzonder van hield. Toen iedereen verteld had, wat hij over dit vrolijke onderwerp wist, zei Ahmad, terwijl hij op zijn vriend Mahmoed wees: ‘Bij God, onze broer Mahmoed, die je hier ziet, heeft mij vroeger eens een ware anekdote verteld waarvan hijzelf de held is en die nog veel vermakelijker is dan alles wat wij zojuist gehoord hebben.’ De oom riep uit: ‘Vertel het ons, ach heer Mahmoed!’ Al de aanwezigen voegden eraan toe: ‘Ja, bij God over u, vertel het ons!’ Ahmad zei nog: ‘Ja, je weet toch, de geschiedenis van die dikke jonge vrouw, zo blank als boter!’ Gevleid dat hij zo het doelwit van alle verzoeken was, begon Mahmoed te vertellen over zijn eerste ontmoeting met de jonge vrouw die, op het geboortefeest van de Profeet, in de tenten door haar kind vergezeld was. Hij begon zulke nauwkeurige bijzonderheden over de jonge vrouw en haar huis te geven, dat het niet lang duurde of de oom van Ahmad ontdekte dat het over zijn eigen dochter ging. Ahmad jubelde al bij zichzelf, overtuigd dat hij eindelijk tegenover getuigen het bewijs ging leveren van de ontrouw van zijn echtgenote, om haar te verstoten en haar haar rechten op de huwelijksgift te ontnemen. De oom ging met gefronste wenkbrauwen opstaan om, wie weet wat te doen, toen zich een snijdende en smartelijke gil liet horen, als van een kind dat geknepen werd. Plotseling, door die gil tot de werkelijkheid geroepen, had Mahmoed de tegenwoordigheid van geest de draad van zijn geschiedenis te veranderen en deze als volgt te beëindigen: ‘Welnu, daar ik het kind van de jonge vrouw op mijn schouders droeg, wilde ik, eenmaal op de binnenplaats, met het kind naar boven in de harem gaan. Maar, verre van ons zij de Boze, tot mijn ongeluk had ik een fatsoenlijke vrouw getroffen die, toen zij mijn brutaliteit begreep, het kind uit mijn armen rukte en mij een vuistslag in het gezicht gaf, waarvan ik nog altijd de sporen draag. Zij joeg mij weg onder bedreiging dat zij de buren zou roepen. Moge God haar vervloeken!’ De oom, de vader van de jonge vrouw, begon bij het horen van dit einde van de geschiedenis het uit te schateren van het lachen, evenals al de aanwezigen. Alleen Ahmad had volstrekt geen zin om te lachen en vroeg zich af, zonder de reden te begrijpen, waarom Mahmoed het einde van de geschiedenis zo veranderd had.

Toen het maal dan ook was afgelopen, ging hij naar hem toe en vroeg aan hem: ‘Bij God over je, kun je mij ook zeggen waarom je het geval niet verteld hebt zoals het zich heeft afgespeeld?’ Mahmoed antwoordde: ‘Luister! Het is omdat ik door dat kindergilletje dat iedereen gehoord heeft, wel begrepen heb dat het kind en zijn moeder zich in de harem bevonden en dat bijgevolg de echtgenoot zich eveneens onder de genodigden moest bevinden! Ik heb mij toen gehaast, de vrouw onschuldig te maken om ons niet beiden een onaangenaam avontuur op de hals te halen. Maar is het niet waar, ach beste broer, dat mijn geschiedenis, op die manier bewerkt, je oom erg geamuseerd heeft?’ Ahmad, die heel geel geworden was, verliet zijn vriend zonder diens vraag te beantwoorden. De volgende dag verstiet hij meteen zijn vrouw en vertrok naar Mekka om zich met de pelgrims te heiligen. Op die wijze kon Mahmoed na verloop van de wettige termijn met zijn geliefde trouwen en gelukkig met haar leven, want hij had geen enkele pretentie dat hij de vrouwen kende en de kunst bezat om hun schelmenstreken ongedaan te maken of hun schurkerijen te voorkomen. Maar God alleen is wijzer.’

Na deze geschiedenis verteld te hebben, zweeg de visser, die hasjiesj-eter, die kamerheer geworden was. In opperste verrukking riep de sultan uit: ‘Ach mijn kamerheer, ach honingtong, ik benoem je tot mijn grootminister!’ Daar juist op hetzelfde ogenblik twee klagers de audiëntiezaal binnentraden en de rechtspraak van de sultan inriepen, werd de visser, die grootminister geworden was, gelast om op staande voet hun klacht aan te horen, hun ruzie te beslechten en een vonnis over het geval uit te spreken. Met de kentekenen van zijn waardigheid bekleed, zei de nieuwe grootminister tegen de beide klagers: ‘Kom nader en vertel het voorval dat jullie voor onze meester de sultan brengen.”

 

Na een adempauze vertelde Sjahrzad verder: “En hij vertelde, ach gezegende koning, de volgende geschiedenis:

 

Het vonnis van de hasjiesj-eter

 

De landbouwer vervolgde: ‘Toen de nieuwe grootminister de twee klagers bevolen had te spreken, zei de eerste klager, die de komkommers gebracht had: ‘Ach edele heer, ik heb een klacht tegen deze man.’ De visser vroeg: ‘Wat is dan je klacht?’ Hij zei: ‘Ach edele heer, ik heb daar beneden bij de ingang van het hof een koe met haar kalf gevonden. Welnu, vanmorgen ging ik daarmee naar mijn haverveld om ze te laten grazen. De koe liep voor mij uit en het kalf volgde haar huppelend, toen ik de man die hier staat, mijn kant uit zag komen, op een merrie gezeten, die door haar veulen gevolgd werd, een kleine, gebrekkige en erbarmelijk kriel, een misbaksel.

Welnu, toen het kalfje het veulen zag, liep het er naar toe om er kennis mee te maken, en begon het er rond omheen te springen en het met zijn snoet onder de buik te aaien, het te besnuffelen en er op duizend manieren mee te spelen, terwijl het veulen nu eens wegliep om zoetjes achteruit te slaan, en dan weer met zijn kleine hoeven de keien van de weg de lucht in sloeg. Plotseling, ach edele heer, steeg deze man die jij hier ziet en die een bruut is, deze eigenaar van de merrie, van zijn rijdier af en trad op mijn kalf toe, dat lieve dier dat daar stond te huppelen, en legde hem een touw om zijn hals, terwijl hij mij toevoegde: ‘Dit neem ik mee! Want ik wil niet dat mijn veulen verpest wordt door te spelen met dat ellendige kleine kalf, het jong van je koe en haar nakomelingschap!’ Hij wendde zich tot mijn kalf en zei: ‘Kom, ach zoon van mijn merrie en haar nakomelingschap!’

Ondanks mijn kreten van verbazing en mijn protesten, nam hij mijn kalf mee en liet mij het ellendige kleine veulen dat daar beneden met zijn moeder staat, terwijl hij dreigde mij te zullen vermoorden als ik een poging zou doen datgene terug te nemen wat mijn goed en mijn rijkdom is voor God die ons ziet en voor de mensen.’ Nu wendde de nieuwe grootminister, die de hasjiesj-etende visser was, zich tot de andere klager en zei tegen hem: ‘Jij, ach mens, wat heb jij te zeggen naar aanleiding van de woorden die je zojuist vernomen hebt?’

De man antwoordde: ‘Ach mijn heer, het is in waarheid alom bekend, dat het kalf een voortbrengsel is van de merrie en dat het veulen de nakomelingschap is van de koe van deze man!’ Maar de visser zei: ‘Is het dan wel zo zeker dat tegenwoordig de koeien veulens ter wereld brengen en de paarden kalveren werpen? Want dat is iets dat tot dusverre nog nooit is toegegeven door iemand die ze nog alle vijf bij elkaar heeft’ De man antwoordde: ‘Ach edele heer, weet u dan niet dat er bij God, die schept wat Hij wil en zaait waar Hij wil, niets onmogelijk is en dat een schepsel zich slechts te buigen heeft om Hem te loven en te eren?’

De visser echter hernam: ‘Stellig, stellig! Je spreekt de waarheid, ach mens, niets is onmogelijk voor de almacht van de Allerhoogste, die kalveren van merries en veulens van koeien kan laten stammen.’ En hij vervolgde: ‘Maar alvorens je het kalf, de zoon van je merrie te laten en aan je aanklager terug te geven wat hem toekomt, wil ik eveneens jullie beiden getuige laten zijn van een ander gevolg van de almacht van de Allerhoogste.’

De visser beval dat men hem een muis zou brengen en een dikke zak met koren. Hij zei tegen de twee klagers: ‘Kijk nu eens aandachtig naar wat er gaat gebeuren en spreek geen woord!’

Daarop wendde hij zich tot de tweede klager en zei tegen hem: ‘Jij, ach meester van het kalf dat een jong is van de merrie, neem die zak koren en laad hem op de rug van deze muis!’

De man riep uit: ‘Ach edele heer, hoe zou ik die grote zak koren op die muis kunnen leggen, zonder dat zij er door verpletterd wordt?’ De visser zei tegen hem: ‘Ach kleingelovig mens, hoe durf je te twijfelen aan de almacht van de Allerhoogste Die een kalf uit een merrie geboren laat worden?’ Hij beval de wachten de man te grijpen vanwege zijn onwetendheid en zijn ongeloof en hem een dracht stokslagen toe te dienen. Hij liet de eerste klager het kalf met zijn moeder teruggeven en schonk hem eveneens het veulen met zijn moeder.

Zo, ach koning van deze tijd, ging de landbouwer, de man die de vruchten gebracht had, voort: dit was de volledige geschiedenis van de hasjiesj-eter, die grootminister van de sultan geworden was. Dit laatste staaltje dient om te bewijzen hoe groot zijn wijsheid was en hoe hij de waarheid te voorschijn wist te brengen door de dingen tot het ongerijmde te voeren. En om te bewijzen hoezeer de sultan gelijk had met hem tot grootminister te benoemen en hem tot disgenoot uit te kiezen en hem met eerbewijzen en gunsten te overladen.

Maar God is nog edelmoediger en nog wijzer en nog grootmoediger en nog weldadiger!

Toen de sultan deze reeks van anekdotes uit de mond van de landbouwer vernomen had, ging hij in opperste opgetogenheid overeind staan en riep uit: ‘Ach sjeik van de heerlijke lieden, ach tong van suiker en honing, wie verdient meer dan jij grootminister te zijn, jij die met juistheid weet te denken, met harmonie weet te praten en met smaak, heerlijkheid en volmaaktheid weet te vertellen?’ Hij benoemde hem meteen tot grootminister en maakte hem tot zijn intieme tafelgenoot en scheidde niet meer van hem, tot de komst van de Scheider aller vrienden en de Vernietiger van de gezelschappen.”

 

“Dit is dan,” ging Sjahrzad al sprekend tegen koning Sjahriar verder, “alles wat ik, ach gezegende koning, gelezen heb in De Hof van de Gemakkelijke Gezegden en van de Vrolijke Wetenschappen.”

Haar zus Donyazad riep uit: “Ach lieve zus, wat zijn je woorden zoet en sappig en liefelijk en verheugend en heerlijk in hun frisheid!”

Sjahrzad zei: “Maar wat is dat in vergelijking met wat ik morgen ga vertellen over de mooie prinses Noer an-Nahar, als ik dan tenminste nog in leven ben en onze meester, de koning, het mij toestaat.”

Koning Sjahriar zei: “Ongetwijfeld, ik wil die geschiedenis, die ik niet ken, graag horen.”

 

Sjahrzad begon met haar vertelling: “Mij werd bekend, ach gezegende koning, dat er in de oudheid van de tijden en in het verleden van de eeuwen en ogenblikken een dappere en machtige koning leefde, die door God de Edelmoedige gezegend was met drie zoons als manen, en die heetten: de oudste Ali, de tweede Hasan en de jongste Hosein. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen het de 807e Nacht was, zei de kleine Donyazad tegen haar zus: “O lieve zus, alsjeblieft, haast je met de beloofde geschiedenis te beginnen, nu onze meester, deze met goede manieren begaafde koning, het je toestaat!”

Sjahrzad zei: “Hartelijk, uit vriendschap en als verschuldigd eerbetoon aan deze welopgevoede koning:

 

Geschiedenis van prinses Noer an-Nahar en de mooie djinn

 

Mij werd bekend, ach gezegende koning, dat er in de oudheid van de tijden en in het verleden van de eeuwen en ogenblikken een dappere en machtige koning leefde, die door God de Edelmoedige gezegend was met drie zoons als manen, en die heetten: de oudste Ali, de tweede Hasan en de jongste Hosein. Deze drie prinsen waren in het paleis van hun vader opgevoed met de dochter van hun oom, prinses Noer an-Nahar, die zowel van vaderkant als van moederkant een wees was. Haar schoonheid, geest, bekoorlijkheden en volmaaktheid waren onder de dochters van de mensen uniek. Zij leek door haar ogen op een opgeschrikte gazelle, door haar mond op rozenkelken en parelen, door haar wangen op narcissen en anemonen en door haar middel op de soepele twijg van de banboom. Zij groeide op met de drie jonge prinsen, zoons van haar oom, in alle vreugde en geluk, al spelend met hen, etend met hen en slapend met hen.

Welnu, de sultan, de oom van Noer an-Nahar, had steeds stilletjes bij zichzelf gezegd, dat hij haar, wanneer ze huwbaar geworden was, aan de een of andere koningszoon onder zijn buren zou uithuwelijken. Maar toen zij de sluier van de huwbaarheid had voorgedaan, duurde het niet lang, of hij bemerkte dat de drie prinsen, zijn zoons, hartstochtelijk veel van haar hielden met een even grote liefde en in hun hart haar wensten te veroveren en te bezitten. Hij was zeer verstoord en ten einde raad in zijn binnenste en zei bij zichzelf: ‘Als ik prinses Noer an-Nahar aan een van haar neven geef, voorbijgaand aan de twee anderen, zullen deze ontevreden zijn en morren tegen mijn besluit. Mijn hart zal het niet kunnen uitstaan hen bedroefd en gekwetst te zien. Maar als ik haar aan de een of andere vreemde prins uithuwelijk, zullen mijn zoons uitermate verdrietig en treurig zijn en hun ziel zal er zwart en pijnlijk van worden. Wie weet of zij in dat geval uit wanhoop niet de hand aan zichzelf zullen slaan of onze woning zullen ontvluchten voor de een of andere oorlog in een ver land. Werkelijk, de kwestie is vol last en gevaren en verre van gemakkelijk op te lossen!’

Dadelijk riep hij de drie prinsen Ali, Hasan en Hosein, en zei tegen hen: ‘Ach mijn zoons, jullie, die in mijn ogen precies dezelfde verdiensten hebben, waardoor ik niet besluiten kan aan wie van jullie ik de voorkeur moet geven, ten nadele van zijn twee broers, door hem prinses Noer an-Nahar ten huwelijk te schenken. Ik kan haar ook niet met jullie alle drie tegelijk doen trouwen. Ik heb dan ook een geëigend middel gevonden om, zonder een van jullie te kwetsen, jullie alle drie evenzeer te voldoen en de eendracht en genegenheid tussen jullie in stand te houden. Het is dus aan jullie, aandachtig naar mij te luisteren en uit te voeren wat je zult vernemen. Dit is dan het plan waartoe mijn geest gekomen is: dat ieder van jullie op reis gaat naar een ver land, en mij van daar een zeldzaamheid meebrengt, waarvan hij denkt dat het het zonderlingste en ongewoonste is. Ik zal de prinses, de dochter van jullie oom, aan degene geven, die met het verwonderlijkste wonderding terugkomt. Als jullie erin toestemmen, het plan dat ik je voorleg ten uitvoer te brengen, ben ik eveneens bereid jullie zoveel goud te geven als nodig zal zijn voor je reis en voor het kopen van het voorwerp van je keus.’

Welnu, de drie prinsen, die steeds gehoorzame en eerbiedige zoons geweest waren, stemden eensgezind toe in dit plan van hun vader, daar elk van hen er van overtuigd was, dat hij de wonderbaarlijkste zeldzaamheid zou meebrengen en zodoende de echtgenoot van zijn nicht Noer an-Nahar zou worden. De sultan die hen zo bereidwillig zag, nam hen mee naar de schatkamer en gaf hun zoveel zakken goud als ze maar wilden.

Na hun op het hart gedrukt te hebben, hun verblijf in vreemde landen niet al te zeer te rekken, zei hij hen vaarwel, terwijl hij hen omhelsde en alle zegeningen over hun hoofd afriep. Als reizende kooplieden vermomd en elk door slechts één enkele slaaf gevolgd, verlieten zij hun woning in de vrede van God en bestegen hun edele raspaarden.

Zij begonnen samen hun reis en begaven zich naar een herberg, gelegen op een plek waar de weg zich in drieën splitste. Na elkaar daar onthaald te hebben op een maaltijd die de slaven voor hen hadden klaargemaakt, spraken zij daar af, dat hun afwezigheid een jaar zou duren, geen dag meer en geen dag minder. Zij spraken af dat zij elkaar bij hun terugkeer weer in dezelfde herberg zouden ontmoeten. Zij spraken af dat de eerste die aankwam op zijn broers zou blijven wachten, opdat zij zich alle drie tegelijk bij de sultan, hun vader, zouden melden.

Toen zij hun maaltijd beëindigd hadden, wasten zij hun handen, en na elkaar omhelsd en elkaar over en weer een gelukkige terugkeer gewenst te hebben, stegen zij weer te paard en sloegen elk een andere weg in.

Welnu, prins Ali, die de oudste van de drie broers was, kwam na drie maanden reizen door vlakten en gebergten, weiden en woestijnen, in een land aan de zeekant van Hindoestan aan, dat het koninkrijk Bisjangar was. Daar nam hij zijn intrek in de grote herberg van de kooplieden, en kreeg de ruimste en netste kamer voor zich en zijn slaaf. Zodra hij uitgerust was van de vermoeienissen van de reis, ging hij er weer op uit, om de stad te bekijken, die drie ringmuren had en in alle richtingen twaalf kilometer breed was. Meteen begaf hij zich naar de markt, die hij heel prachtig vond, gevormd als zij werd door verschillende hoofdstraten die uitkwamen op een middenplein met een mooie vijver. Al die straten waren overwelfd en fris en goed verlicht door de in de gewelven aangebrachte openingen. Elke straat was bezet door kooplieden van een bepaalde soort en ieder van die straten verenigde hetzelfde beroepsgilde. In de ene straat zag men slechts fijne Hindoestaanse weefsels, stoffen met de heerlijkste en zuiverste kleuren beschilderd en met tekeningen, welke dieren, landschappen, wouden, tuinen en bloemen voorstelden, brokaten uit Perzië en zijde uit China. In een andere galerij zag men mooi porselein, schitterende faience, vazen van schone vormen, bewerkte schotels en kommen van elke grootte. In de straat daarnaast zag men weer grote halsdoeken uit Kasjmir, die, heeft men ze opgevouwen, gemakkelijk in de holte van een hand kunnen, zo fijn en teer is hun stof, gebedskleedjes en andere tapijten van elke grootte. Nog meer naar links, aan beide zijden door stalen poorten afgesloten, de straat van de juweliers en edelsmeden, fonkelend van edelstenen, diamanten en goud- en zilverwerk in verrukkelijke overdaad. Terwijl hij door deze oogverblindende markten heen wandelde, bemerkte hij tot zijn verbazing, dat in die menigte van Hindoestaanse mannen en vrouwen die zich voor de ingangen van de winkels verdrongen, zelfs de vrouwen uit het volk halssnoeren, armbanden en versierselen droegen aan hun benen, aan hun voeten, aan hun oren en zelfs aan hun neus. Hoe blanker de kleur der vrouwen was, des te hoger hun stand en des te kostbaarder en schitterender hun juwelen, hoewel de zwarte kleur van de overigen het voordeel had, dat zij de glans van de juwelen en de blankheid van de parelen nog beter deed uitkomen.

Maar wat prins Ali vooral verrukte, was het grote aantal jeugdige knapen, die rozen en jasmijn verkochten en de innemende manier waarop zij die bloemen aanboden en de gladheid waarmee zij door die opeengepakte menigte op straat heen glipten. Hij bewonderde de eigenaardige voorliefde van de Indiërs voor bloemen, die zo ver ging, dat zij deze niet alleen overal bij zich droegen, zowel in hun haar als in de hand, maar zelfs op de oren en in de neusgaten. Overigens waren al die winkels versierd met vazen vol van zulke rozen en jasmijnen en de markt was er helemaal van doorgeurd, zodat men er rondwandelde als in een hangende tuin.

Toen prins Ali verblijd werd door de aanblik van al die mooie dingen, wilde hij een beetje uitrusten en nam hij de uitnodiging van een koopman aan, die voor de deur van zijn winkel zat, hem met zijn gebaar en zijn glimlach uitnodigde binnen te komen en plaats te nemen. Zodra hij binnen was, bood de koopman hem de ereplaats aan en hij zette hem verversingen voor. Hij stelde hem geen enkele ongepaste of onbescheiden vraag en hij drong ook niet aan, om wat dan ook te verkopen, zo vol hoffelijkheid was hij en zo welgemanierd.

Prins Ali waardeerde dit alles uitermate en zei bij zichzelf: ‘Wat een verrukkelijk land en wat een heerlijke inwoners!’ Zo bekoord was hij door de beleefdheid en de wellevendheid van de koopman dat hij dadelijk alles wat deze in zijn winkel had van hem wilde kopen. Daarop bedacht hij, dat hij toch niet weten zou wat hij daarna met al die koopwaren moest doen, dus hij stelde zich voorlopig tevreden met een nadere kennismaking met de koopman.

Welnu, terwijl hij met hem babbelde en hem over de zeden en gewoonten van de Indiërs ondervroeg, zag hij een koopman langs de winkel komen, die een tapijtje van zes vierkante voet over zijn arm hield. Plotseling bleef de koopman staan, draaide zijn hoofd naar rechts en naar links, en riep: ‘Ach mensen van de markt, ach kopers! Wie koopt, zal niet bekocht zijn! Voor dertigduizend gouden dinar dit tapijt! Dit gebedskleedje, ach kopers, voor dertigduizend gouden dinar! Wie het koopt, zal niet bekocht zijn!’

Bij het horen van dit geroep, zei prins Ali bij zichzelf: ‘Wat een wonderlijk land! Een gebedskleedje voor dertigduizend gouden dinar, dat is iets waar ik nog nooit van gehoord heb! Maar misschien wil deze koopman maar een grapje maken?’

Omdat hij zag dat de koopman zijn geroep herhaalde, terwijl hij zich met een overtuigd gezicht naar zijn kant toe wendde, gaf hij hem een teken naderbij te komen en vroeg hij hem, het kleedje meer van nabij te tonen.

Zonder een woord te spreken, spreidde de koopman het tapijt uit. Prins Ali onderzocht het een hele tijd, en zei uiteindelijk: ‘Ach koopman, bij God, ik zie volstrekt niet waardoor dit gebedskleedje de ontzaglijke prijs waard is, waarvoor je het te koop aanbiedt!’

De koopman echter glimlachte en zei: ‘Ach beste meester, wees vooral niet haastig met u te verbazen over deze prijs, die volstrekt niet overdreven is, in vergelijking met de werkelijke prijs die het waard is. Overigens zal uw verbazing nog veel groter zijn, wanneer ik u gezegd zal hebben, dat ik order heb de prijs tot veertigduizend gouden dinar op te voeren en het tapijt slechts af te leveren aan degene die mij deze som contant betaalt!’

Prins Ali riep uit: ‘Stellig, ach koopman, bij God, is het nodig dat dit tapijt zoveel moet kosten, door het een of ander dat ik niet ken en niet weet te onderscheiden? … ”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 808e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “De koopman zei: ‘U zegt het zelf, edele heer. Weet immers, dat dit tapijt gezegend is met een onzichtbare hoedanigheid die maakt dat wanneer men er op gaat zitten, men dadelijk daarheen gebracht wordt waar men gaan wil en wel met zulk een snelheid, dat men geen tijd heeft het ene oog te sluiten en het andere open te doen. Geen enkel beletsel is in staat de vlucht ervan te belemmeren, want de storm verwijdert zich, het onweer vlucht, bergen en muren openen zich daarvoor en zelfs de stevigste sloten worden er nutteloos en ijdel door. Dit is dan, ach mijn heer, de onzichtbare hoedanigheid van dit gebedskleedje.’

Na zo gesproken te hebben begon de koopman, zonder er verder nog een woord aan toe te voegen, het tapijt weer op te vouwen alsof hij weg zou gaan, toen prins Ali in hoogste vreugde uitriep: ‘Ach gezegende koopman, als dit tapijt werkelijk zo deugdelijk is als je woorden mij te verstaan geven, ben ik bereid je niet alleen de veertigduizend gouden dinar die je mij vraagt, maar nog duizend er bij, bij wijze van makelaarsloon als geschenk voor jou te betalen. Alleen moet ik het met mijn eigen ogen zien en het met mijn eigen hand voelen.’

Onbewogen antwoordde de koopman: ‘Waar zijn de veertigduizend gouden dinar, ach beste meester?’ Waar zijn de duizend overige die u mij in uw gulheid toewijst?’ Prins Ali antwoordde: ‘Ze zijn in de grote herberg van de kooplieden, waar ik met mijn slaaf mijn intrek genomen heb. Ik zal er met je naar toe gaan om ze je uit te tellen, zodra ik gezien en gevoeld heb.’ De koopman antwoordde nu: ‘Bij mijn hoofd en bij mijn ogen. De herberg van de kooplieden is nogal ver hier vandaan en wij kunnen er veel vlugger op dit kleedje dan op onze benen naar toe gaan.’

Terwijl hij zich wendde tot de eigenaar van de winkel, zei hij tegen hem: ‘Met uw verlof!’

Vervolgens liep hij tot achter in de winkel, spreidde daar het tapijt uit en verzocht de prins er op plaats te nemen. Na zich naast hem neergezet te hebben, zei hij tegen hem: ‘Ach mijn edele heer, vorm in uw geest de wens naar uw herberg te worden overgebracht, naar uw eigen logement.’ Prins Ali sprak in zijn binnenste die wens uit. Nog voordat hij de tijd kreeg afscheid te nemen van de eigenaar van de winkel, die hem zo beleefd ontvangen had, vond hij zichzelf al terug in zijn herberg, zonder schok of hindernis daar naar overgebracht. Hij zat in dezelfde houding die hij innam bij zijn vertrek en zonder dat hij zich daarbij rekenschap kon geven of hij de lucht doorkliefd had, dan wel onder de grond door gegaan was. De koopman zat nog glimlachend en voldaan naast hem. De slaaf kwam al toegesneld, om zijn bevelen in ontvangst te nemen.

Nu hij zekerheid verkregen had over de wonderbare eigenschap van het tapijt, zei prins Ali tegen zijn slaaf: ‘Tel onmiddellijk deze gezegende man veertig beurzen met duizend dinar uit en stop hem in zijn andere hand nog een beurs met duizend dinar!’ De slaaf bracht het bevel ten uitvoer en de koopman liet het tapijt bij prins Ali achter en zei tegen hem: ‘Prettige koop, ach beste meester!’ En hij ging zijns weegs.

Wat prins Ali, die op deze wijze de bezitter van het tovertapijt geworden was, betreft: hij geraakte tot de grens van alle voldaanheid en blijdschap bij de gedachte dat hij al dadelijk bij zijn aankomst in deze stad en dit koninkrijk van Bisjangar zulk een buitengewone zeldzaamheid gevonden had. Hij riep uit: ‘Goed! Dank God! Kijk eens, hoe ik zonder moeite het doel van mijn reis bereikt heb. Ik twijfel niet meer, of ik heb het van mijn broers gewonnen zodat ik de echtgenoot van de dochter van mijn oom, prinses Noer an-Nahar zal worden! En dan, hoe groot zal niet de vreugde van mijn vader en de verbazing van mijn broers zijn, wanneer ik ze heb laten vaststellen wat voor ongewoons dit kostelijke tapijt kan doen. Want het is onmogelijk dat mijn broers, hoe gunstig het lot hun ook gezind zijn moge, er in zullen slagen een voorwerp te vinden, dat van verre of van nabij hiermee vergeleken kan worden.’

Terwijl hij dit dacht, zei hij bij zichzelf: ‘Maar, bedenk ik, waarom zou ik niet dadelijk naar mijn land vertrekken, nu voor mij geen afstand meer telt?’

Na echter verder nagedacht te hebben, herinnerde hij zich de afspraak voor een jaar later, die hij met zijn broers gemaakt had en hij begreep dat hij, als hij dadelijk vertrok, gevaar zou

lopen veel te lang in de herberg bij de driesprong, op de overeengekomen plaats van hun ontmoeting te moeten wachten. Hij zei bij zichzelf: ‘Als ik dan toch moet wachten, wil ik liever hier de tijd doorbrengen, dan in de verlaten herberg bij de driesprong. Ik ga mij dus wat verstrooien in dit heerlijke land en tegelijkertijd mijzelf op de hoogte stellen van wat ik nog niet ken.’

Vanaf de volgende dag hervatte hij zijn bezoeken aan de markten en zijn wandelingen door de stad Bisjangar. Op die wijze kon hij de waarlijk zonderlinge merkwaardigheden van deze stad in Indië bewonderen. Naast andere merkwaardige dingen zag hij namelijk een tempel met afgodsbeelden, helemaal uit brons, met een koepel op een terras geplaatst, vijftig ellen hoog en gegraveerd en gekleurd met drie rijen beschilderingen, uitermate levendig en fijn van smaak. Heel die tempel was versierd met reliëfs van keurige makelij, en met dooreengevlochten motieven. De tempel stond midden in een uitgestrekte tuin, beplant met rozen en andere bloemen, heerlijk om te ruiken en te zien. Maar de voornaamste aantrekkelijkheid van deze tempel met afgodsbeelden, mogen zij verdoemd en verbrijzeld worden, was een beeld van massief goud. Die was zo hoog als een man, wiens ogen twee beweegbare robijnen waren, die met zoveel kunstigheid waren aangebracht, dat het levende ogen schenen, die degene die ervoor stond, strak aankeken en al zijn bewegingen volgden. ‘s Morgens en ‘s avonds vierden de priesters van de afgodsbeelden in de tempel de ceremoniën van hun godsdienstig wangeloof en lieten deze volgen door spelen, concerten en instrumenten, kunstjes van potsenmakers, liederen van zangeressen, dansen van danseressen en feestgelagen. Die priesters leefden overigens van niets anders dan van de offergaven die de menigte van de pelgrims hen voortdurend van uit de verst verwijderde landen bracht.

Gedurende zijn verblijf te Bisjangar kon prins Ali toeschouwer zijn van een groot feest, dat elk jaar in dit land gevierd werd en waaraan al de gouverneurs van alle provincies, de opperhoofden van het leger, de Brahmanen, die de priesters van de afgodsbeelden en de hoofden van hun godsdienstig wangeloof zijn en een ontelbare volksmenigte deelnamen. Heel deze mensenhoop hield zich op een ontzaglijke vlakte op, die beheerst werd door een gebouw van duizelingwekkende hoogte, dat de koning en zijn hofhouding herbergde en dat gedragen werd door tachtig zuilen en van buiten beschilderd was met landschappen, dieren, vogels, insecten en zelfs vliegen en muggen en dit alles natuurgetrouw. Naast dit grote gebouw waren er drie of vier verhogingen van enorme uitgestrektheid waarop het volk zat. Al deze bouwwerken waren heel bijzonder omdat zij beweegbaar waren en omdat men ze van uur tot uur omvormde, door ze van voorzijde en versiering te doen veranderen.

Het schouwspel begon met goochelaarskunsten van een zeldzame behendigheid en met zakkenrollerstreken en het dansen van fakirs. Daarna zag men in slagorde opgesteld en op korte afstand van elkaar gerangschikt, duizend olifanten voorwaarts stappen, weelderig opgetuigd en elk beladen met een vierkante toren van verguld hout en met balletdansers en instrumentenbespeelsters in elke toren. De slurven en de oren van die olifanten waren met vermiljoen en bergrood beschilderd. Hun slagtanden waren helemaal verguld en op hun lijven waren in levendige kleuren figuren getekend met afschrikwekkende en groteske kronkelingen, met duizend armen en benen.

Toen die geweldige troep voor de toeschouwers was aangekomen, kwamen twee olifanten, die geen torens droegen en de grootste uit het duizendtal waren, uit de rijen naar voren en traden tot midden in de kring die door de verhogingen gevormd werd. Op het geluid van de instrumenten begon een te dansen, terwijl hij zich nu eens op zijn twee poten, dan weer op zijn twee handen overeind hield. Daarop klom hij met grote behendigheid tot op de top van een loodrecht geplante paal en terwijl hij op het uiteinde daarvan zijn benen en handen bij elkaar neerzette, begon hij in de lucht met zijn slurf te zwiepen en zijn oren te laten opspringen en zijn kop in alle richtingen te bewegen op het ritme van de instrumenten. De tweede olifant klauterde op het uiteinde van een andere paal, die in het midden horizontaal gelegd was op een steun, zodat hij in evenwicht gehouden werd door een steen van aanzienlijke grootte, die op het andere uiteinde gelegd was en hield zich daar bezig met nu eens omhoog, dan weer omlaag te wippen, terwijl hij met zijn kop de cadans van de muziek weergaf. Prins Ali verbaasde zich over dit alles en over nog heel wat meer. Het was dan ook met een groeiende belangstelling, dat hij de gewoonten van deze Indiërs, die zo verschillend waren van de lieden van zijn land, begon te bestuderen. Hij zette zijn wandelingen en zijn bezoeken aan de kooplieden en de notabelen van het koninkrijk voort. Hij werd echter voortdurend gekweld door de liefde voor zijn nicht Noer an-Nahar en hoewel het jaar nog niet verstreken was, kon hij het toch weldra niet meer zo ver van zijn land uithouden. Hij besloot Indië te verlaten om dichter bij het voorwerp van zijn gedachten te komen, in de overtuiging dat hij gelukkiger zou zijn, wanneer hij zich niet meer door zo’n grote afstand daarvan gescheiden werd.

Nadat zijn slaaf de prijs van de kamer aan de portier voldaan had, ging hij met hem op het tovertapijt zitten en trok zich in zichzelf terug, terwijl hij ernstig wenste naar de herberg op de driesprong te worden overgebracht. Toen hij zijn ogen opendeed, die hij een ogenblik gesloten had om na te denken, bemerkte hij dat hij in de bewuste herberg was aangekomen. Hij stond van het tapijt op en trad gekleed als koopman de herberg binnen, alwaar hij zich gereed maakte rustig op de terugkomst van zijn broers te wachten. Dit dan wat hem betreft.

Wat prins Hasan, de tweede van de drie broers aangaat, luister!

Nauwelijks was hij onderweg, of hij ontmoette een karavaan die zich naar Perzië begaf. Hij voegde zich bij deze karavaan en na een lange reis over vlakten en gebergten, woestijnen en velden, kwam hij uiteindelijk daarmee aan in de hoofdstad van het koninkrijk Perzië, de stad Sjiraz. Op aanwijzing van de kooplieden van de karavaan, met wie hij vriendschap gesloten had, nam hij zijn intrek in de grote herberg van de stad.

Al daags na zijn aankomst haastte hij zich er op uit te gaan, om te zien wat er te beleven viel, terwijl zijn vroegere reisgezellen hun balen openmaakten en hun koopwaren uitstalden. Hij liet zich naar de markt brengen, die in dat land de Bazistan genoemd werd en waar men juwelen, edelstenen, brokaat, mooie zijden stoffen, fijne weefsels en allerlei kostbare goederen verkocht. Hij begon dwars door de Bazistan te wandelen en zich te verbazen over het wonderbare aantal mooie dingen, die hij in de winkels ontdekte. Overal zag hij makelaars en koopmannen, die uit alle windstreken kwamen en gingen en mooie stukken stof uitstalden, mooie tapijten en andere mooie dingen die ze onderling concurrerend aanprezen.

Welnu, onder al die zozeer bezige mensen, zag prins Hasan er een die een ivoren buis in de hand hield, ongeveer een voet lang en een duim dik. In plaats van gretig en haastig te voorkomen het aan andere koopmannen en makelaars te vertonen, wandelde deze man langzaam en met waardigheid rond, terwijl hij de ivoren buis vasthield zoals een koning de scepter van zijn rijk en nog majestueuzer zelfs. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 809e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Prins Hasan zei bij zichzelf: ‘Daar heb je nu een makelaar die mij vertrouwen inboezemt!’

Hij wilde al zijn kant uitgaan, om hem te verzoeken hem de buis te laten zien, die hij op zo’n eerbiedige wijze vasthield, toen hij hem hoorde uitroepen, maar met een stem gekenmerkt door grote trots en een prettige nadruk: ‘Ach kopers, wie koopt, zal niet bekocht zijn! Voor dertigduizend gouden dinar de ivoren buis! Hij die hem gemaakt heeft, is dood en zal zich nooit meer vertonen! Hier is de ivoren buis! Hij laat zien, wat hij laat zien! Wie hem koopt, zal niet bekocht zijn! Wie wil zien, zal kunnen zien! Hij laat zien, wat hij laat zien! Hier is de ivoren buis!’

Bij het horen van deze uitroepen deed prins Hasan, die al een stap naar voren gedaan had, van verbazing weer een stap achteruit en wendde zich tot de koopman tegen wiens winkel hij met zijn rug had gestaan, om hem te zeggen: ‘Bij God over u, ach beste meester, zeg mij, of die man die dat kleine ivoren buisje voor zo’n ontzaglijke prijs te koop aanbiedt, werkelijk bij zijn positieven is, dan wel zijn verstand verloren heeft. Of doet hij alleen zo voor de aardigheid?’ De eigenaar van de winkel antwoordde: ‘Bij God, ach beste meester, ik kan u verzekeren, dat die man de eerlijkste en verstandigste van onze koopmannen is. Hij is degene die het vaakst door de kooplieden gebruikt wordt, vanwege het vertrouwen dat hij hun inboezemt en omdat hij de oudste in het vak is. Ik sta er voor in, dat hij goed bij zijn positieven is, wanneer hij ze tenminste niet sinds vanmorgen verloren heeft, maar dat geloof ik niet. Het moet dus wel, dat die buis dertigduizend dinar en zelfs meer waard is, wanneer hij haar voor die prijs te koop aanbiedt. Op de een of andere plaats die niet te zien is, moet zij dat wel waard zijn. Overigens zal ik hem roepen, wanneer u dat verlangt, dan kunt u hem zelf ondervragen. Ik verzoek u dus naar binnen te komen, om in de winkel plaats te nemen en een ogenblik uit te rusten.’ Prins Hasan nam het innemende aanbod van de koopman aan en nauwelijks was hij goed en wel gezeten, of de koopman die bij zijn naam geroepen werd, kwam naar de winkel toe. De koopman zei tegen hem: ‘Ach koopman die en die, de koopman die u hier ziet, is er erg verbaasd over, dat hij u dit kleine buisje van ivoor voor dertig zakken van duizend te koop hoort aanbieden. Zelf zou ik mij er evenzeer over verbazen, als ik u niet kende als een man van nauwgezette eerlijkheid. Antwoord deze heer dus, opdat hij niet langer een ongunstige mening over u koestert.’ De koopman wendde zich nu tot prins Hasan en zei tegen hem: ‘In waarheid, ach beste meester, aan wie niet gezien heeft, is het geoorloofd te twijfelen. Maar wanneer je het gezien zult hebben, zul je niet langer twijfelen. Wat de prijs van deze buis betreft, die is niet dertigduizend dinar, wat de prijs is waarvoor hij wordt ingezet, maar veertigduizend. Ik heb opdracht hem niet voor minder te laten en alleen af te geven aan degene die er contant voor betaalt.’ Prins Hasan zei: ‘Ik wil u graag op uw woord geloven, ach omroeper, maar dan moet ik toch eerst weten, waardoor deze buis een dergelijk aanzien verdient en door welke eigenaardigheid ze de aandacht vraagt.’ Maar de koopman zei: ‘Weet, ach meester, dat wanneer u door deze buis kijkt aan het uiteinde waarvan dit kristal zit, u dadelijk alles wat u maar wenst te zien, voor ogen krijgt en zien kunt.’ Prins Hasan zei: ‘Als u de waarheid spreekt, ach gezegende koopman, zal ik u niet alleen de prijs die u vraagt betalen, maar u nog duizend dinar makelaarsloon voor u zelf geven.’ Hij ging voort: ‘Haast u, mij het uiteinde te laten zien, dat ik tegen mijn oog moet drukken.’ En de koopman toonde het hem. De prins keek er doorheen, terwijl hij wenste prinses Noer an-Nahar te zien. Plotseling zag hij haar in de badkuip van haar badhuis zitten, tussen de handen van haar slavinnen die bezig waren met haar toilet. Zij lachte en speelde met het water en bekeek zichzelf in haar spiegel. Toen hij haar zo mooi en zo dicht bij zich zag, kon prins Hasan, aan de uiterste ontroering ten prooi, het niet laten een luide kreet uit te stoten, zodat hij bijna de buis uit zijn handen liet vallen.

Nu hij zo het bewijs gekregen had, dat die buis het wonderbaarlijkste ding was dat er op de wereld bestond, aarzelde hij geen ogenblik het te kopen, overtuigd als hij was, dat hij nooit meer een dergelijke zeldzaamheid zou tegenkomen om van zijn reis mee terug te nemen, al moest die reis ook tien jaar duren en zou hij de hele wereld doorkruisen. Hij gaf dus de koopman een teken hem te volgen. Na afscheid van de koopman genomen te hebben, ging hij naar de herberg waar hij zijn verblijf hield en liet daar door zijn slaaf de koopman de veertig beurzen uittellen, waaraan hij er nog een voor het makelaarsloon toevoegde. Zo werd hij de bezitter van de ivoren buis. Toen prins Hasan deze kostelijke aanwinst verworven had, twijfelde hij er niet aan, dat hij de overhand op zijn broers had, over hen gezegevierd en zijn nicht Noer an-Nahar veroverd had. Vol vreugde dacht hij er over, nader kennis te nemen van de gewoonten en zeden van de Perzen, nu hij toch de tijd aan zich had, en de curiositeiten van de stad Sjiraz te gaan bezichtigen. Zo bracht hij zijn dagen door met wandelen en rondkijken en luisteren. Daar hij een zeer begaafde geest en een gevoelig innerlijk bezat, bezocht hij vaak de geleerde mannen en dichters en hij leerde de mooiste Perzische gedichten van buiten. Eerst daarna besloot hij naar zijn land terug te keren en gebruikmakend van het vertrek van dezelfde karavaan, voegde hij zich bij de kooplieden die daar deel van uitmaakten en hij begaf zich op weg. God schreef hem veiligheid voor en zonder ongelukken kwam hij bij de herberg op de driesprong, de afgesproken plaats van ontmoeting, aan. Daar vond hij zijn broer, prins Ali, en daar bleef hij met hem in afwachting van de terugkomst van hun jongste broer. Dit dan wat hem betreft.

Maar wat prins Hosein aangaat, die de jongste van de drie prinsen was, ik verzoek u, ach gezegende koning, mij uw oor te willen lenen, want luister!

Na een lange reis, die werkelijk niets bijzonders had, kwam hij in een stad aan, waarvan men hem zei, dat het Samarkand was. Inderdaad was het Samarkand al-Ajam, dezelfde stad waar nu uw roemrijke broeder Sjahzaman regeert, ach koning van deze tijd. En daags na zijn aankomst, begaf prins Hosein zich dadelijk naar de markt, die men in de taal van dat land ‘Bazaar’ noemt. Hij vond dat die Bazaar heel mooi was.

Terwijl hij erg in beslag genomen werd door het rondwandelen en het kijken naar alle kanten met zijn beide ogen, zag hij plotseling op twee passen vóór hem een koopman, die een appel in de hand hield. Die appel was zo prachtig rood aan de ene kant en verguld aan de andere, en groot als een watermeloen, dat prins Hosein hem dadelijk verlangde te kopen en de man die hem droeg, de vraag stelde: ‘Wat kost die appel, ach koopman?’ De koopman zei: ‘Dertigduizend gouden dinar, ach beste meester, bij wijze van inzet. Maar ik heb opdracht hem slechts voor veertigduizend te laten en contant te laten betalen.’

Prins Hosein riep uit: ‘Bij God, ach mens, deze appel is heel mooi en ik heb nooit een soortgelijke in mijn leven gezien. Maar ongetwijfeld wil je schertsen door zo’n buitensporige prijs te vragen.’ De koopman echter antwoordde: ‘Nee, bij God, ach mijn beste heer, de prijs die ik vraag, is niets in vergelijking met de werkelijke waarde van deze appel. Hoe mooi en bewonderenswaardig de aanblik ervan ook mag zijn, die is niets vergeleken bij zijn geur. Zijn geur, ach beste meester, hoe goed die ook mag zijn, is niets vergeleken bij zijn eigenschappen. En zijn eigenschappen, ach kroon van mijn hoofd, ach mijn schone heer, hoe prachtig die ook mogen zijn, zijn niets in vergelijking met de voordelen en aanwendingen die eraan verbonden zijn tot nut van de mensen!’ Prins Hosein zei hierop: ‘Ach koopman, wanneer het zo is, haast je dan mij eerst de geur ervan te laten ruiken. Vertel me daarna, wat de eigenschappen, de aanwendingen en de voordelen ervan zijn.’ De koopman stak nu zijn hand uit en hield de appel onder de neus van de prins, die de geur opsnoof. Hij vond die geur zo doordringend en zo zacht, dat hij uitriep: ‘O, God, al mijn vermoeienissen van de reis zijn vergeten en het is of ik zojuist uit de schoot van mijn moeder te voorschijn gekomen ben. Ach, welk een onvolprezen geur!’ De koopman zei: ‘Welnu, edele heer, weet, daar u bij uzelf zulk een onverwachte uitwerking ondervonden hebt bij het ruiken van de geur van deze appel, dat hij geen natuurlijke appel is, maar door mensenhand vervaardigd werd. Dat hij geen vrucht is van een blinde en gevoelloze boom, maar de vrucht van de studie en de doorwaakte nachten van een groot geleerde, een zeer beroemde wijsgeer, die zijn hele leven doorgebracht heeft met naspeuringen en proefnemingen betreffende de goede hoedanigheden van planten en mineralen. Hij is er uiteindelijk in geslaagd deze appel samen te stellen, die de essentie van alle geneeskrachtige kruiden, van alle nuttige planten en van alle heilzame mineralen bevat. Inderdaad bestaat er geen zieke, door welke ramp dan ook getroffen, al was het de pest, de scharlaken koorts of de lepra, die, zelfs al was hij stervende, zijn gezondheid niet terug zou krijgen. Alleen maar door er aan te ruiken. Overigens heeft u zelf een weinig van de uitwerking daarvan kunnen voelen, daar de vermoeienissen van uw reis al door de geur ervan verdwenen zijn. Maar om de kwaliteiten daarvan nog beter tot uiting te laten komen, wil ik dat een zieke, die aan een ongeneeslijke kwaal lijdt, voor uw ogen genezen wordt, opdat u even zeker van zijn goede hoedanigheden en eigenschappen mag zijn, als alle inwoners van deze stad. U hoeft immers slechts de kooplieden die hier verzameld zijn te ondervragen en de meesten van hen zullen u zeggen dat zij, alleen maar dankzij de appel die u ziet, nog in leven zijn!’

Welnu, terwijl de koopman zo sprak, waren verschillende lieden blijven staan en hadden hem omringd, zeggende: ‘Ja, bij God, dat alles is waar! Deze appel is de koning van alle appelen en het voortreffelijkste aller geneesmiddelen. Hij laat de wanhopigste zieken van de poorten des doods terugkeren.’ Als om al het goede dat zij zeiden te bevestigen, kwam juist een arme, blinde en verlamde man langs, in een korf gedragen op de rug van een drager. De koopman ging snel naar hem toe en hield hem de appel onder zijn neus. Plotseling stond de zieke in de korf op, sprong boven over het hoofd van zijn drager als een jonge kat en sloeg zijn benen in de wind terwijl hij ogen als vuurkolen opzette. Iedereen zag het en getuigde ervan.

Overtuigd van de geneeskracht van deze wonderbare appel, zei prins Hosein toen tegen de koopman: ‘Ach heilvoorspellend gezicht, ik verzoek u mij naar mijn herberg te volgen.’

Hij bracht hem naar de herberg waar hij zijn intrek genomen had, betaalde hem de veertigduizend dinar en gaf hem als makelaarsloon nog een beurs met duizend dinar ten geschenke. Nu hij de bezitter van de wonderbare appel geworden was, wachtte hij geduldig op het vertrek van de een of andere karavaan, om naar zijn land terug te keren. Want hij was er van overtuigd, dat hij met deze appel gemakkelijk over zijn beide broers zou zegevieren en de echtgenoot van prinses Noer an-Nahar zou worden. Toen de karavaan gereed was, vertrok hij uit Samarkand. Ondanks de vermoeienissen van de lange reis, kwam hij met Gods toestemming veilig en wel aan in de herberg van de drie wegen, waar zijn beide broers Ali en Hasan op hem wachtten. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 810e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “De drie prinsen, na elkaar met veel tederheid omhelsd en over en weer met hun goede aankomst geluk gewenst te hebben, gingen zitten om samen te eten.

Na de maaltijd nam prins Ali, die de oudste was, het woord en zei: ‘Ach beste broers, wij hebben heel ons leven voor ons, om elkaar te onderhouden over de bijzonderheden van onze reis. Nu gaat het er echter om elkaar de meegebrachte zeldzaamheid te tonen, die het doel en de vrucht is van onze onderneming. Wij kunnen elkaar dan van tevoren recht doen en ongeveer zien in wiens voordeel de sultan, onze vader, zijn uitspraak zal doen betreffende onze nicht prinses Noer an-Nahar.’ Hij zweeg een ogenblik en hernam: ‘Wat mij betreft, daar ik ouder dan jullie ben, zal ik jullie mijn vondst alvast openbaren. Weet dan, dat ik mijn reis gemaakt heb door het aan zee gelegen Indië, in het koninkrijk Bisjangar en alles wat ik van daar heb meegenomen, is dit gebedskleedje, waarop jullie mij zien zitten en dat van gewone wol en volkomen zonder opschik is. Toch is het dankzij dit tapijt, dat ik onze nicht hoop te veroveren.’ Hij vertelde zijn broers heel de geschiedenis van het vliegende tapijt en zijn goede hoedanigheden en hoe hij er gebruik van gemaakt had om in een oogwenk uit het koninkrijk Bisjangar terug te keren. Om meer kracht aan zijn woorden bij te zetten, verzocht hij zijn broers naast hem op het tapijt te komen zitten en liet hij hen in een oogwenk een reis door de lucht maken, die met andere voertuigen meerdere maanden gekost zou hebben om tot een goed einde gebracht te worden.

Daarop ging hij voort: ‘Nu verwacht ik, dat jullie mij vertellen, of dat wat jullie hebben meegebracht met mijn tapijt kan wedijveren.’

Toen hij klaar was met op die wijze de voortreffelijkheid van het voorwerp dat hij bezat aan te prijzen, zweeg hij.

Op zijn beurt nam nu prins Hasan het woord en zei: ‘In waarheid, ach beste broer, dit vliegende tapijt is iets wonderbaars. Ik heb iets dergelijks van mijn leven niet gezien. Maar hoe bewonderenswaardig het ook zijn mag, jullie zullen het beiden met mij eens moeten zijn, dat er nog andere dingen in de wereld kunnen zijn, die de aandacht verdienen. Om jullie hiervan het bewijs te leveren: kijk eens naar deze ivoren buis, die op het eerste gezicht niet zo’n buitengewone zeldzaamheid schijnt. Toch kun je er van op aan, dat hij mij kostte wat hij mij gekost heeft en dat het ondanks zijn bescheiden uiterlijk een heel wonderbaarlijk voorwerp is. Jullie zullen niet aarzelen mij te geloven, wanneer je je ogen gedrukt hebt tegen het uiteinde van deze buis, waar je dat kristal ziet zitten. Hier, doe wat ik jullie zal instrueren!’

Hij drukte de ivoren buis op zijn rechteroog, terwijl hij het linkeroog sloot, en zei: ‘Ach ivoren buis, laat mij dadelijk prinses Noer an-Nahar zien.’ Hij keek door het kristal heen. Zijn beide broers, die de ogen op hem gevestigd hielden, verbaasden zich tot de grens van de verbazing, toen zij hem plotseling van gezicht zagen veranderen en heel geel van kleur zagen worden, alsof hij door een groot leed getroffen was.

Nog voordat zij de tijd gehad hadden hem te ondervragen, riep hij uit: ‘Er is geen kracht en geen hulp dan bij God! Ach beste broers, tevergeefs hebben wij alle drie zo’n moeizame reis ondernomen, in de hoop op geluk! Helaas, binnen enkele ogenblikken zal onze nicht niet meer in leven zijn, want ik heb haar zojuist in haar bed gezien, omringd door haar wenende vrouwen en de wanhopige koning. Jullie zullen overigens zelf kunnen oordelen over de jammerlijke toestand waarin ze vervallen is, wat een ramp!’

Terwijl hij zo sprak, overhandigde hij de ivoren buis aan prins Ali en gaf hem opdracht in zijn geest de wens uit te spreken de prinses te zien. Prins Ali keek door het kristal en deinsde terug, evenzeer getroffen als zijn broer. Prins Hosein nam de buis uit zijn handen en zag hetzelfde bedroevende schouwspel. Maar verre van zich even bedroefd als zijn broers te tonen, begon hij te lachen en zei hij: ‘Ach beste broers, verkoel jullie ogen en kalmeer jullie ziel, want hoewel de ziekte van onze nicht zeer ernstig moet zijn, naar het ons toeschijnt, zal zij de kracht niet kunnen weerstaan van deze appel die je hier ziet en waarvan de geur alleen al de doden van de bodem van hun graf doet opstaan.’ Hij vertelde hun toen met enkele woorden de geschiedenis van de appel en zijn goede hoedanigheden en de uitwerking van die hoedanigheden en hij verzekerde hun dat hij ongetwijfeld hun nicht genezen zou.

Bij het horen van die woorden riep prins Ali uit: ‘In dat geval, ach beste broers, hoeven wij ons slechts in allerijl naar ons paleis te doen vervoeren door middel van dit tapijt. En jij kunt dan op onze geliefde nicht de heilzame kracht van deze appel hier beproeven.’ De drie prinsen gaven hun slaven bevel hen te paard achterna te komen en zonden hen weg. Daarna gingen zij op het tapijt zitten, spraken samen dezelfde wens uit naar de kamer van prinses Noer an-Nahar te worden overgebracht en in een oogwenk bevonden zij zich daar, op het tapijt gezeten, midden in de kamer van de prinses.

Toen de vrouwen en eunuchen van Noer an-Nahar de drie prinsen in de kamer opmerkten, zonder te begrijpen hoe zij er gekomen waren, werden zij door ontzetting en verbazing bevangen. De eunuchen die hen eerst niet herkenden en hen voor vreemdelingen aanzagen, stonden op het punt zich op hen te werpen toen zij hun vergissing ontdekten. De drie broers stonden dadelijk van hun tapijt op, en prins Hosein ging snel op het bed af, waarop Noer an-Nahar in doodsstrijd uitgestrekt lag en hield haar de wonderbare appel onder de neus. De prinses sloeg haar ogen op, draaide het hoofd van de ene kant naar de andere, terwijl zij met verbaasde ogen keek naar de lieden die haar omringden en ging toen overeind zitten. Zij glimlachte haar neven toe, reikte hen de hand om die te laten kussen en heette hen een hartelijk welkom, terwijl zij naar hun reis informeerde. Zij vertelden haar hoe gelukkig zij waren, net op tijd gekomen te zijn, om met Gods hulp aan haar genezing bij te dragen.

Haar vrouwen vertelden haar toen hoe zij aangekomen waren en hoe prins Hosein haar weer tot het leven teruggebracht had door haar de geur van de appel te doen opsnuiven. Noer an-Nahar bedankte allen gezamenlijk en prins Hosein in het bijzonder. Omdat zij toen vroeg zich te mogen aankleden namen haar neven afscheid van haar, onder het uitspreken van de wens dat zij nog lang mocht leven en trokken zich terug.

Terwijl zij zo hun nicht aan de zorgen van haar vrouwen overlieten, gingen de drie broers zich aan de voeten van de sultan, hun vader, werpen, om hem hun eerbied te betuigen. De sultan, die al door de eunuchen van hun aankomst en van de genezing van de prinses op de hoogte gesteld was, hief hen op, omhelsde hen en verheugde zich met hen dat zij elkaar in goede gezondheid terugzagen.

Nadat zij op die manier hun wederzijdse genegenheid hadden laten blijken, boden de drie prinsen de sultan de zeldzaamheid aan, die elk van hen had meegebracht. Nadat zij hadden uitgelegd wat zij hem hierover uit te leggen hadden, smeekten zij hem, zijn oordeel uit te spreken en zijn voorkeur te kennen te geven.

Toen de sultan had aangehoord, wat zijn zoons tegen hem te vertellen hadden over de voordelen van het voorwerp dat zij hadden meegenomen en toen hij, zonder hen te onderbreken, geluisterd had naar wat zij hem vertelden over de genezing van hun nicht, bleef hij een hele poos zwijgen, in diep nadenken verzonken. Hij hief daarna zijn hoofd op en zei: ‘Ach mijn zoons, deze zaak is heel hachelijk en zij is nog veel lastiger op te lossen dan vóór jullie vertrek. Want van de ene kant vind ik, dat de zeldzaamheden die jullie meegebracht hebben, in alle rechtvaardigheid tegen elkaar opwegen, en van de andere kant, dat zij elk voor een deel hebben bijgedragen tot de genezing van je nicht. Immers, het is de ivoren buis die jullie het eerst heeft ingelicht over de toestand van de prinses, het is het tapijt dat jullie dadelijk naar haar toegebracht heeft en het is de appel die haar genezen heeft. Maar dit prachtige resultaat zou met Gods toestemming niet teweeggebracht zijn als een van die zeldzaamheden ontbroken had. Jullie zien je vader hier dan ook nog meer dan vroeger ten einde raad, om zijn keus te maken. Jullie zelf, begaafd met rechtvaardigheidszin als jullie zijn, moeten al evenzeer ten einde raad en de kluts kwijt zijn als ik.’

Na op die manier met wijsheid en onpartijdigheid gesproken te hebben, begon de sultan weer na te denken over de toestand. Na verloop van een uur riep hij uit: ‘Ach mijn zoons, er blijft mij nog slechts één middel over, om dit probleem op te lossen. Dat zal ik jullie uitleggen. Luistert dan, ach mijn kinderen. Daar jullie nog tijd hebben tot vannacht, moeten jullie elk je pijl en boog nemen en buiten de stad gaan, naar het plein dat voor de spiegelgevechten van de ruiters gebruikt wordt. Ik ga er samen met jullie heen. Ik verklaar dat ik prinses Noer an-Nahar als echtgenote zal geven aan hem, die het verst schieten zal!’ De drie prinsen antwoordden met ja en met gehoorzaamheid. Gevolgd door talrijke officieren van het paleis, begaven zij zich allen gezamenlijk naar het plein. Prins Ali die de oudste was, nam zijn boog en een pijl en schoot eerst; prins Hasan schoot als tweede en zijn pijl viel verder dan die van zijn oudste broer. De derde die schoot, was prins Hosein, maar geen van de officieren die van afstand tot afstand over een heel uitgestrekte lengte waren opgesteld, zag de pijl vallen, die de lucht in rechte lijn doorkliefde en in de verte verdween. Men holde en men zocht, maar ondanks alle nasporingen en hoeveel aandacht men er ook aan besteedde, het was niet mogelijk de pijl terug te vinden.

Toen zei de sultan ten overstaan van al zijn verzamelde officieren tegen de drie prinsen: ‘Ach mijn zoons, jullie zien dat het lot zich heeft uitgesproken. Hoewel het schijnt dat jij, ach Hosein, het verst geschoten hebt ben jij toch niet de overwinnaar, omdat het noodzakelijk is, dat de pijl gevonden wordt om de overwinning zonder twijfel en zeker te doen zijn. Ik zie mij dus verplicht, mijn tweede zoon Hasan tot winnaar te verklaren, van wie de pijl verder gevallen is dan die van zijn oudste broer. Welaan dan, ach mijn zoon Hasan, jij bent dus onbetwistbaar degene, die de echtgenoot van de dochter van je oom, prinses Noer an-Nahar, wordt, want zo wil haar noodlot het.’ Na zo gesproken te hebben, gaf de sultan dadelijk bevel tot de voorbereidingen en huwelijksplechtigheden van zijn zoon Hasan met prinses Noer an-Nahar, en weinige dagen later vierde men de bruiloft met grote pracht en praal.

Dit wat prins Hasan en zijn echtgenote Noer an-Nahar betreft.

Wat prins Ali, de oudste, aangaat, hij wilde de huwelijksplechtigheden niet bijwonen, en daar zijn hartstocht voor zijn nicht zeer levendig en voortaan zonder uitzicht was, kon hij er niet toe besluiten in het paleis te blijven leven. Vrijwillig deed hij dus op een openbare zitting afstand van de troonopvolging van zijn vader. Hij trok het kleed van een derwisj aan en ging zich onder de geestelijke leiding plaatsen van een sjeik, die bekend stond om zijn heiligheid, zijn kennis en zijn voorbeeldige levenswandel, ver weg in de meest afgelegen eenzaamheid.

Dit dan wat hem betreft. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 


Maar toen de 811e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Maar wat prins Hosein aangaat, van wie de pijl in de verte verdwenen was, luister! Evenals zijn broer Ali zich ervan onthouden had de bruiloft van prins Hasan en prinses Noer an-Nahar bij te wonen, onthield ook hij zich ervan daaraan deel te nemen. Maar hij trok volstrekt niet zoals deze, het kleed van een derwisj aan, en verre van afstand te doen van het wereldse leven, besloot hij te bewijzen dat hij beroofd was van wat hem toekwam. Met dit doel begaf hij zich op zoek naar de pijl, waarvan hij niet geloven kon dat hij onherroepelijk verdwenen was.

Terwijl de feesten ter gelegenheid van het huwelijk in het paleis werden voortgezet, sloop hij dadelijk van zijn lieden weg en hij begaf zich naar de plek op het plein, waar de wedstrijd had plaatsgevonden. Daar begon hij recht voor zich uit te lopen, in de richting die de pijl gevolgd had, terwijl hij bij elke stap aandachtig naar rechts en naar links keek. Op die wijze ging hij uitermate ver, zonder iets te ontdekken. Maar verre van ontmoedigd te worden, ging hij voort met lopen en nog eens lopen, steeds maar in een rechte lijn, totdat hij bij een grote stapel rotsblokken kwam, die volledig de gezichtseinder afsloot. Hij zei bij zichzelf, dat als de pijl zich ergens bevinden moest, het nergens anders kon zijn dan hier, aangezien hij niet door deze rotsmassa had kunnen dringen. Nauwelijks had hij die gedachte bij zichzelf uitgesproken, of hij zag de pijl met de punt naar voren, en in het geheel niet in de grond gedrongen, op het zand liggen, gemerkt met zijn naam, dezelfde die hij met eigen hand had weggeschoten.

Hij zei bij zichzelf: ‘Ach wonder! Ach God! Noch ik, noch wie dan ook ter wereld zou met eigen kracht een pijl zo ver kunnen afschieten. Kijk eens, hoe hij hier op deze ongekende afstand is aangekomen en bovendien nog met kracht tegen de rots heeft moeten slaan, om zo door de weerstand nog te worden teruggekaatst. Dat is al heel merkwaardig. Wie weet welk geheim dit alles behelst?’ Na de pijl te hebben opgeraapt en terwijl hij nog bezig was nu eens deze te bekijken en dan weer de rots te onderzoeken, waar hij tegen aan gestoten was, bemerkte hij in de rots een uitgehouwen nis, in de vorm van een poort. Hij ging er op af, en zag dat het inderdaad een verborgen poort was, zonder slot of grendel, in de rots zelf uitgehouwen en slechts zichtbaar door de fijne naden die er omheen liepen. Door een beweging die heel natuurlijk was in een dergelijk geval, stiet hij er tegen aan, zonder eigenlijk te denken dat de deur onder zijn druk zou opengaan. Hij was dan ook hoogst verbaasd toen hij vaststelde, dat zij meegaf onder zijn hand en in haar voegen draaide, alsof zij op pas geoliede scharnieren rustte.

Zonder veel na te denken bij wat hij deed, trad hij met zijn pijl in de hand binnen in de geleidelijk omlaag lopende galerij, waartoe die deur toegang gaf. Maar nauwelijks had hij de drempel overschreden, of de deur, als bewogen door haar eigen kracht, viel weer dicht en sloot de ingang van de galerij volkomen af. En hij bevond zich in een volslagen duisternis. Vergeefs trachtte hij de deur weer open te doen, maar hij slaagde er slechts in zijn hand pijn te doen en zijn nagels te scheuren.

Daar er niet meer aan te denken viel weg te komen en omdat hij een dapper hart bezat, aarzelde hij nu niet langer, dieper door te dringen in de duisternis, door de lichte helling van de galerij te volgen. Weldra zag hij een licht schijnen, waar hij op afsnelde. En hij bevond zich bij de uitgang van de galerij, en zag plotseling dat hij onder de blote hemel stond, tegenover een groene vlakte, met in het midden een prachtig paleis.

Nog voordat hij de tijd had de bouw van dit paleis te bewonderen, kwam er een dame uit, die op hem toetrad, omringd door een groep andere dames, van wie zij ongetwijfeld de meesteres was, alleen al te oordelen naar haar wonderbare schoonheid en haar majestueuze houding. Zij was gekleed in stoffen die niets werkelijks hadden en droeg haar haren losgeknoopt, zodat zij tot aan haar voeten golfden. Met lichte tred kwam zij nader, tot de ingang van de galerij en terwijl zij haar handen met een gebaar vol tederheid uitstak, zei ze: ‘Wees hier welkom, ach prins Hosein!’ De jonge prins die zich diep gebogen had toen hij haar zag, was uitermate verbaasd dat hij zich zo bij zijn naam hoorde noemen door een dame, die hij nog nooit gezien had en die in een land leefde waarvan hij nog nooit had horen spreken, hoewel het zo dicht bij de hoofdstad van het koninkrijk was. Hij wilde al zijn mond opendoen om zijn verbazing te kennen te geven, toen de prachtige jonge vrouw tegen hem zei: ‘Ondervraag mij niet! Ik zal zelf wel aan uw gewettigde nieuwsgierigheid voldoen, wanneer wij in mijn paleis zijn.’

Glimlachend nam zij hem bij de hand en bracht hem door de lanen naar de ontvangstzaal, die met een marmeren portiek op de tuin uitkwam. Daar liet zij hem naast zich op de sofa zitten, midden in de versierde zaal. Terwijl zij zijn hand in haar beide handen vasthield, zei ze hem: ‘Ach bekoorlijke prins Hosein, uw verbazing zal ophouden, wanneer u zult weten dat ik u sinds uw geboorte ken en boven uw wieg geglimlacht heb. Ik ben immers een djinn-prinses, de dochter van de koning van de djinn en mijn lot is aan het uwe verbonden. Ik heb in Samarkand die wonderbare appel die je gekocht hebt, te koop laten aanbieden en in Bisjangar het gebedskleedje dat uw broer Ali daar vandaan heeft meegenomen en in Sjiraz de ivoren buis die uw broer Hasan er gevonden heeft. Dit moet dan ook voldoende zijn, om u te laten begrijpen, dat niets wat u betreft, mij onbekend is. Daar nu mijn lot aan het uwe verbonden is, heb ik gemeend dat u een groter geluk waard bent, dan dat van echtgenoot van uw nicht Noer an-Nahar. Dit is de reden waarom ik uw pijl heb laten verdwijnen en die tot hier gevoerd heb, om uzelf hierheen te lokken. Nu ligt het alleen aan u dat u uw geluk niet weg laat glippen!’

Na deze woorden te hebben uitgesproken op een toon, van grote tederheid doordrongen, sloeg de schone djinn-prinses de ogen neer, terwijl zij hevig bloosde. En haar jeugdige schoonheid werd er slechts kostelijker door. Prins Hosein, die best wist dat zijn nicht Noer an-Nahar hem niet meer kon toebehoren, en die wel zag, hoezeer de djinn-prinses haar de loef afstak in bekoorlijkheden, in lieflijkheid en in geest en rijkdommen, vooral naar wat hij kon vermoeden door wat hij zojuist gezien had en door de pracht van het paleis waar hij zich bevond. Hij kon slechts zijn lot prijzen, dat hem aan de hand gevoerd had tot deze zo nabije en toch zo onbekende plaats. Terwijl hij zich voor de mooie djinn boog, zei hij haar: ‘Ach prinses van de djinn, ach dame vol schoonheid, ach soevereine! Dat het geluk de slaaf van uw ogen en de geboeide door uw volmaaktheid te zijn, mij overkomen is, dat is iets wat mij, vanwege het menselijke wezen dat ik ben, van mijn verstand berooft! Ach, hoe kan een dochter van de djinn haar blikken werpen op een minderwaardige adamszoon en aan hem de voorkeur geven boven de onzichtbare koningen die de landen van de lucht en de onderaardse streken regeren? Maar, ach prinses, bent u boos op uw ouders en bent u in dit paleis komen wonen om te mokken, waar u mij zonder toestemming van de koning van de djinn, uw vader, en de koningin van de djinn, uw moeder en uw overige verwanten ontvangt? Wellicht zal ik in dat geval een oorzaak van problemen en een voorwerp van last en verveling voor u zijn.’

Terwijl hij zo sprak, boog prins Hosein tot op de grond en kuste uit eerbied de zoom van het kleed van de djinn-prinses, die hem overeind hief en hem bij de hand nam met de woorden: ‘Weet, ach prins Hosein, dat ik mijn eigen meesteres ben en dat ik altijd handel zoals ik zelf verkies, en nooit duld dat wie dan ook onder de djinn zich bemoeit met wat ik doe of van plan ben te doen. Jij kunt dus gerust zijn en niets anders dan datgene wat ons geluk brengt, kan ons nog overkomen.’ En zij ging voort: ‘Wil je mijn echtgenoot worden en veel van mij houden?’

Nu riep prins Hosein uit: ‘Of ik dat wil? Maar ik zou er mijn hele leven voor geven, om één dag te mogen doorbrengen, niet alleen als uw echtgenoot, maar als de minste van uw slaven!’

Na zo gesproken te hebben, wierp hij zich aan de voeten van de mooie djinn, die hem weer ophief en zei: ‘Nu dit zo is, aanvaard ik je als echtgenoot en ben ik voortaan je vrouw!’ Zij vervolgde: ‘Daar je honger zult hebben, moeten wij nu maar samen onze eerste maaltijd gaan gebruiken.’

Hierop bracht zij hem in een tweede zaal, nog veel sierlijker dan de eerste, verlicht door een ontelbaar aantal met amber geparfumeerde kaarsen, geplaatst in een symmetrie die aangenaam voor het oog was. Zij zette zich met hem voor een heerlijke gouden schaal, bedekt met spijzen van een hartverheugend voorkomen. Dadelijk liet zich bij de klank van harmonische instrumenten een koor van vrouwenstemmen horen, dat uit de hemel zelf scheen neer te dalen. De mooie djinn begon nu met haar eigen handen haar nieuwe echtgenoot te bedienen en hem de lekkerste brokjes aan te bieden van de spijzen, die zij hem de een na de ander noemde. De prins vond die spijzen, waar hij nog nooit van had horen spreken, even heerlijk als de wijnen, de vruchten, de gebakjes en de confituren, allemaal dingen waarvan hij nog nooit iets soortgelijks op de feesten en bruiloften van de menselijke wezens geproefd had.

Toen de maaltijd afgelopen was, gingen de mooie djinn-prinses en haar echtgenoot in een derde zaal zitten, die met een koepel overdekt was en nog mooier leek dan de voorgaande. Zij leunden met hun rug tegen de kussens van prachtig gebloemde zijde van verschillende kleuren en in schitterende verfijning met de naald bewerkt. Dadelijk kwam een groot aantal danseressen, dochters van djinns, de zaal binnen en dansten een verrukkelijk stukje met de lichtheid van vogels. Tegelijkertijd klonk er muziek die, onzichtbaar maar aanwezig, van bovenaf naar beneden toe hoorbaar werd. De dans ging voort, totdat de mooie djinn opstond, evenals haar echtgenoot.

Op het ritme van harmonieuze passen verlieten de danseressen de zaal, als een vlucht sluiers, en liepen voor de jonggehuwden uit, tot naar de deur van de kamer waarin het huwelijksbed gereed stond. Zij stelden zich daar in een haag op, opdat het paar kon binnengaan en trokken zich vervolgens terug en lieten hen vrij om te gaan liggen of te gaan slapen. De twee jonggehuwden gingen in het geparfumeerde bed liggen. Volstrekt niet om te slapen, maar om zich te amuseren. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 812e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Prins Hosein kon op die manier proeven en vergelijken. En hij vond in die djinn een voortreffelijke maagd, die noch van dichtbij, noch van verre ooit geëvenaard was door de heerlijkste van de jongedochters van de mensen. Toen hij opnieuw wilde proeven van haar onvergelijkelijke bekoorlijkheden, vond hij de plek even intact alsof hij het nooit aangeraakt had. Hij begreep toen, dat bij de dochters van de djinn de maagdelijkheid zich, al naar gelang het nodig was, telkens weer herstelde. Hij verlustigde zich over deze vondst, tot aan de grens van alle verlustiging. Meer en meer wenste hij zich geluk met zijn lot, dat hem aan de hand gevoerd had tot aan deze onverhoopte geschiedenis.

Zo bracht hij die nacht en nog heel wat volgende nachten en volgende dagen in de heerlijkheden van de uitverkorenen door. Het was allesbehalve zo dat zijn liefde door zijn bezit verminderde, integendeel het groeide voortdurend door al het nieuwe dat hij onophoudelijk ontdekte in zijn mooie djinn-prinses, evenals in de bekoorlijkheden van haar geest en in de volmaaktheden van haar persoon.

Welnu, na zes maanden van zulk een gelukkig leven, begon prins Hosein, die steeds een grote en kinderlijke genegenheid voor zijn vader gekoesterd had, er over te denken dat zijn langdurige afwezigheid hem wel in een grenzeloze smart gedompeld moest hebben, temeer daar zij onverklaarbaar was en hij voelde een hevig verlangen om hem terug te zien.

Zonder omwegen stelde hij zijn echtgenote, de djinn, hiervan op de hoogte, die aanvankelijk zeer verontrust was door dit besluit. Zij vreesde, dat het maar een voorwendsel was om haar in de steek te laten. Maar prins Hosein had haar zoveel bewijzen van gehechtheid en zoveel tekens van heftige hartstocht gegeven en ging voort met deze te geven en hij sprak haar met zoveel tederheid en zulk een welsprekendheid over zijn oude vader, dat zij zijn kinderlijke neigingen niet in de weg wilde staan. Terwijl zij hem omhelsde, zei ze tegen hem: ‘Ach mijn geliefde, stellig, als ik slechts naar mijn hart luisterde, zou ik er niet toe kunnen besluiten je uit onze woning te laten weggaan, al was het maar voor een dag of nog minder. Maar zozeer ben ik overtuigd van je gehechtheid aan mij en ik heb zulk een groot vertrouwen in de standvastigheid van je liefde en in de waarheid van je woorden, dat ik niet wil weigeren je verlof te geven je vader, de sultan, te gaan opzoeken. Maar alleen onder voorwaarde dat je afwezigheid niet van lange duur zal zijn en dat je mij daar een eed op doet, met de bedoeling mij gerust te stellen.’ Prins Hosein wierp zich aan de voeten van zijn echtgenote, de djinn, om haar te tonen hoezeer hij doordrongen was van dankbaarheid voor haar goedheid ten aanzien van hem. Hij zei: ‘Ach soevereine, ach dame van de schoonheid, ik ken de prijs van de genade die je mij verleent en ik kan je niet zeggen hoe ik je daarvoor dank, maar wees ervan overtuigd, dat ik het des te hoger schat. Ik zweer je dan ook bij mijn hoofd, dat mijn afwezigheid van korte duur zal zijn. Als ik van je hou, zoals ik van je hou, hoe zou ik dan langer kunnen wegblijven dan noodzakelijk is om naar mijn vader te gaan en terug te komen? Stel je ziel dus gerust en verkoel je ogen, want ik zal heel de tijd aan jou denken en er zal mij niets onaangenaams overkomen. Met Gods wil!’ Deze woorden van prins Hosein deden het laatste om de ongerustheid van de bekoorlijke djinn te kalmeren en terwijl zij haar echtgenoot opnieuw omhelsde, antwoordde zij: ‘Vertrek dan, ach mijn geliefde, onder de hoede van God en kom in goede gezondheid bij mij terug. Maar van tevoren verzoek ik je goed te vinden dat ik je een paar raadgevingen verstrek over de manier waarop je je gedurende je afwezigheid, in het paleis van je vader moet gedragen. In de eerste plaats geloof ik, dat je er erg voor moet oppassen tegen de sultan, je vader, of tegen je broers over ons huwelijk te spreken, of over mijn hoedanigheid van dochter van de koning van de djinn, of over de plaats waar wij wonen, of over de weg die er heen voert. Maar zeg hun allen, dat ze er genoegen mee moeten nemen alleen maar te vernemen dat je volmaakt gelukkig bent, dat aan al je verlangens voldaan is, dat je niets verder wenst dan te blijven leven in het geluk waarin je leeft. De enige reden die je bij hen terugbrengt is, dat je uitsluitend hun ongerustheid over je lot, waarin ze misschien verkeren, wilt wegnemen.’

Na zo gesproken te hebben, gaf de djinn haar echtgenoot twintig welbewapende, welgezadelde en weluitgeruste djinnridders en ze liet hem een paard brengen dat zo mooi was, dat zijns gelijke in het paleis en het koninkrijk van zijn vader niet te vinden was.

Toen alles gereed was, nam prins Hosein zijn echtgenote, de djinn-prinses, omhelsde haar, en hernieuwde de belofte die hij haar gedaan had om dadelijk terug te komen. Daarna trad hij op het sierlijke paard toe, streelde het met de hand, sprak het toe in zijn oor, kuste het en sprong met een sierlijk gebaar in het zadel. Zijn echtgenote zag het en bewonderde hem.

Nadat zij elkaar een laatste vaarwel hadden toegewuifd, vertrok hij aan het hoofd van zijn ridders.

Daar nu de weg die naar de hoofdstad van zijn vader voerde, niet lang was, bereikte prins Hosein spoedig de ingang van de stad. Het volk dat hem herkende, was gelukkig hem terug te zien en ontving hem met gejuich en begeleidde hem met vreugdekreten tot aan het paleis van de sultan.

Toen zijn vader hem zag, was hij gelukkig en ontving hem in zijn armen, terwijl hij weende en in zijn vaderlijke tederheid klaagde over de smarten en het verdriet waarin zo’n lange en onverklaarbare afwezigheid hem gedompeld had. Hij zei tegen hem: ‘Ach mijn zoon, ik geloofde al dat mij nooit de troost vergund zou zijn je terug te zien! Ik had inderdaad reden te geloven dat je, tengevolge van de beslissing van het lot ten voordele van je broer Hasan, tot de een of andere wanhoopsdaad was overgegaan.’ Prins Hosein antwoordde: ‘Stellig, ach beste vader, trof het verlies van prinses Noer an-Nahar, mijn nicht, van wie de verovering het enige voorwerp van mijn wensen geweest was, mij wreed genoeg. De liefde is een hartstocht die men niet prijs geeft wanneer men wil, vooral omdat het een gevoel is dat je overheerst, je de baas is en dat je niet de tijd gunt om je toevlucht te nemen tot raadgevingen van het verstand. Maar, ach beste vader, je bent ongetwijfeld niet vergeten, dat toen ik mijn pijl afschoot bij de wedstrijd met mijn broers op het plein, dit ongewone en onverklaarbare geval mij overkwam, dat mijn pijl, op een open en onafgebroken vlakte afgeschoten in tegenwoordigheid van u en van de overige aanwezigen, ondanks alle nasporingen niet teruggevonden kon worden. Welnu, hierdoor overtuigd van mijn noodlottige tegenspoed, wilde ik mijn tijd niet met klachten verspillen, alvorens mijn ongeruste geest volledig te hebben ingelicht over dit avontuur, dat ik niet begreep. Gedurende de huwelijksplechtigheden van mijn broer ging ik dus weg zonder dat iemand het merkte en keerde ik alleen naar het plein terug, om te trachten mijn pijl te vinden. Ik begon die te zoeken, door in rechte lijn voort te lopen in de richting die ik veronderstelde dat hij had moeten volgen, terwijl ik naar alle kanten, hier en daar, links en rechts uitkeek. Maar mijn nasporingen waren vruchteloos. Ik liet mij echter daardoor niet uit het veld slaan. Ik zette mijn tocht verder voort, steeds maar van de ene kant naar de andere spiedend, terwijl ik de moeite nam, de kleinste kleinigheden die van dichtbij of van verre op een pijl leken, te verkennen en te onderzoeken. Op die wijze liep ik over een hele lange afstand en uiteindelijk begon ik te overleggen, dat het onmogelijk was dat een pijl, al werd ze afgeschoten door een arm die duizendmaal sterker was dan de mijne, zover had kunnen komen. Ik vroeg mij af, of ik tegelijk met mijn pijl misschien mijn verstand verloren had. Ik was er al bijna klaar voor mijn onderneming op te geven, vooral toen ik zag dat ik aangekomen was bij een reeks rotsblokken, die de horizon volkomen afsloten. Maar plotseling ontdekte ik aan de voet van een van die rotsblokken mijn eigen pijl, volstrekt niet met de punt in de grond gedrongen, maar op zekere afstand van de rots liggend, waar ze tegenaan geslagen moest zijn.

Die ontdekking wekte bij mij echter grote verbazing, in plaats van vreugde, want redelijkerwijs kon ik mij niet voorstellen dat ik in staat was een pijl zo ver af te schieten. Toen, ach beste vader, kreeg ik de verklaring van dit geheimzinnige voorval en van al wat mij op mijn reis naar Samarkand overkomen is. Maar dat is een geheim dat ik u helaas niet kan openbaren, zonder mijn eed te schenden. Al wat ik u daarover vertellen kan, ach beste vader, is, dat ik van dat ogenblik af, zowel mijn nicht als mijn nederlaag en al mijn narigheden vergat en de effen banen van het geluk betrad. Voor mij begon een leven vol heerlijkheden, dat slechts verstoord werd door de scheiding van mijn vader die ik boven alles op deze wereld liefheb en door het gevoel dat ik had, dat hij ongerust over mij moest zijn. Ik geloofde toen dat het mijn kinderplicht was u te komen bezoeken en u gerust te stellen. Dit dan, ach beste vader, is de enige reden van mijn komst.’

Toen de sultan deze woorden van zijn zoon vernomen had en begreep dat hij het geluk en niets anders bezat, antwoordde hij: ‘Ach mijn zoon, wat kan een liefhebbende vader meer voor zijn kind verlangen? Stellig, ik zou je veel liever, gedurende de jaren van mijn ouderdom, in dat geluk zien leven in mijn nabijheid en niet op een plek waarvan ik de ligging en zelfs het bestaan niet ken. Maar, mijn zoon, kun je mij tenminste niet vertellen waar ik voortaan naar toe moet gaan, om vaker nieuws van je te vernemen en niet meer in deze toestand van ongerustheid te verkeren, waarin je afwezigheid mij gebracht heeft?’

Prins Hosein antwoordde: ‘Wat uw gemoedsrust betreft, ach beste vader, weet dat ik daar zelf voor waken zal, door zo vaak naar u toe te komen, dat ik bijna bang zal zijn dat het te vaak zal worden. Maar wat uw vraag betreft, u de plek aan te geven waar u berichten over mij kunt inwinnen, ik smeek u, mij ervan te ontslaan u die bekend te maken, want dat is een geheim van de trouw die ik gezworen heb en van de eed waaraan ik mij houden moet.’

Daar de sultan niet verder hierop wilde aandringen zei hij tegen prins Hosein: ‘Ach mijn zoon, God behoede mij ervoor, nog verder tegen je zin in dit geheim te willen doordringen. Je kunt, zodra je wilt, terugkeren naar dat verblijf van de heerlijkheden waar je woont. Alleen wil ik je vragen, je vader eveneens een belofte te doen en wel deze: dat je mij elke maand één keer komt opzoeken, zonder de vrees dat het mij, zoals je zegt, te vaak is of dat je mij lastig valt. Want welke bezigheid kan een liefhebbende vader dierbaarder zijn, dan die van zijn hart te warmen aan het bezoek van zijn kinderen en zijn ziel te verfrissen met hun aanwezigheid en zijn ogen te verblijden met hun aanblik?’ Prins Hosein antwoordde hierop met ja en met gehoorzaamheid. Toen hij de gevraagde eed gezworen had, bleef hij drie volle dagen in het paleis, waarna hij afscheid nam van zijn vader, om heel vroeg op de morgen van de vierde dag, aan het hoofd van zijn ridders, de zoons van de djinns, te vertrekken zoals hij gekomen was. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 813e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Met oneindig veel vreugde ontving zijn echtgenote, de mooie djinn, hem en met een plezier dat des te groter was, daar zij niet verwacht had, hem zo snel terug te zien. Zij vierden samen deze gelukkige terugkomst door op de meest aangename en meest verschillende manieren met elkaar te minnekozen.

Van die dag af spaarde de mooie djinn niets, haar echtgenoot het verblijf in die betoverde woning zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Voortdurende afwisseling was er in de wijze waarop zij zich buiten vertraden, waarop zij wandelden, aten, dronken, zich amuseerden, de danseressen zagen dansen, de zangeressen hoorden zingen, naar de instrumenten van harmonie luisterden, gedichten reciteerden, de geur van de rozen opsnoven, zich met de bloemen uit de tuin versierden, de mooie rijpe vruchten zelf van de takken plukten en het onvergelijkelijke spel van de gelieven speelden, dat het schaakspel in bed is, door rekening te houden met de knappe combinaties waarvoor dit delicate spel vatbaar is.

Na verloop van een maand met dit heerlijke leven, zag prins Hosein, die zijn echtgenote al op de hoogte gebracht had van de belofte welke hij de sultan zo gaarne gedaan had, zich wel verplicht hun genoegens te onderbreken en afscheid te nemen van de bedroefde djinn. Nog prachtiger uitgerust en aangekleed dan de vorige keer, steeg hij op zijn prachtige ros en stelde zich aan het hoofd van de zoons van de djinns, zijn ridders om zijn vader, de sultan, te gaan bezoeken.

Welnu, toen hij de eerste maal het paleis van zijn vader verlaten had, hadden de meest geliefde raadslieden van de sultan zich uit de praal, welke hij had vertoond gedurende de drie dagen die hij in het paleis doorbracht, zich een oordeel gevormd over de macht van prins Hosein en zijn onbekende rijkdommen. Gedurende zijn afwezigheid hadden zij niet nagelaten misbruik te maken van de vrijheid die de sultan hen gaf, om tegen hem te spreken en van het overwicht dat zij op zijn geest gekregen hadden en hadden zij getracht allerlei verdenkingen tegen zijn zoon bij hem te laten opkomen en om hem te laten geloven dat de prins jaloers op hem was. Zij hielden hem voor dat de meest elementaire voorzichtigheid hem gebood, op zijn minst te weten op welke plek de schuilplaats van zijn zoon was en waar deze al het nodige goud vandaan haalde voor dergelijke uitgaven als die welke hij gedurende zijn verblijf gedaan had en voor de praal die hij verkozen had ten toon te spreiden. Dit enkel maar met de bedoeling, zeiden ze, zijn vader de ogen uit te steken en te tonen dat hij zijn vrijgevigheid of zijn voogdij niet nodig had, om als een prins te kunnen leven. Zij zeiden tegen hem, dat het zeer te vrezen was dat hij zich populair zou maken en de trouwe onderdanen in opstand zou laten komen tegen hun soeverein, om hem te onttronen en zijn plaats in te nemen.

Maar hoewel die woorden hem al een weinig getroffen hadden, wilde de sultan volstrekt niet geloven dat zijn zoon Hosein, zijn meest geliefde kind, in staat was tegen hem samen te zweren en zulk een gemeen plan te smeden als het genoemde. Hij antwoordde dus zijn geliefde raadsheren: ‘Ach jullie, van wie de tong twijfel en verdachtmaking afscheidt, weten jullie dan niet dat mijn zoon Hosein van mij houdt en dat ik des te zekerder van zijn tederheid en zijn trouw ben, daar ik hem nooit de geringste reden gegeven heb, ontevreden over mij te zijn?’

Maar de invloedrijkste van de raadsheren hernam: ‘Ach koning van deze tijd, moge God u een lang leven verlenen! Maar gelooft u dan, dat prins Hosein dat wat hij als een onrechtvaardigheid van uw kant beschouwt, betreffende de uitspraak van het lot aangaande prinses Noer an-Nahar, zo vlug vergeten is? Denkt u niet dat, zoals duidelijk blijkt, prins Hosein niet bepaald van zins is de uitspraak van het lot gehoorzaam te accepteren in plaats van het voorbeeld van zijn oudere broer te volgen. Zijn broer, die, liever dan in opstand te komen tegen dat wat geschreven staat, er de voorkeur aan gegeven heeft het derwisjkleed aan te trekken en zich onder de geestelijke leiding te stellen van een heilige sjeik, ervaren in de kennis van het Boek. Bovendien, ach beste meester, heeft u niet al vóór ons opgemerkt, sinds prins Hosein aangekomen is, dat hij en zijn lieden helemaal nieuw zijn en dat hun kleding en de ornamenten en de dekkleden van hun paarden net zo blinken alsof ze zojuist uit de handen van de werkman kwamen? En heeft u niet gemerkt dat de paarden zelf droog en glimmend van haar en niet uitgeputter zijn dan in het geval ze van een eenvoudig wandelingetje terugkwamen? Welnu, dat alles dient, ach koning van deze tijd, om u te bewijzen dat prins Hosein zijn geheime residentie vlak bij uw hoofdstad gevestigd heeft, om beter klaar te staan zijn verderfelijke plannen ten uitvoer te brengen, troebelen onder het volk te zaaien en zich over te geven aan zijn opstandige praktijken. Wij zouden dus in onze plicht tekort geschoten zijn, ach grote koning, als wij niet de wrede verplichting op ons genomen hadden, uw aandacht te vestigen op een zaak die even delicaat als belangrijk en gewichtig is, opdat u ertoe besluiten kunt, over uw eigen behoud en het welzijn van uw trouwe onderdanen te waken.’

Toen de raadsheer deze toespraak vol boosaardigheid en verdachtmaking beëindigd had, zei de sultan hem: ‘Ik weet in waarheid niet, wat ik van deze verrassende dingen wel of niet geloven moet. In ieder geval ben ik u allen zeer verplicht voor uw mening en in de toekomst zal ik mijn ogen beter open houden.’ Hij liet hen gaan, zonder hen teveel te laten merken, hoe hun woorden hem inwendig beïnvloed en verontrust hadden. Hij besloot echter de daden en stappen van zijn zoon Hosein bij zijn eerstvolgende terugkomst goed gade te slaan, om hen op zekere dag, hetzij te kunnen straffen, hetzij te kunnen danken voor hun welgemeende raad.

Welnu, het duurde niet lang, of prins Hosein kwam volgens zijn belofte weer thuis. De sultan, zijn vader, ontving hem met dezelfde vreugde en dezelfde voldoening als de eerste maal, terwijl hij er wel voor oppaste, hem niets te laten merken van de verdenking, die de ministers welke het op zijn verderf voorzien hadden, in zijn geest hadden gewekt. Maar de volgende dag riep hij een oude vrouw, die in het paleis bekend stond om haar toverkunst en haar boosaardigheid, en die in staat was de draden van een spinnenweb te ontwarren, zonder ze te breken. Toen zij voor hem stond, zei hij tegen haar: ‘Ach oudje vol zegening, dit is de dag waarop je mij het bewijs kunt leveren van je toewijding aan de belangen van je koning. Weet dan, dat, sinds ik mijn zoon Hosein heb teruggevonden, ik het niet van hem gedaan heb kunnen krijgen, mij te vertellen waar hij zich gevestigd heeft. Om hem niet te hinderen, heb ik ook mijn autoriteit niet willen gebruiken om hem tegen zijn zin zijn geheim te laten bekendmaken. Ik heb je dan ook laten roepen, ach koningin van de heksen, omdat ik meen dat je handig genoeg bent, het zo aan te leggen, dat aan mijn nieuwsgierigheid voldaan wordt, zonder dat mijn zoon of iemand in het paleis er achter komt dat dit gebeurd. Ik verzoek je dus al je geslepenheid en je verstand, dat ongeëvenaard is, in het werk te stellen, om mijn zoon na te gaan zodra hij vertrokken is. Dat zal morgenvroeg bij het aanbreken van de dag het geval zijn. Of misschien doe je nog beter, met vandaag al, zonder tijd te verliezen, naar de plek te gaan waar hij zijn pijl gevonden heeft, vlak bij de reeks rotsen die de vlakte in het Oosten afsluit. Daar heeft hij namelijk tegelijk met de pijl zijn bestemming gevonden.’

De oude toverkol antwoordde met ja en met gehoorzaamheid en vertrok om zich naar de rotsen te begeven en zich daar te verstoppen, zodat zij alles kon zien, zonder gezien te worden.

Welnu, de volgende dag verliet prins Hosein met zijn ruiters het paleis, al bij het aanbreken van de dag, om de aandacht van de officieren en voorbijgangers niet te trekken. Toen hij was aangekomen voor de groeve waar de stenen poort was, verdween hij daarin met allen die hem begeleidden. De oude toverkol zag dat alles en was verbaasd tot de uiterste grens van de verbazing.

Toen zij van haar ontsteltenis bijgekomen was, kwam zij uit haar schuilhoek te voorschijn, en ging recht op de kloof af, waarin zij de mannen en paarden had zien verdwijnen. Maar ondanks haar ijver, en hoewel zij alle kanten uitkeek en heen en weer liep, bemerkte zij geen enkele opening en geen enkele ingang. Want de stenen poort, die bij zijn eerste aankomst voor prins Hosein zichtbaar geweest was, bleek dit slechts voor bepaalde mensen te zijn, van wie de tegenwoordigheid de mooie djinn aangenaam was, maar nooit en in geen geval was deze poort zichtbaar voor vrouwen en al helemaal niet voor lelijke oudjes, die verschrikkelijk waren om aan te zien.

In haar woede dat zij haar nasporingen niet verder kon voortzetten, wist zij haar gemoed niet anders lucht te geven, dan door een wind te laten, die de keien deed opspringen en een wolk van stof deed opwaaien. Met een heel lang gezicht van teleurstelling, kwam zij bij de sultan terug, om hem rekenschap te geven van al wat zij gezien had, terwijl zij eraan toevoegde: ‘Ach koning van deze tijd, ik heb alle hoop de volgende keer beter te slagen. Ik vraag u alleen, mij het krediet van een weinig geduld te willen geven, en volstrekt geen navraag te doen naar de middelen waarvan ik van plan ben mij te bedienen.’

De sultan die al voldaan was over dit eerste resultaat, antwoordde het oudje: ‘Je hebt alle vrijheid om te handelen zoals je van zins bent. Ga onder Gods bescherming en ik zal hier met geduld het resultaat van je belofte afwachten.’

Als aanmoediging om goed te werk te gaan, gaf hij haar een prachtige diamant ten geschenke, met de woorden: ‘Neem dit als een teken van mijn voldoening. Maar weet dat het niets is, vergeleken bij datgene waarmee ik van plan ben je welslagen te belonen!’

Het oudje kuste uit eerbied de aarde tussen de handen van de koning en ging haars weegs.

Welnu, een maand na deze gebeurtenis kwam prins Hosein, net als de laatste keer, uit de stenen poort met zijn gevolg van twintig volledig uitgeruste ridders. Terwijl hij langs de rotsen reed bemerkte hij een arm vrouwtje, dat op de grond lag en op een erbarmelijke wijze kreunde, als iemand die door de een of andere hevige kwaal was overvallen. Zij was in lompen gekleed en huilde.

Door medelijden bewogen, hield prins Hosein zijn paard stil en vroeg zachtjes aan het oudje wat haar scheelde en wat hij doen kon om haar verlichting te schenken. Het slinkse oudje, dat zich daar juist was komen opstellen om het doel te bereiken dat zij zich voorgenomen had, antwoordde zonder het hoofd op te heffen, met een stem door zuchten en snikken onderbroken: ‘Ach mijn hulpvaardige heer, het is God die u zendt om mijn graf te laten delven, want ik ga sterven! Ach, mijn ziel gaat mij verlaten! Ach mijn heer, ik was uit mijn dorp vertrokken om naar de stad te gaan, en onderweg ben ik bevangen door een rode koorts, die mij hier zonder krachten heeft neergeworpen, ver van alle menselijke wezens en zonder hoop op hulp.’ Prins Hosein, van wie het hart medelijdend was, zei nu tegen het oudje: ‘Mijn goede tante, veroorloof twee van mijn mannen, u op te tillen en u te brengen naar de plek waarheen ik zelf even naar terugkeer, om je daar te laten verzorgen.’ Hij gaf twee van zijn leden een teken, het oudje op te tillen.

Zij deden dit, en een van hen zette haar achter zich op het paard. De prins keerde halverwege terug en kwam met zijn ridders bij de stenen poort, die open ging en hen binnen liet treden. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 814e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Toen de djinn-prinses hen op die wijze allen op hun schreden zag terugkomen, zonder dat zij begrijpen kon welke reden hen hiertoe gedwongen had, haastte zij zich haar echtgenoot tegemoet te snellen, die zonder af te stijgen, haar met zijn vinger het oudje aanwees, die er als een stervende uitzag en dat juist door twee ridders die haar onder de armen vasthielden, op de grond was neergezet.

Hij zei tegen haar: ‘Ach mijn soevereine, dit arme oudje is door God op onze weg geplaatst, in de erbarmelijke toestand waarin je haar ziet. Wij moeten haar dus helpen en bijstand bieden. Ik beveel haar daarom in je medelijden aan, en verzoek je alle zorgen aan haar te doen besteden, die je nodig zult oordelen.’

De djinn-prinses, die haar blikken op het oudje gevestigd hield, gaf haar vrouwen bevel haar uit de handen van de ruiters over te nemen en haar naar een afzonderlijk vertrek te brengen, waar zij met dezelfde voorkomendheid en dezelfde aandacht behandeld moest worden, alsof zijzelf het in eigen persoon was geweest.

Toen de vrouwen zich met het oudje verwijderd hadden, zei de mooie djinn al fluisterend tegen haar echtgenoot: ‘Moge God je het medelijden terugbetonen, dat uit een edelmoedig hart voortkomt! Maar je kunt van dit ogenblik af gerust zijn over dit oudje want ze is niet zieker dan mijn oog. Ik ken de reden die haar hier gevoerd heeft, wie de lieden zijn die haar ertoe gedreven hebben en het doel dat zij zich heeft gesteld toen zij zich op je weg plaatste. Maar wees onbevreesd hierover en wees er ten volle van overtuigd, dat wat men ook tegen je smeden mag met de bedoeling je te vernederen en je kwaad te doen, ik je zal weten te verdedigen door alle hinderlagen te verijdelen die men tegen je zal beramen.’

Na hem opnieuw omhelsd te hebben, zei ze hem: ‘Vertrek onder Gods bescherming!’

Prins Hosein, gewend om niet teveel uitleg aan zijn echtgenote, de djinn, te vragen, nam afscheid van haar en hervatte zijn tocht naar de hoofdstad van zijn vader, waar hij weldra met zijn gevolg aankwam. De sultan ontving hem net als gewoonlijk en liet tegenover hem en tegenover zijn raadsheren niets blijken van de gevoelens welke hem bezielden.

Wat de oude toverheks betreft, de twee helpsters van de mooie djinn brachten haar dus naar een mooi, afzonderlijk vertrek, en hielpen haar op een bed te gaan liggen waarvan de matrassen van geborduurd satijn, de lakens van fijne zijde en de dekens van goudlaken waren. Een van hen bood haar een kopje vol water uit de Leeuwenfontein, zeggende: ‘Hier heb je een kopje water uit de Leeuwenfontein, dat de hardnekkigste ziekten geneest en de stervenden hun gezondheid teruggeeft!’ De oude vrouw dronk het kopje leeg en enkele ogenblikken later riep zij uit: ‘Ach wonderbare vloeistof, daar ben ik al genezen, alsof men mijn pijn met tangen had uitgetrokken! Alstublieft, haast u mij naar uw meesteres te brengen, opdat ik haar voor haar goedheid bedanken kan en haar mijn erkentelijkheid kan betuigen.’ Zij ging overeind zitten, terwijl zij voorwendde hersteld te zijn van een kwaal. Een kwaal waaraan zij nooit geleden had. De twee dienaressen brachten haar nu door verschillende vertrekken, zonder uitzondering het ene nog mooier dan het andere, tot in de zaal waar hun meesteres zich bevond.

Welnu, de mooie djinn zat op een troon van massief goud, met edelstenen versierd, en omringd door een groot aantal eredames, die allen bekoorlijk en op even prachtige wijze als hun meesteres gekleed waren. Verblijd door alles wat ze zag, boog de oude toverkol zich aan de voet van de troon en stamelde haar dankbetuigingen.

De djinn zei tegen haar: ‘Ik ben blij, ach goede vrouw, dat je genezen bent, en je bent nu vrij, al de tijd die je wilt, in mijn paleis te blijven. Mijn vrouwen zullen zich tot je beschikking stellen, om je mijn paleis te laten zien.’

Na de grond voor de tweede maal uit eerbied gekust te hebben, kwam het oudje weer overeind en liet zich door twee jonge vrouwen meenemen, die begonnen met haar het paleis in zijn prachtige bijzonderheden te laten bezichtigen. Toen zij klaar waren met wandelen, zei ze bij zichzelf, dat het beter voor haar zou zijn zich terug te trekken, nu zij datgene gezien had wat zij wilde zien. Zij gaf dan ook de twee jonge vrouwen het verlangen hiertoe te kennen, na hen bedankt te hebben voor hun voorkomendheid. Dezen lieten haar door de stenen poort vertrekken en wensten haar een gelukkige reis.

Zodra zij weer midden tussen de rotsen stond, keerde zij zich om, om de plaats van de poort goed in zich op te nemen, om die weer te kunnen herkennen. Maar daar de poort onzichtbaar was voor vrouwen van haar soort, zocht zij er tevergeefs naar. Haar restte uiteindelijk niets anders dan er vandoor te gaan, zonder er in te kunnen slagen, de weg erheen terug te vinden. Toen zij in tegenwoordigheid van de sultan gekomen was, bracht zij hem verslag uit over al wat zij gedaan en al wat zij gezien had. Zij vertelde over de onmogelijkheid waarin zij geweest was en dat zij de ingang van het paleis niet terug had kunnen vinden.

Redelijk voldaan over haar uitleg, riep de sultan zijn ministers en zijn raadslieden bijeen, en bracht hen op de hoogte van de toestand, terwijl hij hun naar hun mening vroeg. Sommigen raadden hem aan, prins Hosein ter dood te brengen, terwijl zij hem voorhielden dat hij tegen zijn troon samenzweerde. Anderen waren van mening, dat het misschien beter was, zich van hem meester te maken, en hem voor het overige van zijn dagen op te sluiten.

De sultan wendde zich tot het oudje en vroeg haar: ‘En jij, wat denk jij er van?’

Ze zei: ‘Ach koning van deze tijd, ik geloof dat het beter is de betrekkingen die uw zoon met de djinn onderhoudt te gebruiken om de wonderbare dingen, zoals die welke zich in het paleis bevinden, van haar te vragen en te verkrijgen. Als hij dit weigert, of als zij het hem weigert, dan pas zal gedacht moeten worden aan het gewelddadige middel, dat de ministers u zojuist hebben aangegeven.’ De koning zei: ‘Daar is geen bezwaar tegen.’ Hij liet zijn zoon komen, en zei tegen hem: ‘Ach mijn zoon, daar je nu rijker en machtiger dan je vader geworden bent, kun je mij de volgende keer niet iets brengen dat mij plezier doet, bijvoorbeeld een mooie tent, die mij op jacht of in de oorlog dienen kan?’ Prins Hosein gaf het antwoord dat passend was, terwijl hij zijn vader de verzekering gaf van de vreugde die het hem verschaffen zou, als hij hieraan kon voldoen.

Toen hij terug was bij zijn vrouw, de djinn, deelde hij haar het verlangen van zijn vader mee, en zij antwoordde: ‘Bij God, dat wat de sultan ons vraagt, is maar een kleinigheid!’

Zij riep dadelijk haar schatbewaarster en zei tegen haar: ‘Ga de grootste tent halen, die er in mijn schatkamer is en zeg tegen je oppasser Sjeybar, dat hij mij die brengt!’ De schatbewaarster haastte zich het bevel ten uitvoer te brengen. Enkele ogenblikken later kwam zij terug, vergezeld van de oppasser van de schatkamer, die een djinn van heel bijzondere soort was. Hij was immers maar anderhalve voet lang, had een baard van dertig voet en een dikke snor die tot om zijn oren heen teruggebogen was. Zijn ogen waren als varkensoogjes, die diep in zijn kop begraven zaten, welke even groot waren als zijn lichaam. Hij droeg op zijn schouder een ijzeren stang die vijf maal meer woog dan hijzelf en in zijn andere hand hield hij een opgevouwen pakje. De djinn zei hem: ‘Ach Sjeybar, je moet dadelijk met mijn echtgenoot prins Hosein meegaan naar de sultan, zijn vader. En daar doe je, wat je te doen hebt!’ Sjeybar antwoordde met ja en met gehoorzaamheid, en vroeg: ‘En moet ik, ach meesteres, ook de tent meenemen, die ik hier in mijn handen houd?’ Ze zei: ‘Stellig, maar ontvouw hem eerst hier alvast, opdat prins Hosein hem kan zien.’ Sjeybar ging nu naar de tuin en vouwde het pakje dat hij droeg, open. Er kwam een tent uit, die, helemaal opgezet, een geheel leger beschutting kon bieden, en die de eigenschap bezat, groter of kleiner te worden, in overeenstemming met dat wat erdoor bedekt moest worden. En na hem op die wijze te hebben laten zien, vouwde hij hem weer op en maakte er een pakje van, dat hij met het holle van zijn hand kon omvatten. Daarop zei hij tegen prins Hosein: ‘Laat ons naar de sultan gaan.’

Welnu, toen prins Hosein, voorafgegaan door Sjeybar te voet, in de hoofdstad van zijn vader was aangekomen, snelden alle voorbijgangers, aangegrepen door schrik bij het zien van de dwerg-djinn, die met zijn ijzeren stang op de schouder kwam aanzetten, hun huizen en hun winkels binnen, waarvan zij haastig de deuren op slot deden. Toen zij bij het paleis aankwamen, gingen de portiers, de eunuchen en de wachten onder het slaken van angstkreten er vandoor. Met zijn beiden traden zij het paleis binnen, en meldden zich bij de sultan, die omringd zat door zijn ministers en zijn raadslieden en zich onderhield met de oude tovenares. Sjeybar liep tot aan de voet van de troon, wachtte tot prins Hosein zijn vader begroet had, en sprak: ‘Ach koning van deze tijd, ik breng u de tent!’ Hij vouwde hem midden in de zaal open, en begon hem te vergroten en te verkleinen, terwijl hij zich op een zekere afstand hield. Daarop zwaaide hij plotseling de ijzeren stang en liet deze op de kop van de grootminister neersuizen en sloeg hem met één slag dood. Daarop sloeg hij op dezelfde manier de andere ministers en alle raadsheren neer, terwijl deze, onbeweeglijk van ontzetting, zelfs niet de kracht meer hadden, hun arm op te heffen om zich te verdedigen. Hij sloeg vervolgens de oude heks dood, terwijl hij tegen haar zei: ‘Dat is om je te leren voor stervende te spelen!’

Toen hij op die manier iedereen had doodgeslagen, zette hij de ijzeren stang weer op zijn schouder en zei tegen de koning: ‘Ik heb ze gedood, om ze te straffen voor hun slechte raad. Wat u betreft, ach koning, daar jij zwak van geest bent en er alleen aan gedacht hebt prins Hosein te doden of gevangen te zetten omdat die lieden daar u ertoe hebben opgehitst, spaar ik u maar voor hetzelfde lot. Maar ik verklaar dat u ontheven bent uit uw koningschap. Als iemand in de stad er over peinst te protesteren, zal ik hem doodslaan. Ik zal zelfs heel de stad doodslaan, als ze weigert prins Hosein als haar koning te erkennen. En nu naar beneden met je, en smeer hem, anders sla ik je toch nog dood!’ De koning haastte zich te gehoorzamen. Na van zijn troon geklommen te zijn, verliet hij het paleis en ging in eenzaamheid leven bij zijn zoon Ali, onder de gehoorzaamheid van de heilige derwisj.

Wat prins Hasan en zijn echtgenote Noer an-Nahar betreft, daar zij part noch deel hadden gehad aan de samenzwering, wees prins Hosein, toen hij koning geworden was, hun de mooiste provincie van het koninkrijk tot erfdeel aan, en ging hij voort op de beste voet met hen te verkeren. En prins Hosein leefde met zijn echtgenote, de mooie djinn, in alle heerlijkheid en voorspoed. En beiden lieten zij een talrijke nakomelingschap na, die gedurende jaren en jaren na hun dood regeerde. Maar God is Allerwijzer!”

 

Sjahrzad zweeg, na deze geschiedenis verteld te hebben.

 

Haar zus Donyazad zei haar daarop: “Ach lieve zus, wat zijn je woorden toch zoet en smakelijk en heerlijk!” Sjahrzad glimlachte en sprak: “Maar het is weinig, vergeleken bij wat ik je nog vertellen zal, als de koning het mij toestaat!” Doch koning Sjahriar zei bij zichzelf: “Wat zou ze mij nog kunnen vertellen, wat ik niet ken?” En hij zei tegen Sjahrzad: “Je hebt mijn verlof!” Sjahrzad vertelde nu:

 

Geschiedenis van Parelentuil

 

“Er wordt verhaald in de annalen van de geleerden en in de boeken van het verleden, dat de emir van de gelovigen al-Motazid Billah, de zestiende kalief van het huis van Abbas, kleinzoon van al-Motawakil, achterkleinzoon van Haroen ar-Rasjid. Hij was een begaafd vorst met een verheven ziel, met een onverschrokken hart en met de edelste gevoelens. Hij was vol bekoorlijkheid en bevalligheid, adel en gratie, kloekheid en dapperheid, majesteit en schranderheid. Hij had de kracht en moed van leeuwen, en was bovendien begiftigd met een zo verfijnde geest, dat hij beschouwd werd als de grootste dichter van zijn tijd. Hij had in Bagdad, zijn hoofdstad, om hem bij te staan in het besturen van de zaken van zijn ontzaglijk rijk, zestig ministers, vervuld van onvermoeibare ijver, die over de belangen van het volk waakten, met dezelfde ononderbroken toewijding als hun meester. Daardoor kwam het, dat hem niets, zelfs niet het ogenschijnlijk onbeduidendste voorval verborgen bleef, van alles wat onder zijn bestuur gebeurde. De gebieden waarover hij bestuurde strekten zich uit van de woestijnen van Sjam, ofwel Syrië, tot aan de verre grenzen van Marokko en van de bergen van Khorasan en de westelijke zee tot aan de uiterste grenzen van Indië en Afghanistan.

Op zekere dag was hij aan het wandelen met Ahmad, zoon van Hamdoen, de verteller, zijn intieme en uitverkoren drinkgenoot. Hij was dezelfde aan wie wij de mondelinge overdracht danken van zoveel prachtige geschiedenissen en verrukkelijke verzen van onze voorvaderen. Hij kwam voor een woning die voornaam van aanzien was en lommerrijk lag midden in de tuinen. De evenredige bouwstijl getuigde van de smaak van de eigenaar. Het was bevalliger dan de welsprekendste tong het zou hebben beschreven, want voor hem, die evenals de kalief, gevoelige ogen en een opmerkzame ziel had, was deze woning de welsprekendheid zelf.

Beide mannen namen plaats op een marmeren bank recht tegenover het huis en rustten uit van hun wandeling, terwijl zij de koelte inademden die hun toewoei, doorgeurd van de ziel van leliën en jasmijn. Zij zagen twee jongelingen, komend uit de schaduwen van de tuin, voor hun ogen verschijnen, mooi als de maan in de veertiende nacht. Deze twee waren met elkaar in gesprek zonder de aanwezigheid te bemerken van de beide vreemdelingen die op de marmeren bank zaten. De een zei tot zijn metgezel: ‘Geve de hemel, ach mijn vriend, dat op deze prachtige dag gasten, door het toeval hier gebracht, onze meester komen bezoeken. Hij is bedroefd, dat het uur van de maaltijd is genaderd, zonder dat iemand gekomen is om hem gezelschap te houden, terwijl hij toch gewend is altijd vrienden en vreemdelingen aan zijn zijde te hebben, die hij met vreugde onthaalt en met luister gastvrijheid verleent.’

De andere jongeling antwoordde: ‘Inderdaad, het is de eerste keer, dat zoiets gebeurt en dat onze meester zich alleen in de feestzaal bevindt. Het is vreemd dat, ondanks de zachtheid van deze lentedag, geen enkele wandelaar als doel van zijn verpozing onze tuinen heeft gekozen, die zo prachtig zijn en die men gewoonlijk komt bezoeken vanuit de verste oorden van de gewesten.’ De woorden van de beide jongelingen horend was al-Motazid ten hoogste verbaasd te vernemen, niet alleen dat in zijn hoofdstad een landheer van hoge rang leefde, van wie het verblijf hem tot nu toe onbekend was, maar bovendien dat deze landheer zo’n zonderling leven leidde en er niet van hield gedurende de maaltijden alleen te zijn. Hij dacht: ‘Bij God, ik die kalief ben, ik ben dikwijls graag alleen met mijzelf en ik zou in de kortste tijd sterven, als ik voortdurend een vreemdeling aan de zijde van het mijne zou moeten zien, want de eenzaamheid is bij wijle onschatbaar.’

Daarop zei hij tot zijn trouwe gezel: ‘Ach, zoon van Hamdoen, ach verteller met de tong van honing, jij die alle geschiedenissen van het verleden kent en op de hoogte bent van alle gebeurtenissen van het heden, wist jij van het bestaan van de man, die eigenaar is van dit paleis? Denk jij niet, dat het van belang is dat wij kennis maken met een van onze onderdanen, van wie het leven zo verschillend is van het leven van de andere mensen en zo verbazingwekkend van eenzame weelde? Bovendien, heb ik hier niet de gelegenheid om tegenover een van mijn aanzienlijkste onderdanen een edelmoedigheid te betonen, die ik nog luisterrijker zou wensen dan die waarmee hij zijn toevallige gasten behandelt?’

De zoon van Hamdoen antwoordde: ‘De emir van de gelovigen zal zeker zijn bezoek aan deze ons onbekende landheer niet betreuren. Ik zal dus, omdat dit het verlangen van mijn meester is, deze twee bekoorlijke jongelingen roepen en hun ons bezoek aan de eigenaar van dit paleis aankondigen.’ Hij stond op van de bank, evenals al-Motazid, die, naar zijn gewoonte, als koopman was vermomd. Hij trad voor de beide mooie jongelingen en zei tegen hen: ‘God over u beiden, ga heen en zeg tegen uw meester, dat aan zijn deur twee vreemde kooplieden verzoeken om toegang tot zijn woning en met aandrang vragen om de eer, tussen zijn handen voor hem te mogen treden.’

Nauwelijks hadden de twee jongelingen deze woorden gehoord of zij snelden naar het huis, op de drempel waarvan intussen al de meester van het verblijf in persoon verscheen. Het was een man met een open gezicht, met fijne en tedere trekken, bevallig van uiterlijk en met een houding van grote vriendelijkheid. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 815e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Hij was gekleed in een oppergewaad van zijde van Neisjaboer, over de schouders had hij een fluwelen mantel met goudfranje afgezet en aan de vinger droeg hij een ring met een robijn. Hij kwam naar hen toe met een glimlach van verwelkoming om de lippen, terwijl hij de linkerhand op de borst hield en tegen hen zei: ‘De begroeting en de genegenheid van mijn harten voor de vriendelijke heren, die ons vereren met de hoge gunst van hun komst.’

Nu traden zij de woning binnen. Na de prachtige inrichting ervan aanschouwd te hebben, waanden zij deze als een stuk van het paradijs. De inwendige schoonheid van de woning overtrof in hoge mate de uitwendige schoonheid. Het zou ongetwijfeld een gekwelde verliefde de herinnering aan zijn welbeminde hebben doen verliezen.

In de ontvangstzaal weerspiegelde zich in een bassin van albast, waarin een diamanten straal ruiste, een kleine tuin, die door zijn begrenzing zelf een koele verkwikking en een betovering was. De grote tuin met al de bloemen en al het gebladerte die Gods aarde versieren. Deze tuin omgaf het huis met een gordel en was in zijn pracht een overdadige weelde van groei, de kleine tuin was er merkbaar de kern van. De planten die er groeiden, waren vier bloemen, het waren inderdaad slechts vier bloemen. Ze waren gelijk aan de bloemen die in de eerste dagen van de schepping aanschouwd werden door het menselijk oog.

De eerste bloem was een roos, een enkele roos, gebogen aan haar stengel. Niet de roos van de rozenstruiken, maar de oorspronkelijke roos, van wie de zus had gebloeid in de hof van Eden vóór de vertoornde neerdaling van de engel. Zij was, verlicht door eigen glans, een vlam van gloeiend goud, een inwendig aangewakkerd vuur van verrukking, een rijke dageraad, levendig fluwelig, fris, maagdelijk, onbevlekt en stralend. In haar kelk bevatte zij al het purper, dat nodig is voor het oppergewaad van een koning. Wat haar geur betreft, een wolk ervan deed de waaiers van het hart zich ontvouwen. Tot de ziel zei die geur: ‘Bedwelm je,’ en het lichaam verleende hij vleugels zeggend: ‘Vlieg weg!’

De tweede bloem was een tulp, één enkele tulp, recht op haar stengel, niet een tulp uit een of andere koningstuin, maar de oude tulp besproeid met drakenbloed, waarvan het vergeten ras bloeide in de tuin van koning Hiram, handelspartner van koning Salomo, en waarvan de kleur zei tot de kelk gevuld met oude wijn: ‘Ik bedwelm zonder dat lippen mij beroeren,’ en tot het vlammende houtvuur: ‘Ik brand, maar verteer niet!’

De derde bloem was een hyacint, één enkele hyacint, recht op haar stengel, niet de hyacint van de tuinen, maar de hyacint die de moeder van de leliën is, van het slankste wit, de tedere, de welriekende, de broze, de zuivere hyacint, die tot de zwaan zei, die uit het water komt: ‘Ik ben blanker dan jij!’

De vierde bloem was een anjelier, één enkele anjelier, gebogen aan haar stengel, ach, niet de anjelier van de terrassen die de meisjes ’s avonds besproeien, maar een wit stralende ronding, een deel van de naar het westen gedaalde zon, een reukwerkschaal die de vluchtige ziel van de peper in zich bevat: De anjelier zelf, van wie de broeder door de koning van de djinn aan Salomo werd geschonken, opdat hij er de haren van Belkis mee zou versieren en er het levenselixer uit zou bereiden, de geestelijke balsem, het koninklijke Alcali en het Triakel.

Het water van het bassin had, zelfs als de melodische straal zweeg en de vonkende diamantenregen ophield, talloze sidderingen van bewogenheid doordat deze vier bloemen het beroerden, al was het slechts met hun spiegelbeeld. De vier bloemen, vervuld van hun eigen schoonheid, bogen zich glimlachend aan hun stengel en beschouwden, in aandacht verzonken, zichzelf. Niets anders tooide deze zaal van blank marmer en van koelte dan deze vier bloemen rond het bassin. De blik kwam er verrukt in tot rust en vroeg niet meer.

Toen nu de kalief en zijn metgezel gezeten waren op een divan, bekleed met een tapijt van Khorasan, nodigde de gastheer, na nieuwe verwelkomingen, hen uit de maaltijd met hem te delen, die samengesteld was uit uitgelezen gerechten, welke dienaren op gouden schalen binnenbrachten en neerzetten op lage tafeltjes van bamboe. De maaltijd verliep in die hartelijkheid, die vrienden aan hun vrienden bewijzen, en werd opgevrolijkt toen, op een teken van de gastheer, vier jonge meisjes binnenkwamen met een gezicht mooi als de maan.

De eerste van hen was een luitspeelster, de tweede een cimbaliste, de derde een zangeres en de vierde een danseres. Terwijl door de muziek, door de zang en door de bevalligheid van de bewegingen zij met hun vieren de harmonie vervolledigden van deze zaal en de atmosfeer ervan betoverden, genoten de gastheer en zijn beide genodigden van de wijn in de kelken en verkwikten zij zich aan de vruchten, die met de takken waren geplukt en er zo bekoorlijk uitzagen, dat zij slechts afkomstig konden zijn van de bomen uit het Paradijs.

De verteller, zoon van Hamdoen, hoewel hij de weelderige levenswijze bij zijn meester gewend was, voelde zijn ziel zó meegesleept door de vurige wijnen en door zoveel bijeengebrachte schoonheid, dat hij zich met begeesterde ogen tot de kalief wendde. Met de beker in de hand, zei hij een vers op, dat in hem ontbloeide bij de herinnering aan een jonge vriend, die hij eenmaal had gehad. Met zijn mooie, zangerige stem zei hij:

 

‘Ach jij, van wie de wang feilloos

is geboetseerd als de wilde roos.

Gevormd met die van een afgodsbeeld

uit China als een lichtend voorbeeld.

Ach jongeling met ogen zo zwart als git

en de vormen van een engel in het wit.

Sta op uit je slaperige loomheid

en omgord je middel, o hoogheid.

Laat de wijn lachen in de beker,

zoals de tulp kleurt bij de kweker.

Want er zijn uren voor de wijsheid,

maar ook uren voor de dwaasheid.

Schenk mij deze wijn in de beker,

want ik houd van bloed, voorzeker,

getrokken uit de keel der amforen,

zuiver als je hart wat mij wil bekoren.

Zeg me niet tot mijn ontsteltenis

dat deze drank niet te vertrouwen is.

Wat doet het er toe die dronkenschap,

voor hem die geboren is als dronkenlap?

Mijn verlangens van het ogenblik zijn

even verward als je lokken van satijn.

Zeg mij niet, je hebt het helemaal mis

dat wijn noodlottig voor de dichters is.

Zolang de hemelbogen,

nog als azuur zullen ogen,

het groene kleed de aarde beslaat,

wil ik drinken tot ik deze verlaat.

De jongelui met hun mooi gelaat,

die mijn graf bezoeken, vroeg of laat,

om de geuren te inhaleren van de wijn;

geuren, die overwinnaar der aarde zijn;

nog uitgeademd door mijn resten

zoals is vermeld in alle gewesten.

Alleen al door werking van die geur

zich dronken voelen als een deur.’

 

Toen hij dit gedicht beëindigd had richtte de verteller, zoon van Hamdoen de ogen weer naar de kalief, om op diens gezicht de uitwerking van de verzen te kunnen beoordelen. Maar in plaats van de voldoening die hij verwachtte er te zullen zien, bemerkte hij zulk een uitdrukking van ontstemming en opgekropte woede en boosheid, dat de volle beker aan zijn hand ontviel. Hij beefde in zijn ziel en hij zou zich hulpeloos verloren gewaand hebben, als hij niet gelijktijdig bemerkt had, dat de kalief klaarblijkelijk niet naar de verzen geluisterd had en als hij niet diens afwezige blik had gezien, die als verzonken was in de oplossing van een ondoorgrondelijk vraagstuk. Hij zei bij zichzelf: Bij God, nauwelijks een ogenblik geleden was zijn gezicht nog stralend, en zie hoe donker het nu is van somberheid en zó stormachtig als ik het nog nooit heb gezien. Toch, gewend als ik ben zijn gedachten af te lezen van de uitdrukking van zijn gelaatstrekken en zijn gevoelens te raden, zou ik nu met geen mogelijkheid weten, waaraan deze plotselinge verandering toe te schrijven. Dat God de Boze verwijdere en ons beschermen mag tegen zijn bezweringen!

Terwijl hij zich op deze wijze de geest pijnigde om de beweegreden van die woede en boosheid te achterhalen, richtte de kalief plotseling een blik vol wantrouwen op zijn gastheer. In strijd met al de regelen van de gastvrijheid en in weerwil van de gewoonte die verlangt dat nooit de gastheer en de genodigde elkaar ondervragen naar hun naam en hoedanigheden, vroeg hij aan de meester van het huis met een stem die hij bedwong om niet te schreeuwen: ‘Wie bent u, ach man?’

De gastheer, die bij deze vraag eensklaps van kleur veranderde en dodelijk ontstelde, wilde toch niet weigeren te antwoorden en zei: ‘Men noemt mij gewoonlijk Abol-Hasan Ali, zoon van Ahmad Khorasani.’ De kalief hernam: ‘En weet je wie ik ben?’ De gastheer antwoordde nog bleker: ‘Nee, bij God, ik heb niet de eer dit te weten, ach mijn meester!’ Zoon van Hamdoen, die voelde hoe pijnlijk de toestand werd, stond op en zei tot de jonge man: ‘Ach, gastheer, jij bent in tegenwoordigheid van de emir van de gelovigen, kalief al-Motazid Billah, de kleinzoon van al-Motawakil Alal’lah!’

Toen hij deze woorden hoorde, rees de meester van het huis op zijn beurt overeind en ten diepste bewogen kuste hij de grond tussen de handen van de kalief uit eerbied en bevend zei hij: ‘Ach emir van de gelovigen, ik bezweer u bij de deugden en de hoge verdiensten van uw vrome voorvaders, aan uw slaaf het ongelijk te willen vergeven. Het ongelijk dat hij buiten zijn weten ten opzichte van uw doorluchtige persoonlijkheid kan hebben gehad, of het tekort aan wellevendheid waaraan hij zich kan hebben schuldig gemaakt, of het tekort aan voorkomendheid, of, ongetwijfeld, het tekort aan gulheid.’ Maar de kalief antwoordde: ‘Ach man, ik heb u geen enkel tekort van dien aard te verwijten. U heeft integendeel ten opzichte van ons een gulheid aan de dag gelegd, die de meest gulhartigen onder de vorsten u zouden benijden. Maar als ik u ondervraagd heb, dan komt dat omdat een klaarblijkelijk zeer ernstige reden mij plotseling daartoe dwong, zodat ik er niet aan dacht u te bedanken voor alles wat ik aan moois in uw huis heb gezien.’ De gastheer, verward, zei: ‘Ach mijn hoogste meester, genade, laat niet uw woede en boosheid wegen op uw slaaf, zonder hem van zijn misslag te hebben overtuigd!’ De kalief sprak nu: ‘Ik heb plotseling bemerkt, ach man, dat op alles in dit huis, van de meubels tot zelfs de kleren die jij draagt, de naam voorkomt van mijn grootvader al-Motawakil Alal’lah! Welnu, kunt u mij zulk een vreemd feit verklaren? Moet ik niet denken aan een heimelijke roof uit het paleis van mijn heilige voorvaders? Spreek zonder terughouding, anders wacht de dood u op ditzelfde moment!’ De gastheer, in plaats van nog langer in verwarring te zijn, vond zijn vriendelijk uiterlijk en zijn glimlach weer terug en met rustige stem zei hij: ‘Dat de genaden en de bescherming van de Almachtige over u zijn, Ach mijn heer! Zeker, ik zal zonder terughouding spreken, want de waarheid is uw onderkleed, de oprechtheid uw opperkleed en niemand zou zich anders dan met waarachtigheid kunnen uitdrukken in uw tegenwoordigheid !’…”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 816e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “De kalief antwoordde: ‘In dat geval, ga zitten en spreek!’

Op een teken van de kalief zette Abol-Hasan zich op zijn plaats en zei: ‘Weet dan, ach emir van de gelovigen, moge God de triomfen en de gunsten voor u doen voortduren, dat ik niet, zoals men zou kunnen veronderstellen, een zoon van een koning ben, noch van adel, noch de zoon van een minister, noch van onverschillig wat van verre of van dichtbij op een adellijke geboorte lijkt. Maar mijn geschiedenis is een zo vreemde geschiedenis, dat, zo ze met naalden ware geschreven op de binnenkant van het oog, ze tot lering zou strekken van hem, die ze met eerbied en aandacht zou lezen. Want, al ben ik dan ook volstrekt niet van adel, geen adellijk geboren zoon, noch van een in de adelstand verheven familie, ik geloof toch, zonder te liegen, mijnheer te kunnen verzekeren, dat, zo hij mij wel gehoor wil verlenen, deze geschiedenis hem voldoening zal schenken en de woede en boosheid zal doen wegvallen, welke opgehoopt is tegen de slaaf die tot hem spreekt.’

Abol-Hasan hield een ogenblik op met spreken, verzamelde zijn herinneringen, rangschikte ze in zijn gedachten en ging daar vervolgens mee verder: ‘Ik ben geboren in Bagdad, ach emir van de gelovigen, uit een vader en een moeder, die slechts mij hadden tot hun nakomelingschap. Mijn vader was een eenvoudige koopman uit de markten. Het is intussen waar, dat hij de rijkste en meest geachte onder de kooplieden was. Hij was niet alleen maar een koopman uit de markten, maar hij had in iedere markt een winkel die de mooiste was, zowel die in de markt van de geldwisselaars als in die van de drogisten en in die van de kooplieden in stoffen. In iedere winkel had hij een vertegenwoordiger, die bedreven was in de aangelegenheden van inkoop en verkoop. Hij bezat in iedere markt voor zich persoonlijk een afzonderlijk vertrek, dat aan de winkelkamer grensde. Daar kon hij, gevrijwaard voor de komenden en gaanden, op zijn gemak vertoeven gedurende de dagen van grote warmte. Daar kon hij zijn middagdutje doen, terwijl, om hem te verkwikken gedurende zijn sluimer, een slaaf de taak had hem met een waaier koelte toe te waaien en hem, met eerbied gesproken, vooral de teelballen koelte toewaaide. Want mijn vader had teelballen die zeer gevoelig waren voor hitte en niets deed ze zo goed als de koelte van een waaier. Ik was zijn enige zoon, hij had mij teder lief, ontzei mij niets en spaarde geen kosten voor mijn opvoeding. In alle overvloed vermenigvuldigden zijn rijkdommen zich van jaar tot jaar, dankzij de zegen die op hem rustte, en het werd moeilijk hun omvang te berekenen. Uiteindelijk, toen het uur van zijn bestemming was aangebroken, stierf hij. Moge God hem in de hoede van Zijn barmhartigheid nemen, hem toelaten tot zijn vrede en met de dagen, die de overledene verloren heeft, het leven van de emir van de gelovigen verlengen!

Wat mij betreft, na in het bezit te zijn getreden van de onmetelijke rijkdommen van mijn vader, ging ik door, zoals tijdens zijn leven, met het drijven van de zaken op de markten. Daarbij ontzei ik mij niets, ik at, ik dronk en vermaakte mij naar vermogen met de vrienden van mijn keuze. Ik vond dat het leven uitstekend was en trachtte het voor anderen even aangenaam te maken als het voor mij was. Daarom was mijn geluk zonder blaam en zonder bitterheid en ik wenste niets beters dan mijn leven van alle dag. Want wat de mensen eerzucht en wat zij roem noemen en wat de armen van geest vermaardheid noemen en eer en het baren van opzien, het was alles ondragelijk voor mijn gevoel. Boven de voldoeningen van buiten gaf ik de voorkeur aan mijn rustig bestaan, en liever dan ijdele grootheid was mij mijn eenvoudig geluk, geborgen in de kring van mijn vrienden met hun aangenaam gezicht. Maar, ach mijn heer, een leven, hoe eenvoudig en kalm het ook is, blijft nooit gevrijwaard van verwikkelingen. Zelf zou ik, naar het voorbeeld van mijn medeschepselen, dit weldra ondervinden. Het was onder de meest betoverende aanblik, dat de verwikkeling in mijn leven trad. Want, bij God, is er op aarde een betovering te vergelijken met die van de schoonheid, wanneer deze, om zich te openbaren, het gezicht en de vormen kiest van een jong meisje van veertien jaar? Is er, ach mijn heer, een jong meisje verleidelijker dan degene die men niet verwacht, wanneer zij, om ons hart in gloed te zetten, het gezicht en de vormen aanneemt van een jonge knaap van veertien jaar? Immers het was onder deze aanblik en niet onder een andere, dat degene, ach emir van de gelovigen, mij verscheen, die voor immer mijn rede zou zegelen met het zegel van haar heerschappij. Ik zat namelijk op zekere dag voor mijn winkel en sprak over allerlei dingen met enige van mijn dagelijkse vrienden, toen ik vlak voor mij een dansend en lachend meisje haar stap zag inhouden. Ze was getooid met twee Babylonische ogen, waarmee ze mij een blik toewierp, een enkele blik, anders niet. En ik, als gewond door een vlijmscherpe pijl, beefde in mijn ziel en in mijn vlees en ik voelde heel mijn wezen verbijsterd als door de nadering van mijn geluk zelf. Het jonge meisje trad na een ogenblik aan mijn zijde en zei tegen mij: ‘Is dit hier niet de persoonlijke winkel van heer Abol-Hasan Ali, zoon van Ahmad Khorasani?’ Dat, ach mijn heer, vroeg zij met een stem als bronwater, en zij stond slank en lenig in haar bevalligheid voor mij en haar mond van maagdelijk kind onder de sluier van mousseline was een purperen kelk die zich opende over twee rijen vochtige hagelstenen. Om haar te eren stond ik op en antwoordde: ‘Ja, ach mijn meesteres, dit is de winkel van uw slaaf.’ Uit bescheidenheid stonden mijn vrienden op en gingen weg.

Daarop trad het jonge meisje mijn winkel binnen, ach emir van de gelovigen en zij sleepte mijn verstand achter haar schoonheid aan. Als een koningin zette zij zich op de divan neer en vroeg aan mij: ‘Waar is hij?’ Ik antwoordde, maar volkomen verkeerd, zozeer versprak ik mij: ‘Ik ben het zelf, ach mevrouw.’ Zij glimlachte met de glimlach van haar mond en zei: ‘Zeg dan tegen uw bediende die hier is, dat hij mij driehonderd gouden dinar uittelt.’ Ik wendde mij onmiddellijk tot mijn eerste kantoorbediende en gelastte hem driehonderd gouden dinar af te wegen en ze deze bovennatuurlijke dame ter hand te stellen. Zij nam de zak met goudstukken, die mijn bediende haar gaf, stond op en ging weg, zonder een woord van dank of een gebaar ten afscheid. En, waarlijk, ach emir van de gelovigen, mijn verstand kon niets anders doen dan haar blijven volgen, geketend aan haar stappen.

Toen zij verdwenen was, zei mijn bediende eerbiedig: ‘Ach mijn meester, op naam van wie moet ik de voorgeschoten som boeken?’ Ik antwoordde: ‘Hoe zou ik dat weten, ach die en die? Sinds wanneer schrijven de mensen in hun kasboeken de namen van de engelen? Als je wilt, schrijf dan: ‘Voorgeschoten driehonderd dinar aan de Fijnslijpster van de Harten.’

Toen mijn eerste kantoorbediende deze woorden gehoord had, zei hij bij zichzelf: ‘Bij God, mijn meester die gewoonlijk zo gelijkmatig is, handelt slechts zozeer in tegenspraak daarmee, om mijn scherpzinnigheid en schranderheid op de proef te stellen. Ik zal daarom de onbekende achterna gaan en haar naar haar naam vragen.’ Zonder mij daarover te raadplegen, snelde hij, bezield van ijver, de winkel uit en begon het jonge meisje achterna te lopen, dat intussen al uit het gezicht was verdwenen.

Na enige tijd kwam hij in de winkel terug en hield de hand voor het linkeroog, dat traande, zodat zijn gezicht geheel nat was. Met gebogen hoofd begaf hij zich weer naar zijn plaats achter de toonbank en veegde zijn wangen droog. Ik vroeg hem: ‘Wat is er?’ Hij antwoordde: ‘Verwijderd zij de Boze, ach mijn meester! Ik dacht er goed aan te doen, de jongedame achterna te gaan, die zojuist hier was, met de bedoeling haar naam te vragen. Maar zodra zij bemerkte dat zij gevolgd werd, keerde zij zich driftig naar mij om en bracht mij op mijn linkeroog een vuistslag toe, waarmee zij bijna mijn hoofd insloeg. Zie mij hier met een oog, toegetakeld door een hand, die voor die van een smid niet onderdoet.’Dit alles geschiedde. Intussen lof aan God, ach mijn heer, die zoveel kracht verbergt in de ledematen van de gazellen en hun bewegingen zoveel voortvarendheid verleent.

De hele dag bleef mijn geest gekluisterd in de herinnering aan de dodelijke blik van haar ogen en werd mijn ziel beurtelings gekweld en verblijd door het bezoek van de ontvoerster van mijn verstand.

De volgende dag, op hetzelfde uur, terwijl ik mij verloren voelde in haar liefde, zag ik in mijn winkel het bekoorlijke meisje weer voor mij staan, dat mij aankeek en toelachte. Bij het zien van haar, stond het weinige verstand dat mij nog restte op het punt weg te vliegen van blijdschap. Maar toen ik de mond opende om haar welkom te heten, zei zij tegen mij: ‘Niet waar, ach Abol-Hasan, jij zult in de geest, bij de gedachte aan mij, wel tot jezelf gezegd hebben: ‘Wat een uitgeslapen wezen moet zij wel zijn, die genomen heeft wat zij heeft genomen, om daarna snel haar biezen te pakken?’ Ik antwoordde echter: ‘De naam van God over u en om u, ach mijn heerseres! Wat uw slaaf betreft, zijn ziel behoort hem niet meer toe sinds uw komst, maar voelt zich inbegrepen in het lot van de waardeloze voorwerpen van deze winkel!’

Toen het jonge meisje dit hoorde, lichtte zij haar kleine sluier voor het gezicht op en zij boog zich: een roos aan de stengel van de lelie. Zij zette zich lachend neer, met een gerinkel van armbanden en een geruis van zijde. Met haar was de balsemgeur van alle tuinen de winkel binnengekomen.

Daarop sprak ze: ‘Als dit zo is, ach Abol-Hasan, tel mij dan vijfhonderd dinar uit.’

Ik antwoordde: ‘Ik luister en gehoorzaam!’ Na de vijfhonderd dinar te hebben laten afwegen, gaf ik ze haar. Zij nam het geld en ging weg. Dat was alles. Evenals de vorige dag, bleef ik mij de gevangene van haar bekoorlijkheden voelen en de gekluisterde van haar schoonheid. Daar ik niet wist welke tovenarij mij zo volkomen van mijn gedachten en mijn verstand had beroofd, kon ik er niet toe besluiten een beslissing te nemen of een krachtsinspanning te doen om mij te ontrekken aan de verbijstering, waarin mijn ziel gedompeld was.

Ook de volgende dag, toen ik bleker en werklozer was dan ooit, verscheen zij opnieuw voor mijn gezicht met haar ogen van vlammen en duisternis en haar verwarrende glimlach. Deze keer, zonder een woord te spreken, legde zij haar vinger op een vierkante lap fluweel, waarop onschatbare juwelen waren vastgehecht en verinnigde slechts haar glimlach. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 817e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Onmiddellijk, ach emir van de gelovigen, maakte ik de doek los, vouwde hem toe met alles wat hij bevatte en stelde hem het betoverende wezen ter hand, dat hem nam en wegging, zonder verder iets te zeggen of te doen.

Maar deze keer, terwijl ik haar zag verdwijnen, kon ik er niet toe besluiten langer stil te zitten en, een schroom overwinnend die mij dezelfde belediging deed vrezen welke mijn bediende had ondergaan, stond ik op en volgde haar stappen.

Achter haar aan lopend, kwam ik aan de oever van de Tigris, waar ik zag hoe zij zich inscheepte op een kleine boot, die met haastige riemen stevende naar het marmeren paleis van de emir van de gelovigen al-Motawakil, uw grootvader, ach mijn heer. Dit ziende werd ik in de hoogste mate verontrust en dacht ik in mijn ziel: ‘Zie nu, ach Abol-Hasan, hoe je midden in de avonturen zit en gegrepen bent in de molen van de verwikkelingen!’ Ondanks mijzelf dacht ik aan dit woord van de dichter:

 

‘De blanke, schone en fijne geliefde,

met zachte arm, zij die je nooit griefde,

die je molliger lijkt, dan mensen zeggen,

om je voorhoofd op neer te leggen,

zachter dan het dons van de zwanen,

bekijk haar arm, zo wil ik je manen,

en wees op je hoede dan

jij zozeer verliefde man!’

 

In gedachten verzonken, bleef ik lange tijd, zonder het te zien, naar het water van de rivier staren en heel mijn vroeger leven, zonder schokken en zo kalm in zijn gelijkmatigheid, trok in opeenvolgende boten, alle aan elkaar gelijk, met de stroom van dit water voor mijn ogen voorbij. Plotseling verscheen weer voor mijn blik de boot, met purper bekleed, waarin het jonge meisje had plaats genomen, en die nu, door de roeiers verlaten, gemeerd lag aan de voet van een marmeren trap. Ik riep mijzelf toe: ‘Hé, bij God, schaam je je niet over je ingedommelde leven, ach Abol-Hasan? Hoe durf je dan te aarzelen in je keuze tussen dit armzalige leven en het leven vol gloed, dat zij leiden, die de verwikkelingen niet schromen? Ken je dan niet dit andere woord van de dichter:

 

‘Sta op, mijn vriend, ook al ben je bekaf

en schud de sluimer en dommel van je af.

De roos van het geluk bloeit in de slaap niet,

bij het ontwaken verdwijnt al je verdriet.

Laat je levensdagen niet voorbij gaan

zonder ze met gloed te vullen, voortaan.

De ogenblikken van dit leven

moeten je gelukzaligheid geven.

Later zul jij nog eeuwen blijven slapen

zonder het tellen van jouw schapen.’

 

Gesterkt door deze verzen en door de herinnering aan het roerend schone jonge meisje besloot ik, nu ik wist waar zij woonde, niets na te laten om tot haar door te dringen.

Vol van dit voornemen ging ik naar huis en trad de kamer binnen van mijn moeder, die mij met grote tederheid liefhad en ik vertelde haar, zonder haar iets te verbergen, wat in mijn leven was gekomen. Mijn moeder drukte mij ontsteld aan haar hart en zei: ‘Dat God je behoede, mijn kind en je ziel mag vrijwaren voor verwikkelingen. Ach mijn zoon, Abol-Hasan, enige band van mijn leven, waar ga jij je rust en de mijne in de waagschaal stellen? Als dit jonge meisje in het paleis van de emir van de gelovigen woont, hoe kun je dan volharden in je verlangen haar te ontmoeten? Zie je de afgrond niet waar je in loopt, wanneer je, al is het ook slechts in gedachten, je durft te begeven in de richting van de woning van onze meester de kalief? Ach mijn zoon, ik smeek je, bij de negen maanden gedurende welke ik je leven in mijn schoot heb gedragen, af te zien van pogingen om dit jonge meisje weer te ontmoeten en geen noodlottige hartstocht zich te laten vasthechten in je hart!’

Ik antwoordde, al trachtend haar gerust te stellen: ‘Ach mijn moeder, bedaar je dierbare ziel en verfris je ogen. Er zal niets gebeuren tenzij er gebeurt wat gebeuren moet. Wat geschreven staat, moet zijn loop hebben. God is de allergrootste!’

De volgende dag, toen ik naar mijn winkel was gegaan in de markt van de juweliers, kreeg ik bezoek van mijn vertegenwoordiger die de zaken beheerde van mijn winkel in de markt van de drogisten. Het was een man op jaren, in wie mijn overleden vader een onbeperkt vertrouwen had gesteld en van wie hij de raad inriep bij alle moeilijke en ingewikkelde aangelegenheden. Na de begroeting en de gebruikelijke wensen zei hij tot mij: ‘Ach heer, waarom deze verandering die ik in uw gezicht zie, deze bleke kleur en dat bezorgde uiterlijk? Dat God u behoede voor slechte zaken en voor klanten van kwade trouw. Maar wat het ongeluk ook moge zijn, dat u is overkomen, het is niet hopeloos, omdat u in goede gezondheid bent!’ Ik antwoordde hem: ‘Nee, bij God, eerbiedwaardige oom, ik doe volstrekt geen slechte zaken en ben allerminst het slachtoffer geweest van de kwade trouw van anderen. Maar mijn leven is, heel eenvoudig, van uitzicht verandert. De verwikkeling heeft haar intrede bij mij gedaan met een bezoek van een jong meisje van veertien jaar.’ Ik vertelde hem, wat mij was overkomen, zonder één bijzonderheid te vergeten. Ik beschreef het, alsof zij er zelf bij was geweest, de schaakster van mijn hart.

Na een ogenblik te hebben nagedacht, zei de eerbiedwaardige grijsaard: ‘Zeker, de zaak is ingewikkeld, maar zij gaat de bekwaamheid van uw oude slaaf niet te boven, ach mijn meester. Ik heb inderdaad onder mijn kennissen een man, die in het paleis van Kalief al-Motawakil zelf verblijf houdt, waar hij kleermaker is voor de beambten en bedienden. Ik zal u aan hem voorstellen en u draagt hem het een of ander werk op, dat u rijkelijk beloont. Hij zal u dan van groot nut zijn!’

Zonder uitstel bracht hij mij naar het paleis en trad met mij bij de kleermaker binnen, die ons minzaam ontving. Om mijn kledingopdrachten in te leiden, toonde ik hem een van mijn zakken, waarvan ik had gezorgd deze onderweg los te laten tornen en ik verzocht hem dit als iets dringends te herstellen. De kleermaker deed bereidwillig wat hem gevraagd werd. Om hem voor zijn moeite te belonen, stopte ik hem tien gouden dinar in de hand, mij verontschuldigend dat het zo weinig was en hem toezeggend, dat ik hem bij een volgende opdracht ruimschoots zou schadeloosstellen. De kleermaker wist niet, wat van mijn handelswijze te denken, maar terwijl hij mij met verbazing aankeek, zei hij: ‘Ach mijn meester, u bent gekleed als een koopman, maar het lijkt er helemaal niet op dat u hun manieren heeft. Gewoonlijk slaat een koopman angstvallig acht op wat hij besteedt en hij geeft geen drachme uit tenzij hij er tien mee wint. U echter geeft mij voor zulk een onbeduidend werk de prijs voor het gewaad van een emir!’ Hij liet erop volgen: ‘Slechts de verliefden zijn zo mild. Bij God, die over u zij, zou u verliefd zijn, ach mijn meester?’

Ik antwoordde, terwijl ik de ogen neersloeg: ‘Waarom zou ik het niet zijn, na gezien te hebben wat ik heb gezien?’ Hij vroeg mij: ‘Wat is het voorwerp van uw kwellingen? Is het een jonge pauw of een gazelle?’ Ik antwoordde: ‘Een gazelle!’ Hij zei tot mij: ‘Daar schuilt niets onbehoorlijks in. Ik ben bereid, ach mijn meester, u tot leidsman te zijn nu het er op lijkt dat zij in dit paleis woont. Het is immers een gazelle en hier bevinden zich de mooiste verscheidenheden van deze soort!’ Ik zei: ‘Ja, zij woont hier!’ Hij zei: ‘Wat is haar naam?’

Ik zei: ‘God alleen weet het en wellicht uzelf.’ Hij zei: ‘Welnu, beschrijf mij haar dan.’

Ik beschreef haar zo goed ik maar kon voor hem en hij riep uit: ‘Hé, bij God, dat is onze meesteres Parelentuil, de luitspeelster van de emir van de gelovigen al-Motawakil Alal’lah!’ Hij voegde eraan toe: ‘Daar is juist haar kleine eunuch, die naar ons toekomt. Ach, mijn meester, laat u de gelegenheid niet ontgaan hem over te halen, dat hij u bij zijn meesteres Parelentuil brengt.’

Inderdaad, ach emir van de gelovigen, zag ik bij de kleermaker een zeer jonge, blanke slaaf binnenkomen, mooi als de maan in de vastenmaand ramadan. Nadat hij ons vriendelijk had gegroet, zei hij tegen de kleermaker, terwijl hij op een kleine buis van brokaat wees: ‘Hoeveel kost deze buis van brokaat, ach sjeik Ali? Ik heb ze nodig om mijn meesteres Parelentuil op haar wandelingen te vergezellen.’

Ik maakte onmiddellijk het buisje los van de plaats waar het hing, gaf het hem en zei: ‘Het is betaald, het is van jou.’ Het kind keek mij aan en lachte mij van terzijde toe, precies als zijn meesteres, en terwijl hij mij bij de hand nam en zich met mij verwijderde, zei hij: ‘U bent ongetwijfeld Abol-Hasan Ali, zoon van Ahmad Khorasani.’

Ten hoogste verbaasd zoveel schranderheid al bij een kind te zien en mij bij mijn naam te horen noemen, deed ik hem een kostbare ring aan zijn vinger, die ik van de mijne afgenomen had en antwoordde: ‘U spreekt de waarheid, ach bekoorlijke jongeling. Maar wie heeft je mijn naam gezegd?’ Hij antwoordde: ‘Bij God, hoe zou ik die naam niet weten, daar toch mijn meesteres hem zovele malen daags voor mij uitspreekt. Sinds de tijd dat zij verliefd is op Hasan Ali, de heer van hoog aanzien! Bij de verdiensten van de Profeet, over hem genade en zegeningen! Als u even verliefd bent op mijn meesteres als zij op u, ben ik volkomen bereid u te vergezellen, om naar haar toe te gaan!’

Dadelijk, ach emir van de gelovigen, zwoer ik het kind met de heiligste eden, dat ik hartstochtelijk verliefd was op zijn meesteres en dat ik ongetwijfeld zou sterven, indien ik haar niet onmiddellijk zou zien. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 818e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “De kleine eunuch antwoordde: ‘Als het er zo mee gesteld is, ach mijn meester Abol-Hasan, dan sta ik geheel aan uw zijde en wil ik niet langer wachten u behulpzaam te zijn om een samenkomst met mijn meesteres te hebben!’

Daarop ging hij weg, terwijl hij zei: ‘Ik ben in een ogenblikje weer terug.’ Inderdaad, het duurde niet lang, of hij kwam mij weer halen bij de kleermaker. Hij had een pakje in de hand, dat hij openmaakte en waaruit hij een fijn, met gouddraad bestikt linnen oppergewaad haalde en een mantel, die de kalief zelf toebehoorde. Ik kon dat zien aan de merktekens waaraan hij was te onderkennen en aan de naam, die in letters van gouddraad op de inslag was geborduurd en die de naam was van al-Motawakil Alal’lah. De kleine eunuch zei: ‘Ik breng u, ach meester Abol-Hasan, de kleding, waarmee de kalief zich kleedt als hij zich ’s avonds in zijn harem begeeft.’ Voorts droeg hij mij op, deze kleren aan te trekken en zei: ‘Wanneer je eenmaal in de lange binnengalerij bent, waaraan de persoonlijke vertrekken van de lievelingsvrouwen zijn gelegen, moet je zorg dragen in het voorbijgaan uit deze fles, die ik u geef, en waarin zich muskuskorrels bevinden, telkens een korrel te nemen en voor elke deur er een neer te leggen. Want dit is iedere avond de gewoonte van de kalief als hij door de galerij van zijn harem gaat. Als u gekomen bent voor een deur, waarvan de drempel van blauw marmer is, open die dan zonder te kloppen en u bent in de armen van mijn meesteres.’ Hij voegde eraan toe: ‘Wat het vertrek betreft na de ontmoeting, daarin zal God wel voorzien.’

Na mij deze aanwijzingen gegeven te hebben, verliet hij mij, terwijl hij mij een goede uitslag toewenste en verdween.

Wat mij betreft, ach mijn heer, hoewel ik zulke avonturen niet gewend was en het mijn eerste optreden was in de verwikkeling, aarzelde ik niet mij te kleden met de kleding van de kalief en, alsof ik mijn hele leven in het paleis gewoond had en er geboren was, begaf ik mij onvervaard op weg door binnenplaatsen en galerijen. Zo kwam ik in de galerij van de tot harem bestemde vertrekken. Dadelijk nam ik uit mijn zak de fles, die de muskuskorrels bevatte en ik verzuimde niet, volgens de aanwijzingen van de kleine eunuch, voor iedere deur van de lievelingsvrouwen waar ik langskwam, een muskuskorrel te leggen op een porseleinen schaaltje, dat daar voor dit doel was neergezet.

Zo kwam ik voor de deur, waarvan de drempel van blauw marmer was. Ik maakte mij al gereed om die open te duwen, ten einde bij de vurig begeerde binnen te dringen. Ik wenste mijzelf geluk dat ik tot dusver door niemand was herkend, toen ik plotseling een luid rumoer hoorde en op hetzelfde ogenblik het schijnsel bemerkte van een groot aantal flambouwen. Zie, het was kalief al-Motawakil in hoogst eigen persoon, omgeven door een menigte hovelingen en zijn gewone gevolg. Ik had nog net de tijd op mijn stappen terug te keren, terwijl ik mijn hart voelde bonzen van ontsteltenis. Op de vlucht door de galerij hoorde ik de uitroepen der stemmen van de lievelingsvrouwen daarbinnen, die zeiden: ‘Bij God, wat een wonderlijk iets! Daar komt de emir van de gelovigen vanavond voor de tweede keer door de galerij. Er is geen twijfel aan of hij is het geweest, die een ogenblik tevoren ook hier langs kwam en in het schoteltje van elk onzer naar gewoonte een muskuskorrel legde. Bovendien hebben wij hem herkend aan de geur van zijn kleding.’ En ik, ik zette wanhopig mijn vlucht voort, maar moest mij weldra inhouden, daar ik niet verder kon gaan in de galerij, zonder gevaar argwaan te wekken. Maar intussen hoorde ik steeds het rumoer van de stoet en ik zag de flambouwen dichterbij komen. Toen, daar ik, zelfs op gevaar af de dood te vinden, niet verrast wilde worden in deze toestand en in deze vermomming, duwde ik de eerste de beste deur open, waarvoor ik kwam. Ik vloog naar binnen, vergetend, dat ik gekleed was als de kalief en alles wat daaruit kon voortvloeien.

Opeens bevond ik mij in tegenwoordigheid van een jonge vrouw met grote verschrikte ogen, die, haastig opspringend van het tapijt waarop zij lag uitgestrekt, een luide kreet van schrik en ontsteltenis slaakte en met een snel gebaar de zoom van haar mousselinen kleed optilde en zich het gezicht en de haren bedekte. Ik stond daar voor haar, in de hoogste mate ontdaan en verbijsterd en wenste in mijn ziel, om uit deze toestand te ontsnappen, dat de aarde zich voor mijn voeten zou openen, opdat ik erin kon verdwijnen. Ja, inderdaad, ik wenste dit vurig en ik vervloekte ten overvloede het onbezonnen vertrouwen, dat ik in de kleine verderfelijke eunuch had gesteld en die, er viel niet aan te twijfelen, de oorzaak zou zijn van mijn dood door verdrinking of door spietsing aan de paal. Terwijl ik mijn adem inhield, verwachtte ik uit de mond van het jonge meisje de hulpkreten te zullen horen, die van mij een voorwerp van jammer zouden maken en een voorbeeld van de bestraffing, welke gereed gehouden wordt voor de minnaars van verwikkelingen. Doch zie, de jonge lippen bewogen zich onder de zoom van mousseline, en de stem die sprak klonk bekoorlijk en zei: ‘Wees welkom in mijn vertrek, Abol-Hasan, omdat jij het bent, die mijn zus Parelentuil bemint en door haar bemind wordt.’

Bij deze onverhoopte woorden, ach mijn heer, richtte ik mijn blik naar de aarde, tussen de handen van het jonge meisje, kuste de zoom van haar kleren en bedekte mijn hoofd met haar beschermende sluier. De jonge vrouw ging door: ‘Welkom en een lang leven voor de mannen van edel karakter, ach Abol-Hasan! Hoe uitmuntend hebt u zich gedragen in uw optreden tegenover mijn zus Parelentuil en hoe vleiend voor u hebt u de proeve doorstaan, waaraan zij u heeft onderworpen. Zij van haar kant houdt niet op tegen mij over u te spreken en van de hartstocht, die u haar heeft ingeboezemd. U kunt daarom het lot zegenen, dat u bij mij heeft binnengebracht, want het had u verderfelijk kunnen zijn, vermomd als u immers bent in deze kleding van de kalief. U kunt echter hierover gerust zijn, want ik zal alles zo schikken, dat er niets gebeurt wat niet gemerkt is met het zegel van de voorspoed.’

Niet wetend hoe haar te bedanken, ging ik voort met zwijgend de zoom van haar gewaad te kussen. Zij vervolgde: ‘Alleen, ach Abol-Hasan zou ik, vooraleer ik iets in je belang ga ondernemen, wel volkomen verzekerd willen zijn over je bedoeling ten opzichte van mijn zus, want hierover mag tussen ons geen misverstand bestaan.’ Ik antwoordde, terwijl ik mijn armen ophief: ‘Dat God u behoede en beware op de weg van de rechtschapenheid, ach mijn hulpvaardige meesteres. Hoe zouden mijn bedoelingen anders kunnen zijn dan zuiver en belangeloos? Ik wens inderdaad slechts één ding en dat is uw gezegende zus Parelentuil terug te zien, eenvoudig omdat mijn ogen zich verheugen over haar gezicht en opdat mijn versmachtend hart tot het leven mag terugkeren. Slechts dat, en meer niet. God, de Alziende, is getuige van mijn woorden en kent de verborgenste van mijn gedachten!’

Daarop antwoordde zij: ‘In dat geval, ach Abol-Hasan, zal ik niets nalaten om je het opperste doel van je wensen te helpen bereiken.’

Na zo gesproken te hebben, klapte ze in de handen en zei tot de kleine slaaf, die op dit teken kwam toelopen: ‘Ga naar je meesteres Parelentuil en zeg haar: Je zus Amandelpers zendt je de begroeting en vraagt je zonder uitstel naar haar toe te komen, want zij voelt zich vannacht benauwd in haar borst en alleen jouw tegenwoordigheid kan haar verlichten. Bovendien is er tussen jou en haar een geheim!’ De slaaf haastte zich het bevel uit te voeren.

Na enige ogenblikken, ach mijn heer, zag ik haar binnenkomen in al haar schoonheid en met haar hele bekoorlijkheid. Zij droeg als enige kleding een blauwzijden sluier, die haar geheel omwikkelde. Haar voeten waren bloot en haar haren hingen los. Zie, eerst zag ze mij niet en zei tegen haar zus Amandelpers: ‘Hier ben ik, liefste. Ik kom uit het badhuis en ik heb mij nog niet kunnen kleden. Maar zeg me gauw wat het geheim is tussen jou en mij.’

Als enig antwoord wees mijn beschermster met de vinger mij Parelentuil aan, en gaf mij een teken naderbij te komen. Ik kwam uit de schaduw, waarin ik mij teruggetrokken had, naar voren.

Toen ze mij zag, toonde mijn welbeminde noch verwarring noch beschroomdheid, doch zij kwam naar mij toe, blank en aandoenlijk en wierp zich in mijn armen, zoals een kind zich in de armen van zijn moeder werpt. Ik had het gevoel of ik alle engelen uit het Paradijs aan mijn hart gedrukt hield. Zo teder en zacht was zij over haar hele lichaam, dat ik niet wist, ach mijn heer, of zij een kluit fijne boter was of amandelspijs. Gezegend zij Hij, die haar heeft gevormd! Mijn armen durfden het kinderlijke lichaam niet aan te drukken. Een nieuw leven van honderd jaren drong tot mij binnen bij haar kus. Zo hielden wij, ik weet niet hoe lang wel, elkaar omarmd, want ik geloof dat ik in extase was of in een toestand verkeerde, die de extase nabijkomt. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 819e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Nadat ik echter weer enigszins tot de werkelijkheid was teruggekeerd, wilde ik haar alles vertellen wat ik doorstaan had, toen wij het toenemende rumoer in de galerij hoorden. Het was de kalief zelf, die zijn gunstelinge Amandelpers, zus van Parelentuil, kwam opzoeken. Ik had nog maar net de tijd om op te staan en in een grote koffer te springen, die zij boven mij sloten alsof er niets aan de hand was. De kalief al-Motawakil, uw grootvader, ach mijn heer, kwam het vertrek van zijn gunstelinge binnen en Parelentuil ziende, zei hij tot haar: ‘Bij mijn leven, Parelentuil, ik verheug me je op dit ogenblik bij je zus Amandelpers te ontmoeten. Waar was je toch de laatste dagen, ik zag je nergens in het paleis. Ik hoorde je stem, die mij zo bekoort, niet meer?’ Zonder een antwoord af te wachten, voegde hij eraan toe: ‘Neem haastig je luit die je in de steek hebt gelaten, en zing, terwijl je je zelf begeleidt, iets hartstochtelijks voor mij!’

Parelentuil, die wist, dat de kalief in de hoogste mate verliefd was op een jonge slavin, Benga genaamd, had niet veel moeite het lied te vinden dat passend was, want, zelf verliefd, liet zij zich eenvoudig gaan op de stroom van haar gevoelens, en na haar luit gestemd te hebben, boog zij voor de kalief en zong:

 

‘De welbeminde, aha, aha,

die ik liefheb, aha, aha,

zijn donzige wang, aha, aha,

dag en nacht, aha, aha,

overtreft in tederheid, aha, aha,

ach de mooie ogen, aha, aha!

 

Het dauwvocht, aha, aha,

op de rozenwangen, aha, aha,

dag en nacht, aha, aha!

 

De welbeminde, aha, aha!

die ik liefheb,  aha, aha,

is een prille jongeling, aha, aha,

dag en nacht, aha, aha!

 

Van wie, aha, aha,

de verliefde blik, aha, aha

betoverd zou hebben, aha, aha,

dag en nacht, aha, aha!

 

De vorsten van Babylon, aha, aha,

zo is het, aha, aha,

dag en nacht, aha, aha!

 

De welbeminde, aha, aha,

die ik liefheb, aha, aha,

dag en nacht, aha, aha!’

 

Toen kalief al-Motawakil dit lied gehoord had, was hij zeer bewogen en zich tot Parelentuil wendend zei hij: ‘Ach gezegend jong meisje, ach nachtegalenmond, ik wil, om je een bewijs van mijn tevredenheid te geven, dat je mij een wens zegt. Ik zweer je bij de verdiensten van mijn roemruchte voorvaders, dat, al ware het de helft van mijn koninkrijk, ik het je zal toestaan!’ Haar ogen neerslaande antwoordde Parelentuil: ‘Dat God, het leven van onze meester mag verlengen! Ik wens echter niets anders dan het voortduren van de welwillende gunsten van de emir van de gelovigen over mijn hoofd en over dat van mijn zus Amandelpers.’ De kalief zei: ‘Parelentuil, je moet me iets vragen!’

Toen antwoordde zij: ‘Omdat mijn meester het beveelt, vraag ik hem, mij de vrijheid te geven en mij als enigst goed de meubels van dit vertrek te laten, en alles wat dit vertrek bevat.’

De kalief sprak: ‘Jij bent er de meesteresse van, ach Parelentuil. Amandelpers, je zus, krijgt van nu af aan het mooiste paviljoen van het paleis als haar vertrek toegewezen. Omdat jij nu je vrijheid hebt, kun je blijven of vertrekken.’ Vervolgens stond hij op en vertrok om, in dat ogenblik zijn favoriete, de jonge Benga weer op te zoeken.

Zodra hij nu vertrokken was, zond mijn vriendin haar eunuch uit om lastdragers en verhuizers, en liet alle meubels van het vertrek, stoffering, offers en tapijten naar mijn woning overbrengen. De koffer, waarin ik zat opgesloten, ging het eerst de deur uit op de rug van de lastdragers en bereikte zonder ongelukken, dankzij de Waakzaamheid, mijn huis.

Dezelfde dag, ach emir van de gelovigen, trouwde ik met Parelentuil voor God en in tegenwoordigheid van de rechter en van de getuigen, volgens het islamitische geloof.

Zo is, ach mijn heer, de geschiedenis van deze meubels, van deze stoffen en van deze gewaden, gemerkt met de naam van uw roemrijke grootvader de kalief al-Motawakil Alal’lah. Ik zweer het bij ede op mijn hoofd dat ik aan deze geschiedenis geen lettergreep heb toegevoegd, noch haar met een lettergreep verkort. Maar, de emir van de gelovigen is de bron van alle edelmoedigheid en de schatkamer van alle weldaden!’

Na zo te hebben gesproken, zweeg Abol-Hasan. Kalief al-Motazid Billah riep uit: ‘Je tong heeft welsprekendheid afgescheiden, ach gastheer en je geschiedenis is een wonderbaarlijke geschiedenis. Om je de vreugde te tonen die zij mij heeft verschaft, verzoek ik je mij een schrijfriet en een blad papier te brengen!’ Toen Abol-Hasan het schrijfriet en het papier gebracht had, gaf de kalief het aan de verteller, zoon van Hamdoen, en zei tot hem: ‘In de naam van God de Goedertierene en de Barmhartige. Door deze oorkonde eigenhandig door ons ondertekend en verzegeld met ons zegel, stellen wij, voor zijn hele leven, onze getrouwe onderdaan Abol-Hasan Ali, zoon van Ahmed Khorasani, vrij van belastingen. Wij benoemen hem tot onze eerste kamerheer.’

Na de oorkonde van zijn zegel te hebben voorzien, stelde hij ze Abol-Hasan ter hand met de woorden: ‘Ik zou je in mijn paleis wensen te zien als mijn disgenoot en vriend!’

Sindsdien was Abol-Hasan de onafscheidelijke gezel van kalief al-Motazid Billah. Ze leefden beiden in alle geneugten, tot de onvermijdelijke scheiding welke zelfs hen in de graven doet verblijven, die eenmaal woonden in de prachtigste paleizen. Glorie zij de Allerhoogste, die in een paleis verblijft, dat boven alle hoogte is verheven!”

 

Sjahrzad, na haar geschiedenis verteld te hebben, begon deze nacht, zonder een aanvang te hebben gemaakt met:

 

de geschiedenis van de twee levens van sultan Mahmoed

 

“Mij werd bekend, ach gezegende Vorst, dat sultan Mahmoed, die een van de meest wijze en roemrijkste was onder de sultans van Egypte, dikwijls alleen was neergezeten in zijn paleis, ten prooi aan vlagen van een redeloze neerslachtigheid, gedurende welke de gehele wereld versomberde voor zijn aangezicht. Op zulke ogenblikken leek hem het leven volkomen waardeloos en van iedere zin ontbloot. Toch ontbrak hem niets van datgene wat het geluk van de schepsels zou hebben uitgemaakt. Want God had hem, mateloos, gezondheid verleend, jeugd, macht en roem en had hem tot hoofdstad van zijn rijk de lieflijkste stad ter wereld geschonken, waar hij als vreugde voor zijn ziel en zinnen de aanblik had van de schoonheid van de aarde, van de schoonheid van de hemel en van de schoonheid van de vrouwen, glinsterend als de wateren van de Nijl. Maar gedurende die vlagen van koninklijke zwaarmoedigheid was dit alles weggewist voor zijn ogen en hij benijdde dan het lot van de boeren, gebogen over de voren van hun grond en dat van de zwervende stammen, verloren in de woestijnen zonder water.

Op een dag verkeerde hij met de ogen verzonken in de somberheid van zijn dromen in een staat van droefgeestigheid. Het was erger dan gewoonlijk. Hij weigerde te eten, te drinken en zich bezig te houden met de bestuurszaken van zijn rijk. Hij wenste nog slechts te sterven. De grootminister trad het vertrek binnen, waar de vorst, met het hoofd in de handen, lag uitgestrekt. De grootminister zei tot hem, na hem de eerbewijzen te hebben gebracht: ‘Ach mijn oppermachtige meester, aan de deur van het paleis bevindt zich, vragend om gehoor, een zeer oude grijsaard, gekomen uit het uiterste Westen, van de grenzen van het ver verwijderde Marokko. Als ik oordelen moet naar mijn gesprek met hem en naar de weinige woorden die ik hoorde uit zijn mond, is hij zonder enige twijfel de scherpzinnigste geleerde, de bijzonderste arts en de meest verbazingwekkende tovenaar, die ooit geleefd heeft onder de mensen. Omdat ik mijn heerser ten prooi weet aan zwaarmoedigheid en lusteloosheid, zou ik wensen dat deze grijsaard toestemming ontving om binnen te treden, in de hoop dat zijn komst moge bijdragen tot het verjagen van de gedachten die drukken op de droomgezichten van onze vorst!’

Sultan Mahmoed gaf met het hoofd een teken van instemming en weldra leidde de grootminister de grijze vreemdeling de troonzaal binnen. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen het de 820e Nacht was, sprak zij: “Waarlijk, de man die binnentrad was eerder de schaduw van een mens dan een levend schepsel onder de schepselen. Indien hem een leeftijd kon worden gegeven, moest men rekenen met honderdtallen van jaren. Als zijn enige kleding omgolfde een ontzaglijke baard zijn barre naaktheid, terwijl een brede riem van soepel leer de enige omgording vormde van zijn oude, perkamentachtige lendenen. Men kon hem voor een zeer oude mummie gehouden hebben, gelijk aan die, welke het Egyptische landvolk soms uit de granieten graven haalt, als niet in het gezicht, onder de indrukwekkende wenkbrauwen, twee ogen hadden gegloeid, waarin de geestkracht brandde. De strenge grijsaard zei, zonder zich voor de sultan te buigen, met een diepe stem die niets van aardse stemmen had: ‘De vrede over u, sultan Mahmoed! Ik ben tot u gezonden door mijn broeders, monniken van het uiterste Westen. Ik kom om u het besef bij te brengen van de weldaden van de Weldoener over uw hoofd.’

Zonder enig gebaar trad hij met waardige stappen tot voor de koning, nam hem bij de hand, deed hem opstaan en leidde hem naar een van de vensters van de troonzaal. Deze troonzaal had vier vensters, en elk van deze vensters stond in de richtingslijn van een astronomisch punt. De oude grijsaard zei tot de sultan: ‘Open het venster.’ De sultan gehoorzaamde als een kind en opende het venster. De oude grijsaard zei hem op eenvoudige toon: ‘Kijk!’ Sultan Mahmoed stak het hoofd buiten het venster en zag er een ontzaglijk leger van ruiters, die met ontbloot zwaard en losse teugels kwamen aanrennen van de hoogte van de citadel van Mokaddam. Toen de eerste gelederen van dit leger aan de voet van het paleis waren aangekomen, stegen zij af van hun paarden en begonnen de muren te beklauteren, waarbij zij de vreselijkste strijd- en doodskreten slaakten.

Bij dit gezicht begreep de sultan, dat zijn troepen tegen hem waren opgestaan en hem van de troon kwamen zetten. Doodsbleek geworden, riep hij uit: ‘Er is geen godheid dan God! Het uur van mijn noodlot is gekomen.’

Onmiddellijk daarop sloot de grijsaard het venster, om het een ogenblik daarna weer te openen. Heel het leger was verdwenen. Slechts de citadel verhief zich vredig in de verte, haar minaretten oprijzend naar de middaghemel.

Toen leidde de grijsaard de koning, zonder hem gelegenheid te geven van de diepe schok te bekomen, naar het tweede venster, dat uitzag op de ontzagwekkende stad en zei: ‘Open het, en kijk!’ Sultan Mahmoed opende het venster en het schouwspel dat zich aan zijn ogen openbaarde deed hem ontsteld terugdeinzen. De vierhonderd minaretten die boven de moskeeën oprezen, de koepels van moskeeën en paleizen, de dakterrassen die trapsgewijs bij duizenden zich uitstrekten tot aan de boorden van de horizon, waren één rokende, laaiende vuurzee, waaruit met het gehuil van de ontzetting zwarte wolken naar het midden van de hemel opstegen en het oog van de zon verduisterden. Een woeste wind joeg vlammen en as naar het paleis zelf, dat weldra door deze vuurzee omsloten zou zijn, waarvan het nog slechts gescheiden was door de groene zoom van tuinen. De sultan, ten prooi aan de diepste smart zijn prachtige stad zó verwoest te zien, liet de armen vallen en riep uit: ‘God alleen is groot! De dingen hebben hun noodlot, zoals alle schepselen. Morgen voegt de woestijn zich weer aan de woestijn, dwars door de naamloze vlakten van een land dat eens vermaard was onder alle landen. Roem zij de Eeuwig Levende!’ En hij huilde over zijn stad en over zichzelf.

Maar de grijsaard sloot onmiddellijk daarop het venster en opende het weer na een ogenblik. Elk spoor van brand was verdwenen. De stad Caïro strekte zich in haar ongeschonden glorie uit te midden van haar wijngaarden en haar palmen, terwijl de vierhonderd gebedsomroepers van de gelovigen het uur van gebed aankondigden en allen opgingen in dezelfde verheffing tot de Heer van het heelal.

Dadelijk nam de grijsaard de koning mee en leidde hem naar het derde venster, dat uitzag op de Nijl en hij liet hem het raam openen. Sultan Mahmoed zag de rivier die haar bedding overstroomde en van wie de golven de stad binnendrongen en weldra opgestuwd tot de hoogstgelegen dakterrassen, met kracht kwamen beuken tegen de muren van het paleis. Een golf, hoger dan de voorafgegane, deed met één slag al de hindernissen op haar weg in puin vallen en stortte zich in de eerste verdieping van het paleis. Het gebouw brokkelde weg als een stuk suiker in het water, zakte aan één kant ineen en was al bijna geheel ingestort, toen de grijsaard plotseling het venster sloot en het weer opende. Alles zag er uit alsof er geen overstroming was geweest. De trotse rivier vloeide rustig en met majesteit binnen haar bedding tussen de eindeloze klavervelden.

De grijsaard liet de koning het vierde venster openen, zonder hem tijd te gunnen van zijn verrassing te bekomen. Dit vierde venster nu gaf uitzicht op de bewonderenswaardige groene vlakte, die zich van de poorten van de stad uitstrekt tot zover het oog reikt, vol kabbelende beekjes en vredige kudden. De vlakte die alle dichters sinds Omar bezongen hebben, waarin uigestrekte velden van rozen, balsemkruid, narcissen en jasmijn zich afwisselen met groepjes oranjeboompjes. Waar alle bomen bewoond zijn door duiven en nachtegalen, bezwijmend onder de kracht van hun verliefde klachten; waar de grond even vruchtbaar en getooid is als in de oude tuinen van koning Hiram, handelspartner van koning Salomo, en even doorgeurd als de grasperken van de hof van Eden. In plaats van weiden en bossen van fruitbomen zag sultan Mahmoed slechts een barre woestijn, rossig en witgeschroeid door een onbarmhartige zon, die de hyena’s en jakhalzen tot toevluchtsoord diende en de slangen en kwaaddoende beesten tot renbaan. Evenals de voorafgegane liet ook dit gruwelijke visioen niet na zich uit te wissen, toen de grijsaard met eigen hand het venster had gesloten en weer geopend. Opnieuw lag de vlakte daar in al haar luister en glimlachte naar de hemel met al de bloemen van haar tuinen.

Dit alles geschiedde. Sultan Mahmoed wist niet of hij sliep, of hij waakte, dan wel onder de macht was van tovenarij of zinsbegoocheling. Maar de grijsaard nam hem, zonder hem gelegenheid te laten zich van alle ondervonden schokken te herstellen, opnieuw bij de hand, terwijl de koning er niet aan dacht ook maar het geringste verzet te wagen en bracht hem bij een klein bassin, dat de zaal verfriste met een geklater van water. Hij zei hem: ‘Buig u over het bassin en kijk!’

Sultan Mahmoed boog zich om te kijken, toen, met een plotselinge beweging, de grijsaard hem het hoofd geheel in het water onderdompelde. Sultan Mahmoed zag zichzelf als schipbreukeling aan de voet van een berg, die zich ver boven de zee verhief. Hij was nog, net als in de tijd van zijn grootheid, met de koninklijke onderscheidingstekenen bekleed en droeg de kroon op het hoofd. Niet ver van hem vandaan bevonden zich enige boeren die naar hem keken en op hem doelend, elkaar wederkerig tekens gaven, waarbij zij luidkeels lachten.

Sultan Mahmoed ontstak bij dit gezicht in een onbegrensde woede en boosheid, nog meer tegen de grijsaard dan tegen de boeren en riep uit: ‘Hé, vervloekte tovenaar, oorzaak van mijn schipbreuk, moge God mij naar mijn koninkrijk terugvoeren, zodat ik jou kan straffen naar je misdaad! Waarom heb je mij zo laf verraden? Wat moet er van mij worden in dit vreemde land?’

Toen, zich bedenkend, trad hij op de boeren toe en zei op plechtige toon: ‘Ik ben sultan Mahmoed! Ga heen!’ Maar, zij gingen voort met lachen en sperden hun monden tot hun oren open. Ah, wat een monden! Holen! Holen! Om er niet levend in verzwolgen te worden, wilde hijzelf vluchten, toen degene, die de aanvoerder van deze boeren scheen te zijn, op hem toetrad, hem de kroon en de onderscheidingstekenen afrukte, die hij in zee gooide, zeggend: ‘Waartoe al dat oud roest? Het is te warm om zich zo te bedekken. Kom, stakker, hier heb je kleren gelijk aan de onze!’

Na hem tot op de blote huid ontkleed te hebben, deed hij hem een blauwkatoenen kiel aan, trok hem een paar oude, gele sloffen aan met zolen van nijlpaardenleer en zette hem een spreeuwkleurig vilten mutsje op het hoofd. Daarop zei hij hem: ‘Vooruit, stakker, kom met ons werken, als je hier, waar iedereen werkt, niet van honger wilt sterven.’ Maar sultan Mahmoed antwoordde: ‘Ik kan niet werken.’ En de boer zei weer: ‘In dat geval kun je ons tegelijkertijd tot ezel en lastdrager dienen.’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 


Maar toen de 821e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Omdat zij hun dagtaak beëindigd hadden, waren zij blij een andere rug dan die van hun te kunnen belasten met het gewicht van hun landbouwgereedschappen.

Sultan Mahmoed, gebukt onder de vracht van schoppen, eggen, houwelen en harken en nauwelijks in staat zich voort te slepen, was wel verplicht de boeren te volgen. Doodop en naar adem snakkend kwam hij met hen in het dorp aan, waar hij het mikpunt werd van het gejouw van kleine kinderen, die volkomen naakt achter hem aan liepen en hem duizend vernederingen deden ondergaan.

Om hem de nacht te doen doorbrengen stopte men hem in een verlaten stal, waar men hem voor zijn maaltijd een beschimmeld brood en een ui toewierp.

De volgende morgen was hij een echte ezel geworden, een ezel met een staart, met hoeven en met oren. Men bond hem een touw om de hals, legde hem een zadel op de rug en bracht hem naar het veld, om de ploeg te trekken. Maar omdat hij weerspannig was, ging men hem overdoen aan de molenaar van het dorp, die er gauw in slaagde hem tot rede te brengen door hem, na hem geblinddoekt te hebben, het rad van zijn molen te laten ronddraaien.

Vijf jaren lang draaide hij het molenrad rond, waarbij hij geen andere rust genoot dan de tijd die hij nodig had om zijn portie bonen te eten en een emmer water te drinken. Vijf jaren van stokslagen, van steken met de prikstok, van vernederende verwensingen en ontberingen. Hem bleven tot enige troost en verlichting, slechts de reeksen winden, die hij, terwijl hij de molen draaide, van ’s morgens tot ’s avond liet als antwoord op de verwensingen.

Zie, plotseling stortte de molen in en hij zag zichzelf opnieuw in de gedaante van een mens en niet langer als ezel. Hij wandelde in de winkelstraten van een stad die hij niet kende en hij wist niet goed waarheen te gaan. Moe van het lopen, zocht hij eindelijk met de ogen alom naar een plaats waar hij kon rusten, toen een oude koopman, die aan zijn uiterlijk meende te zien dat hij een vreemdeling was, hem beleefd uitnodigde zijn winkel binnen te treden. Ziende dat hij vermoeid was, deed hij hem neerzitten op een bank en zei: ‘Ach vreemdeling, je bent jong en je zult niet ongelukkig zijn in onze stad, waar jongelieden zeer gezien en bijzonder gezocht zijn, vooral wanneer zij, zoals jij, flinke kerels zijn. Zeg mij daarom, of je genegen bent in onze stad te wonen, van wie de gebruiken bijzonder aangenaam zijn voor vreemdelingen, die er zich willen vestigen.’ Sultan Mahmoed antwoordde: ‘Ik wens niets liever dan in deze stad te wonen, mits ik iets anders te eten kan krijgen dan bonen, waarmee ik mij vijf jaar lang heb gevoed.’ De oude koopman antwoordde: ‘Wat spreek je van bonen, arme stakker? Hier word je gevoed met uitgezochte en versterkende spijzen, voor de taak die je hebt te vervullen. Luister aandachtig naar mij en volg de raad die ik je zal geven. Haast je naar het badhuis van de stad, bij de kromming van de straat, en neem plaats bij de deur. Iedere vrouw die naar buiten komt, spreek je aan en je vraagt haar, of zij een man heeft. Zij die er geen heeft, zal ogenblikkelijk je echtgenote worden, volgens de gebruiken van het land. Denk er vooral om, dat je niet verzuimt de vraag te stellen aan alle vrouwen, die je uit het badhuis ziet komen, zonder enige uitzondering, anders loop je groot gevaar uit onze stad te worden verjaagd!’

Sultan Mahmoed ging daarnaartoe en nam plaats bij de deur van het badhuis. Hij stond er nog niet lang toen hij een bijzonder mooi jong meisje van dertien jaar naar buiten zag komen. Bij die aanblik dacht hij bij zichzelf: ‘Bij God, met deze zou ik mij wel troosten voor al mijn ongeluk!’ Dus hield hij haar aan en zei: ‘Ach, mijn meesteres, ben jij getrouwd of ongetrouwd?’ Zij antwoordde: ‘Ik ben sinds het laatste jaar getrouwd.’ Na dit gezegd te hebben vervolgde zij haar weg.

Toen kwam uit het badhuis een oude vrouw, die buitengewoon lelijk was. Zodra sultan Mahmoed haar zag, rilde hij van afgrijzen en hij dacht: ‘Werkelijk, ik zou liever sterven van honger of weer ezel of lastdrager worden, dan met die vermolmde antiquiteit te trouwen. Maar omdat de koopman mij gezegd heeft de vraag aan alle vrouwen te stellen, moet ik er wel toe besluiten dit stuk onheil de vraag te stellen. Hij hield haar aan en zei terwijl hij het hoofd afwendde: ‘Ben jij getrouwd of ongetrouwd?’ Het verschrikkelijke oude mens antwoordde, terwijl zij kwijlde: ‘Ik ben getrouwd, ach mijn hart!’ wat een opluchting! Mahmoed zei: ‘Ik ben blij, ach tante!’ Hij dacht: ‘Dat God de ongelukkige die mij voorafgegaan is, opneemt in zijn barmhartigheid!’

Terwijl de oude vrouw haar weg voortzette, zag hij uit het badhuis opnieuw een oudje komen, nog weerzinwekkender en afzichtelijker dan de voorgaande. Sultan Mahmoed naderde haar bevend en vroeg: ‘Ben jij getrouwd of ongetrouwd?’ Zij antwoordde terwijl zij haar neus in haar handen snoot: ‘Ik, ik ben ongetrouwd, ach mijn oogappel!’ Sultan Mahmoed riep uit: ‘Helaas, helaas, ach mijn tante, ik ben een ezel, ik ben een ezel! Kijk naar mijn oren, naar mijn staart en naar mijn lid. Ze zijn de oren, de staart en het lid van een ezel. Men trouwt niet met ezels!’ Maar het vreselijke oude wijf naderde hem en wilde hem omhelzen.

Sultan Mahmoed, in een uiterste van walging en afgrijzen, begon echter te schreeuwen: ‘Ieaaaa, ieaaaaa, ik ben een ezel, ach mensen, ik ben een ezel! Genade, trouw niet met mij. Ik ben een arme molenezel, helaas, ieaaaaaa!’ Met de bovenmenselijkste krachtsinspanning trok hij het hoofd uit het bassin. Nu zag sultan Mahmoed zichzelf in het midden van de troonzaal van zijn paleis. Aan zijn rechterhand stond zijn grootminister, aan zijn linker de grijze vreemdeling. Vóór hem stond één van zijn favorieten, die hem op een gouden schaal een sorbet aanbood. Sultan Mahmoed had enige ogenblikken voor de komst van de grijsaard hierom gevraagd. Helaas, ieaaaaa, hij is dus de sultan! Hij is dus de sultan! Heel dit verschrikkelijk avontuur had niet langer geduurd dan de ogenblikken dat hij zijn hoofd in het bassin had gedompeld en het er weer uitgetrokken had. Hij kon er niet toe komen aan een dergelijk wonder te geloven. Hij keek om zich heen, betastte zichzelf en wreef zijn ogen uit. Helaas, ieaaaaa! Hij was vast en zeker de sultan, sultan Mahmoed in eigen persoon en allerminst de schipbreukeling, noch de lastdrager, noch de molenezel, noch de echtgenoot van die afschuwelijke oude tang. Hé, bij God, wat was het heerlijk na zulke wederwaardigheden zichzelf als sultan terug te zien. Terwijl hij de mond opende om uitleg te vragen van zulk een zonderling verschijnsel, verhief zich de diepe stem van de strenge grijsaard en sprak tot hem: ‘Sultan Mahmoed, ik ben tot u gekomen, gezonden door mijn broeders de monniken van het Westen, om u het besef bij te brengen van de weldaden van de Weldoener over uw hoofd!’

Na zo te hebben gesproken, verdween de Marokkaanse grijsaard, zonder dat men wist of hij door een deur was heengegaan dan wel door een der vensters was weggevlogen.

Toen zijn opwinding tot bedaren was gekomen, begreep sultan Mahmoed de les van zijn Heer. Hij begreep, dat zijn leven prachtig was en dat hij de ongelukkigste van de mensen had kunnen zijn. Hij begreep, dat al de rampspoed die hij had gezien onder de dwingende blik van de grijsaard, zo het noodlot het had gewild, de werkelijke rampspoed van zijn leven had kunnen zijn. Hij viel op de knieën neer en brak in tranen uit. Sindsdien bande hij alle zwaarmoedigheid uit zijn hart. Levend in het geluk, verspreidde hij geluk om zich heen. Zo is het werkelijke leven van sultan Mahmoed en zo is het leven dat het zijne had kunnen zijn bij een simpele wending van het lot, want God is de Almachtige Meester.”

 

Na deze geschiedenis verteld te hebben, zweeg Sjahrzad.

 

Koning Sjahriar riep uit: “Wat een les voor mij, ach Sjahrzad.” De dochter van de minister glimlachte en zei: “Maar deze les, ach vorst, is niets in vergelijking tot die van De Bodemloze Schat!” Sjahriar zei: “Ik ken die schat niet, Sjahrzad!” En Sjahrzad vertelde:

 

De bodemloze schat

 

“Mij werd verteld, ach gezegende vorst, ach begiftigde met edele gereefde eigenschappen, dat Kalief Haroen ar-Rasjid, die de edelmoedigste en luisterrijkste vorst van zijn tijd was. Hij beging soms de zwakheid, God alleen is zonder zwakheid!, in zijn gesprek te verstaan te geven, dat geen mens onder de levenden hem evenaarde in edelmoedigheid en in gulheid van hand.

Op zekere dag had hij zich laten verleiden zo te roemen op de gaven die de Uitdeler van de beloningen hem uiteindelijk slechts had toevertrouwd met de bedoeling, dat hij er een edelmoedig gebruik van zou maken. De grootminister Jafar, met zijn fijngevoelige ziel, verdroeg echter niet dat zijn meester nog langer voort zou gaan zo te kort te schieten in zijn plicht van nederigheid tegenover God. Hij besloot zich de vrijheid te veroorloven hem de ogen te openen. Hij knielde daarom tussen de handen van de vorst en na driemaal de grond gekust te hebben uit eerbied, zei hij: ‘Ach emir van de gelovigen, ach kroon onzer hoofden, vergeef het uw slaaf indien hij in uw tegenwoordigheid zijn stem durft te verheffen om u voor ogen te houden, dat de voornaamste deugd van de Gelovige de nederigheid is tegenover God en dat dit het enige is, waarop een schepsel zich kan beroemen. Want alle goederen van de aarde en alle gaven van de geest en alle hoedanigheden van de ziel zijn voor de mens niets dan een simpel leengoed van de Allerhoogste, Hij zij geprezen! De mens kan zich op dit leengoed niet meer laten voorstaan dan de boom op de vruchten waarmee hij is beladen en de zee op de wateren die zij van de hemel ontvangt. Wat de loftuitingen betreft, welke u om uw vrijgevigheid verdient, laat deze liever over aan uw onderdanen, die zonder ophouden de hemel prijzen dat hij hen geboren heeft doen worden in uw rijk. Zij kennen geen andere vreugde dan uw naam met dankbaarheid uit te spreken!’ Vervolgens voegde hij hier nog aan toe: ‘Bovendien, ach mijn heer, meen vooral niet, dat u de enige zou zijn, die God met onschatbare gaven heeft overladen. Weet namelijk wel, dat er in de stad Basra een jongeman is, die, hoewel hij een eenvoudig burger is, met groter praal en glorie leeft dan de machtigste koningen. Hij heet Abol-Kasem en geen vorst in de wereld, de emir van de gelovigen zelf daarbij inbegrepen, evenaart hem in gulheid en in edelmoedigheid!’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 822e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Toen de kalief deze laatste woorden van zijn minister had gehoord, voelde hij zich in de hoogste mate geërgerd, zijn gelaatskleur werd rood. Terwijl zijn ogen vlamden en Jafar hooghartig aankijkend, voegde hij hem toe: ‘Wee jou, ach hond onder de ministers, hoe durf je voor je meester leugentaal te spreken en te vergeten dat zulk een gedrag onherroepelijk de dood over je afroept?’ Jafar antwoordde: ‘Bij het leven van uw hoofd, ach emir van de gelovigen, de woorden, die ik in uw tegenwoordigheid heb durven spreken, zijn woorden van waarheid. Indien ik naar uw inzicht alle vertrouwen verloren heb, kunt u ze laten onderzoeken om mij daarna te straffen indien uw bevinding is dat het leugens zijn. Wat mij betreft, ach mijn meester, schroom ik niet te verklaren, dat ik bij mijn laatste reis naar Basra de opgetogen gast van deze jonge Abol-Kasem ben geweest. Mijn ogen zijn nog niet vergeten wat ze hebben gezien, mijn oren niet wat zij hebben gehoord en mijn geest is niet vergeten wat hem verrukt heeft. Daarom kan ik, op gevaar af bij mijn meester in ongenade te vallen, mij niet weerhouden te verkondigen, dat Abol-Kasem de luisterrijkste man van zijn tijd is.’

Na zo gesproken te hebben zweeg Jafar. In de uiterste verontwaardiging gaf de kalief het hoofd van de wachten een teken, om Jafar gevangen te nemen. Het bevel werd onmiddellijk uitgevoerd. Toen dit gebeurd was ging ar-Rasjid de zaal uit, en, niet wetend hoe zijn woede en boosheid te luchten, begaf hij zich naar het vertrek van prinses Zobeida, zijn echtgenote, die van schrik verbleekte toen zij zijn gezicht der zwarte dagen zag.

Met gefronste wenkbrauwen en wijd opengesperde ogen strekte ar-Rasjid, zonder een woord te spreken, zich op de divan uit. Prinses Zobeida, die wist hoe met hem om te gaan in ogenblikken van slecht humeur, wachtte zich wel hem nutteloze vragen te stellen. Maar, terwijl zij een uitdrukking van de hoogste ongerustheid aannam, bracht zij hem een schaal gevuld met welriekend rozenwater, die ze hem aanreikte met de woorden: ‘De naam van God over u, ach zoon van mijn oom! Dat deze drank u verfrist en kalmeert. Het leven heeft twee kleuren, wit en zwart. Moge alleen het wit uw lange dagen merktekenen!’ Maar ar-Rasjid zei: ‘Bij de verdiensten van onze roemrijke voorvaderen, het zwart zal mijn leven merktekenen, ach dochter van mijn oom, zolang ik voor mijn ogen de zoon van Barmak zal zien, deze vervloekte Jafar, die er behagen in schept zijn oordeel uit te spreken over mijn woorden, aanmerkingen te maken op mijn doen en boven mij de voorkeur te geven aan onbekende burgers onder mijn onderdanen!’ Hij vertelde zijn echtgenote, wat er was voorgevallen en beklaagde zich bij haar over zijn minister, in bewoordingen die haar deden begrijpen, dat het hoofd van Jafar deze keer het allergrootste gevaar liep. Daarom liet zij niet na het eerst geheel met hem eens te zijn, door haar verontwaardiging te uiten over het feit dat de minister zich zulke vrijheden veroorloofde tegenover zijn vorst. Vervolgens bracht zij hem zeer handig onder het oog, dat het de voorkeur verdiende de straf uit te stellen, al was het slechts voor de tijd, die nodig was om iemand naar Basra te zenden om de zaak te onderzoeken. Zij voegde er aan toe: ‘Op deze wijze kunt u zich overtuigen van de waarheid of onwaarheid van wat Jafar u heeft verteld en naar bevinding met hem afhandelen.’ Haroen, die door de verstandige taal van zijn echtgenote al voor de helft was gekalmeerd, antwoordde: ‘Je spreekt juist, ach Zobeida. Zeker, ik ben deze rechtvaardigheid verschuldigd aan een man, de zoon van mijn dienaar Yahya Barmaki. Meer nog: Omdat ik niet het volle vertrouwen stellen kan in het verslag dat degene mij brengen zou die ik naar Basra zou zenden, zal ik zelf naar die stad gaan, om de zaak te onderzoeken. Zo zal ik kennismaken met die Abol-Kasem. Ik zweer, dat het Jafar zijn hoofd zal kosten als hij de edelmoedigheid van die jonge man heeft overdreven of mij iets op de mouw heeft gespeld.’

Zonder verder te dralen met de uitvoering van zijn plan, stond Haroen van zijn divan op. Zonder te willen luisteren naar wat prinses Zobeida hem zei om hem aan te raden liever niet de reis alleen te maken, verkleedde hij zich als een koopman van Irak. Hij drukte zijn echtgenote op het hart gedurende zijn afwezigheid te waken over de zaken van het rijk en het paleis uitgaande door een geheime deur, verliet hij Bagdad. Gods voorschrift verzekerde zijn veiligheid en hij kwam zonder tegenspoed in Basra aan, nam daar zijn intrek in de grote herberg van de kooplieden. Daar, alvorens zichzelf de tijd te gunnen te rusten en wat te eten, haastte hij zich de deurbewaarder van de herberg te ondervragen over wat hem bezighield. Na de plichtplegingen van de begroeting zei hij hem: ‘Is het waar, ach grijsaard, dat er in deze stad een jongeman leeft, Abol-Kasem genaamd, die de vorsten overtreft in edelmoedigheid, in gulheid van hand en in luister?’ De oude deurbewaarder schudde geroerd het hoofd en antwoordde: ‘God doe over hem zijn zegeningen neerdalen. Waar is de man, die niet de vruchten van zijn edelmoedigheid heeft genoten? Wat mij betreft, ach mijn heer, indien ik in mijn gezicht honderd monden had en in iedere mond honderd tongen en op elke tong een schat van welsprekendheid had, dan zou ik nog niet naar behoren de bewonderenswaardige edelmoedigheid kunnen schetsen van heer Abol-Kasem!’ Toen, omdat andere reizende kooplieden aankwamen met hun bagage, stond het de deurbewaarder niet langer vrij er nog verder over uit te weiden. Haroen was wel verplicht zich terug te trekken en begaf zich naar boven om wat te eten en die nacht rust te nemen.

Maar de volgende dag verliet hij al in de vroege morgen de herberg en ging wandelen door de overdekte winkelstraten. Toen de kooplieden hun winkels geopend hadden, trad hij op één van hen toe, die hem de voornaamste leek te zijn. Hij verzocht hem, hem de weg te wijzen die leidde naar de woning van Abol-Kasem. De koopman, ten hoogste verbaasd, vroeg: ‘Uit welk afgelegen land moet jij wel komen, dat jij niet weet waar de woning van heer Abol-Kasem is? Hij is hier meer bekend dan ooit een koning was te midden van zijn rijk!’ Haroen gaf te kennen dat hij inderdaad van zeer ver kwam, maar dat het doel van zijn reis juist was, kennis te maken met heer Abol-Kasem. Toen gaf de koopman een van zijn knapen bevel hem tot geleide te zijn, met de woorden: ‘Breng deze achtenswaardige vreemdeling naar het paleis van onze luisterrijke heer!’ Dit paleis was een wonderbaarlijk paleis. Het was geheel opgetrokken uit hardsteen van gevlekt marmer, met deuren van olijfkleurig jade. Haroen was verrukt over de harmonie van de bouw toen hij de binnenplaats opging. Hij zag een menigte blanke en zwarte slaven, allen op dezelfde wijze gekleed, die zich met spel onledig hielden in afwachting van de bevelen van hun meester. Hij wendde zich tot één van hen en zei tegen hem: ‘Ach jonge man, ik verzoek je naar je heer Abol-Kasem te gaan en hem te zeggen: ‘Ach mijn meester, op de binnenplaats bevindt zich een vreemdeling, die de verre reis van Bagdad naar Basra heeft gemaakt, met het enige doel zijn ogen te verlustigen aan uw gezegend gezicht.’ De jongeman begreep onmiddellijk aan de wijze van uitdrukken en het voorkomen van degene die zich tot hem richtte, dat deze niet een gewone man was. Hij haastte zich dus om zijn meester te gaan waarschuwen, die weldra op de binnenplaats kwam, ten einde de vreemde gast te ontvangen. Na de begroetingen en na zijn gast welkom te hebben geheten, nam hij hem bij de hand en leidde hem naar een zaal, die fraai was door haar eigen schoonheid en door haar volmaakte bouwstijl.

Toen zij gezeten waren op de brede rustbank, bekleed met goud bestikte zijde, die langs al de wanden van de zaal was aangebracht, zag men twaalf buitengewoon schone, blanke jonge slaven binnenkomen, die vazen droegen van agaat en bergkristal. De vazen waren versierd met gemmen en robijnen en gevuld met uitgelezen likeuren. Vervolgens traden twaalf jonge meisjes binnen, mooi als volle manen. Sommige droegen porseleinen schalen, gevuld met vruchten en bloemen, andere grote gouden bekers gevuld met sorbets, schuimend als sneeuw en van een buitengewoon heerlijke smaak. De jonge slaven en de jonge meisjes proefden eerst van de likeuren, de sorbets en de andere verfrissende dranken, voordat zij de gast van hun meester iets te drinken aanboden. Haroen genoot van deze verschillende dranken en, hoewel hij de verrukkelijkste dingen van het hele Oosten gewend was, moest hij zichzelf bekennen, dat hij nooit iets had gedronken dat hiermee te vergelijken viel.

Daarop leidde Abol-Kasem zijn gast naar een tweede zaal, waar een tafel gedekt stond, voorzien van de heerlijkste gerechten op schotels van massief goud. Hij bood hem met eigen handen de allerlekkerste stukken aan. Haroen bevond, dat deze gerechten op buitengewone wijze waren toebereid.

Vervolgens, nadat de maaltijd geëindigd was, nam de jongeman Haroen bij de hand en leidde hem naar een derde zaal, die nog rijker was gemeubeld dan de twee andere. Slaven, mooier dan de vorige, brachten een grote hoeveelheid gouden vazen gevuld met edelstenen en gevuld met verscheidene soorten wijn, evenals porseleinen kommen vol gedroogde confituren en schalen beladen met het fijnste gebak.

Terwijl Abol-Kasem zijn tafelgenoot bediende, kwamen er zangeressen en bespeelsters van instrumenten binnen, die een concert begonnen, dat graniet gevoelig gemaakt zou hebben. Haroen, meer dan verrukt, zei bij zichzelf: ‘Waarlijk, ik heb in mijn paleizen zangeressen met bewonderenswaardige stemmen en zelfs zangers als Is’hak, die op de hoogte zijn van alle geheimen van de kunst. Maar geen van hen zou er aanspraak op kunnen maken in vergelijking te treden met deze. Bij God, hoe heeft een eenvoudig burger, een inwoner van Basra het aangelegd, om zulk een verzameling van volmaakte zaken bijeen te brengen?’

Terwijl Haroen met bijzondere aandacht luisterde naar de stem ener zangeres waarvan de lieflijkheid hem bekoorde, ging Abol-Kasem de zaal uit en kwam na een ogenblik terug, terwijl hij in de ene hand een stokje van amber hield. Hij droeg in de andere hand een boompje, waarvan de stam van zilver was. De takken en bladeren waren van smaragd en de vruchten van robijn. Op de top van deze boom zat een gouden pauw, waarvan de fraaiheid degene verheerlijkte, die haar had vervaardigd. Na het boompje voor de voeten van de kalief te hebben neergezet, tikte Abol-Kasem met het stokje op de kop van de pauw. Onmiddellijk spreidde de fraaie vogel zijn vleugels uit, ontvouwde de pracht van zijn staart en begon met grote snelheid om zich heen te draaien. Terwijl hij ronddraaide, spoten aan alle kanten reukwerken van amber, van nadd-wierook, van de geest van aloë en andere geuren, waarmee hij was gevuld, in onafgebroken stralen uit hem te voorschijn en vervulden de ganse zaal.

Maar plotseling, terwijl Haroen met de grootste aandacht de boom en de pauw aanschouwde en er opgetogen over was, nam Abol-Kasem ze beide op en droeg ze weg. Haroen voelde zich zeer gekrenkt over deze onverwachte handelswijze en zei bij zichzelf: ‘Bij God, wat een vreemde manieren! Wat heeft dit alles te betekenen? Gedragen de gastheren zich zo tegenover de genodigden? Deze jonge man, zo schijnt het mij, weet allerminst de dingen te doen op die uitstekende wijze, die Jafar mij te verstaan gaf. Hij neemt die boom en die pauw voor mij weg, juist op het ogenblik dat hij ziet, hoe ik bezig ben ze te aanschouwen. Zonder enige twijfel moet hij bang zijn geweest, dat ik hem vragen zou, ze mij ten geschenke te geven. Ach, ik ben niet ontstemd dat ik nu zelf deze befaamde edelmoedigheid kan beoordelen, die volgens mijn minister haars gelijke in deze wereld niet heeft!’

Terwijl deze gedachten zijn geest bezighielden, kwam de jonge Abol-Kasem opnieuw de zaal binnen. Hij was vergezeld van een kleine slaaf, die mooi was als de zon. Dit beminnelijke kind droeg een gewaad van goudbrokaat, versierd met parelen en diamanten. In de hand hield hij een drinkbeker gemaakt uit één enkele robijn en gevuld met een wijn, die purper van kleur was. Hij naderde Haroen en, na de grond tussen diens handen uit eerbied te hebben gekust, bood hij hem de beker aan. Haroen nam hem en bracht hem aan zijn lippen.

Maar hoe groot was zijn verbazing, toen hij, na de inhoud te hebben gedronken, bij het teruggeven van de beker aan de mooie slaaf bemerkte, dat hij nog gevuld was tot aan de rand! Hij nam deze daarom opnieuw uit de handen van het kind en na deze aan zijn mond gebracht te hebben, ledigde hij deze tot aan de laatste druppel. Hij gaf deze daarop weer aan de slaaf terug en stelde vast, dat deze opnieuw gevuld was, zonder dat iemand er iets in geschonken had. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 823e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Dit gezegd te hebben, was Haroen in de hoogste mate verrast en kon zich niet weerhouden te vragen, hoe dit mogelijk was. Abol-Kasem antwoordde: ‘Heer, hier schuilt niets verbluffends in. Deze drinkbeker is het werk van een oude geleerde, die in het bezit was van alle geheimen van de aarde!’ Na deze woorden gesproken te hebben, nam hij het kind bij de hand en ging er haastig mee de zaal uit. De opvliegende Haroen was deze keer verontwaardigd. Hij dacht: ‘Bij het leven van mijn hoofd! Deze jongeman heeft zijn verstand verloren, of wat nog erger is, hij heeft nimmer geweten wat men een gast aan goede manieren verschuldigd is. Hij brengt mij al deze merkwaardigheden zonder dat ik hem er om vraag, hij biedt ze mijn blikken aan, en als hij bemerkt, dat ik het grootste plezier eraan heb ze te bekijken, neemt hij ze weg. Bij God, ik heb nooit zoiets onbeleefds en grofs gezien. Vervloekte Jafar, ik zal als God het wil, je spoedig leren de mensen juister te beoordelen en je tong in je mond om te keren voor je spreekt.’

Terwijl ar-Rasjid met deze overdenkingen over het karakter van zijn gastheer bezig was, zag hij hem voor de derde keer de zaal binnen komen. Op de afstand van een paar passen werd hij gevolgd door een jong meisje, men ziet zo’n schoonheid slechts in de tuinen van Eden. Zij was geheel bekleed met parelen en edelgesteenten, maar rijker nog getooid door haar schoonheid dan door haar opschik.

Toen Haroen haar zag, vergat hij de boom, de pauw, de onuitputtelijke beker. Hij voelde zijn ziel van betovering doordrongen. Na een diepe eerbiedige buiging voor Haroen gemaakt te hebben, zette het jonge meisje zich neer tussen zijn handen en zij begon te spelen op een luit, die vervaardigd was van aloëhout, van ivoor, van sandel- en ebbenhout. Zij speelde op vierentwintig verschillende manieren met een zo volmaakte kunstvaardigheid, dat Haroen zijn bewondering niet kon weerhouden en uitriep: ‘Ach, jongeman, wat is je lot benijdenswaardig!’

Maar nauwelijks had Abol-Kasem bemerkt, dat zijn gast verrukt was van het jonge meisje, of hij nam haar bij de hand en leidde haar vlug de zaal uit.

Toen de kalief deze handelswijze van zijn gastheer zag, voelde hij zich ten diepste gegriefd, en om niet zijn wrok tot uitbarsting te laten komen. Hij wilde niet langer vertoeven in een woning, waar men hem op zo’n zonderlinge manier ontving. Zo gauw als de jongeman de zaal weer binnenkwam, stond hij op en zei tot hem: ‘Ach edelmoedige Abol-Kasem, ik ben, inderdaad, geheel ontdaan door de wijze waarop jij mij zonder mijn rang en stand te kennen hebt behandeld. Sta mij daarom toe mij terug te trekken en je met rust te laten, zonder nog langer gebruik te maken van jouw gulheid!’ Uit vrees hem onaangenaam te zijn, wilde de jongeman zich helemaal niet tegen zijn voornemen verzetten. Na op een bevallige wijze een eerbiedige buiging voor hem te hebben gemaakt, deed hij hem uitgeleide tot aan de deur van zijn paleis, terwijl hij hem verzocht hem te willen verontschuldigen, dat hij hem niet zo luisterrijk had ontvangen als hij verdiende.

Haroen ging weer terug naar zijn herberg en dacht onderweg met bitterheid: ‘Wat een man van uiterlijk vertoon is deze Abol-Kasem! Hij maakt er voor zichzelf een genoegen van, zijn rijkdommen voor de ogen van vreemdelingen uit te stallen, om aan zijn trots en zijn ijdelheid te voldoen. Als dat mildheid van hand is, dan ben ik slechts een zinneloze en een verblinde. Maar nee! In de grond van de zaak is deze man niets anders dan een gierigaard en een gierigaard van het verachtelijkste soort. Jafar zal gauw genoeg ondervinden waarop het hem te staan komt, zijn heerser met de grofste leugen te bedriegen!’

Met zulke gedachten in zijn hoofd bereikte ar-Rasjid de poort van de herberg. Daar bemerkte hij in het voorportaal een stoet, die halvemaansgewijs stond opgesteld en was samengesteld uit een aanzienlijk aantal jonge blanke en zwarte slaven met de blanken aan de ene zijde en de zwarten aan de andere zijde. In het midden van die halve maan stond het mooie jonge meisje met de luit, dat hem zo bekoord had in het paleis van Abol-Kasem, met aan haar rechterhand het aanvallige kind dat de beker van robijn droeg en aan haar linkerhand een andere knaap, niet minder bevallig schoon, die de boom van smaragd droeg en de pauw. Toen hij nu de deur van de herberg was binnengetreden, bogen alle slaven zich tot de grond, en het bekoorlijke jonge meisje trad tussen zijn handen en bood hem, op een kussen van brokaat, een rol zijdepapier aan. Ar-Rasjid, in de hoogste mate door dit alles verrast, nam het blad, ontrolde het en zag, dat het deze regels bevatte:

 

‘Vrede, groet en zegen, zoals het past,

over het hoofd van de aangename gast,

die onze woning heeft vereerd, onverhuld,

en met een heerlijke geur heeft gevuld.

Mag u, vader der bevallige tafelgenoten,

uw gelaat neerbuigen, net als devoten,

naar een paar waardeloze zaken

die onze hand, zonder die te raken,

uw doorluchtigheid toezendt,

vol geluk voor ieder moment.

Zij aanvaarden van onze kant, zonder spijt,

uit een bescheiden eer onze onderdanigheid

voor hem, uit mensenplicht,

die onze lasten heeft verlicht.

Wij hebben ook kunnen staven,

dat de stoet verschillende slaven,

dat op een bijzondere manier

en ook nog met veel plezier,

de twee jonge mannen, zonder schroom,

en het jonge meisje evenals de boom,

de beker en de pauw, ongeremd,

onze gast niet hebben ontstemd.

Daarom bidden wij tot Hem,

hen te zien, alsof ze Zijn stem

hebben gehoord en ook Zijn gebod,

om te behoren tot de Almachtige God.

Alles komt van Hem

en keert terug tot Hem;

Vrede zij met u, man en vrouw,

zowel in vreugde als in rouw!’

 

Nadat ar-Rasjid deze brief gelezen had en hem in zijn volle zin en gehele betekenis had begrepen, voelde hij zich in de hoogste mate getroffen door zulk een gulheid van hand en hij riep uit: ‘Bij de verdiensten van mijn voorvaderen, dat God hun gezichten mag verheerlijken, ik geef toe, dat ik deze jonge Abol-Kasem slecht beoordeeld heb. Wat betekent vrijgevigheid van ar-Rasjid in vergelijking met zo’n vrijgevigheid? Dat de zegeningen van de Allerhoogste over uw hoofd zijn, ach mijn minister Jafar, jij, die er de oorzaak van is, dat ik ben teruggekomen van mijn trots en mijn inbeelding. Zie hier nu inderdaad, hoe een eenvoudig burger, zonder zich de geringste inspanning op te leggen en zonder dat het hem in enig opzicht in verlegenheid schijnt te brengen, de rijkste vorst ter aarde in edelmoedigheid en mildheid overtreft.’ Zo sprak Haroen en toen, zich plotseling herstellend, dacht hij: ‘Maar bij God, hoe is het mogelijk, dat een eenvoudig burger zulke geschenken kan geven, en waar heeft hij zich zulke rijkdommen kunnen verschaffen of kunnen vinden? Hoe is het mogelijk, dat in mijn staten een man een leven leidt, luisterrijker dan dat van koningen, zonder dat ik weet met welke middelen hij tot zo’n niveau van rijkdom is gekomen? Waarlijk, ik moet zonder aarzelen, zelfs op gevaar af van opdringerig te schijnen, naar hem toe gaan om er achter te komen, hoe hij zo’n ontzaglijk fortuin heeft weten te vergaren!’

Onmiddellijk liet ar-Rasjid zijn nieuwe slaven en wat zij hadden meegebracht in de herberg achter. Hij keerde in zijn ongeduld om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen naar het paleis van Abol-Kasem terug. Toen hij daar in tegenwoordigheid van de jongeman was, sprak hij tot hem na de begroetingen: ‘Ach mijn edelmoedige meester, dat God zijn weldaden over u vermeerdert en de gunsten doet voortduren, waarmee u overladen bent. Maar de geschenken die uw gezegende hand mij deed toekomen, zijn zo vorstelijk, dat ik vrees, wanneer ik ze aanneem, misbruik te maken van de omstandigheid dat ik uw gast was en van uw weergaloze edelmoedigheid. Sta dus toe, dat het mij, zonder dat ik bang hoef te zijn u te beledigen, geoorloofd mag zijn, ze u terug te zenden en dat ik, verrukt van uw gastvrijheid, in mijn stad Bagdad uw luisterrijke gulheid ga verkondigen!’ Maar Abol-Kasem antwoordde op een wel zeer teleurgestelde toon: ‘Heer, u hebt, om zo te spreken, ongetwijfeld aanleiding om u te beklagen over mijn ontvangst. Of misschien hebben mijn geschenken u mishaagd door het weinige wat zij betekenen? Anders zou u van uw herberg niet zijn teruggekeerd om mij deze belediging aan te doen.’

Haroen, nog altijd als koopman verkleed, antwoordde: ‘God behoede mij ervoor, uw gastvrijheid met zulk een bejegening te beantwoorden, ach al te edelmoedige Abol-Kasem! De reden van mijn komst is alleen gelegen in het gemoedsbezwaar dat ik voel, wanneer ik zie hoe kwistig u met zulke zeldzame zaken bent tegenover vreemdelingen die u voor de eerste keer hebt ontmoet, en in mijn vrees u, zonder dat u er de voldoening van oogst die u verdient, zulk een schat te zien uitputten, die, hoe onuitputtelijk hij dan ook moge zijn, toch een bodem hebben moet!’

Bij deze woorden van ar-Rasjid kon Abol-Kasem zich niet weerhouden te glimlachen en hij antwoordde: ‘Laat uw gemoedsbezwaren varen, ach mijn meester, indien werkelijk zulk een beweegreden mij het genoegen van uw terugkomst heeft verschaft. Weet dat ik inderdaad al Gods dagen mij kwijt van mijn schulden tegenover de Schepper door degenen die aan mijn deur kloppen, twee of drie geschenken te geven, gelijk aan die welke tussen uw handen zijn. Hij is geprezen en verheerlijkt! De schat, die de Verdeler van de rijkdommen mij heeft toevertrouwd, is inderdaad een bodemloze schat.’ Omdat hij zag, dat een grote verbazing zich aftekende op de gelaatstrekken van zijn gast, voegde hij eraan toe: ‘Ik zie, ach mijn meester, dat ik u in vertrouwen op de hoogte moet stellen van zekere avonturen van mijn leven. Ik zal u de geschiedenis vertellen van de bodemloze schat, welke een zo buitengewone en verbazingwekkende geschiedenis is dat als deze zo met stiften op de binnenhoek van het oog ware geschreven, deze tot lering strekken zou van degene, die deze met aandacht leest!’

Na zo gesproken te hebben, nam de jonge Abol-Kasem zijn gast bij de hand en leidde hem naar een heerlijke koele zaal, waarin verschillende welriekende wierookpannen een zachte geur verspreidden en waarin een gouden troon stond met kostbare voettapijten ervoor. De jongeman deed Haroen plaats nemen op de troon, zette zich aan zijn zijde en begon als volgt zijn geschiedenis: ‘Weet, ach mijn meester, God is onze allergrootste Meester, dat ik de zoon ben van een voornaam juwelier, geboren in Caïro, die Abdol-Aziz heette. Maar mijn vader had, hoewel hij net als zijn vader en zijn grootvader in Caïro geboren was, niet zijn hele leven in zijn geboortestad doorgebracht. Hij bezat zulke grote rijkdommen dat hij uit angst voor de afgunst en de hebzucht van de sultan van Egypte, genoodzaakt was zijn vaderland te verlaten en zich te vestigen in deze stad Basra. In de beschermende schaduw van de zonen van Abbas, de oom van de Profeet, dat God over hen zijn zegeningen doet neerdalen.

Mijn vader aarzelde niet, de enige dochter van de rijkste koopman van de stad te trouwen. Ik ben geboren uit dit gezegende huwelijk. Vóór, noch na mij, voegde een andere vrucht zich aan de stamboom toe. Ik kreeg, in het genot van alle bezittingen van mijn vader en moeder na hun dood, dat God hun de zaligheid mag verlenen en voldaan zijn over hen, op jeugdige leeftijd al een groot fortuin te beheren. Dit bestond uit rijkdommen en uit bezittingen van allerlei aard.  …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 824e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Omdat ik echter verzot was op het smijten met geld en het maken van goede sier, ving ik een leven aan van zodanige verkwisting, dat in minder dan twee jaren het ouderlijk erfdeel was verdwenen. Want, ach mijn meester, alles komt van God en alles keert tot Hem terug.

Mijzelf nu in een volledig berooide toestand ziende, begon ik na te denken over mijn gedrag in het verleden. Ik besloot, na het leven dat ik in Basra had geleid en de staat die ik er had gevoerd, mijn geboortestad te verlaten en ergens anders mijn dagen van ellende voort te slepen. De armoede is dragelijker wanneer deze geleden wordt voor het oog van vreemdelingen. Ik verkocht daarom mijn huis, het enige bezit dat mij nog was gebleven en ik sloot mij aan bij een karavaan van kooplieden, met wie ik eerst naar Mosul en vervolgens naar Damascus reisde. Daarna stak ik de woestijn over om de pelgrimstocht naar Mekka te maken. Daar vandaan begaf ik mij naar het grote Caïro, de bakermat van ons geslacht en ons gezin.

Toen ik nu in deze stad van mooie huizen en ontelbare moskeeën was, schoot mij weer te binnen, dat het inderdaad hier was dat Abdol-Aziz, de rijke juwelier, werd geboren. Bij deze herinnering kon ik mij niet weerhouden diepe zuchten te slaken en te schreien. Ik stelde mij de smart van mijn vader voor, als hij de erbarmelijke toestand van zijn enige erfgenaam zou hebben gezien. Vervuld van deze gedachten die mij bedroefden, kwam ik al wandelend langs de oevers van de Nijl achter het paleis van de sultan. Zie, aan een venster verscheen het bekoorlijke hoofdje van een jonge vrouw of een jong meisje, ik wist het niet en deed mij mijn stappen inhouden om haar aan te kijken. Maar plotseling trok zij zich terug en ik zag niets meer. Ik, ik bleef in gelukzaligheid daar, tot de avond en wachtte tevergeefs op een nieuwe verschijning. Uiteindelijk verwijderde ik mij, maar zeer tegen mijn zin en ging de nacht doorbrengen in de herberg, waar ik mijn intrek had genomen. Omdat de gelaatstrekken van het jonge meisje zich onophoudelijk aan mijn geest bleven opdringen, verzuimde ik echter de volgende dag niet, mij weer naar het venster te begeven, waarvan ik sprak. Maar mijn hoop en mijn verwachting waren wel zeer vergeefs, want het aanvallige gezicht vertoonde zich niet ofschoon het gordijn voor het venster wel even had bewogen en ik meende achter het traliewerk een paar Babylonische ogen te onderscheiden. Zo’n terughouding bedroefde mij zeer, zonder mij echter te ontmoedigen, want ook de volgende dag verzuimde ik niet naar dezelfde plaats terug te keren.

Hoe groot nu was mijn ontroering, toen ik zag hoe het traliewerk op een kier werd geopend en het gordijn opzij geschoven werd, om de volle maan van haar gezicht te laten verschijnen. Ik haastte me, mij met het gezicht ter aarde te werpen en na weer te zijn opgestaan, zei ik: ‘Ach soevereine dame, ik ben een vreemdeling, zo pas in Caïro aangekomen en die het verblijf in deze stad met het gezicht van uw schoonheid heeft ingewijd. Moge het lot, dat mij bij de hand heeft genomen en hierheen heeft gebracht, zijn werk voltooien in overeenstemming met de wens van uw slaaf!’ Ik zweeg, terwijl ik op haar antwoord wachtte. In plaats van mij te antwoorden nam het jonge meisje echter zo’n verschrikte uitdrukking aan, dat ik niet wist of ik moest blijven, of mijn benen overgeven aan de wind. Ik besloot nog even op deze plaats te blijven, onverschillig voor alle gevaren die ik kon lopen.

Welnu, dat was mijn geluk, want plotseling boog het jonge meisje zich over de rand en zei mij met bevende stem: ‘Kom tegen middernacht terug. Maar ga nu zo vlug mogelijk weg.’

Na deze woorden verdween zij ijlings en liet mij achter, vervuld van de uiterste verbazing, liefde en blijdschap. Ik vergat ogenblikkelijk mijn ongeluk en mijn armoede. Ik haastte mij terug te keren naar mijn herberg en de openbare barbier te ontbieden, die zorg droeg mij het hoofd, de oksels en de liezen te scheren, mij op te knappen en mooi te maken. Daarna ging ik naar het badhuis van de armen en nam voor een klein bedrag een volledig bad, besprenkelde mij met reukwater en friste mij op, om volkomen opgewekt en het lichaam licht als een veer, weer naar buiten te komen.

Toen het aangegeven uur aanbrak, begaf ik mij beschermd door de Egyptische duisternis naar het venster van het paleis. Daar zag ik, dat aan dit venster een zijden ladder was bevestigd, die neerhing tot op de grond. Zonder aarzelen, daar ik bovendien niets te verliezen had dan een leven dat wat mij betreft geen enkele binding meer kende, noch enige zin had, klom ik de ladder op en drong door het venster het verblijf binnen. Ik ging haastig twee kamers door en kwam in een derde vertrek, waar op een zilveren bed zij lag uitgestrekt, op wie ik hoopte. Ach, heer koopman, mijn gast, welk een bekoring leefde in dit werk van de Schepper! Wat een prachtige ogen en wat een mond! Toen ik haar zag, voelde ik, dat mij mijn verstand ontvlood en ik kon geen woord uitbrengen. Maar zij richtte zich half overeind en met een stem, zoeter dan kandijsuiker, verzocht zij mij naast haar plaats te nemen op het zilveren bed. Daarop vroeg zij belangstellend wie ik was. Ik vertelde haar mijn geschiedenis in alle oprechtheid, van het begin tot het einde, zonder ook maar één bijzonderheid weg te laten. Maar het heeft geen enkele zin die woorden te herhalen.

Het jonge meisje nu, dat met aandacht naar mij had geluisterd, scheen zeer getroffen door de toestand waarin het lot mij had gebracht. Toen ik dit bemerkte, riep ik uit: ‘Ach mijn meesteres, hoe ongelukkig ik ook mag zijn, ik ben niet langer te beklagen, omdat u de goedheid hebt medelijden te hebben met mijn ongeluk.’ Zij gaf daarop het gepaste antwoord en ongemerkt raakten wij in een gesprek dat hoe langer hoe tederder en vertrouwelijker werd. Uiteindelijk bekende zij mij, dat zij van haar kant, toen zij mij zag, zich tot mij aangetrokken had gevoeld. Ik riep uit: ‘Lof aan God, die de harten vertedert en de ogen van de gazellen verzacht!’ Ook daarop gaf zij het gepaste antwoord en zij voegde eraan toe: ‘Nu jij mij verteld hebt, Abol-Kasem, wie jij bent, wil ik niet dat je er langer onkundig van zou zijn wie ik ben!’

Na een ogenblik te hebben gezwegen, zei zij: ‘Weet, ach Abol-Kasem, dat ik de lievelingsechtgenote van de sultan ben en prinses Labiba heet. Ondanks de weelde echter, waarin jij mij ziet, ben ik niet gelukkig. Want behalve nog dat ik omgeven ben door jaloerse mededingsters, die bereid zijn mij in het verderf te storten, kan de sultan, die mij bemint, er niet in slagen mij te voldoen. Aangezien het feit dat God kracht aan de hanen verdeelt, hem bij de verdeling heeft vergeten. Toen ik je daarom gezien had onder zijn venster en zag, hoe vol moed je was en hoe je het gevaar verachtte, dacht ik, dat je een sterke man moest zijn. Ik heb je ontboden om de proef te nemen. Aan jou dus nu om te bewijzen, dat ik mij in mijn keuze niet heb vergist en dat je flinkheid gelijk is aan je vermetelheid!’ Ik, ach meester, die niet de geringste aansporing nodig had om te handelen, aangezien ik slechts voor de handeling daar was, wilde geen kostbare tijd verliezen met het opzeggen van verzen, zoals de gewoonte is in zulke omstandigheden, ik maakte mij tot de aanval gereed. Maar op hetzelfde ogenblik dat onze armen elkaar omstrengelden, werd er krachtig op de deur van de kamer geklopt. De schone Labiba, hevig geschrokken, zei: ‘Niemand heeft het recht hier te kloppen dan de sultan. We zijn verraden en reddeloos verloren!’

Onmiddellijk dacht ik aan de ladder uit het venster, om mij te redden langs de weg die ik gekomen was. Maar het toeval wilde, dat de sultan juist van die kant kwam, er bleef mij dus geen kans meer om te vluchten. De enige mogelijkheid die mij nog overbleef om te benutten was dat ik mij verborg onder het zilveren bed, terwijl de gunstelinge van de sultan opstond om open te doen.

Nauwelijks was de deur geopend, of de sultan trad binnen, gevolgd door zijn eunuchen. Voordat ik mijzelf rekenschap kon geven van wat er gebeurde, voelde ik mij onder het bed gegrepen door twintig vreselijke zwarte handen, die mij er onderuit trokken als een pak en mij ophieven van de vloer. Met mij als hun last liepen deze eunuchen snel naar het venster, terwijl andere zwarte eunuchen, die de gunstelinge droegen, dezelfde beweging uitvoerden naar een ander raam. Alle handen lieten tegelijkertijd hun last los en lieten ons beiden van de hoogte van het paleis neervallen in de Nijl.

Het stond echter in mijn lot geschreven, dat ik moest ontsnappen aan de verdrinking. Verdoofd door de val, slaagde ik er daarom in, na eerst tot de bodem van de rivierbedding te zijn gezonken, weer boven te komen aan de oppervlakte van het water. Door de duisternis beschermd wist ik de tegenovergestelde oever te bereiken van die aan de zijde van het paleis.

Na aan zo’n groot gevaar ontsnapt te zijn, wilde ik niet heengaan, zonder eerst getracht te hebben haar te redden, wiens ongeluk ik door mijn onvoorzichtigheid veroorzaakt had. Verschillende keren dook ik en dook ik opnieuw, om te trachten haar te vinden. Maar mijn pogingen waren tevergeefs en omdat mijn krachten mij in de steek lieten, zag ik mij gedwongen, ten einde mijn ziel te redden, weer aan land te gaan. Diep bedroefd jammerde ik daar over de dood van deze bekoorlijke favoriete, terwijl ik mijzelf voorhield, dat ik niet naar haar toe had mogen gaan, omdat ik zelf onder de doem van het kwade lot stond, en het kwade lot anderen aantrekt.

Doordrongen van smart en overstelpt met wroeging, haastte ik mij dan ook Caïro en Egypte te ontvluchten en mij op weg te begeven naar Bagdad, de stad van de vrede. God nu beschikte mij veiligheid voor, en zo bereikte ik Bagdad zonder ongeval maar in een allerdroevigste toestand, want ik had geen geld. Van mijn vroeger fortuin was mij nog slechts één gouden dinar in de diepte van mijn gordel gebleven. Zodra ik in de markt van de wisselaars kwam, wisselde ik mijn dinar tegen kleingeld en om in mijn levensonderhoud te voorzien kocht ik een tenen mandje en suikerwerken, reukappelen, balsems, droge confituren en rozen. Ik sleet mijn koopwaar aan de deur van de winkels, elke dag verkocht ik, en verdiende ik zoveel als nodig was voor het levensonderhoud van de volgende dag. Deze handel ging mij zeer goed af, want ik had een mooie stem en bood mijn koopwaar niet aan zoals andere kooplieden van Bagdad het doen, doch zingend in plaats van te schreeuwen. Zie, op een dag, toen ik het zingend deed, met een stem helderder nog dan gewoonlijk, riep een eerbiedwaardige grijsaard, eigenaar van de mooiste winkel van de markt, mij bij zich. Hij koos een reukappel uit mijn mandje, en, na verscheidene malen de geur ervan te hebben ingeademd, nodigde hij mij uit, terwijl hij mij aandachtig aankeek, mij aan zijn zijde te gaan zitten.

Ik ging zitten, en hij stelde mij verschillende vragen. Hij vroeg mij wie ik was en hoe ik heette. Maar door zijn vragen zeer in verlegenheid gebracht, antwoordde ik: ‘Ach mijn meester, ontsla mij ervan te moeten spreken over dingen, die ik niet in mijn herinnering kan terugroepen zonder de wonden te doen bloeden, die de tijd begint te helen. Het uitspreken van mijn eigen naam alleen al zou mij een smart zijn!’ Ik moet deze woorden wel zuchtend hebben gezegd en op zo’n droeve toon, dat de grijsaard niet verder op dit onderwerp wilde ingaan en er niet langer bij mij op wilde aandringen. Hij veranderde onmiddellijk het onderwerp van het gesprek en bracht ons onderhoud op vragen van koop en verkoop van mijn suikerwerken. Daarna zond hij mij weg, na eerst uit zijn beurs tien gouden dinar genomen te hebben, die hij mij met voorkomendheid in handen gaf. Hij omhelsde mij zoals een vader zijn zoon omhelst. … ”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

 

Maar toen de 825e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Ik prees in mijn ziel deze eerbiedwaardige grijsaard, wiens mildheid voor mij extra waardevol was nu ik zo berooid was. Ik bedacht, hoe de aanzienlijkste heren, aan wie ik gewend was mijn tenen mandje aan te bieden, mij nooit het honderdste gedeelte hadden gegeven van wat ik nu uit deze hand ontving. Ik liet niet na die met eerbied en dankbaarheid te kussen. De volgende dag verzuimde ik niet naar de markt te gaan, hoewel bij mij niet vaststond wat de bedoelingen waren van mijn weldoener van de vorige dag.

Nauwelijks had de grijsaard mij opgemerkt, of hij gaf mij een teken naderbij te komen en hij nam een beetje wierook uit mijn mand. Daarop liet hij mij naast zich plaatsnemen en na enige vragen en antwoorden, verzocht hij mij met zoveel aandrang hem mijn geschiedenis te vertellen, dat ik deze keer niet kon weigeren zonder hem te beledigen. Ik vertelde hem daarom wie ik was en wat mij was overkomen, zonder hem iets te verbergen. Nadat ik hem deze vertrouwelijke mededelingen had gedaan, zei hij mij met een diepe bewogenheid in zijn stem: ‘Ach mijn zoon, jij vindt in mij een vader terug, rijker dan Abdol-Aziz, dat God voldaan zij over hem en niet minder genegenheid voor jou zal hebben. Omdat ik geen kinderen heb, noch hoop er ooit een te zullen hebben, neem ik jou als kind aan. Dus, mijn zoon, stel je ziel gerust en verfris je ogen, want, zo God het wil, zul je bij mij je vroegere ongeluk vergeten!’

Na zo te hebben gesproken, omhelsde hij mij en drukte mij aan zijn hart. Vervolgens noodzaakte hij mij het tenen mandje met wat het bevatte weg te gooien, sloot zijn winkel en terwijl hij mij bij de hand nam, bracht hij mij naar zijn woning, waar hij tegen mij zei: ‘Morgen vertrekken wij naar de stad Basra, die eveneens mijn stad is en waar ik voortaan met jou wil leven, ach mijn kind!’ De volgende dag begaven wij ons inderdaad samen op weg naar Basra, mijn geboortestad, waar wij zonder ongelukken aankwamen, dankzij de veiligheid ons door God voorbeschikt. Allen die mij ontmoetten en mij herkenden, verheugden zich erover, te zien dat ik de aangenomen zoon was geworden van zo’n rijke koopman. Wat mij betreft, ik hoef u niet te verzekeren, heer, hoe ik met heel mijn wezen en met al mijn vernuft om aangenaam gezelschap voor hem te zijn, mij aan de grijsaard hechtte. Hij was verrukt over mijn voorkomendheid tegenover hem en zei mij dikwijls: ‘Abol-Kasem, wat een gezegende dag, die dag van onze ontmoeting in Bagdad! Wat had ik een gelukkige bestemming, die jou op mijn weg bracht, ach mijn kind. Hoezeer ben je mijn toewijding en mijn vertrouwen waard en alles wat ik voor je deed en nog denk te doen voor je toekomst!’

Ik van mijn kant was zo getroffen door de gevoelens die hij mij liet blijken, dat ik ondanks het verschil in leeftijd hem waarlijk liefhad en hem tegemoetkwam in alles wat hem genoegen kon doen. In plaats van mij bijvoorbeeld te gaan vermaken met jongelieden van mijn leeftijd, hield ik hem gezelschap, omdat ik wist, dat hij mij het geringste ding of het minste gebaar dat niet voor hem bestemd was, zou hebben kwalijk genomen.

Toen nu een jaar verstreken was, werd mijn beschermer, ach last van God, bezocht door een ziekte, die hem op de rand van de dood bracht. De artsen hadden allen de hoop op zijn herstel opgegeven. Hij haastte zich dan ook mij bij zich te roepen en zei: ‘De zegen over jou, ach mijn zoon Abol-Kasem. Je hebt mij gedurende het tijdsverloop van een heel jaar gelukkig gemaakt, terwijl de meeste mensen gedurende hun ganse leven nauwelijks één dag van geluk kunnen tellen. Het wordt dus tijd dat ik mij kwijt van de belangrijkste van mijn verplichtingen tegenover jou. Weet daarom, mijn zoon, dat ik je een geheim zal openbaren, waarvan het bezit je rijker maken zal dan alle koningen op de aarde. Indien ik inderdaad als mijn enige bezit slechts dit huis had met de rijkdommen die het bevat, zou ik moeten aannemen je een te klein fortuin na te laten.

Maar al de bezittingen die ik in de loop van mijn leven vergaard heb, betekenen, hoe aanzienlijk ze voor een koopman ook zijn, niets in vergelijking met de schat, waarvan ik je het geheim zal openbaren. Ik zal je niet zeggen hoe lang al, noch door wie, noch hoe deze schat zich in ons huis bevindt, want ik weet het niet. Het enige wat ik weet is, dat hij zeer oud is. Mijn grootvader deelde stervend er het geheim van mee aan mijn vader, die het mij weer toevertrouwde een paar dagen voor zijn dood!’

Na zo te hebben gesproken boog de grijsaard zich over naar mijn oor, terwijl ik huilde toen ik zag hoe het leven hem ontvlood, en onthulde mij op welke plaats van de woning de schat zich bevond. Vervolgens verzekerde hij mij dat, welk groots denkbeeld ik mij ook mocht vormen van de rijkdommen die hij bevatte, ik tot de ontdekking zou komen dat ze altijd nog aanzienlijker waren dan ik me voorstelde. Hij voegde eraan toe: ‘Zo ben je dus nu, mijn zoon, de volstrekte meester van dit alles. Dat je met gulle hand mag geven, zonder dat je hoeft te vrezen dat je de bodem van de schatkist bereikt. Wees gelukkig, Vrede zij met u!’ Na deze laatste woorden gesproken te hebben, stierf hij in vrede. God hoede hem in zijn barmhartigheid en spreidde zijn zegeningen over hem uit!’

Nadat ik, als zijn enige erfgenaam, de laatste plichten tegenover hem had vervuld, nam ik bezit van al zijn goederen, en zonder te talmen ging ik kijken naar de schat. Het duizelde mij toen ik vaststelde, dat mijn aangenomen vader niet in ’t minst de omvang ervan had overdreven en ik nam mij voor er het best mogelijke gebruik van te maken.

Iedereen echter, die mij kende en die getuige van mijn eerste ondergang was geweest, was er van overtuigd, dat ik mij ook een tweede keer zou ruïneren. Zij zeiden onder elkaar: ‘Al zou die verkwistende Abol-Kasem zelfs beschikken over al de schatten van de emir van de gelovigen, hij zou ze er zonder aarzelen doorheen jagen!’

Hoe groot was dan ook hun verbazing toen zij, in plaats van wanorde in mijn zaken te zien, zagen dat deze zaken van dag tot dag meer bloeiden. Zij konden er met hun verstand niet bij, hoe ik mijn rijkdom, terwijl ik hem verkwistte, nog kon uitbreiden. Te meer omdat zij zagen dat ik steeds grotere en grotere uitgaven deed, en dat ik op mijn kosten alle vreemdelingen onderhield, die op doorreis in Basra kwamen en hen huisvestte als vorsten. In de stad verspreidde zich dan ook weldra het gerucht dat ik een schat had ontdekt en meer was er niet nodig, om mij tot het doelwit te maken van de begerigheid van de autoriteiten. Inderdaad kwam het hoofd van de politie al spoedig op een goede dag bij mij en, na eerst wat geaarzeld te hebben, zei hij eindelijk: ‘Heer Abol-Kasem, mijn ogen zien en mijn oren horen. Maar omdat ik mijn ambt uitoefen om te leven, terwijl zoveel anderen leven om hun ambt uit te oefenen, kom ik geen rekenschap vragen van het weelderige leven dat jij leidt, noch jou uithoren over een schat, waarvan jij alle belang hebt die verborgen te houden. Ik kom je alleen maar zeggen, dat ik een handige kerel ben, ik dank het aan God, en ik laat mij er niet op voorstaan. Alleen, het brood is duur en onze koe geeft geen melk meer.’ Ik, die de bedoeling van zijn bezoek begrepen had, zei tegen hem: ‘Ach vader van de mannen van geest, hoeveel hebt u dagelijks nodig om brood te kopen voor uw gezin en u de melk te verschaffen, die uw koe u niet meer geeft?’ Hij antwoordde: ‘Niet meer dan tien gouden dinar per dag, ach heer!’

Ik zei: ‘Dat is niet genoeg, ik zal er u honderd per dag geven. Daarvoor hoeft u slechts bij het begin van elke maand hier te komen en mijn schatmeester zal u de drieduizend dinar uitbetalen, die u voor uw levensonderhoud nodig hebt!’

Hierop wilde hij mij de hand kussen, maar ik belette het hem, want ik vergat niet, dat alle bezittingen slechts een leengoed van de Schepper zijn. Hij ging heen, zegeningen over mij afroepend.

Een dag na het bezoek van het hoofd van de politie ontbood de rechter mij bij zich en zei: ‘Ach jongeman, God is de Meester van de schatten en het vijfde komt hem rechtens toe. Betaal dus het vijfde gedeelte van uw schat en u zult in het rustige bezit van de vier overige delen blijven!’ Ik antwoordde: ‘Ik begrijp niet goed, wat onze meester de rechter zijn dienaar te kennen wil geven. Maar ik verplicht mij graag, hem dagelijks voor Gods armen duizend gouden dinar te schenken, op voorwaarde dat men mij met rust laat.’ De rechter gaf luid zijn instemming met mijn woorden te kennen en nam mijn voorstel aan. Maar enige dagen later zond de gouverneur van Basra mij een van zijn wachten. Toen ik voor hem stond, zei de gouverneur die mij allervriendelijkst ontving: ‘Acht u mij in staat tot de valsheid u uw schat te ontnemen, zou u hem mij zo laten zien?’ Ik antwoordde: ‘Dat God de dagen van onze meester de gouverneur met duizend jaar mag verlengen! Maar al zou men mij met gloeiende tangen het vlees uit het lichaam rukken, dan nog zou ik die schat niet tonen, die inderdaad in mijn bezit is. Overigens stem ik erin toe, onze meester de gouverneur voor de ongelukkigen, van wie het lot bij hem bekend is, dagelijks twee duizend gouden dinar te betalen!’ Tegenover een aanbod dat hem zo aanzienlijk voorkwam, aarzelde de gouverneur niet mijn voorstel aan te nemen en hij liet mij heengaan, na mij met hartelijkheden te hebben overstelpt.

Sindsdien betaal ik trouw aan de drie ambtenaren de dagelijkse belasting, die ik hun beloofd heb. In ruil daarvoor laten zij mij mijn leven van gulheid en edelmoedigheid leiden, waarvoor ik geboren ben. Dit, ach mijn heer, is de oorsprong van een fortuin, dat u verbaast, en waarvan buiten u niemand de omvang vermoedt.’

Toen de jonge Abol-Kasem geëindigd was met spreken, zei de kalief, die in de hoogste mate verlangde de wonderbaarlijke schat te zien, tot zijn gastheer: ‘Ach edelmoedige Abol-Kasem, is het werkelijk mogelijk dat er op aarde een schat is, waarvan uw edelmoedigheid niet in staat zou zijn die spoedig uit te putten? Nee, bij God, ik kan het niet geloven en als het niet te veel van u verlangd is, zou ik u willen vragen hem te tonen. Ik zweer u bij alle heilige rechten van de gastvrijheid over mijn hoofd en bij alles wat een eed onschendbaar maken kan, dat ik niet het geringste misbruik van uw vertrouwen zal maken en dat ik vroeg of laat deze buitengewone gunst zal weten te erkennen.’

Bij deze woorden van de kalief veranderde Abol-Kasem helemaal van kleur en van gelaatsuitdrukking. Hij antwoordde op een treurige toon: ‘Het spijt mij bijzonder, heer, dat u deze nieuwsgierigheid hebt, waaraan ik slechts op de meest onaangename voorwaarden kan voldoen. Ik kan er namelijk niet toe besluiten u uit mijn huis te laten vertrekken met een onbevredigd verlangen en een onvervulde wens. Ik moet u echter de ogen blinddoeken en u begeleiden, terwijl u ongewapend en blootshoofds bent en ik zelf het kromzwaard in de hand zal houden, gereed om toe te slaan als u het zou wagen de wetten van mijn gastvrijheid te overtreden. Overigens weet ik heel goed dat, zelfs al handel ik op deze wijze, ik toch een grote onvoorzichtigheid bega en dat ik eigenlijk niet aan uw verlangen zou moeten toegeven. Maar uiteindelijk gebeurt er wat ten aanzien van ons geschreven staat op deze gezegende dag! Bent u bereid, mijn voorwaarden aan te nemen?’ Ar-Rasjid antwoordde: ‘Ik ben bereid u te volgen en ik neem deze en duizend soortgelijke voorwaarden aan. Ik zweer u bij de Schepper van hemel en aarde, dat u er geen spijt van zult krijgen om mijn nieuwsgierigheid te hebben bevredigd. Overigens prijs ik uw voorzorgsmaatregelen en het zij verre van mij ze u kwalijk te nemen!’ Abol-Kasem bond daarop ar-Rasjid een doek voor de ogen, nam hem bij de hand en deed hem langs een verborgen trap afdalen naar een tuin van een onmetelijke uitgestrektheid. Daar, na verschillende kronkelingen gevolgd te hebben door lanen die elkaar kruisten, ging hij met hem een diepe en ruime kelder binnen, waarvan de ingang door een zware steen, die met de grond gelijk lag, was afgesloten. Zij kwamen eerst in een lange, dalende gang, die uitkwam op een grote, gehorige zaal. Abol-Kasem nam de kalief de band van de ogen en Haroen keek met verbazing rond in de zaal die helder verlicht was, alleen al door de glans van de karbonkelstenen waarmee alle wanden en de zoldering waren bezet. In het midden van deze zaal zag men een bassin van blank albast, met een cirkelomtrek van honderd voet, gevuld met goudstukken en alle juwelen die de meest overspannen verbeelding zich maar kon dromen. Rond dit bassin verhieven zich twaalf gouden zuilen, die evenveel beelden droegen uit edelsteen van twaalf verschillende kleuren, en oprezen als bloemen, welke opschieten uit een wonderbaarlijke bodem. Abol-Kasem leidde de kalief naar de rand van het bassin en zei: ‘U ziet deze opeenstapeling van gouden dinar en van edelstenen van allerlei vormen en allerlei kleuren. Welnu, deze massa is nog maar twee vingerbreedten gezakt en de diepte van het bassin is onpeilbaar! Maar dat is nog niet alles!’ Hij leidde hem naar een tweede zaal, aan de eerste gelijk in de schittering van haar wanden, maar groter nog, met in haar midden een bassin, gevuld met geslepen edelstenen en gepolijste edelstenen en overschaduwd door twee rijen bomen, dezelfde als die welke hij aan de kalief had geschonken. In het midden van het overwelfsel boven deze zaal stond in fonkelende letters deze inscriptie: ‘Dat de meester van deze schat niet vreze hem uit te putten, want hij zal daar nooit in slagen. Dat hij er liever gebruik van zal maken om een aangenaam leven te leiden en vrienden te verwerven. Want het leven is slechts eenmalig en keert niet terug en een leven zonder vrienden is geen leven!’ Abol-Kasem bracht daarop zijn gast in nog verschillende andere zalen die in geen enkel opzicht voor de eerdere zalen onderdeden. Toen hij bemerkte dat de ander al vermoeid was van het zien van zoveel oogverblindende zaken, leidde hij hem weer buiten de kelder, na hem echter tevoren weer de doek voor de ogen te hebben gebonden.

Eenmaal in het paleis teruggekeerd, zei de kalief tot zijn gids: …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 826e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Ach mijn meester, te oordelen naar wat ik daarnet heb gezien en naar de jonge slavin en de twee beminnelijke knapen die jij mij ten geschenke hebt gegeven, moet jij niet alleen de rijkste, maar ongetwijfeld ook de gelukkigste man ter aarde zijn. Want in jouw paleis moet jij wel de mooiste jonge vrouwen uit het Oosten bezitten en de schoonste jeugdige meisjes van de eilanden van de zee!’ De jonge man antwoordde op treurige toon: ‘Inderdaad, ach mijn heer, ik heb in mijn woning tal van slavinnen van een opmerkelijke schoonheid, maar kan ik hen liefhebben, ik, van wie de herinnering vervuld is van de verdwenen geliefde, de zoete, de bekoorlijke, zij, die door mijn toedoen in de wateren van de Nijl is gestort? Ach, ik zou liever dan mijn hele fortuin slechts de inhoud hebben van de gordel van een lastdrager van Basra, en daarnaast Labiba, de lievelingssultane bezitten, dan zonder haar te leven met al mijn schatten en mijn hele harem!’ De kalief bewonderde de standvastigheid van de gevoelens van de zoon van Abdol-Aziz, maar hij spoorde hem aan, om met inspanning van al zijn krachten te proberen zijn treurnis te boven te komen. Daarna dankte hij hem voor de luisterrijke ontvangst die hij hem ten deel had doen vallen en nam afscheid om terug te keren naar zijn herberg, na op deze wijze zichzelf overtuigd te hebben van de waarheid van de verzekeringen van zijn minister Jafar, die hij in de gevangenis had doen werpen.

De volgende dag begaf hij zich weer op weg naar Bagdad, met al zijn dienaren, het jonge meisje, de twee jeugdige knapen en alle geschenken die hij aan de weergaloze edelmoedigheid van Abol-Kasem dankte. Zo gauw hij nu in het paleis was aangekomen, haastte ar-Rasjid zich, zijn grootminister Jafar in vrijheid te stellen en om hem te bewijzen hoezeer het hem speet dat hij hem zo voorbarig had gestraft, gaf hij hem de twee jonge knapen ten geschenke en stelde hij opnieuw al zijn vertrouwen in hem. Na hem vervolgens het resultaat van zijn reis te hebben verteld, zei hij tegen hem: ‘En nu, Jafar, zeg mij, wat ik moet doen om mijn erkentelijkheid te betuigen voor de hoffelijke handelwijze van Abol-Kasem? Jij weet, dat de dankbaarheid van vorsten het genoegen moet overtreffen, dat men hun gedaan heeft. Indien ik mij ermee tevreden stel, naar Abol-Kasem in zijn luisterrijke staat het zeldzaamste en kostbaarste te zenden wat ik in mijn schatkamer bezit, dan is dat nog maar weinig voor hem. Hoe zal ik hem in edelmoedigheid kunnen overtreffen?’ Jafar antwoordde: ‘Ach emir van de gelovigen, het enige middel waarover u beschikt om uw schuld van dankbaarheid in te lossen, is Abol-Kasem te benoemen tot koning van Basra.’ Ar-Rasjid antwoordde: ‘Wat jij zegt, is juist, ach mijn minister, het is het beste middel om mij van mijn plicht tegenover Abol-Kasem te kwijten. Vertrek daarom en ga onmiddellijk naar Basra, stel hem de benoemingsbrieven ter hand en keer daarna met hem hier terug, opdat wij hem feestelijk in ons paleis onthalen!’ Jafar antwoordde met ja en met gehoorzaamheid en vertrok zonder dralen naar Basra. Ar-Rasjid echter begaf zich naar Zobeida in haar vertrekken en gaf haar als geschenk het jonge meisje, de boom en de pauw. Hij behield voor zichzelf slechts de beker. Zobeida vond het jonge meisje zo bekoorlijk, dat zij haar echtgenoot glimlachend verzekerde, het met nog groter genoegen aan te nemen dan de andere geschenken. Daarop liet zij zich de bijzonderheden vertellen van deze verbazingwekkende reis.

Wat Jafar betreft, hij haastte zich van Basra terug te keren met Abol-Kasem, waarbij hij ervoor gezorgd had hem op de hoogte te brengen van wat er was gebeurd en van de identiteit van de gast, die hij geherbergd had in zijn woning. Toen de jonge man de troonzaal was binnengetreden stond de kalief te zijner eer op, ging hem glimlachend tegemoet en omhelsde hem als een zoon. Hij stond erop, zelf met hem naar het badhuis te gaan, een eer die hij sinds zijn troonbestijging nog aan niemand bewezen had. Na het bad, terwijl men hem sorbets, gebak en vruchten voorzette, trad een slavin binnen, pas in het paleis aangekomen, om een lied te zingen. Maar nauwelijks had Abol-Kasem het gezicht van de jonge slavin aanschouwd, of hij slaakte een kreet en viel in zwijm. Ar-Rasjid, die toesnelde om hem hulp te verlenen, nam hem in zijn armen en slaagde erin, hem langzaam weer tot bewustzijn terug te brengen. De jonge zangeres was immers niemand anders dan de vroegere favoriete van de sultan van Caïro. Zij was door een visser uit de wateren van de Nijl gered en door hem aan een slavenhandelaar verkocht. Deze handelaar had haar, na haar eerst lange tijd in zijn harem te hebben gehouden, naar Bagdad gebracht en haar daar verkocht aan de echtgenote van de emir van de gelovigen. Zo vond Abol-Kasem, na koning van Basra te zijn geworden, zijn welbeminde terug en kon hij van nu af aan met haar van het leven genieten tot aan de komst van de Vernieler van de geneugten, de onverbiddelijke Bouwer van de graven!

Maar meen niet, ach mijn koning dat deze geschiedenis ook maar bij benadering of van verre zo verbazingwekkend of vol nuttige zedenlessen is als het verhaal van de Ingewikkelde Geschiedenis van de Vriendelijke Bastaard!”

 

Koning Sjahriar fronste de wenkbrauwen en vroeg: “Van welke bastaard wil je spreken, Sjahrzad?”

De dochter van de minister antwoordde: “Juist van die, ach mijn koning, over wiens veelbewogen leven ik u nu zal gaan vertellen!” Sjahriar zei: “Je hebt mijn zegen!” Sjahrzad vertelde:

 

De ingewikkelde geschiedenis van de vriendelijke bastaard

 

“Er wordt verteld, maar God is wijzer, dat er in een stad onder de steden van onze Arabische vaderen drie vrienden leefden, die geslachtkundigen waren van beroep. Wat voor geslachtkundigen, zal later blijken, indien God het toestaat.

Deze drie vrienden waren zo dapper en handig als weinig anderen. Zij waren zo handig, dat zij, voor hun vermaak, een gierigaard van zijn beurs konden beroven, zonder dat hij het merkte. Zij plachten dagelijks samen te komen in een kamer van een afgelegen herberg, welke zij voor dat doel hadden gehuurd. Zij konden daar, zonder te worden gestoord, op hun gemak overleg plegen over de een of andere grap, die zij met de bewoners van de stad wilden uithalen, of over de wijze waarop zij de dag in vrolijkheid zouden doorbrengen. Doch dit moet worden gezegd: over het algemeen waren hun daden en handelingen niet gemeen en niet onbehoorlijk, zoals ook hun manier van doen eerder voornaam was en hun voorkomen innemend.

Omdat er tussen hen een volstrekt broederlijke vriendschap bestond, legden zij hun verdiensten bijeen en verdeelden deze eender, of de een nu veel had of weinig. Steeds gaven zij de helft van die verdiensten uit voor de aankoop van mondvoorraad en de andere helft voor de aankoop van hasjiesj, om zich ’s nachts, na een welbestede dag, te bedwelmen. Wanneer zij zich bedwelmden, gehurkt voor de ontstoken kandelaars bleven zij toch fatsoenlijk, en hun dronkenschap ontaardde nooit in twist of onwelvoeglijk gepraat, integendeel. Want de hasjiesj veredelde veeleer hun zedelijke hoedanigheden en verhelderde hun verstand. Zij kregen op zulke ogenblikken zelfs wonderlijke ideeën, die zonder twijfel iedere toehoorder in verrukking zouden hebben gebracht.

Welnu, op een keer ontvlamde de hasjiesj hun geest en gaf hun een plan in van een stoutmoedigheid zonder weerga. Zij bespraken hun plan terdege en gingen in alle vroegte op weg, tot zij bij de tuin kwamen die het paleis van de koning omringde. Daar begonnen zij openlijk ruzie te maken en elkaar uit te schelden. Zij slingerden elkaar, tegen alle gewoonte in, de heftigste beledigingen toe en zij dreigden onder krachtige gebaren en met woedende blikken elkaar te zullen vermoorden, of op zijn minst te mishandelen. Toen de sultan, die in zijn tuin wandelde, hun geschreeuw en het lawaai hoorde, zei hij: ‘Breng die kerels bij mij, die al dat kabaal maken!’

Onmiddellijk liepen bedienden en eunuchen toe om hen te grijpen. Zij sleepten hen, onder slagen, voort tot voor de voeten van de sultan.

Terwijl zij dan voor hem stonden, vroeg de sultan, die door hun onhebbelijk geschreeuw tijdens zijn ochtendwandeling was gestoord, de reden van hun woede en boosheid: ‘Wie zijn jullie, deugnieten? Waarom ruziën jullie zo schaamteloos onder de muren van het paleis van jullie koning?’ Zij antwoordden: ‘Ach koning van deze tijd, wij zijn meesters in ons vak. Elk van ons beoefent een verschillend beroep. Wat de reden betreft van onze onenigheid, dat onze meester ons vergeeft, die is juist gelegen in ons vak. Want wij twistten over de voortreffelijkheid van onze beroepen, en daar wij ieder ons vak tot in de volmaaktheid verstaan, beweerde elk van ons de twee anderen in vakkundigheid te overtreffen. Het ene woord wekte het andere op en wij lieten ons meeslepen door onze woede en boosheid. Zo kwam het al spoedig tot scheldwoorden en beledigingen. Zo gebeurde het, dat wij, niet denkend aan de aanwezigheid van onze meester de sultan, elkaar over en weer hebben uitgescholden voor hondsvotten en hoerenkinderen en lid-likkers! Ver van ons zij de Kwade! De boosheid is een slechte raadgever, ach onze meester en hij ontneemt aan welopgevoede lieden het besef van hun waardigheid! Welk een schande op onze hoofden! Het lijdt geen tegenspraak, dat wij verdienen zonder genade te worden gestraft door onze meester de sultan!’ De sultan vroeg hun nu: ‘Wat zijn dan uw beroepen?’

De eerste van de drie vrienden boog zich voor de sultan, kuste uit eerbied de aarde voor diens voeten en zei, toen hij zich weer had opgericht: ‘Ik, ach mijn heer, ik ben kenner van juwelen, en algemeen word ik erkend als een van de grootste, meest talentvolle geleerden op het gebied van de kennis van edelstenen!’

Ten hoogste verbaasd zei de sultan: ‘Bij God, als ik oordeel naar je brutale blik, heb je veeleer het uiterlijk van een boef dan van een geleerde. Het zou de eerste keer zijn dat ik zag, hoe wijsheid en ondeugd in dezelfde persoon waren verenigd. Maar hoe het ook zij, kun je mij tenminste uitleggen waaruit die kennis van edelstenen bestaat?’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 827e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Hij antwoordde: ‘Die bestaat uit de kennis betreffende oorsprong en ras van de edelstenen, en uit de kunst ze op het eerste gezicht van valse te onderkennen, evenals ze van elkaar te onderscheiden door ze te bekijken en te bevoelen.’ De sultan riep uit: ‘Het is haast ongelofelijk! Maar ik vind wel een middel om zijn kennis en talent op de proef te stellen!’ Hij wendde zich tot de tweede hasjiesj-eter en vroeg hem: ‘En wat is jouw beroep?’

De tweede van de vrienden boog zich voor de sultan, kuste uit eerbied de aarde, richtte zich op en zei: ‘Ik, ach koning van deze tijd, ik ben paardenkenner. Iedereen beschouwt mij als de geleerdste man onder de Arabieren, wat kennis van ras en oorsprong van paarden betreft. Ik kan bij de eerste oogopslag en zonder mij ooit te vergissen, beoordelen of een paard afkomstig is van de stam van de Anazehs of van de stam van de Muteirs of van de Beni-Kaled of van de stam van de Dafirs of van Jabal-Sjammar. Met zekerheid kan ik vaststellen of het is opgegroeid op de hoogvlakte van Najd of temidden van de laaglanden van Nefoed en of het behoort tot het ras van de Kehilan al-Ajoez of van de Seglawi Jedran, of van de Seglawi-Siefi of van de Hamdani-Simri of van de Kehilan al-Kroesj. Ik kan, in voeten uitgedrukt, de juiste afstand noemen die een bepaald paard kan afleggen in een bepaalde tijd, hetzij in galop, hetzij stapvoets, hetzij in draf. Ook kan ik de verborgen ziekten van het dier onthullen, evenals zijn toekomstige ziekten en ik kan zeggen waaraan zijn vader en moeder zijn gestorven en zijn voorouders tot aan het vijfde geslacht. Vervolgens kan ik paardenziekten genezen, zelfs die welke als ongeneeslijk bekend staan en een stervend dier hergeef ik de gezondheid. Ziehier, ach koning van deze tijd, slechts een gedeelte van wat ik kan, want uit vrees mijn verdiensten te overschatten, durf ik u de andere onderdelen van mijn kennis en kunde niet te onthullen. Maar God is wijzer!’ Nadat hij zo had gesproken, sloeg hij bescheiden de ogen neer en boog voor de sultan.

Nadat deze had geluisterd en gehoord, riep de sultan uit: ‘Bij God, deze man is een wijze en een deugniet tegelijkertijd, wat een wonderlijke mengeling! Maar ik vind wel een middel om zijn beweringen en zijn vakkennis op de proef te stellen!’ Vervolgens wendde hij zich tot de derde geslachtkundige en vroeg hem: ‘En u, ach derde, wat is uw beroep?’De derde hasjiesj-eter, die van hen drieën de schranderste was, bracht het gebruikelijke eerbetoon en antwoordde: ‘Ach koning van deze tijd, mijn beroep is zonder twijfel het edelste en het moeilijkste. Want zo mijn makkers, deze twee wijzen hier, kenners zijn van edelstenen en paarden, welnu, zo ben ik de kenner van het menselijk ras. Zoals mijn makkers behoren tot de meest geëerbiedigde geleerden, zo ben ik, naar ieders onwankelbare mening, de kroon op hun hoofd. Want ach mijn heer, en uw macht zij mijn getuige, ik heb het vermogen de ware oorsprong van mijn medemensen te kennen, niet slechts de zijdelingse maar ook de rechtstreekse oorsprong, die welke de moeder nauwelijks kan weten, en waarover de vader in de regel onwetend blijft. Enkel al bij het zien van een mens, of enkel bij het beluisteren van de klank van zijn stem, weet ik hem zonder aarzelen te zeggen of hij een wettige zoon is, dan wel een bastaard en bovendien, of zijn vader en moeder wettige kinderen waren dan wel de gevolgen van buitenechtelijke bijslaap. Zo kan ik hem de wettigheid of onwettigheid openbaren van de afstamming van al zijn familieleden tot aan onze vader Ismaël, zoon van Abraham, toe. Over die beiden de genade van God en Zijn schoonste zegening! Zo heb ik, dankzij de kennis, waarmee de Schepper mij heeft begiftigd, heel wat grote heren van de waan van hun adellijke afkomst kunnen bevrijden. Ik heb hen met de meest overtuigende bewijzen kunnen aantonen, dat zij niet meer waren dan het voortbrengsel van een omhelzing van hun moeder met nu eens een kameeldrijver of een ezeldrijver of een kok, dan weer met een onechte eunuch of een zwarte neger, of soms een slaaf onder de slaven of iets dergelijks. Indien, ach mijn heer, de persoon die ik onderzoek, een vrouw is, hoef ik ook enkel door de sluier voor haar gezicht te zien, om haar haar ras, haar oorsprong en zelfs het beroep van haar ouders te openbaren! Ziehier, ach koning van deze tijd, slechts een gedeelte van wat ik kan, want de kennis van het menselijk ras is zo uitgebreid, dat ik alleen al om de verschillende vertakkingen ervan op te noemen, hier een hele dag zou moeten doorbrengen met mijn onwaardige tegenwoordigheid voor de ogen van onze meester, de sultan. Zo ziet u, ach mijn heer, dat mijn kennis bewonderenswaardiger, zelfs véél bewonderenswaardiger is dan die van mijn makkers, die twee geleerden daar. Geen mens op het oppervlak van de aarde bezit deze kennis, behalve ik alleen. Geen mens heeft haar voor mij ooit bezeten. Maar alle kennis komt van God, alle wetenschap is een leengoed van Zijn edelmoedigheid en de beste van Zijn gaven is de deugd van bescheidenheid!’

Na zo te hebben gesproken, sloeg de derde geslachtkundige bescheiden de ogen neer, maakte opnieuw een buiging en trad terug tussen zijn makkers die voor de koning stonden opgesteld.

De koning, ten hoogste verbaast, zei: ‘Bij God, wat een wonder! Indien de beweringen van die derde daar waar zijn, is hij zonder enige twijfel de uitzonderlijkste geleerde van deze tijd en van alle tijden! Ik zal dus nu deze drie geslachtkundigen in mijn paleis laten bewaken, tot er zich een gelegenheid voordoet om hun wonderbaarlijke kennis op de proef te stellen. Indien hun beweringen ongegrond zijn gebleken, wacht hen de martelpaal!’

Nadat hij zo tot zichzelf had gesproken, keerde de sultan zich tot zijn grootminister en zei tegen hem: ‘Deze drie geleerden moeten bewaakt worden. Geef hen een kamer in het paleis, een dagelijks rantsoen brood en vlees en zoveel water als zij wensen.’ Het bevel werd zonder uitstel uitgevoerd. De drie vrienden keken elkaar aan en hun blikken zeiden tot elkaar: ‘Wat een edelmoedigheid! Wij hebben nooit gehoord dat een koning zo vrijgevig was als deze koning en zo wijs! Maar, bij God, wij zijn niet voor niets geslachtkundigen. Ons uur zal komen, vroeger of later.’

Maar wat de sultan betreft, het duurde niet lang of de gelegenheid waar hij naar smachtte, deed zich voor, want een naburige koning zond hem hoogst zeldzame geschenken, waaronder zich een edelsteen bevond van wonderlijke schoonheid, wit, doorzichtig en zuiverder van kleur dan het oog van een haan. De sultan, die zich de woorden van de juwelenkenner herinnerde, zond een bode om hem te halen.

Na hem de steen te hebben getoond, verzocht hij hem die te onderzoeken en de sultan mee te delen wat hij ervan dacht. Maar de juwelenkenner antwoordde: ‘Bij het leven van onze meester de koning, ik hoef die steen niet van alle kanten te onderzoeken, niet op zijn doorzichtigheid of zijn weerschijn. Ik hoef de steen niet eens in mijn hand te nemen of zelfs maar te bekijken. Om de waarde en schoonheid ervan te beoordelen, hoef ik hem maar aan te raken met het topje van de pink van mijn linkerhand, terwijl ik de ogen gesloten houdt!’

De koning, nog verbaasder dan te voren, zei bij zichzelf: ‘Eindelijk is het ogenblik gekomen, dat wij zijn beweringen op de proef kunnen stellen!’

Hij hield de juwelenkenner de steen voor en deze strekte met gesloten ogen zijn pink uit en bevoelde de steen. Plotseling sprong hij achteruit, schudde zijn hand alsof die was gebeten of verbrand en zei: ‘Ach, mijn heer, deze steen heeft geen enkele waarde, want niet slechts behoort hij niet tot het zuivere ras van de edelstenen, maar hij bevat bovendien nog een adder in het hart!’ Bij die woorden voelde de sultan een grote woede in zich opstijgen en hij riep uit: ‘Wat zeg je daar, ach zoon van een koppelaar? Weet je niet, dat deze steen een bewonderenswaardige parel is, tegelijk doorzichtig en vol weerschijn en dat ik hem ten geschenke heb gehad van een koning onder de koningen?’ En, slechts oor voor de stem van zijn verontwaardiging, riep hij de bedienaar van de martelpaal en zei hem: ‘Martel het achterste van deze onwaardige leugenaar!’ De bedienaar van de martelpaal, die een uitzonderlijk grote reus was, greep de geslachtkundige, tilde hem op als een vogel en liet hem met zijn achterste neerkomen op de puntige paal. Toen zei de grootminister, een grijsaard die uitmuntte in omzichtigheid, gematigdheid en gezond verstand, tot de sultan: ‘Ach koning van deze tijd, zeker! Deze man heeft ongetwijfeld zijn verdiensten overdreven en overdrijving is altijd te veroordelen. Maar misschien is wat hij naar voren heeft gebracht geheel niet van waarheid ontbloot. En in dat geval zou zijn dood niet voldoende gerechtvaardigd zijn voor de Meester van het heelal. Bovendien, ach mijnheer, is het leven van een mens, wie hij ook zij, kostbaarder dan de kostbaarste edelsteen en weegt zwaarder in de balans van de Weger! Daarom kunt u de bestraffing van deze man beter uitstellen tot na de proef! De proef kan slechts genomen worden door deze steen in tweeën te breken. Als de adder zich in het hart van die steen bevindt, dan zal de man gerechtvaardigd zijn. Maar als de steen goed is en zonder inwendig bederf, dan zal de kastijding van die man worden voortgezet en verhevigd door de bedienaar van de paal.’ De sultan erkende de juistheid van de woorden van zijn grootminister en zei: ‘Men dele die steen in tweeën!’ Op hetzelfde ogenblik werd de steen gekloofd. De koning en alle aanwezigen waren ten hoogste verbaasd toen zij uit het hart van de steen een witte adder zagen kruipen. Zodra die worm in de open lucht kwam, vatte hij vanzelf vlam en verteerde in een enkele seconde, zonder het minste spoor van zijn bestaan achter te laten. Vervolgens, toen de sultan van zijn verbazing was hersteld, vroeg hij de geslachtkundige: ‘Hoe heb je in het hart van die steen het bestaan van die worm kunnen ontdekken, die niemand van ons kon zien?’ De geslachtkundige antwoordde bescheiden: ‘Door de gezichtsscherpte van het oog, dat ik aan het topje van mijn pink heb en door de gevoeligheid van die vinger voor de warmte en koude van die steen!’ De sultan, verbaasd over zoveel kennis en kunde, zei tot de bedienaar van de paal: ‘Laat hem los!’ Hij voegde er aan toe: ‘Men geve hem vandaag een dubbel rantsoen brood en vlees en water naar wens!’

Tot zover de geschiedenis van de juwelenkenner. Maar met de kenner van paarden gebeurde het volgende: Enige tijd na het voorval met de steen, die door een worm werd bewoond, ontving de sultan uit het binnenland van Arabië van een machtig stamhoofd, als bewijs van diens onderdanigheid, een rosbruin paard, van bewonderenswaardige schoonheid. Verrukt over dit geschenk, bracht de sultan hele dagen door in de stal, om het dier te bewonderen. Maar hij vergat niet de aanwezigheid van de paardenkenner in het paleis en hij ontbood hem bij zich. Toen deze voor hem stond, zei hij hem: ‘Ach man, beweer je nog steeds iets van paarden te weten, op de wijze die je ons onlangs hebt verteld? Voel je je bereid om ons het bewijs te leveren van je kennis betreffende de oorsprong en ras van paarden?’ De geslachtkundige antwoordde: ‘Zeker, ach koning van deze tijd!’ De sultan riep: ‘Ik zweer bij de waarheid van Hem, die mij als heerser over mijn dienaren heeft geplaatst en die tot de wezens en dingen zegt: ‘Wees!’ en zij zijn er, dat ik je, indien er de minste dwaling, onjuistheid of verwarring in je verklaring is, de ergste dood zal laten sterven!’ De man antwoordde: ‘Ik hoor en ik onderwerp me!’ Toen zei de sultan: ‘Breng het paard voor de ogen van deze geslachtkundige!’ Toen het edele dier voor hem stond, wierp de geslachtkundige er een blik op, een enkele blik, vervolgens dook hij ineen, glimlachte en zei, zich tot de sultan wendend: …. ”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 828e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Ik heb gezien en ik weet!’ De sultan vroeg hem: ‘Wat heb je gezien, ach man en wat weet je?’ De geslachtkundige antwoordde: ‘Ik heb gezien, ach koning van deze tijd, dat dit paard inderdaad van een zeldzame schoonheid is en van een uitstekend ras. Zijn lichaamsverhoudingen zijn harmonisch en zijn houding is vol fierheid. Zijn kracht is zeer groot en zijn snelheid volmaakt en zijn schoften zijn smal. Het dier heeft een prachtige hals, een hoge zit, benen van staal, een opgerichte, in een volmaakte boog verlopende staart en zware, dichte manen tot op de grond. Wat zijn hoofd betreft, dat heeft alle kentekenen, die wezenlijk zijn voor het hoofd van een paard uit het land der Arabieren. Breed en niet klein, ontwikkeld vooral in het hogere deel, met een grote afstand van de oren tot de ogen, een grote afstand van het ene oog naar het andere en een zeer kleine afstand van het ene oor naar het andere. En van voren is de kop gewelfd. De ogen staan helder in het hoofd en zijn mooi als gazelleogen en de plek rondom de ogen is haarloos, zodat het mooie, glanzende, zwarte leer daar in de buurt onbedekt blijft. De jukbeenderen zijn groot en mager en de kaakbeenderen steken uit. De kop loopt naar beneden smal toe en wordt bij het uiteinde van de lippen bijna puntig. De neusvleugels steken niet uit wanneer ze in rust zijn en de neusgaten zijn niet te groot. De onderste lip is breder dan de bovenste en de oren zijn flink, lang, fijn en keurig geknipt als de oren van een antilope. Kortom: in alle opzichten is het een prachtig dier. Zijn rosbruine kleur is de koningin onder de kleuren. Dit dier zou zonder enige twijfel het mooiste paard van de wereld zijn en nergens zou men zijns gelijke kunnen vinden, indien het niet dat ene gebrek had, dat mijn ogen zo juist hebben ontdekt, ach koning van deze tijd!’

Toen de sultan die beschrijving van het paard dat hij liefhad had gehoord, was hij aanvankelijk prettig verbaasd, vooral daar hij bedacht, dat de geslachtkundige het dier slechts met een enkele achteloze blik had bekeken. Maar toen hij hoorde praten over een gebrek, begonnen zijn ogen te vlammen, zijn borst hijgde en met een stem die van woede trilde vroeg hij de geslachtkundige: ‘Wat zeg je daar, ach vervloekte bandiet? Wat praat je over een gebrek, als je het hebt over zo’n prachtig dier, de laatste afstammeling van het edelste ras van Arabië?’ Doch die woorden maakten geen indruk op de geslachtkundige en hij antwoordde: ‘Zodra de sultan in woede en boosheid raakt over de woorden van zijn slaaf, zal de slaaf zijn mond houden!’ De man hernam: ‘Ik zal slechts spreken, indien de koning mij de volle vrijheid geeft!’ De koning zei: ‘Spreek dan en verberg me niets!’

Toen zei hij: ‘Weet dan, ach koning, dat dit paard van een echt en zuiver ras is, van vaders zijde, maar alleen van zijn vaders zijde! Over zijn moeder durf ik niet te spreken!’

Met een van woede vertrokken gezicht riep de koning uit: ‘Wie is zijn moeder dan, haast je het mij te zeggen!’ De geslachtkundige antwoordde: ‘Bij God, ach mijn heer, de moeder van dit prachtige paard is van een heel ander dierenras. Zij is zelfs geen muildier, maar een vrouwelijke buffel!’ Bij die woorden van de geslachtkundige bereikte de sultan de uiterste grens van woede. Hij begon onrustbarend te hijgen en kon aanvankelijk geen woord uitbrengen. Eindelijk riep hij uit: ‘Ach, hond onder de geslachtkundigen, je dood is verkieslijker dan je leven!’ En hij gaf een teken aan de bedienaar van de martelpaal, met de woorden: ‘Behandel het achterste van die geslachtkundige daar!’ De reus, die de baas was over de martelpaal, nam de geslachtkundige in zijn armen, zette hem met zijn achterste op de scherpe punt, liet hem er met zijn volle gewicht bovenop vallen, en draaide de boor omhoog.

Toen smeekte de grootminister, de man die vervuld was van rechtvaardigheidszin, de koning, de straf enige ogenblikken uit te stellen en sprak: ‘Ach, mijn koninklijke meester, deze geslachtkundige lijdt zeker aan een onvoorzichtige geest en een zwak oordeel, om zo maar te zeggen, dat dit zuivere paard af zou stammen van een moeder, die een buffel is. Daarom, om hem wel te bewijzen dat zijn straf verdiend is, is het beter de stalknecht hier te roepen, die van het hoofd van de Arabische stammen opdracht kreeg dit paard hierheen te brengen. Dan kan onze meester de sultan die man ondervragen in tegenwoordigheid van deze geslachtkundige, en hem verzoeken ons het étui te geven dat de geboorteakte van dit paard bevat, met alle aanduidingen over ras en oorsprong van het dier. Wij weten dat elk paard van edel bloed om zijn hals een zakje moet dragen in de vorm van een étui, dat zijn titels en afstamming bevat!’

De sultan zei: ‘Ik heb er niets op tegen!’ En hij gaf order de betreffende stalknecht te ontbieden.

Toen de stalknecht voor de sultan was verschenen en nadat hij gehoord en begrepen had wat van hem werd gevraagd, antwoordde hij: ‘Ik luister en ik gehoorzaam! Hier is het étui!’ En hij haalde uit zijn gewaad een fraai bewerkt leren tasje te voorschijn, dat bezet was met turkooizen en overhandigde het de sultan. Deze maakte dadelijk de koordjes los en haalde er een papier uit, waarop de zegels stonden afgedrukt van de hoofden van de stam, waar het paard was geboren en de getuigenissen van al degenen, die aanwezig waren bij het bespringen van de moeder van het paard door de vader. Het papier bevatte in duidelijke termen de verklaring dat het betreffende veulen als vader had gehad een volbloed hengst van het ras der Seglawi-Jedran en als moeder een buffel. De hengst had die ontmoet op een dag dat het dier over het strand van de zee dwaalde en had het tot driemaal toe besprongen, nadat het op nadrukkelijke wijze boven het lichaam van de buffel gehinnikt had. Er stond in, dat die vrouwelijke buffel door de ruiters was gevangen genomen en het bewuste rosbruine veulen ter wereld had gebracht en dat zij het zelf een jaar lang had gevoed, ten aanschouwe van de stam. Dat was, in het kort, de inhoud van het papier.

Toen de sultan de voorlezing van dit document door de grootminister met eigen oren had aangehoord, evenals de opsomming van de namen van de sjeiks en de getuigen die het stuk hadden bezegeld, was hij ernstig onder de indruk van dit zo zonderlinge gegeven, en tegelijkertijd zeer verbaasd over de profetische gaven en de feilloze kennis van de paardendeskundige. Hij wendde zich dadelijk tot de bedienaar van de paal en beval deze: ‘Haal hem van de boorplank!’

Toen de man weer overeind en voor de voeten van de sultan stond, vroeg deze hem: ‘Hoe is het mogelijk, dat je je met één oogopslag een oordeel kon vormen over ras, afkomst, hoedanigheden en geboorte van dit veulen? Want je mededelingen zijn waar gebleken, bij God en onbetwijfelbaar bewezen. Haast je dus mij in te lichten over de tekens, waaraan je de fout van dit prachtige dier hebt kunnen herkennen!’ De deskundige antwoordde: ‘Dat is niet moeilijk, ach mijn heer! Ik hoefde maar naar de hoeven van het beest te kijken. En onze meester hoeft alleen maar na te doen wat ik deed.’ De koning bekeek eveneens de hoeven van het dier en zag dat die gespleten, dik en groot waren, zoals bij buffels, in plaats van dicht, dun en rond, zoals bij paarden. Bij het zien daarvan, riep de sultan uit: ‘God is almachtig!’ Hij wendde zich tot zijn bedienden en zei hun: ‘Geef heden aan deze wijze deskundige een dubbel rantsoen vlees en twee ronde broden en water naar wens!’

Tot zover de geschiedenis van deze geslachtkundige. Maar met de deskundige op het gebied van het menselijk ras gebeurde er iets heel anders. Toen namelijk de sultan getuige was geweest van deze twee bijzondere voorvallen, de ontdekking van de worm in het hart van de edelsteen en de afkomst van het veulen, verwekt door een volbloed hengst en geworpen door een buffel en zo het bewijs van de wonderbaarlijke kennis van de beide mannen voor zijn eigen ogen geleverd was, zei hij bij zichzelf: ‘Bij God, ik weet het niet, maar mij dunkt, dat de derde schooier nog een wonderlijker geleerde moet zijn dan de twee anderen. Wie weet wat voor onverwachte ontdekkingen hij zal doen!’ Daarom liet hij hem onmiddellijk bij zich brengen en zei hem: ‘Je zult je nog herinneren, ach man, wat je in mijn tegenwoordigheid hebt beweerd aangaande je kennis van het menselijke ras, welke je in staat zou stellen, de rechtstreekse afstamming van mannen te ontdekken, welke de moeder van het kind nauwelijks kan weten en waarover de vader in de regel geheel in het duister tast. Je zult je eveneens herinneren, dat je hetzelfde hebt beweerd ten aanzien van vrouwen. Ik wil eens van je weten of je volhardt in je beweringen en of je bereid bent ze voor onze ogen waar te maken?’ De kenner van het menselijk ras, de derde van de hasjiesj-eters, antwoordde: ‘Inderdaad heb ik zo gesproken, ach koning van deze tijd en ik volhard in mijn beweringen. Maar God is groter!’ Toen verhief de sultan zich van zijn troon en sprak tot de man: ‘Volg mij!’ De man volgde de sultan en deze bracht hem naar zijn harem, in strijd met de gewoonte. Doch hij had, door middel van de eunuchen, de vrouw te voren doen waarschuwen dat ze haar sluiers moest omdoen en haar gezicht bedekken. Toen beide mannen waren aangekomen in het vertrek, waar de gunstelinge van dat ogenblik woonde, wendde de sultan zich tot de geslachtkundige en zei hem: ‘Kus de grond uit eerbied voor de voeten van je meesteres, bekijk haar en zeg me dan wat je hebt gezien!’ De hasjiesj-eter kuste de grond uit eerbied voor de voeten van de gunstelinge en sprak tot de sultan: ‘Ik heb haar opgenomen, ach koning van deze tijd!’ Hij had echter slechts één blik op haar geworpen, een enkele blik, meer niet. De sultan zei hem: ‘Als dat zo is, volg mij dan!’ Hij ging heen en de geslachtkundige volgde hem, tot zij in de troonzaal kwamen. De sultan liet de zaal ontruimen en bleef alleen met de grootminister en de geslachtkundige, aan wie hij vroeg: ‘Wat heb je van je meesteres ontdekt?’ De andere antwoordde: ‘Ach, mijn heer, ik heb iemand gezien, die gezegend is met gratie en bekoorlijkheden, voornaamheid, frisheid, bescheidenheid en alle eigenschappen en volmaaktheden der schoonheid. Waarlijk, er blijft in haar niets te wensen over, want zij bezit alle gaven die hart en ogen kunnen bekoren en van welke kant men haar ook bekijkt, ze is volmaakt en harmonisch gebouwd. Waarlijk, als ik moet afgaan op haar uiterlijk en op de wijze blik die uit haar ogen straalt, dan moet ik vaststellen dat haar ziel alle mogelijke begerenswaardige hoedanigheden bezit van begrip en fijngevoeligheid. Dat is het, ach mijn heer, wat ik in deze hoge dame gezien heb! Maar God is alwetend!’ Doch de sultan riep verontwaardigd: ‘Om dat alles gaat het niet, ach geslachtkundige, het gaat er om mij te zeggen wat je ontdekt hebt betreffende de afstamming van je meesteres, mijn eerbiedwaardige gunstelinge! …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 829e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Onmiddellijk betrok het gezicht van de geslachtkundige en hij antwoordde: ‘Dat is een pijnlijke aangelegenheid, ach koning van deze tijd en ik weet niet of ik moet spreken of zwijgen.’

Maar de sultan riep uit: ‘Wel, bij God, ik heb je toch enkel hier laten komen opdat je zou spreken. Vooruit, zeg op wat je weet en wik je woorden, schooier!’

In volle zelfbeheersing zei de geslachtkundige echter: ‘Bij het leven van onze meester, deze dame zou het meest volmaakte wezen onder Gods schepselen zijn, zo er geen gebrek was in haar afstamming, dat haar persoonlijke volmaaktheden ontsiert!’

Toen de sultan deze laatste woorden hoorde, in het bijzonder het woord gebrek, fronste hij de wenkbrauwen en door woede overmand, trok hij plotseling zijn kromzwaard en sprong op de geslachtkundige toe om hem zijn hoofd af te slaan. Hij riep: ‘Ach hond, zoon van een hond, je bent zeker van plan mij te vertellen dat mijn gunstelinge de afstammelinge is van een buffel of dat ze een worm in haar ogen heeft of ergens anders! Ach, zoon van duizend wormdragers van de oneerbaarheid, dit zwaard zal je lengte aan je breedte gelijk maken!’ Hij zou hem feilloos hebben gedood, als de voorzichtige en rechtvaardige minister er niet geweest was om de arm van de sultan tegen te houden en hem toe te roepen: ‘Ach mijn heer, het is beter deze man het leven niet te ontnemen, voor u overtuigd bent van zijn misdaad!’ De sultan vroeg nu de man, die hij had omvergeworpen en die hij met zijn knie tegen de grond gedrukt hield: ‘Vooruit, spreek! Wat is dat gebrek, dat je bij mijn favoriete ontdekt hebt?’ De kenner van het menselijk ras antwoordde op dezelfde rustige toon: ‘Ach koning van deze tijd, mijn meesteres, uw eerbiedwaardige gunstelinge, is een voorwerp van schoonheid en volmaaktheden, maar haar moeder was een publieke danseres, een ongehuwde vrouw van de zwervende stam der Kazia’s, de dochter van een hoer!’ Bij die woorden werd de woede van de sultan zo hevig, dat de kreten hem diep in de keel bleven steken. Pas na verloop van geruime tijd kreeg hij de macht over zijn spraak terug en zei tegen zijn grootminister: ‘Ga snel heen en breng de vader van mijn favoriet hier, die intendant is van mijn paleis!’ En hij hield zijn knie op de borst van de geslachtkundige, die de derde hasjiesj-eter was.

Toen de vader van zijn gunstelinge was aangekomen, riep hij deze toe: ‘Je ziet die paal daar, is het niet? Welnu, indien je niet op de punt daarvan wenst terecht te komen, haast je dan mij de waarheid te zeggen betreffende de geboorte van je dochter, mijn favoriete!’ De intendant van het paleis, vader van de gunstelinge, antwoordde: ‘Ik luister en ik gehoorzaam!’ Hij zei: ‘Weet, ach mijn vorstelijke meester, dat ik u de waarheid ga zeggen, want de waarheid is het enige heil. In mijn jeugd leefde ik het vrije leven van de woestijn, en ik reisde als gids van karavanen die mij daarvoor betaalden, zolang zij op het grondgebied van mijn stam waren. Op een dag nu, dat we gelegerd waren bij de bronnen van Zobeida, dat de genade en barmhartigheid van God haar deel zij, kwam daar een troep vrouwen voorbij van de zwervende stam der Kazia’s, waarvan de meisjes, zodra zij de puberteit hebben bereikt, zich verkopen aan de mannen van de woestijn. Zij zwerven van de ene stam naar de andere, van de ene legerplaats naar de andere en bieden hun bekoorlijkheden en waardigheid in het liefdesspel aan de jonge ruiters aan. Die troep bleef een paar dagen lang in ons midden, en verliet ons nadien om de mannen van een naburige stam te gaan opzoeken. Na dit vertrek, toen de groep al uit het zicht was, vond ik, tegen een boom geleund, een klein meisje van vijf jaar, dat de moeder, een Kazia, blijkbaar had verloren of vergeten daar in de oase, bij de bronnen van Zobeida. En, waarachtig, ach mijn vorstelijke meester, dat meisje, bruin als een rijpe dadel, was zo mooi en zo lief, dat ik op staande voet verklaarde voor haar opvoeding te zullen zorgen. Ofschoon ze schuw was als een jonge hinde die voor het eerst in de bossen komt, slaagde ik er in haar te temmen. Ik vertrouwde haar toe aan de moeder van mijn kinderen, die haar opvoedde alsof het haar eigen dochter was. Zo groeide zij op temidden van ons gezin, en zij werd zo mooi dat, toen ze eenmaal de puberteit had bereikt, geen enkel meisje van de woestijn, hoe bekoorlijk ook, de vergelijking met haar kon doorstaan. En ik, ach mijn heer, ik voelde hoe mijn hart vervuld was van haar en daar ik mij niet onwettig met haar wilde verenigen, nam ik haar tot mijn wettige vrouw, door haar te huwen, ondanks haar nederige afkomst. Dank zij de zegen van God schonk zij mij de dochter, die u verkozen heeft als uw gunstelinge, ach koning van deze tijd! Dat is de waarheid over de moeder van mijn dochter en over haar ras en haar oorsprong. Ik zweer, bij het leven van onze profeet Mohammed, over hem zij het gebed en de vrede!, dat ik geen lettergreep aan de waarheid heb toegevoegd en dat ik er geen lettergreep van heb verzwegen. Maar God is waarheidsgetrouw en de enig onfeilbare!’

Toen de sultan deze ongekunstelde bekentenis had aangehoord, voelde hij zich bevrijd van een kwellende zorg en een smartelijke ongerustheid. Hij had zich voorgesteld, dat zijn gunstelinge de dochter was van een hoer onder de meisjes der Kazia’s. En hij had juist het tegenovergestelde vernomen, want, hoewel afkomstig van de stam der Kazia’s, was de moeder maagd gebleven tot aan haar huwelijk met de intendant van het paleis. Hij gaf zich toen over aan zijn verrassing die veroorzaakt werd door de kennis van de scherpzinnige geslachtkundige. En hij vroeg deze: ‘Hoe kwam je er toe, ach wijze, te raden, dat mijn favoriete meisje was van de stam der Kazia’s, dochter van een danseres, op haar beurt dochter van een hoer?’ De wijze hasjiesj-eter antwoordde: ‘Dat zit zo! Allereerst is het mijn kennis, God is wijzer!, die mij op het spoor van die ontdekking heeft gebracht. Vervolgens is het een feit, dat alle vrouwen van het ras der Kazia’s zeer dichte wenkbrauwen hebben, zoals uw favoriete; wenkbrauwen die van beide kanten doorlopen tot aan de wortel van de neus, en tevens, ook weer zoals uw favoriete, de donkerste ogen van heel Arabië!’ De koning, verrukt over alles wat hij had gehoord, wilde de geslachtkundige niet laten weggaan alvorens hem een afdoend bewijs van zijn tevredenheid te hebben gegeven. Hij wendde zich daarom tot zijn bedienden die weer binnen waren gekomen en zei hun: ‘Geef nu aan deze uitgelezen wijze een dubbele portie vlees, twee ronde broden en water naar wens!’ Dat gebeurde met de kenner van het menselijk ras! Maar dit is niet alles, want de geschiedenis is niet ten einde.

Immers, nadat de sultan de nacht had doorgebracht met nadenken over wat de vrienden hadden gedaan en over de grondigheid van hun kennis betreffende de verschillende takken van de geslachtkunde, zei hij de volgende morgen bij zichzelf: ‘Bij God, na wat die geslachtkundige van het menselijk ras mij heeft verteld over de afstamming van mijn favoriete, behoor ik hem tot de geleerdste man van mijn koninkrijk uit te roepen. Maar tevoren zou ik wel willen weten, wat hij mij zou kunnen vertellen over mijn eigen afstamming, van mij, de sultan, die de authentieke nakomeling is van zovele koningen!’ Meteen zette hij zijn gedachten om in een daad en hij liet opnieuw de geslachtkundige van het menselijk ras voor zich verschijnen en sprak tot hem: ‘Nu ik, ach vader van de wetenschap, geen enkele reden heb om aan je woorden te twijfelen, zou ik je wel eens willen horen spreken over mijn afkomst en de oorsprong van mijn koninklijk ras!’ De ander antwoordde: ‘Op mijn hoofd en op mijn oog, ach koning van deze tijd! Maar zeker niet alvorens u mij belooft mij niet te krenken. Want het spreekwoord zegt: Maak dat er afstand is tussen de woede en boosheid van de sultan en je nek en laat je liever straffen wegens ongehoorzaamheid! Wat nu mij zelf betreft, ach mijn meester, ik ben gevoelig en kieskeurig en ik verkies een beetje paalstraf op grond van ongehoorzaamheid boven de ergste paalstraf, die in iemand doordringt en iemands billen splijt, opgelegd wegens een kwestie in verband met uw ras.’ De sultan antwoordde hem: ‘Bij mijn hoofd, ik garandeer je volledige veiligheid en ik vergeef je tevoren alles wat je mag beweren!’ En hij wierp hem een zakdoek toe, als teken van belofte. De geslachtkundige raapte de zakdoek op en zei: ‘In dat geval, ach koning van deze tijd, verzoek ik u te bevelen, dat in deze zaal niemand anders aanwezig is dan wij beiden!’ De koning vroeg: ‘Waarom, ach man?’ Hij zei: ‘Omdat, ach mijn meester, een van de gezegende namen van de almachtige God luidt ‘de Verberger’, daar hij gaarne met sluiers van geheimzinnigheid die dingen verbergt, waarvan het ruchtbaar worden schadelijk zou zijn.’ De sultan gebood nu iedereen, zelfs zijn grootminister, de zaal te verlaten. Toen de geslachtkundige alleen met de sultan was, naderde hij deze, en terwijl hij zich vooroverboog naar diens oor, zei hij: ‘Ach koning van deze tijd, u bent niet anders dan een bastaard en nog wel van geringe afkomst. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 830e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Bij het vernemen van die verschrikkelijke woorden, uiting van een ongehoorde stoutmoedigheid, werd de sultan geel van gelaatskleur en zijn gestalte drong ineen. Zijn ledematen verslapten en hij verloor gehoor en gezicht. Hij werd als iemand die dronken is zonder wijn te hebben geproefd. Hij wankelde, met schuim op zijn lippen en uiteindelijk viel hij bewusteloos ter aarde. In die houding bleef hij lange tijd liggen, zonder dat de geslachtkundige wist of hij dood was of halfdood of nog levend. Maar eindelijk kwam hij weer tot zichzelf en na zich te hebben opgericht en de macht over zijn zintuigen te hebben herwonnen, wendde hij zich tot de geslachtkundige en zei: ‘Dit zal ik je zeggen, ach man, bij de waarheid van Hem, die mij macht gaf over zijn dienaren, indien de waarheid van je woorden mij wordt aangetoond, indien ik daarover zekerheid verwerf door middel van positieve bewijzen, dan zal ik, zeker en onder voorbehoud, afstand doen van een troon die ik niet waardig ben, en mij ontdoen van mijn koninklijke macht ten gunste van jou. Jij bent degene die dit het meest verdient en niemand zou even waardig zijn als jij om die post te bekleden. Maar als ik een leugen vind in je woorden, zal ik je wurgen!’ De geslachtkundige antwoordde: ‘Ik luister en ik gehoorzaam! Ik heb geen enkel bezwaar!’ Toen verhief de sultan zich op beide voeten en snelde zonder uitstel naar het vertrek van zijn moeder, de sultane. Met het zwaard in de hand drong hij bij haar binnen en sprak: ‘Bij Hem, die de hemel schiep en deze scheidde van het water, indien je me niet naar waarheid antwoordt op wat ik je vragen zal, ach moeder, zal ik je in heel kleine stukjes hakken met dit hier!’ Hij hief zijn wapen omhoog, met een dreigende blik in zijn vurige, rollende ogen en kwijlend van woede. De moeder van de sultan schrok ernstig van deze zo ongewone aanspraak, en riep uit: ‘De naam van God over je en rondom je! Bedaar, ach mijn kind en ondervraag mij over alles wat je wenst te weten, want ik zal je slechts antwoorden volgens de voorschriften van de Waarachtige.’ De sultan zei tegen haar: ‘Haast je dan mij zonder voorbehoud of omwegen te zeggen of ik de zoon ben van de sultan, mijn vader en of ik van het koninklijk ras ben van mijn voorvaderen. Alleen jij kunt mij dat openbaren!’ Zij antwoordde: ‘Ik zal je dan zonder omwegen zeggen, dat je de authentieke zoon bent van een kok. Als je weten wilt hoe, luister dan. Toen de sultan, je voorganger, degene die je tot nu toe voor je vader hield, mij tot echtgenote had genomen, leefde hij met mij volgens de gewoonte. Maar God zegende onze verhouding niet met vruchtbaarheid en ik kon hem geen nakomelingschap schenken, die hem vreugde bracht en de troon voor zijn geslacht zou verzekeren. Toen hij nu zag, dat hij geen kinderen kreeg, werd hij gedompeld in een droefheid die hem de eetlust, de slaap en de gezondheid deed verliezen. Hij werd door zijn moeder bewerkt om naast mij een andere echtgenote te nemen. Dus nam hij naast mij een tweede echtgenote. Maar ook die verhouding zegende God niet met vruchtbaarheid. Opnieuw raadde zijn moeder hem aan een andere vrouw te nemen. Toen besloot ik, daar ik zag dat ik uiteindelijk naar de laatste plaats zou worden teruggedrongen, zonder dat het overigens de sultan ook maar enigszins zou baten, mijn invloed te redden en tegelijkertijd de voortzetting van de troon te verzekeren. Ik wachtte slechts op een gunstige gelegenheid om dit uitstekende plan te verwezenlijken. Welnu, op een dag had de sultan, die sinds lang alle eetlust miste en steeds magerder werd, grote trek om een doorspekt kuiken te eten. Hij gaf de kok opdracht een van de vogels te onthoofden, die in kooien onder de vensters van het paleis waren opgesloten. De man kwam om de vogel uit zijn kooi te halen. Nadat ik de kok uitvoerig had bekeken, vond ik, dat hij zich uitstekend leende voor de uitvoering van het voorgenomen plan, want hij was een breedgebouwde en forse jonge man. Ik boog mij uit het venster en beduidde hem met een teken, door een geheime deur naar boven te komen. En ik ontving hem in mijn kamer.

Wat tussen mij en hem gebeurde, duurde slechts zeer kort, want zodra hij zijn werk had beëindigd, stiet ik hem een dolk in het hart. Hij viel achterover, met zijn hoofd omlaag en was dood. Ik liet hem opnemen door mijn trouwe slavinnen, begraven in een kuil die zij in de tuin hadden gegraven. Die dag at de sultan geen doorspekt kuiken en ontstak in hevige woede en boosheid over het onverklaarbare verdwijnen van zijn kok. Maar op de dag af negen maanden later, bracht ik jou ter wereld, gezond en sterk zoals je nog steeds bent. Je geboorte bezorgde de sultan grote vreugde. Hij hervond zijn gezondheid en zijn eetlust en hij overlaadde zijn ministers, zijn favorieten en alle bewoners van het paleis met gunsten en geschenken. Ook gaf hij grote feesten en hij liet volksfeesten aanrichten, die veertig dagen en veertig nachten duurden. Dat is de waarheid over je geboorte, je ras en je afstamming. Ik zweer bij de profeet, over Hem zij het gebed en de vrede, dat ik alles gezegd heb wat ik wist. God is alwetend!’

Na dit verhaal te hebben aangehoord, stond de sultan op en verliet schreiend de kamer van zijn moeder. Hij trad de troonzaal binnen en zette zich, zonder een woord te zeggen, op de grond tegenover de derde geslachtkundige. De tranen bleven uit zijn ogen stromen en verborgen zich tussen de haren van zijn baard, die zeer lang was. Toen, na verloop van een uur, hief hij het hoofd op en zei tot de geslachtkundige: ‘Bij God, jij, ach mond die waarheid spreekt, zeg mij hoe je hebt ontdekt, dat ik een bastaard van lage afkomst ben?’

De geslachtkundige zei: ‘Ach mijn meester, toen ieder van ons drieën het bewijs had geleverd de talenten te bezitten, waarop wij ons beroemden, toen u daarover uiterst tevreden was, gaf u opdracht, dat ons als beloning een dubbel rantsoen vlees en brood zou worden gegeven en water naar wens. Naar de gierigheid van een dergelijke beloning en naar de aard zelf van de betoonde edelmoedigheid, kwam ik tot de overtuiging dat u niets meer dan de zoon van een kok kon zijn. Want koningen, die zoons zijn van koningen, hebben niet de gewoonte de verdiensten van hun onderdanen te belonen met rantsoenen vlees of iets dergelijks, maar zij belonen die verdiensten met prachtige geschenken, eregewaden en onschatbare rijkdommen. Ik kon dan ook niet anders dan uit deze duidelijke aanwijzing de gevolgtrekking maken van uw lage afkomst als bastaard. Er steekt geen enkele verdienste in deze ontdekking!’

Toen de geslachtkundige dit had gezegd, stond de sultan op en zei: ‘Trek je kleren uit! De geslachtkundige gehoorzaamde en nadat ook de sultan zich had ontdaan van zijn kleren en van zijn koninklijke onderscheidingstekenen, bekleedde hij de ander eigenhandig daarmee. Hij deed hem plaatsnemen op de troon en zich voor hem neerbuigend, kuste hij uit eerbied de grond voor diens voeten en betuigde hem alle eerbetoon dat een vazal zijn soeverein betuigt. Zonder aarzelen ontbood hij de grootminister, de andere ministers en alle groten van het koninkrijk, en beval hun de wijze te erkennen als hun wettige soeverein.

De nieuwe sultan zond onmiddellijk bedienden uit om zijn vrienden te roepen, de beide andere geslachtkundigen en hasjiesj-eters en benoemde de een tot zijn rechter bewaker en de ander tot zijn linker bewaker. Hij handhaafde echter de vroegere grootminister in zijn functies, dank zij diens rechtvaardigheidszin. En hij was een groot koning. Zie hier dan de geschiedenis van de drie geslachtkundigen! Maar wat de voormalige sultan betreft, diens geschiedenis begint nu pas. Want wat gebeurde er? ...”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar haar zus, de kleine Donyazad, die van dag op dag en van nacht op nacht mooier werd en welgevormder en verstandiger, aandachtiger en zwijgzamer, richtte het bovenlichaam op van het tapijt, waarop ze genesteld lag, en zei tegen haar: “Ach, mijn zus, hoe zoet en liefelijk en verblijdend en beminnelijk zijn je woorden!”

Sjahrzad glimlachte haar toe, omhelsde haar en antwoordde: “Ja, maar het is niets vergeleken bij wat ik de volgende nacht ga vertellen, wanneer onze meester de koning het mij wil veroorloven!”

Sjahriar, de sultan, zei: “Ach Sjahrzad, twijfel daar niet aan! Zeker mag je me morgen het vervolg vertellen van deze wonderlijke geschiedenis, waarvan wij pas het begin hebben gehoord. En je mag zelfs, indien je niet te moe bent, er vannacht nog mee voortgaan, want ik verlang vurig te weten wat er gebeurde met die gewezen sultan, die een bastaard was. Dat God alle verderfelijke vrouwen vervloeke! Toch moet ik erkennen, dat in dit geval de echtgenote van de sultan, de moeder van de bastaard, zich door de kok heeft laten gebruiken met een voortreffelijke bedoeling en niet om de verlangens van haar schoot te bevredigen. Dat God haar zijn vergiffenis schenke! Maar wat die vervloekte, die schaamteloze, die hondsdochter van een vrouw heeft gedaan met de neger Masoed, was allerminst om aan mijn nakomelingen de troon te verzekeren, de vervloekte! Dat God haar nimmer opneemt in zijn erbarmen!”

Zo sprak koning Sjahriar, terwijl hij op schrikbarende wijze de wenkbrauwen fronste en met zijn ogen draaide, zodat het oogwit zichtbaar werd. Hij voegde er aan toe: “Wat echter jou betreft, Sjahrzad, ik begin te geloven, dat je misschien niet zo bent als al die schaamteloze wezens die ik heb laten onthoofden!”

Sjahrzad boog voor de woede en boosheid van de koning en sprak: “Dat God onze meester een lang leven schenke en dat Hij mij toestaat tot morgen te leven om u te kunnen vertellen wat er verder gebeurde met de vriendelijke Bastaard!”

 

Na deze woorden te hebben gesproken, deed Sjahrzad er bescheiden het zwijgen toe.

 


Maar toen de 831e Nacht was aangebroken, sprak de kleine Donyazad tot Sjahrzad: “Bij God, ach mijn zus, ik smeek je, indien je geen slaap hebt, vertel ons dan gauw wat er gebeurde met de gewezen sultan, die de buitenechtelijke zoon was van een kok!”

Sjahrzad antwoordde: “Graag en mede ter ere van die grootmoedige koning, onze meester!”

Na een adempauze vervolgde zij die geschiedenis met deze woorden: “Wat de voormalige sultan betreft, diens geschiedenis begint nu pas. Want wat gebeurde er?

Toen hij eenmaal zijn troon en zijn macht had overgedaan in handen van de derde  geslachtkundige, kleedde de gewezen sultan zich in het gewaad van een zwervende derwisj, en ging zonder afscheid te nemen, wat nu voor hem zinloos geworden was en zonder iets met zich mee te nemen, op weg naar het land van Egypte, waar hij vergeten en eenzaam wilde gaan leven, in overpeinzing van zijn lot. God nam hem in bescherming, zodat hij na een reis vol vermoeienissen en gevaren, aankwam in het prachtige Caïro, die onmetelijke stad, zo verschillend van de steden van zijn eigen land en zo uitgestrekt, dat het drie en een halve dag kost om er omheen te lopen. Daar zag hij, dat deze stad werkelijk een van de vier wonderen van de wereld was, naast de brug van Sanja, de vuurbaak van Alexandrië en de moskee van de Omayya in Damascus. Hij herinnerde zich de versregels:

 

‘Egypte! Wonderbaarlijk land,

je stof is van goud en geen zand!

Je rivier is een zegening, zo waardig,

je bewoners zijn liefelijk en aardig.

Ja, je bent één van de overwinnaars

die groots zegevieren in de bazaars.

 

Hij moest erkennen, dat de dichter, die deze woorden geschreven had, de schoonheden van die stad en van dat land in geen enkel opzicht overdreven had.

De gewezen sultan werd niet moe rond te wandelen en te kijken en zich te verheugen. Hij voelde zich heel gelukkig dat hij, gekleed als arme derwisj, op zijn gemak kon rondkijken en wandelen waar het hem wenst, kon rusten als hij er zin in had, bevrijd van alle zorgen en moeilijkheden van het landsbestuur. Hij dacht: ‘Lof zij God, de uitdeler aller genaden! De een geeft Hij macht met alle lasten en zorgen van dien, de andere schenkt Hij armoede, maar tegelijk zorgeloosheid en blijheid van harte! Hij zij gezegend!’

Zo kwam hij, bezig gehouden door prettige overpeinzingen, voor het paleis van de sultan van Caïro, die in die dagen sultan Mahmoed heette. Daar bleef hij staan onder de ramen van het paleis en steunend op zijn bedelaarsstaf verviel hij in gepeins over de levenswijze die de koning van het land zou voeren in deze indrukwekkende woning. En over de last van bezigheden, onrust en zorgen van allerlei aard, waaronder hij dag en nacht gebukt ging, ongeacht nog zijn verantwoordelijkheid tegenover de Allerhoogste, die de handelingen van de koningen ziet en beoordeelt. Hij verheugde er zich van harte over dat hij zich dankzij zijn ontsluierde herkomst had weten te bevrijden uit de greep van een zo verantwoordelijk en moeilijk leven en dat hij kans had gezien het in te wisselen tegen dit bestaan van zorgeloos zwerver, met als enig bezit zijn hemd, zijn mantel en zijn staf. Hij voelde een grote rust in zich neerdalen die zijn ziel verkwikte en hem alle doorstane ontroeringen deed vergeten.

Juist op dit ogenblik keerde Mahmoed terug van de jacht en betrad de ingang van zijn paleis. Hij zag de derwisj, die daar geleund stond op zijn staf, zonder oog voor wat hem omringde, de blik verloren in de aanschouwing van verre verbeeldingen. Hij werd getroffen door het edele uiterlijk van die derwisj, zijn voorname houding en zijn ingekeerde blik. Hij dacht: ‘Bij God, zie de eerste derwisj, die niet zijn hand ophoudt bij het voorbijgaan van rijke heren! Zijn geschiedenis zal ongetwijfeld een vreemde geschiedenis zijn!’ Daarom zond hij een van de heren uit zijn gevolg naar de bedelaar om deze uit te nodigen in het paleis te komen, omdat de sultan hem wenste te spreken. De derwisj kon niet anders dan voldoen aan het verzoek van de sultan. Dat werd voor hem aanleiding tot een nieuwe wending van zijn lot, want nadat sultan Mahmoed een beetje had uitgerust van de vermoeienissen van de jacht, liet hij de derwisj bij zich komen. Hij ontving hem met welwillendheid en ondervroeg hem vol goedheid over zijn welzijn, met de woorden: ‘Wees welkom, ach eerbiedwaardige derwisj van God! Te oordelen naar je uiterlijk, moet je een zoon zijn van de edele Arabieren van de Hedzjaz of van Yemen!’

De derwisj antwoordde: ‘Slechts God is edel, ach mijn heer! Ik, ik ben niet meer dan een arm man, een bedelaar.’

Sultan Mahmoed hernam: ‘Je hebt gelijk. Maar om welke reden ben je naar dit land gekomen, en waarom stond je daar onderaan de muren van het paleis, ach derwisj? Ongetwijfeld is dat een wonderlijke geschiedenis!’ Hij voegde er aan toe: ‘Gods zegen over je, ach gezegende derwisj, maar vertel mij je geschiedenis, zonder mij iets te verbergen.’ Bij die woorden van de sultan kon de derwisj de tranen in zijn ogen niet terughouden en een diepe ontroering beklemde zijn hart. Hij antwoordde: ‘Niets van mijn geschiedenis zal ik verbergen, heer, ofschoon die voor mij vol bittere en liefelijke herinneringen is. Maar sta mij toe, dat ik haar niet hoef te vertellen waar anderen bij zijn.’ Sultan Mahmoed verhief zich nu van zijn troon, daalde af tot voor de derwisj, nam deze bij de hand en bracht hem naar een afgelegen zaal, waar hij zich met hem opsloot. Daarop zei hij tegen hem: ‘Nu kun je zonder vrees spreken, ach derwisj!’

Toen sprak de gewezen sultan, neergezeten op het tapijt tegenover sultan Mahmoed: ‘God is groter! Zie hier mijn geschiedenis!’ Hij vertelde al wat hem overkomen was, van het begin tot het einde, zonder het geringste detail te vergeten en hoe hij afstand had gedaan van de troon en hoe hij zich had vermomd als derwisj om te reizen en te trachten zijn rampspoed te vergeten. Maar het heeft geen zin dit verhaal te herhalen.

Toen sultan Mahmoed de avonturen van de als derwisj vermomde koning had aangehoord, wierp hij de armen om diens hals en omhelsde hem uitbundig en zei: ‘Ere Hem die neerdrukt en die opricht, die vernedert en die verheft door de besluiten van Zijn wijsheid en van Zijn almacht!’ Hij voegde er aan toe: ‘Inderdaad, ach mijn broeder, je geschiedenis is een machtige geschiedenis en er schuilt een belangrijke lering in! Wees dus bedankt dat je mij ermee hebt veredeld en verrijkt. De smart, ach mijn broeder, is een zuiverend vuur en de tegenspoed geneest onze menselijke blinde ogen.’ Vervolgens zei hij: ‘Nu de wijsheid je hart tot woonstee gekozen heeft en nu de deugd van nederigheid tegenover God je meer adeldom heeft verleend dan duizend jaren van macht aan de zonen van koningen te schenken, zou het mij nu veroorloofd zijn een wens uit te spreken, ach mijn allergrootste broeder?’ De gewezen sultan antwoordde: ‘Ik luister en gehoorzaam, ach grootmoedige koning!’ Sultan Mahmoed sprak: ‘Ik zou zo graag je vriend willen zijn!’

Na die woorden omhelsde hij opnieuw de gewezen sultan, die derwisj geworden was en zei tot hem: ‘Hoe voortreffelijk zal ons leven voortaan zijn, ach mijn broeder! Wij zullen samen uitgaan, we zullen samen thuiskomen en ’s nachts zullen we, vermomd, door de verschillende wijken van de stad zwerven en die wandelingen zullen ons zedelijk verrijken. Alles zullen wij broederlijk delen, en alles in dit paleis zal voor de helft je eigendom zijn. Ik smeek je, weiger niet, want weigering is een van de vormen van de gierigheid!’

Toen de sultanderwisj met bewogen gemoed het vriendelijk aanbod had aanvaard, vervolgde sultan Mahmoed: ‘Ach mijn broeder en mijn vriend, op jouw beurt mag je weten, dat ook mijn leven een zonderlinge geschiedenis behelst. Die geschiedenis is zo wonderlijk dat ze, ware ze met naalden geschreven in de hoek van het oog, zou dienen tot heilzame les aan ieder, die ze met eerbied zou lezen. Ik wil niet langer wachten je deze geschiedenis te vertellen, want aan het begin van onze vriendschap, behoor je te weten wat ik ben en wat ik geweest ben!’

Nadat sultan Mahmoed korte tijd had nagedacht om zijn herinneringen te verzamelen, zei hij tot de sultanderwisj die zijn vriend was geworden:

 

Geschiedenis van de aapjongeling

 

‘Weet, ach mijn broeder, dat het begin van mijn leven op alle punten gelijkenis heeft met het einde van jouw loopbaan, want waar jij begonnen bent met sultan te zijn om vervolgens je te kleden in het gewaad van een derwisj, daar heb ik juist het tegenovergestelde gedaan. Ik ben eerst derwisj geweest, en wel de armste onder de derwisjen, om vervolgens koning te worden en neer te zitten op de troon van het sultanaat van Egypte. Ik ben, in feite, de zoon van een zeer arme vader, die, in de straten, het vak van sproeier beoefende. Elke dag torste hij een met water gevulde geitenleren zak op zijn rug, en, gebogen onder dat gewicht, besproeide hij de gevels van winkels en huizen tegen een zeer bescheiden loon. Ikzelf, toen ik de leeftijd had om te werken, hielp hem bij zijn bezigheden en ik droeg ook op de rug een waterzak, die aan mijn krachten was aangepast en die eerder te zwaar was dan te licht. Toen mijn vader overleed in Zijn barmhartigheid, had ik als enige nalatenschap, als enige erfenis en als enig bezit de grote waterzak van geitenleer. Om in mijn onderhoud te voorzien, was ik wel verplicht het beroep uit te oefenen van mijn vader, die zeer gezien was bij de kooplieden, van wie de winkelgevels hij begoot en bij de portiers van de rijke heren. Maar, ach mijn broeder, de rug van de zoon is nooit zo stevig als die van zijn vader en zo zwaar was de grote vaderlijke waterzak, dat ik weldra de moeizame arbeid van het sproeien moest opgeven, om de ribben van mijn rug niet te breken of om geen onherstelbare bochel te krijgen. Daar ik geen goederen bezat en geen rente en niets van dat alles, moest ik een bedelende derwisj worden. Ik moest de handen ophouden voor de voorbijgangers, op de binnenplaats van moskeeën en andere openbare gelegenheden. Als de nacht inviel, strekte ik me in mijn volle lengte uit voor de ingang van de moskee van mijn stadswijk. Na mijn schamele winst van de dag te hebben verorberd, ging ik slapen, zeggende tot mijzelf, gelijk alle ongelukkigen van mijn soort: ‘De dag van morgen zal, indien God wil, voorspoediger zijn dan deze!’ Ik vergat ook niet, dat ieder mens noodzakelijkerwijs zijn kans krijgt op deze aarde en dat de mijne vroeger of later zou komen, of ik wilde of niet. Van belang echter was, niet verstrooid of slapende te zijn, wanneer mijn kans zou voorbijkomen. Daarom verliet de gedachte daaraan mij niet en ik was waakzaam als de hond, die staat voor het wild.

Maar, in afwachting daarvan, leefde ik het leven van de arme, in nooddruft en ontbering en geen enkele van de levensvreugden was mijn deel. Toen ik voor de eerste maal vijf zilveren drachmen in mijn handen had, kocht ik lekker eten en trakteerde ik mijzelf op het een of ander uitgelezen pretje. Het geld was het onverhoopte geschenk van een edelmoedig heer aan wiens deur ik stond te bedelen op de dag van zijn bruiloft. Met de gelukzalige vijf drachmen in mijn handen gekneld, liep ik ijlings naar de voornaamste markt en keek mijn ogen uit en rook met mijn neus naar alle kanten om te kiezen wat ik zou kopen. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 832e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Zie, opeens hoorde ik op die markt luid schaterlachen en ik zag een menigte mensen met verbaasd gezicht en open mond om een man heen staan, die een jonge, grote aap met roze achterwerk aan een ketting hield. Die aap liep heen en weer en maakte met zijn ogen, met zijn snuit en met zijn poten allerlei grimassen naar de mensen om hem heen, kennelijk met het doel zich ten koste van hen te vermaken en om broodjes, grauwe erwten en noten te krijgen.

Bij het zien van die aap zei ik tot mezelf: ‘Wel, Mahmoed, wie weet of je lot niet verbonden is aan de nek van die aap? Je bent nu vijf zilverdrachmen rijk, die je wilt gaan besteden aan je buik, in een of twee of hoogstens drie keren! Zou je er niet beter aan doen, gebruik makend van dit geld, die aap van zijn meester te kopen om zelf met dat beest de markten af te gaan en een zeker middel van bestaan te hebben in plaats van dit bedelaarsleven voort te zetten aan de poort van God?’

Na zo te hebben gedacht maakte ik gebruik van het moment, dat de menigte zich verspreidde en ik naderde de eigenaar van de aap en zei tot hem: ‘Wil je me die aap met ketting verkopen voor drie zilveren drachmen?’ Hij antwoordde mij: ‘Hij heeft mijzelf tien drachmen gekost in klinkende munt, maar omdat jij het bent, wil ik hem je laten voor acht.’ Ik zei: ‘Vier!’ Hij zei: ‘Zeven!’ Ik zei: ‘Vier en een half!’ Hij zei: ‘Een laatste bod, vijf! En bid tot de Profeet!’ Ik antwoordde: ‘Over Hem de zegening, het gebed en de vrede van God! Ik aanvaard de koop, zie de vijf drachmen!’ Ik strekte de vingers, die de vijf drachmen in mijn handpalm omsloten hielden, veiliger dan in een stalen kistje, ik overhandigde hem de som, die mijn hele bezit en mijn hele vermogen was en ik nam de jonge, grote aap in ontvangst en ik leidde die mee aan de ketting.

Maar toen bedacht ik, dat ik huis noch haard bezat om het beest onder te brengen en dat ik er niet aan kon denken hem mee te nemen naar de binnenplaats van de moskee, waar ik in de open lucht woonde. Ik zou daar zeker worden weggejaagd door de koster van de moskee, met heftige scheldwoorden aan mijn adres en aan het adres van mijn aap. Toen begaf ik mij naar een oud, bouwvallig huis, waarvan nog slechts drie muren overeind stonden en ik maakte aanstalten om daar met mijn aap de nacht door te brengen. De honger begon mij gruwelijk te kwellen en daar voegde zich nog bij de ingehouden snoeplust, die ik niet had kunnen bevredigen met de lekkernijen van de markt. Ik kon die nu onmogelijk meer bevredigen omdat het kopen van de aap mij heel mijn bezit had gekost. Mijn zorg, toch al tot het hoogste punt gestegen, werd nu verdubbeld bij de gedachte hoe ik aan voedsel moest komen voor mijn makker, mijn toekomstige kostwinner. Ik begon al spijt te krijgen van mijn koop, toen ik eensklaps zag, dat mijn aap zich heen en weer schudde en meerdere zonderlinge bewegingen maakte. Op hetzelfde ogenblik, zonder dat ik tijd had om te beseffen van wat er gebeurde, zag ik in plaats van het lelijke dier met het glimmende achterwerk, een jongeling, mooi als de maan in haar veertiende dag. Van mijn leven had ik geen schepsel gezien, dat met de jongeling kon worden vergeleken in schoonheid, bekoorlijkheid en aanminnigheid. Hij stond daar in een bevallige houding en richtte zich tot mij met een stem, zoet als suiker: ‘Mahmoed, je hebt zojuist om mij te kopen de vijf zilver-drachmen uitgegeven, die heel je kapitaal en heel je vermogen uitmaakten. Je weet op dit ogenblik zelf niet wat te doen om jezelf enig voedsel te verschaffen, dat ons kan verzadigen, mij en jou!’ Ik antwoordde: ‘Bij God, je hebt gelijk, ach jongeling! Maar wat betekent dit alles? Wie ben je? Waar kom je vandaan? En wat wil je?’ Glimlachend zei hij: ‘Mahmoed, stel mij geen vragen. Maar neem liever dit goudstuk en koop al wat nodig is om ons te eten te geven. Weet, Mahmoed, dat je lot inderdaad is verbonden aan mijn nek, zoals je gedacht hebt en dat ik tot je kom als brenger van voorspoed en geluk!’ Hij voegde daaraan toe: ‘Maar haast je, Mahmoed en ga wat kopen om te eten, want we hebben flinke honger, jij en ik!’ Onmiddellijk voerde ik zijn bevelen uit en niet lang nadien zaten wij samen aan een maal, aan een voortreffelijk maal, het eerste van dat soort sinds mijn geboorte. ’s Nachts lagen wij daar naast elkaar te rusten. Toen ik zag dat hij zeker fijner gebouwd was dan ik, bedekte ik hem met mijn oude mantel van kameelhaar. Hij sliep in tegen mij aangedrukt alsof hij nooit anders dan op deze wijze geslapen had. Ik durfde niet de minste beweging te maken uit angst hem te laten schrikken of hem te doen geloven aan bepaalde bedoelingen van mijn kant en hem dan zijn vroegere gedaante te zien hernemen van een grote aap met ontveld achterwerk. Bij mijn leven! Ik kwam tot de ontdekking, dat er tussen het verrukkelijke lichaam van de jongeling en het geitenleer van de waterzakken, die mij vanaf de wieg tot hoofdkussen hadden gediend, werkelijk wel enig verschil bestond! Op mijn beurt sliep ik in met de gedachte, dat ik sliep aan de zijde van mijn lot. Ik zegende de Schenker, die mij mijn geluk toezond onder een zo mooi en verleidelijk uiterlijk.

Wel, de volgende morgen werd ik gewekt door de jongeling, die eerder ontwaakt was dan ik. Hij sprak tot mij: ‘Mahmoed! Het is hoog tijd, na deze lange nacht, dat je voor ons een paleis gaat huren, het schoonste onder de paleizen van deze stad! Vrees niet, dat je geld te kort zult komen. Koop de duurste en kostbaarste meubelen en tapijten die je op de markt kunt vinden!’

Ik antwoordde met gehoorzaamheid en voerde zijn bevelen uit zonder tijd te verliezen. Toen wij in onze nieuwe woning waren getrokken, het prachtigste paleis van Caïro, van de eigenaar gehuurd voor tien zakken van duizend dinar, sprak de jongeling tot mij: ‘Mahmoed! Hoe komt het, dat je je niet schaamt om, gekleed in lompen als je bent en je lichaam dienende tot toevlucht voor alle soorten luizen en vlooien, mij te naderen en aan mijn zijde te leven? Waarop wacht je om naar het badhuis te gaan, om je te reinigen en op te knappen? Wat het geld betreft, daar bezit je meer van dan de sultans, die over grote rijken heersen, nodig hebben. Wat kleren betreft heb je slechts de moeilijkheid van de keuze!’ Ik, ik antwoordde met gehoorzaamheid en ik haastte me een heerlijk bad te gaan nemen en licht, welriekend en schoon kwam ik uit het badhuis.

Toen de jongeling me zo, herschapen en gekleed in de duurste kleren, weer voor zich zag verschijnen, bekeek hij me lange tijd en scheen voldaan te zijn over mijn uiterlijk. Toen zei hij tegen mij: ‘Mahmoed, zo wilde ik inderdaad, dat je zou zijn. Kom eens bij me zitten!’ Ik ging bij hem zitten. Ik dacht bij mijzelf: Wel, ik geloof, dat nu het ogenblik gekomen is! Ik bereidde me erop voor, hem op geen enkele wijze en in geen enkel opzicht teleur te stellen.

Wel, een ogenblik nadien, klopte de jongeling me vriendschappelijk op de schouder en zei: ‘Mahmoed!’ Ik antwoordde: ‘Ach heer!’ Hij zei: ‘Wat denk je van een jonge koningsdochter, schoner dan de maan in de maand van ramadan, die je echtgenote zou worden?’ Ik zei: ‘Ik denk, ach mijn meester, dat zij welkom zou zijn!’ Hij zei: ‘In dat geval, Mahmoed, sta op, neem dit pakje hier en ga de oudste dochter van de sultan van Caïro ten huwelijk vragen. In de sterren staat zij als je echtgenote beschreven! Als haar vader je zal zien, zal hij weten, dat jij degene bent, die de echtgenoot van zijn dochter moet worden. Maar vergeet niet bij het binnenkomen, onmiddellijk na de begroetingen, de sultan dit pakje ten geschenke aan te bieden!’ Ik antwoordde: ‘Ik luister en ik gehoorzaam!’ Zonder een ogenblik te aarzelen, want het ging om de vervulling van mijn lot, riep ik een slaaf om onderweg het pakje te dragen en ik spoedde mij naar het paleis van de sultan.

De bewakers van het paleis en de eunuchen, die mij zo prachtig gekleed zagen, vroegen eerbiedig wat ik wilde. Zij hadden vernomen, dat ik de sultan wenste te spreken en dat ik hem persoonlijk een geschenk had te overhandigen. Zij maakten er geen enkel bezwaar tegen om, in mijn naam, een audiëntie aan te vragen en mij onmiddellijk bij de sultan toe te laten. Ik, ik bracht de sultan een begroeting, zonder mijn waardige houding te verliezen, alsof ik mijn leven lang de gast van koningen was geweest. Ik groette hem met grote eerbied maar zonder kruiperij en hij groette mij terug met een innemende en welwillende blik. Ik nam het pakje uit de handen van de slaaf en bood het de sultan aan, met de woorden: ‘Wilt u dit bescheiden geschenk aanvaarden, ach koning van deze tijd? Ofschoon het niet op de koninklijke weg ligt van uw verdiensten, doch op het nederige voetpad van mijn onmacht!’

De sultan verzocht zijn grootminister het pakje aan te nemen en te openen en hij keek er in. Hij zag edelstenen en tooisels en sieraden van een ongelooflijke pracht. Hij had nog nooit te voren iets dergelijks gezien. Hij stiet, verrukt, een kreet van bewondering uit over de schoonheid van dit geschenk en sprak tot mij: ‘Gaarne aanvaard ik je geschenk! Maar haast je mij te vertellen wat je verlangt en wat ik je in ruil hiervoor kan geven, want koningen mogen niet achterblijven in vrijgevigheid en wellevendheid!’ Ik antwoordde zonder aarzelen: ‘Ach koning van deze tijd, het is mijn wens om met u een verwantschap te sluiten door middel van die verborgen parel. Die bloem in de knop, die kuise maagd, die in haar sluiers verhulde dame, uw oudste dochter!’

Toen de sultan mijn woorden had gehoord en mijn verzoek had begrepen, bekeek hij mij een uur lang en antwoordde: ‘Ik zie geen bezwaar!’ Daarop richtte hij zich tot zijn minister en zei tegen hem: ‘Jij, wat denk jij van het verzoek van deze doorluchtige heer? Ik voor mij vind hem volkomen geschikt. Aan bepaalde trekken in zijn gezicht lees ik, dat hij door het lot is bestemd om mijn schoonzoon te worden!’ De minister, tot wie de vraag was gericht, antwoordde: ‘De woorden van de koning zijn op ons hoofd! Deze heer lijkt mij niet onwaardig te worden opgenomen in de bloedverwantschap van onze meester en hij is als aanverwant niet te verwerpen. Verre van dat! Maar misschien zou het goed zijn hem, behalve dit geschenk, nog een ander bewijs te vragen van zijn macht en zijn kundigheid!’ De sultan zei tegen hem: ‘Wat moet ik hem dan vragen? Geef mij een raad, ach minister.’ Deze zei: ‘Mijn raad, ach koning van deze tijd, is het volgende: Toon hem de mooiste diamant van deze schat en zeg hem, dat je hem de prinses, je dochter, slechts ten huwelijk schenkt onder voorwaarde, dat hij, als bruidscadeau, een diamant meebrengt van gelijke waarde!’

Toen vroeg ik, hoewel innerlijk hevig bewogen door dit alles, aan de sultan: ‘Als ik een steen meebreng, die de zus is van deze en op alle punten zijns gelijke, zul je me dan de prinses tot vrouw geven?’ Hij antwoordde: ‘Indien je me werkelijk een steen brengt gelijk aan deze, zal mijn dochter jouw vrouw zijn!’ Ik bekeek aandachtig de steen, draaide hem om en om en prentte zijn beeld in mijn geheugen. Ik gaf hem aan de sultan terug en vroeg verlof de volgende dag terug te mogen komen en nam afscheid van hem.

Toen ik aankwam in ons paleis, zei de jongeling mij: ‘Hoe is het afgelopen?’ Ik bracht hem op de hoogte van wat er gebeurd was en ik beschreef hem de bewuste steen alsof ik die tussen mijn vingers hield. Hij zei tegen mij: ‘Die zaak is niet moeilijk. Vandaag is het weliswaar te laat, maar morgen, met Gods wil, zal ik je tien diamanten geven, die volmaakt gelijk zijn aan deze, welke je me beschreven hebt.’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 833e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Waarachtig, de volgende morgen ging de jongeling de tuin van het paleis in en na verloop van een uur, bracht hij mij de tien diamanten. Ze waren allemaal van een volmaakt gelijke schoonheid als die van de sultan, gesneden in de vorm van een duivenoog en helder als het oog van de zon. Ik ging weg om ze aan te bieden aan de sultan en ik zei tot hem: ‘Ach mijn meester, vergeef mij de onaanzienlijkheid van mijn aanbod. Maar één enkele diamant kon ik niet voor u meebrengen. U kunt uit deze tien er één kiezen en weggooien welke u niet aanstaan!’ Hij liet door de grootminister het emaillen doosje dat de stenen bevatte, openen en hij was verrukt over dezelfde flonkering en schoonheid en hoogst verbaasd te zien, dat er werkelijk tien waren, alle gelijk aan die, welke hij bezat, volmaakt gelijk. Toen hij bijgekomen was van zijn verbazing, wendde hij zich tot de minister en zonder het woord tot hem te richten, maakte hij met de handen een gebaar, dat betekende: ‘Wat moet ik doen?’ De minister antwoordde op dezelfde manier, met een gebaar, dat beduiden wilde: ‘Je moet hem je dochter afstaan!’

Onmiddellijk werden bevelen gegeven tot het treffen van de voorbereidingen van ons huwelijk. Zonder tijd te verliezen werden de rechter en de getuigen ontboden, die het huwelijkscontract ondertekenden. Toen die acte, naar wettelijke voorschriften, was opgemaakt, werd zij mij, volgens gangbaar ceremonieel, ter hand gesteld. Ik had de jongeling aan de sultan als mijn naaste bloedverwant voorgesteld. Hij zou de plechtigheid bijwonen. Ik haastte mij om hem te vinden, opdat hij die acte voor mij zou doornemen. Ik zelf kon noch lezen noch schrijven. Hij las deze hardop voor van begin tot eind, gaf deze aan mij terug en zei tegen mij: ‘Het is opgesteld volgens de voorschriften en volgens de gebruiken. Je bent nu wettelijk getrouwd met de dochter van de sultan.’ Toen nam hij mij terzijde en sprak: ‘Dit alles is goed en wel, Mahmoed, maar nu eis ik een belofte van je!’ Ik antwoordde: ‘Bij God! Welk offer zou je van me kunnen vragen, dat groter is dan dat van mijn leven, dat je al toebehoort?’ Hij glimlachte en zei tot mij: ‘Mahmoed! Ik wil niet dat je het huwelijk werkelijk begint, voordat ik je toestemming heb gegeven tot haar in te gaan. Want er is iets, dat ik tevoren moet doen!’ Ik antwoordde: ‘Verstaan is gehoorzamen!’

Toen dan ook de huwelijksnacht aanbrak, betrad ik de kamer van de sultansdochter. In plaats van te doen wat een echtgenoot doet in zo’n geval, bleef ik in mijn hoekje zitten, ver van haar, al strijdende tegen mijn begeerte. Ik had enkel de voldoening haar van verre te bekijken en ik bespiedde een voor een haar schoonheden. Zo handelde ik ook de tweede nacht en de derde nacht. Ofschoon iedere ochtend de moeder van mijn vrouw haar naar gewoonte kwam ondervragen over het verloop van de nacht, tot haar zeggende: ‘Ik hoop bij God, dat er geen moeilijkheden zijn geweest en dat het bewijs van je maagdelijkheid is geleverd!’

Maar mijn echtgenote antwoordde: ‘Hij heeft nog niets met me gedaan!’

Zo bereikte de ochtend na de derde nacht de moeder van mijn vrouw de uiterste grens van de teleurstelling en riep uit: ‘Ach, wat een ramp voor ons! Waarom behandelt je man ons op deze vernederende wijze, waarom volhardt hij in zijn weigering tot je in te gaan? Wat zullen onze verwanten en slaven zeggen van dat beledigende gedrag? Hebben zij niet het recht te geloven dat die onthouding een of andere verdachte oorzaak heeft?’

In diepe ongerustheid ging zij die ochtend van de derde dag de aangelegenheid vertellen aan de sultan, die zei: ‘Als hij haar vannacht niet ontmaagdt, zal ik hem wurgen!’ Dat nieuws kwam mijn jonge echtgenote ter ore, die het me overbracht.

Toen aarzelde ik niet de jongeling op de hoogte te brengen van de situatie. Hij antwoordde: ‘Mahmoed, het ogenblik is gekomen! Maar alvorens haar te ontmaagden moet ik je nog een voorwaarde stellen. Je moet haar namelijk, wanneer je met haar alleen bent, vragen, dat ze je de armband geeft, die ze aan haar rechterarm draagt. Die armband moet je nemen en onmiddellijk naar mij toe brengen. Daarna mag je tot haar ingaan en haar vader en moeder tevreden stellen.’ Ik antwoordde: ‘Ik luister en ik gehoorzaam.’

Toen ik in het begin van de nacht op haar kamer kwam, zei ik tegen haar: ‘Bij Gods zegen, verlang je er werkelijk naar dat ik je vannacht vreugde en genot verschaf?’ Ze antwoordde mij: ‘Inderdaad, daar verlang ik naar!’ Ik hernam: ‘Geef mij dan de armband, die je aan de rechterarm draagt!’ Zij riep uit: ‘Ik wil je die wel geven. Zou het geen kwaad kunnen veroorzaken als ik je deze armband geef? Deze is een amulet die mijn min mij heeft geschonken, toen ik heel klein was.’ Dit zeggende, maakte zij de armband los en gaf hem mij. Ik, ik verdween ogenblikkelijk en haastte mij naar de jongeling om hem de armband te overhandigen. Hij zei tegen mij: ‘Dit is het voorwerp, dat ik nodig heb! Nu kun je teruggaan en je vrouw tot je nemen.’ Ik haastte mij terug te keren naar de echtelijke kamer, om mijn vrouw, zoals ik beloofd had, te bezitten en zo iedereen tevreden te stellen.

Welnu, vanaf het ogenblik, dat ik bezit nam van mijn vrouw, die vol verlangen in haar bed op mij had liggen wachten, vanaf dat ogenblik, ach mijn broeder, weet ik niet wat er gebeurde. Al wat ik weet is dat ik plotseling mijn kamer en mijn paleis als in een droom zag versluieren en ik hervond mijzelf liggende onder de blote hemel in het kapotte huis, waar ik de aap, die ik gekocht had, mee naar toe had genomen. Ik was ontdaan van mijn rijke kleren en half naakt onder de lompen van mijn vroegere armoede. Ik herkende mijn oude jasje, versteld met stukjes linnen in alle mogelijke kleuren en mijn bedelaarsstaf en mijn tulband, die net zo vol gaten zat als een graanzeef.

Bij die aanblik, ach mijn broeder, wist ik niet wat dat te betekenen had en ik vroeg me af: ‘Wel, Mahmoed, waak je of slaap je? Droom je of ben je werkelijk Mahmoed, de bedelende derwisj?’ Toen ik eindelijk tot mezelf was gekomen, stond ik op en schudde me, zoals ik het vroeger de aap had zien doen. Maar ik bleef die ik was, een povere armeluiszoon en niets meer. Daarna ging ik op weg, met bedrukt gemoed en sombere gedachten. Ik dwaalde doelloos rond, peinzende over het onbegrijpelijke noodlot, dat mij in deze toestand had gebracht. Zo zwervende, kwam ik in een stille straat, waar ik een Marokkaan van het Berber-volk zag, gezeten op een smal tapijt, voor zich een kleine mat, overdekt met beschreven papieren en verschillende tovermiddelen.

Verheugd over deze ontmoeting, naderde ik de Marokkaan, met het doel hem naar mijn horoscoop te vragen en de voorspelling van mijn toekomst. Ik maakte een begroeting voor hem, die hij beantwoordde. Ik hurkte op de grond voor hem neer en vroeg hem de Onzichtbare voor mij te raadplegen. De Marokkaan keek mij aan met scherpe blik en riep plotseling uit: ‘Ach derwisj, ben jij niet het slachtoffer van een afschuwelijke lotsbeschikking, die je gescheiden heeft van je echtvriendin?’ Ik riep uit: ‘Ja, bij God, ja, bij God, dat ben ik!’ Hij zei tegen mij: ‘Ach, ongelukkige, de aap, die je hebt gekocht voor vijf zilverdrachmen en die kort daarop de gedaante aannam van een schone, bevallige jongeling, is niet een menselijk wezen onder de zonen van Adam, maar een djinn van laag allooi. Hij heeft zich van jou bediend om zijn doel te bereiken. Je moet weten dat hij sinds lange tijd hartstochtelijk verliefd is op de dochter van de sultan, dezelfde met wie hij je heeft laten trouwen. Maar daar hij haar ondanks zijn macht, niet kon benaderen, omdat ze een talisman droeg in de vorm van een armband, heeft hij jouw bemiddeling gebruikt om in het bezit te komen van die armband en zich ongestraft meester gemaakt van de prinses. Maar ik hoop binnenkort de gevaarlijke macht te vernietigen van dat laagstaand sujet, dat een van de djinns is, die in opstand zijn gekomen tegen de wet van onze heer Salomo, over Hem zij het gebed en de vrede!’

Na zo te hebben gesproken, nam de Marokkaan een blad papier, schreef er een ingewikkelde formule op en gaf het mij, met de woorden: ‘Ach derwisj, twijfel niet aan de grootheid van je bestemming, houd moed en ga naar het oord, dat ik je zal aanduiden. Daar moet je wachten op een groep personen, die zullen voorbijkomen en die je met aandacht moet beschouwen. Als je degene zult hebben opgemerkt, die hun aanvoerder blijkt te zijn, moet je hem deze brief overhandigen en hij zal aan je verlangen voldoen!’ Daarna gaf hij mij de nodige aanwijzingen om de betreffende plaats te bereiken en hij voegde eraan toe: ‘Wat de beloning betreft welke je me schuldig bent, die zul je me betalen zodra je lot zich zal hebben vervuld!’ Hierop dankte ik de Marokkaan, nam de brief en ging op weg naar de plaats die hij mij had gewezen. Ik liep heel de nacht en heel de volgende dag en een gedeelte van de volgende nacht. Ik kwam toen op een open vlakte, waarin niets was dan het onzichtbaar oog van God en in het wild groeiend gras. Ik zette mij neer en wachtte met ongeduld op de dingen die zouden komen. Ik hoorde om mij heen een vlucht van nachtvogels, die ik niet kon zien. De angst door de eenzaamheid deed mijn hart beven en de dreiging van de nacht vervulde mijn ziel. Plotseling zag ik op enige afstand een groot aantal fakkels die uit zichzelf op mij toe schenen te komen. Weldra kon ik de handen onderscheiden die de fakkels droegen. Maar de personen, aan wie die handen behoorden, bleven verborgen in het donker van de nacht, en mijn ogen zagen hen niet. Een eindeloos aantal fakkels, gedragen door handen zonder eigenaars, gingen zo, twee aan twee, aan mij voorbij. Uiteindelijk zag ik een koning op zijn troon, omringd door een groot aantal lichten en schitterend gekleed. Toen hij mij was genaderd, bekeek en beschouwde hij mij terwijl mijn knieën beefden van angst en hij sprak tot mij: ‘Waar is de brief van mijn vriend de Marokkaan van het Berber-volk?’ Toen schepte ik moed, ik trad naar voren en reikte hem de brief, die hij openvouwde en las, terwijl de stoet stilhield. Hij riep tot iemand, die ik niet zien kon: ‘Ja, Atrasch, kom hier!’ Op hetzelfde ogenblik trad uit het duister iemand naar voren, geheel als bode toegerust en kuste uit eerbied de aarde voor de voeten van de koning. De vorst zei tegen hem: ‘Ga snel naar Caïro en neem een zekere djinn gevangen en breng die onmiddellijk bij mij!’ De bode gehoorzaamde en verdween ogenblikkelijk.

Welnu, na verloop van een uur keerde hij terug met de jongeling, die nu was geboeid en er verschrikkelijk uitzag en gruwelijk om aan te zien. De koning riep hem toe: ‘Waarom, ach verachtelijke, heb je deze zoon van Adam beroofd van zijn kostwinning?’ De ander antwoordde: ‘De kostwinning is onaangetast en ik ben het, die haar aan hem heeft bezorgd.’

De koning zei: ‘Ik wens, dat je onmiddellijk aan deze zoon van Adam de bewuste armband, die een talisman is, teruggeeft, of je zult met mij te doen krijgen!’ Maar de djinn, die een doortrapte schurk was, antwoordde hoogmoedig: ‘De armband behoort mij toe en niemand zal er aan komen!’ Na dit gezegd te hebben, opende hij een mond als een oven en wierp er de armband in, die in zijn binnenste verdween. Na dit gezien te hebben, stak de nachtelijke vorst zijn arm uit, bukte zich en greep de djinn bij diens nek. Hij liet hem ronddraaien als een slinger, smeet hem ter aarde en riep: ‘Dat zal ik je afleren!’ Meteen sloeg hij hem het hoofd eraf. Toen gaf hij aan een van de fakkeldragende handen bevel de armband uit dat levenloze lichaam te verwijderen en aan mij terug te geven. Dit bevel werd ogenblikkelijk uitgevoerd.

…”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 834e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Nauwelijks, ach mijn broeder, bevond de armband zich tussen mijn vingers, of de koning en heel zijn gevolg van handen waren verdwenen en ik hervond mezelf, gekleed in mijn rijke kleren, middenin mijn paleis, in de kamer van mijn echtgenote. Ik zag haar gedompeld in een diepe slaap. Maar zodra ik de armband aan haar arm had bevestigd, werd zij wakker en uitte een kreet van vreugde, toen ze mij zag. Ik, ik strekte mij tegen haar aan, alsof er in die tussentijd niets was voorgevallen. De rest is het geheim van ons geloof, ach mijn broeder.

De volgende dag waren haar vader en moeder grenzeloos verheugd te vernemen, dat ik was weergekeerd van mijn dwaling en zo groot was hun vreugde te weten dat hun dochter was ontmaagd, dat zij vergaten mij over dit onderwerp te ondervragen. Sindsdien leefden wij allen in vrede, eendracht en harmonie.

Enige tijd na mijn huwelijk, overleed de sultan, mijn oom, de vader van mijn vrouw, zonder mannelijke nakomelingen, en daar ik gehuwd was met zijn oudste dochter, vermaakte hij mij zijn troon. Ik werd wat ik nu ben, ach mijn broeder. God is de grootste. Uit Hem komen wij en tot Hem keren wij weer!’

Nadat sultan Mahmoed zo zijn geschiedenis had verteld aan zijn nieuwe vriend de sultanderwisj zag hij, hoe uiterst verbaasd deze was over een zo zonderling avontuur en zei tot hem: ‘Verbaas je niet, ach mijn broeder, want alles wat geschreven staat moet zich voltrekken en niets is onmogelijk, wanneer Hij het wil, die alles geschapen heeft. Ik heb me in alle oprechtheid aan je kenbaar gemaakt zonder vrees mij, door de onthulling van mijn nederige afkomst, in je ogen te vernederen. Ik heb dit op zo’n manier gedaan zodat mijn voorbeeld je een troost is en opdat je je niet de mindere van mij zult voelen in rang of persoonlijke waardigheid. Nu kun je in alle gerustheid mijn vriend zijn. Nooit zal ik mij tegenover jou, na wat ik je heb verteld, ach mijn broeder, op mijn positie laten voorstaan!’

Hij voegde er aan toe: ‘Opdat jouw positie beter geregeld is, ach mijn broeder in afkomst en rang, benoem ik je tot mijn grootminister. Zo zul je mijn rechterarm zijn en raadgever bij al mijn daden. Niets zal er gebeuren in het koninkrijk zonder jouw tussenkomst en zonder dat het tevoren de goedkeuring heeft verworven van jouw rijke ervaring!’ Direct riep sultan Mahmoed de emirs en groten van zijn rijk bijeen en stelde hun de sultanderwisj voor als zijn grootminister. Hij bekleedde hem eigenhandig met een prachtig eregewaad en overhandigde hem de zegel van het rijk.

De nieuwe grootminister begon nog diezelfde dag met werkzaamheden. Hij herhaalde dat alle dagen die volgden. Hij kweet zich van zijn taak met veel rechtvaardigheidszin en onpartijdigheid. De onderdanen, onderricht over deze nieuwe stand van zaken, kwamen uit de verste uithoeken van het rijk naar de hoofdstad om zijn raad te vragen en zich te onderwerpen aan zijn uitspraken. Zij aanvaardden hem als laatste instantie ter beslechting van hun rechtsgeschillen. Hij legde zoveel wijsheid en doordachtheid in zijn oordeel, dat hij de dank en de lofprijzing verwierf zelfs van hen tegen wie zijn uitspraken waren gericht. Wat zijn ogenblikken van ontspanning betreft, die bracht hij door in vertrouwelijk samenzijn met de sultan, van wie hij de onafscheidelijke metgezel en beproefde vriend geworden was.

Welnu, op een dag voelde sultan Mahmoed zich neerslachtig van gemoed en hij haastte zich zijn vriend op te zoeken en zei tot hem: ‘Ach, mijn broeder en mijn minister, zwaarmoedig is vandaag mijn hart en neerslachtig mijn geest.’ De minister, de gewezen sultan van Arabië, antwoordde: ‘Ach koning van deze tijd, de vreugden en de smarten zijn in ons zelf en ons eigen hart is het, dat ze voortbrengt. Maar vaak kan de aanblik van uiterlijke dingen onze stemming beïnvloeden. Heb je vandaag al de aanblik van uiterlijke dingen betracht?’ De sultan antwoordde: ‘Ach mijn minister, ik heb vandaag al de stenen in mijn schatkist bekeken en ik heb ze een voor een in mijn handen genomen, de robijnen, de smaragden, de saffieren en de edelstenen in alle verschillende kleuren. Maar zij hebben mij geen vreugde gegeven en mijn ziel is droefgeestig gebleven en mijn hart bekommerd. Ik ben toen mijn harem binnengegaan en ik heb mij al mijn vrouwen doen tonen, de blanke, de bruine, de blonde, de getinte, de zwarte, zowel de dikke als de magere vrouwen. Maar geen van hen is er in geslaagd mijn droefheid te verdrijven. Ik heb vervolgens mijn stallen bezocht en ik heb mijn paarden bekeken en mijn muilezels en mijn veulens, maar al hun schoonheid was niet in staat de sluier te lichten, die de wereld verduistert voor mijn ogen. Nu kom ik tot jou, ach mijn minister vol wijsheid, om je een geneesmiddel te vragen voor mijn toestand, of woorden, die mij kunnen troosten.’ De minister antwoordde: ‘Ach mijn heer, wat zou u denken van een bezoek aan het gekkenhuis, de zwakzinnigeninrichting?  Wij hadden deze zo vaak samen willen gaan zien en waartoe we nog niet zijn gekomen? Ik heb de overtuiging, dat gekken personen zijn, die andere begrippen hebben dan wij. Zij zien tussen de dingen een onderling verband, dat niet-gekken nooit ontdekken. Ik ben ervan overtuigd, dat een hoger verstand hen bewoont. Misschien dat dit bezoek de droefheid zal wegnemen, die drukt op je ziel en dat het je gemoed zal verlichten!’ De sultan antwoordde: ‘Bij God, ach mijn minister, laten wij een bezoek gaan brengen aan de gekken van de zwakzinnigeninrichting!’

Toen verlieten de sultan en zijn minister, de gewezen sultanderwisj, het paleis, zonder enig gevolg en liepen, zonder oponthoud, naar de zwakzinnigeninrichting, het verblijf van de gekken. Zij gingen er binnen en doorzochten het hele gebouw. Maar, tot hun grote verbazing, vonden zij er geen andere inwoners dan de sleutelbewaarder en de bewakers. Van de gekken was geen spoor te bekennen. De sultan vroeg aan de sleutelbewaarder: ‘Waar zijn de gekken?’ De ander antwoordde: ‘Bij God, ach mijn heer, sinds lange tijd vinden we er geen meer en de oorzaak daarvan is ongetwijfeld gelegen in de verzwakking van het verstand bij de schepselen van God.’ Hij voegde er aan toe: ‘Toch, ach koning van deze tijd, kunnen wij je drie gekken tonen. Zij zijn hier enige tijd geleden, de een na de ander, gebracht door personen van hoge rang, met het verbod ze te laten zien aan wie dan ook, gering of machtig. Maar voor onze meester, de sultan, kan niets worden verborgen!’ Hij voegde er aan toe: ‘Het zijn, zonder twijfel, grote geleerden, want zij lezen steeds maar in de boeken!’ Hij bracht de sultan en de minister naar een afgelegen paviljoen, waar hij hen binnenleidde, om zich vervolgens, eerbiedig, te verwijderen.

Sultan Mahmoed en zijn minister werden drie jonge lieden gewaar, vastgeketend aan de muur. Een van hen las voor, terwijl de twee anderen aandachtig luisterden. Alle drie waren schoon, welgebouwd en toonden geen enkel teken van zwakzinnigheid of waanzin. De sultan wendde zich tot zijn metgezel en zei hem: ‘Bij God, ach mijn minister, het geval van deze drie jongelui moet wel een merkwaardig geval zijn en hun geschiedenis een verrassende geschiedenis!’ Hij wendde zich tot hen en zei hun: ‘Is het werkelijk als gevolg van waanzin, dat jullie zijn opgesloten in deze zwakzinnigeninrichting?’ Zij antwoordden: ‘Nee! Bij God, wij zijn gek noch waanzinnig, ach koning van de tijd en wij zijn zelfs niet idioot of zwakzinnig. Maar zo zonderling zijn onze avonturen en zo ongewoon onze lotgevallen, dat, waren ze gegrift met naalden in onze ooghoeken, ze een heilzame les zouden zijn voor hen, die in staat waren ze te ontcijferen.’ Bij die woorden, zetten de sultan en de minister zich op de grond tegenover de drie geketende jongelieden en zeiden: ‘Onze oren zijn geopend om te luisteren!’

Toen sprak de eerste, hij die voorgelezen had uit het boek:

 

Geschiedenis van de eerste gek

 

‘Van beroep, ach mijn heren van vorstelijke rang, was ik koopman op de markt van de zijdehandelaren, zoals voor mij mijn vader en mijn grootvader waren geweest. Als koopwaar verkocht ik enkel Indische stoffen, in alle soorten en kleuren, maar altijd tegen zeer hoge prijzen. Ik kocht en verkocht met veel voordeel en winst, zoals gebruikelijk is voor grote kooplieden.

Welnu, op een dag zat ik, zoals gewoonlijk, in mijn winkel, toen er een oude dame kwam die mij goede dag wenste en mij groette met een begroeting. Wederkerig groette ik haar en wenste haar goede dag. Ze nam plaats op de rand van mijn toonbank en vroeg mij, zeggende: ‘Ach mijn meester, hebt u keuze uit stoffen van Indische oorsprong?’ Ik antwoordde: ‘Ach mijn meesteres, ik heb in mijn winkel al wat je wenst.’ Zij zei: ‘Laat mij eens één van die stoffen zien!’ Ik stond op en trok voor haar uit mijn voorraadkast een lap Indische stof van de duurste soort en gaf haar die in handen. Zij nam de lap, bekeek die en was erg voldaan over de schoonheid ervan en ze zei tegen mij: ‘Ach mijn meester, wat kost deze stof?’ Ik antwoordde: ‘Vijfhonderd dinar.’

Zij trok dadelijk haar beurs en telde vijfhonderd gouden dinar voor mij uit. Toen nam zij de lap stof en vertrok. Ik, ach sultan, onze meester, ik verkocht haar op deze wijze een koopwaar, die mij niet meer had gekost dan honderdvijftig dinar. Ik dankte de Weldoener voor zijn weldaad. De volgende dag bezocht de oude dame mij opnieuw en vroeg me een andere lap en betaalde daarvoor eveneens vijfhonderd dinar en zij ging heen met haar koopwaar. De dag daarop verscheen ze opnieuw en kocht een andere lap Indische stof. Zij betaalde de prijs met klinkende munt. Ach mijn heer de sultan, zij deed zo gedurende veertien achtereenvolgende dagen, zij kocht en betaalde met gelijke regelmaat. Ook de vijftiende dag kwam ze als gewoonlijk en zocht een nieuwe lap uit. Maar toen ze me wilde betalen, bemerkte ze dat ze haar beurs had vergeten en ze zei tot mij: ‘Ach, koopman, ik moet mijn beurs thuis hebben laten liggen.’ Ik antwoordde: ‘Ach, er is geen haast bij. Als je me morgen het geld wilt brengen, dan ben je welkom en breng je het niet, dan ben je evenzeer welkom!’ Maar ze riep verontwaardigd, dat ze er niet over dacht een koopwaar mee te nemen die ze niet had betaald, en ik, van mijn kant, zei haar herhaaldelijk: ‘Je kunt je lap gerust meenemen, ik geef je deze uit vriendschap en uit sympathie voor je gezicht!’ Er ontstond tussen ons een debat van wederzijdse edelmoedigheid, zij, die weigerde en ik, die haar de stof wou schenken. Ach mijnheer, het was niet meer dan betamelijk dat ik, die zoveel winst van haar had gebeurd, haar op deze beleefde wijze behandelde. Ik was zelfs bereid om haar, desgewenst, een of twee lappen stof voor niets af te staan. Uiteindelijk zei ze: ‘Ach koopman, ik zie, dat we nooit tot overeenstemming komen, als we op deze wijze voortgaan. Het zou dan ook het eenvoudigste zijn, als je me de gunst zou willen bewijzen, mee naar mijn huis te gaan om daar de prijs voor je koopwaar in ontvangst te nemen.’ Ik wilde haar niet tegenspreken, stond op, sloot mijn winkel en volgde haar. Zo gingen wij, zij voorop, ik op tien passen achter haar, totdat we aan het begin waren gekomen van de straat, waar haar huis stond. Daar bleef ze staan, trok van onder haar gewaad een doek te voorschijn en sprak tot mij: ‘Je moet me toestaan je te blinddoeken met deze doek.’ Ik, zeer verbaasd over die zonderlinge wens, vroeg haar beleefd, mij te zeggen wat voor reden daartoe was. Ze zei tegen mij: ‘Het is omdat er in deze straat, waar we doorheen moeten, huizen zijn, waarvan de deuren openstaan en waar vrouwen, met ontbloot gezicht, in de portalen zitten. Misschien zou je je blik laten vallen op een van hen, een getrouwde vrouw of een jong meisje en zou je hart verstrikt kunnen raken in een liefdesverwikkeling. Dat zou een levenslange kwelling voor je kunnen worden, want in deze stadswijk bevindt zich meer dan één gezicht, van een getrouwde vrouw of van een maagd, dat zo schoon is, dat het de vroomste asceet zou verleiden. En ik ben zeer bezorgd voor de vrede van je hart.’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 835e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Bij het vernemen van die woorden dacht ik bij mijzelf: Bij God, dat is een verstandige zorgzame vrouw. Ik stond toe, wat ze mij had gevraagd. Toen blinddoekte ze mij en verhinderde mij zodoende om te zien. Daarna nam ze me bij de hand en liep met mij tot voor een huis en ze sloeg de ijzeren klopper tegen de deur. Onmiddellijk deed men ons van binnenuit open. Zodra we binnen waren, ontdeed mijn bejaarde geleidster mij van mijn blinddoek en ik zag met verbazing, dat ik mij bevond in een woning, die getooid en gemeubeld was met al de weelde van koninklijke paleizen. Bij God! Ach sultan, onze meester, van mijn leven had ik niet iets dergelijks gezien en nooit had ik zoiets prachtigs gedroomd.

Wat de oude betreft: Zij verzocht mij op haar te wachten in de kamer waar ik mij bevond en die uitzag op een nog mooiere langvormige zaal. Zij liet mij alleen in de kamer, vanwaar ik alles kon zien wat er in die zaal gebeurde en ging heen.

Daar ontwaarde ik vóór in die andere zaal, onverschillig bijeen geworpen in een hoek, al de kostbare stoffen die ik aan de oude vrouw had verkocht. Even later kwamen twee jonge meisjes binnen, schoon als twee manen en zij droegen ieder een schaal vol rozenwater. Zij zetten de schalen op de witmarmeren tegels, liepen naar de stapel kostbare stoffen, namen er een willekeurige lap van af en knipten die in tweeën alsof het een vaatdoek was. Vervolgens gingen zij ieder naar hun eigen schaal, stroopten hun mouwen op tot aan de schouderholte en begonnen de tegels te bevochtigen en te wassen. Dan namen zij andere stukken van mijn kostbare stoffen en wreven daarmee de tegels droog. Uiteindelijk boenden en poetsten ze de tegels met wat er nog over was van de stoffen, die ieder vijfhonderd dinar hadden gekost. Toen de jonge meisjes klaar waren met dat werk en toen het marmer glom als zilver, bedekten zij de vloer met zijden weefsels. Ze waren zo mooi dat de opbrengst van mijn hele winkel niet toereikend zou zijn geweest om het minst kostbare van die weefsels te bekostigen. Op die zijde legden zij een tapijt van in muskus gedrenkte geitenwol en kussens, dik gevuld met struisveren. Daarna brachten zij vijftig vierkante kleedjes van goudbrokaat en rangschikten die netjes rondom het grote tapijt, dat in het midden lag. Toen trokken zij zich terug.

Twee aan twee, kwamen jonge meisjes binnen, hand in hand en zij stelden zich op, ieder op een van de kleedjes van goudbrokaat. Daar zij vijftig in getal waren stonden zij netjes elk op hun eigen kleedje.

Onder een hemel, gedragen door tien manen van schoonheid, verscheen een jong meisje aan de ingang van de zaal. Zij was zo verleidelijk in haar blankheid en zo verblindend was de glans van haar donkere ogen, dat mijn ogen zich werktuigelijk sloten. Toen ik ze opende zag ik naast mij de oude dame, mijn geleidster, die mij uitnodigde haar te volgen om mij voor te stellen aan het jonge meisje, dat zich al had neergevleid op het grote tapijt tussen de vijftig maagden die op de brokaten kleedjes stonden. Maar ik zag mij daar, niet zonder grote bezorgdheid, als het trefpunt van de blikken uit eenenvijftig paar zwarte ogen en ik zei tegen mijzelf: Er is slechts kracht en toevlucht in God, de Roemrijke, de Allerhoogste! Het is duidelijk, dat zij het op mijn leven gemunt hebben!

Toen ik echter voor haar stond, glimlachte het vorstelijke jonge meisje mij toe, heette mij welkom en nodigde mij uit naast haar op het tapijt plaats te nemen. Hoewel ik verbaasd en sprakeloos was, ging ik zitten om haar te gehoorzamen en zij sprak tot mij: ‘Ach jongeman, wat zeg je van mij en van mijn schoonheid? Denk je dat ik je vrouw zou kunnen worden?’ En ik, ten uiterste verbaasd door deze woorden, antwoordde: ‘Ach mijn meesteres, hoe zou ik kunnen geloven een dergelijke gunst waardig te zijn? In werkelijkheid acht ik mezelf niet kostbaar genoeg om je slaaf te worden of nog minder!’ Maar zij hernam: ‘Nee, bij God, ach jongeman. Mijn woorden bevatten hoegenaamd geen bedrog, en er is niets onwaars in wat ik zeg. Antwoord mij dus met dezelfde oprechtheid en verwijder alle vrees uit je ziel, want mijn hart is tot de rand toe gevuld met liefde voor jou.’Bij die woorden begreep ik, ach sultan, onze meester, en er was daarover in mij geen twijfel meer, dat het jonge meisje werkelijk het plan had met mij te trouwen. Maar ik kon met geen mogelijkheid raden waarom ze mij had uitverkoren onder de duizenden jongemannen, noch hoe ze mij kende. Ik besloot met de volgende gedachte: Ach jij, het onbegrijpelijke heeft het voordeel, dat het geen kwellende gedachten kost. Streef er dus niet naar het te begrijpen en laat de dingen hun gang gaan. Toen antwoordde ik haar: ‘Ach mijn meesteres, als je werkelijk niet spreekt om deze eerbiedwaardige jonge meisjes op mijn kosten te amuseren, denk dan aan het spreekwoord, dat immers luid: ‘Men moet het ijzer smeden als het heet is!’ Welnu, ik voel mijn hart zozeer ontvlamd van verlangen dat het tijd is, dunkt me, ons huwelijk tot stand te brengen. Zeg mij dus, smeek ik je, wat ik je brengen moet als bruidsschat en als huwelijksgift!’ Zij antwoordde glimlachend: ‘Bruidsschat en huwelijksgift zijn betaald, daar hoef je je niet om te bekommeren.’ Zij voegde er aan toe: ‘Ik zal, daar dit ook uw verlangen is, onmiddellijk de rechter en de getuigen laten halen, opdat wij zonder uitstel kunnen trouwen.’

Inderdaad, mijn heer, het duurde niet lang of daar kwamen de rechter en de getuigen. Zij verbonden ons wettelijk in de echt. Zo werden wij zonder uitstel getrouwd. Na de plechtigheid ging ieder er vandoor. Ik vroeg aan mijzelf: Ach jij, waak je of droom je?

Tot overmaat beval ze haar schone slavinnen het bad voor mij klaar te maken en mij er heen te brengen. De slavinnen brachten me in een badkamer, die geurde naar aloë van Comorin. Zij vertrouwden mij aan de badmeisjes toe en liepen weg. De badmeisjes ontkleedden en wreven mij en gaven mij een bad, dat mij nog lichter maakte dan de vogels. Vervolgens besprenkelden zij mij met de meest uitgelezen parfums, kleedden mij in een rijk gewaad en boden mij allerhande verversingen en sorbets aan. Daarna brachten zij mij uit het badhuis naar de intieme kamer van mijn jonge echtgenote die op mij wachtte in haar onthulde schoonheid.

Meteen kwam ze op mij toe en omhelsde me en wierp zich op mij en betastte me met verbazingwekkende hartstochtelijkheid. En ik, ach mijn heer, ik voelde hoe geheel mijn wezen zich samentrok in je weet wel en ik vervulde de arbeid waartoe ik geroepen was en ik leidde de werkzaamheden. Ik nam weg wat tot dan toe had behoord tot het domein van het ongeschondene. Ik velde wat er te vellen was en ik roofde wat er te roven was en ik nam wat er te nemen was en ik gaf wat nodig was en ik stond op en ik vleide me neer en ik groef en ik doorbrak en ik stootte door in de diepte en ik brak open en ik vulde en ik boorde en ik zette kracht en ik prikkelde en ik streelde en ik keerde haar om en ik hief haar voor mij uit en ik begon opnieuw en in dier voege, ach sultan mijn heer, dat, die avond, hij, je weet wel, werkelijk de olijkerd was, die men ram noemt, smid, ossenkolder, deugniet, ijzeren staak, huilebalk, opener, horendrager, wrijver, onweerstaanbare, bedelaarsstaf, wonderlijk werktuig, scherpschutter, bespringende eenoog, zwaard van de krijgsman, onvermoeibare zwemmer, zingende nachtegaal, vader met de dikke nek, vader met de sterke zenuwen, vader met de grote eieren, vader met de tulband, vader met de kale kruin, vader schuddebol, vader der verlustiging, vader der verschrikkingen, haan zonder kam of geluid, zoon van zijn vader, erfenis van de arme, grillige spier, verrukkelijk stuk suikergoed. Ik geloof wel, ach sultan mijnheer, dat die avond elke bijnaam zijn verklaring vond, elke eigenschap haar bewijs, en elk attribuut zijn vertoning. Wij staakten onze arbeid alleen maar omdat de nacht was verstreken en wij op moesten staan voor het morgengebed.

Wij gingen door op deze wijze samen te leven, ach koning van deze tijd, gedurende twintig achtereenvolgende nachten, in grenzeloze verrukking en zaligheid. Maar, na verloop van die tijd, kwam de herinnering aan mijn moeder mij voor de geest en ik sprak tot mijn jonge echtgenote: ‘Ach liefste, zie, ik ben al zo lang van huis en mijn moeder, die ik geen enkel bericht heb gestuurd, moet in grote ongerustheid over mij verkeren. Bovendien zullen mijn zaken ernstig hebben geleden doordat mijn winkel al deze dagen gesloten was. Zij antwoordde mij: ‘Maak je geen zorgen! Ik, met genoegen sta ik je toe, je moeder te gaan bezoeken om haar gerust te stellen. Je mag in het vervolg zelfs iedere dag naar haar toe gaan en je wijden aan je zaken, indien zulks je genoegen doet,  maar ik eis dat de oude dame je iedere keer begeleidt en terugbrengt.’ Ik antwoordde: ‘Ik heb er geen enkel bezwaar tegen!’

Daarop kwam de oude vrouw op mij toe, bond een blinddoek voor mijn ogen, bracht me naar de plaats waar ze mij de eerste keer geblinddoekt had en zei: ‘Kom hier vanavond terug, op het uur van het gebed, dan zul je me op deze zelfde plaats vinden om je terug te brengen bij je echtgenote.’ Na die woorden gezegd te hebben, nam ze de doek voor mijn ogen weg en ging er vandoor. En ik, ik spoedde me naar huis, waar ik mijn moeder in wanhoop en tranen aantrof, bezig met het naaien van rouwkleren. Zodra ze mij ontwaarde, snelde ze naar mij toe en drukte mij, schreiend van vreugde, in haar armen. Ik zei tegen haar: ‘Schrei niet, ach mijn moeder en droog je tranen, want deze afwezigheid heeft mij een geluk gebracht, waarop ik nooit had durven hopen.’ Ik vertelde haar mijn voorspoedig avontuur en vol vreugde riep zij uit: ‘Moge God je beschermen en behoeden, ach mijn zoon! Maar beloof me dat je me iedere dag zult komen bezoeken, want mijn liefde heeft het bewijs van je wederliefde nodig.’ Ik kon zonder moeite deze belofte doen, daar mijn echtgenote mij al had veroorloofd dagelijks uit te gaan. Daarna besteedde ik de rest van de dag aan inkoop en verkoop van goederen in mijn winkel op de markt. Toen het vastgestelde uur was aangebroken keerde ik terug naar de afgesproken plaats, waar ik de oude vond, die mij, zoals gewoonlijk, blinddoekte en me terugbracht naar het paleis van mijn echtgenote en zei: ‘Het is beter voor je dat het zo geschiedt, want, zoals ik je al heb verteld, er wonen in deze straat vele vrouwen, getrouwd en ongetrouwd. Zij zitten in het portaal van hun woningen en hebben slechts één verlangen en wel om een vluchtige liefde te genieten, gelijk men lucht inademt of even proeft aan een stromend water! Wat moet er worden van je hart, als het verstrikt raakt in die netten?’

Wel, aangekomen in het paleis waar ik nu woonde, ontving mijn echtgenote mij met onbeschrijflijke vreugde. Ik, ik beantwoordde haar geestdrift gelijk het aanbeeld de hamer. Mijn haan zonder kam of geluid bleef niet achter bij haar aantrekkelijke vogel en hij wist, zijn roep van dappere hoorndrager hoog te houden, want, bij God! Ach mijn meester, de ram stootte die avond niet minder dan dertig maal zijn hoorn in die vurige ooi en hij staakte de strijd niet voordat zijn echtgenote om genade had gesmeekt.

Drie maanden lang zette ik dit arbeidzame leven voort, vol nachtelijke strijd, ochtendlijke gevechten en dagelijkse aanvallen. In mijn hart verbaasde ik mij iedere dag opnieuw over mijn lot en ik zei tot mijzelf: ‘Hoe gelukkig is het toeval, dat mij in kennis heeft gebracht met dit hartstochtelijke meisje en haar mij tot echtgenote heeft gegeven! Hoe wonderlijk is het lot, dat mij, tegelijk met dit malse blaadje, een paleis in de schoot heeft geworpen en rijkdommen, aanzienlijker als die van koningen!’ Er ging geen dag voorbij, dat ik niet in de verleiding kwam bij een of andere slaaf te informeren naar naam en hoedanigheid van haar, met wie ik was getrouwd. Echter, ik kende haar niet en wist ook niet van wie zij de dochter was en van wie een verwante.

Maar op zekere dag bevond ik mij alleen met een jonge negerin, een van de zwarte slavinnen van mijn echtgenote en ik ondervroeg haar daarover en zei: ‘Gods weldaden over jou, ach gezegend jong meisje, ach innerlijk blanke, zeg mij wat je weet over je meesteres en ik zal je woorden verbergen, diep in de donkerste schuilhoek van mijn geheugen.’

De jonge negerin antwoordde mij, bevend van angst: ‘Ach mijn meester, de geschiedenis van mijn meesteres is zeer uitzonderlijk. Maar ik vrees dat ik, indien ik je die geschiedenis zou openbaren, zonder beroep of uitstel ter dood zou worden gebracht! Het enige wat ik je kan zeggen is het volgende: Op een dag heeft zij jou op de markt gezien en heeft ze je uitverkoren uit zuivere liefde.’ Meer dan die enkele woorden kon ik haar niet ontfutselen. Toen ik aanhield dreigde zij er zelfs mee, mijn poging haar het geheim te ontfutselen, aan mijn echtgenote te zullen overbrengen. Toen liet ik haar met rust en keerde terug naar mijn echtgenote om weinig te stoeien.

Zo verliepen de dagen onder hartstochtelijke vreugden en schermutselingen van de liefde. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 836e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Op een namiddag toen ik mij met verlof van mijn echtgenote in mijn winkel bevond, zag over straat een gesluierd jong meisje, dat kennelijk mijn kant uitkwam. Toen ze voor mijn winkel stond bracht zij mij de bekoorlijkste begroeting en zei mij: ‘Ach mijn meester, zie hier een gouden haan, bezet met diamanten en edelstenen, die ik vergeefs voor de prijs die hij mij heeft gekost, heb aangeboden aan alle handelaren van de markt. Maar dat zijn lieden zonder smaak en zonder kennis van zaken, want zij hebben mij geantwoord dat een dergelijk juweel moeilijk te verkopen was en dat ze het niet voordelig zouden kunnen plaatsen. Daarom kom ik het je aanbieden, aan jou, die een man is van smaak, voor de prijs die je zelf zult willen vaststellen!’ Ik antwoordde: ‘Ik heb evenmin behoefte aan dat juweel. Maar om je een plezier te doen bied ik je er honderd dinar voor, niet één meer en niet één minder.’ Het jonge meisje antwoordde: ‘Neem hem dan maar en ik hoop dat hij je voordeel brengt!’ Ik, ofschoon zakelijk zonder interesse voor die gouden haan, overwoog toch, dat het sieraad mijn echtgenote plezier zou kunnen doen, door haar mijn mannelijke hoedanigheden in de herinnering te roepen. Ik ging dus naar mijn kast en nam de overeengekomen honderd dinar. Maar toen ik ze het jonge meisje aanbood, weigerde zij ze aan te nemen en zei: ‘Eerlijk gezegd heeft dit geld voor mij geen waarde. Ik verlang geen andere betaling dan het recht je een enkele kus te geven op je wang. Dat is mijn enige wens, ach jongeman!’ Ik zei tot mijzelf: ‘Bij God! Een enkele kus op mijn wang voor een sieraad, dat meer dan duizend dinar waard is, dat is een koopje, dat even zonderling is als voordelig!’ Ik aarzelde niet mijn toestemming te geven.

Toen, ach mijn heer, kwam het jonge meisje op mij af, lichtte haar kleine gezichtssluier en gaf mij een kus op mijn wang, moge hij haar ten genot zijn geweest. Maar op hetzelfde ogenblik, alsof de smaak van mijn huid haar eetlust had opgewekt, plantte zij als een jonge tijgerin haar tanden in mijn vlees en gaf me een beet, waarvan ik nog de sporen draag. Toen verwijderde zij zich luid en tevreden lachend, terwijl ik het bloed, dat langs mijn wang droop, afveegde. En ik dacht: ‘Ach jij, dat is wel een zonderlinge belevenis! Weldra zul je al de vrouwen van de markt op je af zien komen, de een om een stukje van je wang, de ander om een stukje van je kin, een derde om een stukje van je weet wel en misschien zou het, in dat geval, beter zijn je koopwaren van de hand te doen om niets anders meer te verkopen dan enkel stukjes van jezelf!’

Toen het avond geworden was keerde ik, lachend en woedend tegelijk, naar de oude dame terug, die mij, als gewoonlijk, opwachtte op de hoek van onze straat en die mij blinddoekte en naar het paleis van mijn echtgenote bracht. Onderweg hoorde ik haar binnensmonds verwarde woorden mompelen, die wel bedreigingen leken, maar ik dacht: ‘Oude vrouwen zijn wezens, die graag pruttelen en die hun oude dagen slijten met bazelen en met over alles en nog wat te mopperen!’

Toen ik het huis van mijn echtgenote betrad, vond ik haar gezeten in de ontvangstzaal, met gefronste wenkbrauwen, van het hoofd tot de voeten gekleed in een scharlaken gewaad, gelijk de koningen dragen in de uren van hun gramschap. Haar houding straalde woede en boosheid uit en haar gezicht was bleek. Bij die aanblik, zei ik tot mijzelf: ‘Ach Behoeder, red mij.’ Daar ik niet wist waaraan ik die vijandige houding kon toeschrijven, naderde ik mijn echtgenote, die, anders dan gewoonlijk, niet was opgestaan om me te ontvangen en die haar hoofd van mijn gezicht afwendde. Haar de gouden haan, die ik zo pas gekregen had, aanbiedende, zei ik tegen haar: ‘Ach mijn meesteres, neem deze kostbare haan, die werkelijk een bewonderenswaardig sieraad is en wonderlijk om te zien, want ik heb hem gekocht om je plezier te doen.’ Maar bij die woorden versomberde haar voorhoofd en haar ogen werden donkerder en voor ik de tijd had me te weren, kreeg ik een klinkende oorveeg, die mij rond deed draaien en zij riep me toe: ‘Ach hond, zoon van een hond, als je die haan werkelijk hebt gekocht, hoe kom je dan aan die beet in je wang?’

Ik, al ondersteboven van de schok van die hevige kaakslag, ik voelde mij de ondergang nabij en moest grote moeite doen om niet languit neer te storten. Maar dat was slechts het begin, ach mijnheer, dat was, helaas, slechts het allereerste begin. Ik zag hoe, op een wenk van mijn echtgenote, de gordijnen achter in de zaal plotseling uiteengingen. Ik zag vier slavinnen binnenkomen onder geleide van de oude vrouw. Zij droegen het lichaam van een jong meisje, van wie het afgesneden hoofd midden op het lichaam stond. Dat hoofd herkende ik onmiddellijk als het hoofd van het jonge meisje, dat mij het sieraad had gegeven in ruil voor een beet. Die aanblik slaagde erin mijn laatste krachten te vernietigen en ik rolde bewusteloos ter aarde.

Toen ik tot mezelf kwam, ach sultan, mijnheer, bevond ik me geboeid in deze zwakzinnigeninrichting. De bewakers vertelden mij, dat ik gek geworden was. Verder zeiden ze mij niets.

Dat was de geschiedenis van mijn zogenaamde krankzinnigheid en van mijn opsluiting in dit gekkenhuis. Het is God, die u beiden zendt, ach sultan, mijnheer, en u, ach wijze en rechtvaardige minister, om mij hieruit te verlossen. Het is aan u beiden om, op grond van de samenhang of gebrek aan samenhang van mijn woorden, mij te beoordelen. U kunt beoordelen of ik werkelijk door de geest bezeten ben of enkel aangetast door ijlhoofdigheid, tijdelijke verstandsverbijstering of verwarring ofwel of ik nog mijn gezonde verstand bezit.’

Toen de sultan en zijn minister, de gewezen sultanderwisj en bastaard, de geschiedenis van deze jongeman hadden aangehoord, raakten zij in diepe overpeinzingen gedompeld. Ze bleven een uur lang nadenkend zitten, het hoofd gebogen, de blikken op de grond gericht. Nadien, hief de sultan als eerste het hoofd en sprak tot zijn metgezel: ‘Ach mijn minister, ik zweer bij de waarachtigheid van Hem, Die mij als bestuurder plaatste over dit koninkrijk, dat ik geen rust zal hebben en dat ik zal eten noch drinken, voor ik het meisje heb ontdekt, dat deze jongeman heeft getrouwd. Haast je dus mij te zeggen, wat wij daar voor moeten doen.’

De minister antwoordde: ‘Ach koning van deze tijd, we moeten zonder uitstel deze jongeman met ons meenemen. Wij moeten tijdelijk even de twee andere geketende jonge lieden verlaten en met hem door de straten van de stad gaan, van oost naar west en van rechts naar links, tot hij de hoek van de straat vindt waar de oude hem placht te blinddoeken. Dan zullen we hem blinddoeken en hij zal zich het aantal passen herinneren, dat hij deed in gezelschap van de oude. Zo zullen we voor de deur van het huis geraken, in welk portaal men hem van de blinddoek ontdeed. Daar aangekomen, zal God ons voorlichten over de houding, die wij in deze moeilijke zaak moeten aannemen.’ De sultan zei: ‘Het zal geschieden volgens je raad, ach mijn wijze minister.’

Beide mannen stonden ogenblikkelijk op, deden de jongeman de boeien af en brachten hem buiten de zwakzinnigeninrichting. Alles geschiedde, zoals de minister had voorzien, want, na een groot aantal straten in verscheidene wijken te hebben doorlopen, kwamen zij eindelijk bij de ingang van de bewuste straat, die de jongeman zonder moeite herkende. Net zoals vroeger geblinddoekt, telde hij zijn passen af en deed zijn begeleiders stilstaan voor een paleis, waarvan de aanblik de sultan in de diepste verbazing bracht. Hij riep uit: ‘Weg met het Kwade, ach mijn minister! Dit paleis wordt bewoond door een echtgenote onder de echtgenoten van de voormalige sultan van Caïro, van hem, die mij de troon heeft nagelaten bij gebrek aan mannelijk nageslacht. Die echtgenote van de vroegere sultan, vader van mijn vrouw, woont hier met haar dochter, die zeker het meisje moet zijn, dat deze jongeman heeft getrouwd! God is de grootste, ach minister! In het lot van alle koningsdochters staat dus geschreven, dat zij met volksjongens zullen trouwen, gelijk wijzelf zijn geweest! De besluiten van de Verdeler zijn altijd juist, maar de gronden ervan kennen wij niet!’ Hij voegde er aan toe: ‘Laten wij onmiddellijk naar binnen gaan, om te zien hoe deze zaak haar beslag krijgt.’ Zij sloegen op de deur met de ijzeren klopper, die een doordringend geluid gaf. De jongeman zei: ‘Ja, dat is het geluid!’ Onmiddellijk werd de deur geopend door enige eunuchen, die verslagen bleven staan, toen zij de sultan herkenden, de grootminister en de jongeman, echtgenoot van hun meesteres. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 837e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Een van hen liep ijlings naar zijn meesteres om haar te waarschuwen over de aankomst van de vorst en diens twee gezellen.

Toen kleedde en sierde de jonge vrouw zich, verliet de harem en kwam in de ontvangstzaal om haar opwachting te maken bij de sultan, echtgenoot van haar zus van dezelfde vader, maar niet van dezelfde moeder en om hem de hand te kussen uit eerbied. De sultan herkende haar inderdaad, en gaf zijn minister een teken van verstandhouding. Toen zei hij tegen de prinses: ‘Ach nicht, dat God er mij voor behoede je verwijten te maken over je gedrag, want het verleden behoort aan de Meester des Hemels en slechts het heden behoort ons. Daarom is het, dat ik nu hoop, dat je je verzoenen zult met deze jongeman, je echtgenoot, een jongeman, die beschikt over bewonderenswaardige mannelijke hoedanigheden en die, daar hij je hoegenaamd geen wrok toedraagt, niets liever wil dan terug te keren in je gunst en je genade. Overigens bezweer ik je bij de verdiensten van mijn overleden oom, de sultan, je vader, dat je echtgenoot niet ernstig gezondigd heeft tegen de huwelijkstrouw. Hij heeft al op harde wijze geboet voor een ogenblik van zwakheid! Ik hoop dus, dat je mijn verzoek niet afwijst!’ De jonge vrouw antwoordde: ‘De wensen van onze meester de sultan zijn bevelen en zij zijn op onze hoofden en op onze ogen.’ De sultan verheugde zich grotelijks over dat besluit en zei: ‘Nu dit zo is, ach nicht, benoem ik je man tot mijn eerste kamerheer. Hij zal voortaan mijn tafelgenoot zijn. Vanavond nog zal ik hem naar je toesturen, opdat jullie beiden zonder hinderlijke getuigen de beloofde verzoening tot stand kunnen brengen. Maar sta mij toe hem nu mee te nemen, want we moeten samen nog luisteren naar de belevenissen van zijn twee medegekluisterden!’ Alvorens zich terug te trekken, voegde hij er nog aan toe: ‘Dit is dus voor eens en voorgoed afgesproken tussen jullie twee: jij laat hem voortaan vrijelijk gaan en komen, zonder blinddoek. Hij van zijn kant belooft dat hij zich nooit meer, onder welk voorwendsel dan ook, zal laten omhelzen door een vrouw, getrouwd dan wel maagd.’

Dit is, ach fortuinlijke Vorst, het einde van de geschiedenis van de eerste jongeman, van hem, die uit het boek las, in de zwakzinnigeninrichting.”

 

Na een adempauze vervolgde Sjahrzad haar vertelling: “Nu volgt het verhaal van de tweede jongeman, een van de twee, die naar de voorlezing van de eerste luisterden! Toen de sultan en de minister en de nieuwe kamerheer terug waren in de zwakzinnigeninrichting, zetten zij zich op de grond tegenover de tweede jongeman en zeiden: ‘Nu is het jouw beurt.’ De tweede jongeman zei:

 

Geschiedenis van de tweede gek

 

‘Ach sultan, onze meester en jij, rechtvaardige minister en jij, mijn gewezen lotgenoot, weet dat de aanleiding tot mijn opsluiting in deze zwakzinnigeninrichting nog veel verwonderlijker is dan die welke jij al kent. Dat mijn makker hier als gek werd opgesloten is te wijten aan zijn eigen fout, aan zijn goedgelovigheid en te groot zelfvertrouwen. Maar ik, als ik gezondigd heb, dan is het juist door het tegenovergestelde, zoals je zult vernemen, indien je tenminste toestaat, dat ik mijn verhaal ordelijk voortzet!’

De sultan en zijn minister en zijn nieuwe kamerheer, de gewezen eerste gek, antwoordden als uit één mond: ‘Welzeker!’ De minister voegde er aan toe: ‘Hoe meer orde je legt in je verhaal, des te eerder zijn wij geneigd je te beschouwen als ten onrechte opgenomen in de rij van gekken en dwazen.’ De jongeman begon zijn verhaal als volgt:

‘Weet dan, ach mijn meesters en de kroon op mijn hoofd, dat ook ik koopman ben, zoon van een koopman en dat ik, voor ik in de zwakzinnigeninrichting werd geworpen, een winkel had op de markt, waar ik armbanden en allerlei soorten sieraden verkocht aan de vrouwen van rijke heren. Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, was ik pas zestien jaar en ik was toen al in marktkringen bekend om mijn ernst, mijn eerbaarheid, mijn preutsheid en mijn eerlijkheid in zaken. Nooit trachtte ik conversatie aan te knopen met de damesklanten. Ik sprak tot hen slechts een paar woorden, die nodig waren voor de totstandkoming van de koop. Bovendien hield ik mij aan de voorschriften van het Boek en nooit richtte ik mijn blik op een vrouw onder de dochters van de moslims. De kooplieden stelden me als voorbeeld aan hun zoons, wanneer zij die voor de eerste maal meenamen naar de markt. Meer dan één moeder was al met mijn moeder in onderhandeling getreden over mij, met het oog op het een of andere nette huwelijk. Maar mijn moeder bewaarde haar jawoord telkens voor een betere gelegenheid, en ontweek het vraagstuk, onder voorwendsel van mijn jeugdige leeftijd en mijn hoedanigheid van enig kind en van mijn gevoelige aanleg.

Wel, op een goede dag, terwijl ik achter mijn kasboek zat en mijn kas controleerde, zag ik een keurige, kleine negerin mijn winkel binnenkomen, die, na mij met eerbied te hebben gegroet, tot mij zei: ‘Ben ik hier in de winkel van koopman die en die?’ Ik antwoordde: ‘Zo is het!’ Toen trok ze, met grote omzichtigheid en met haar negerinnenogen spiedend van links naar rechts, van boven uit haar gewaad een briefje, dat ze mij toereikte, zeggende: ‘Ik breng je dit namens mijn meesteres. Zij wacht op de gunst van een antwoord.’ Na mij het papier te hebben overhandigd, hield ze zich terzijde, wachtend op wat ik zou doen. Ik ontvouwde het briefje, las het en bevond, dat het een ode bevatte, geschreven in gloedvolle verzen voor mijn eer en lof. De eindregels bevatten in de beginletters van de woorden de naam van haar, die beweerde mij te beminnen.

Toen, ach sultan, mijn heer, werd ik uiterst verontwaardigd over deze handelwijze en ik beschouwde haar als een ernstige inbreuk op mijn eerbaarheid of misschien als een poging om mij mee te slepen in een gevaarlijk of ingewikkeld avontuur. Ik nam het gedicht, verscheurde het, wierp de snippers op de grond en vertrapte ze. Vervolgens liep ik op het negerinnetje toe, pakte haar bij een oor en diende haar een paar oorvegen en gevoelige klappen toe. Ik besloot de afstraffing met een trap, die haar mijn winkel uit deed rollen. Ik spoog haar in het gezicht, openlijk, opdat al mijn buren konden zien wat ik deed en dus niet konden gaan twijfelen aan mijn netheid en deugdzaamheid en ik riep haar toe: ‘Ach, dochter van de duizend hoorndragers van de oneerbaarheid, ga dit alles maar vertellen aan de dochter der koppelaars, je meesteres!’ Al mijn buren, die dat zagen, mompelden onder elkaar van bewondering en één van hen wees mij met de vinger aan en zei tot zijn zoon: ‘De zegen van God op het hoofd van deze deugdzame jongeman! Moge ook jij, ach mijn zoon, op diens leeftijd, de verleidingen weerstaan van de slechte en bedorven vrouwen, die jacht maken op schone jongemannen!’

Mijn heren, dat was wat ik deed, zestien jaar oud. Werkelijk, eerst nu zie ik duidelijk, hoe grof mijn gedrag was, hoe ontbloot van doorzicht, hoe dom en ijdel, hoe zeer gevolg van misplaatste eigenliefde, hoe schijnheilig, laf en brutaal. Hoeveel onaangenaamheden ik later ook heb moeten ondervinden, als gevolg van deze domme daad, ik ben van mening, dat ik nog veel meer had verdiend en dat men mij met deze keten, die ik op het ogenblik om een geheel andere reden om de hals draag, had moeten straffen vanaf dat onzinnige begin. Maar, hoe dan ook, laat ik niet de maand van sjaban verwarren met die van ramadan en laat ik ordelijk de loop van mijn verhaal vervolgen. Dus, ach mijn heren, na dit incident verliepen de dagen en de maanden en de jaren en ik was een volwassen man geworden. Ofschoon ongehuwd, had ik de vrouwen leren kennen en al wat daarmee samenhangt. Ik voelde, dat werkelijk het ogenblik gekomen was, om een jong meisje uit te kiezen, dat mijn echtgenote zou zijn en de moeder van mijn kinderen. Wel, ik werd op mijn wens bediend, zoals je zult horen. Maar ik wil op niets vooruitlopen. Werkelijk zag ik, op zekere middag, te midden van vijf of zes blanke slavinnen als gevolg, een allerliefst jong meisje mijn winkel naderen. Ze was omhangen met de kostbaarste sieraden, haar handen waren bepoederd met henna en de tressen van haar haren golfden over haar schouders. Zij naderde in heel haar bekoorlijkheid, haar heupen wiegend in voorname behaagzucht. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 838e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Als een koningin betrad ze mijn winkel, gevolgd door haar slavinnen en zette zij zich neer, nadat ze me had begroet met een sierlijke begroeting. Ze zei tegen mij: ‘Ach jongeman, heb je een ruime keus in gouden en zilveren sieraden?’ Ik antwoordde: ‘Ach mijn meesteres, in alle mogelijke soorten en nog andere!’ Toen vroeg ze mij haar enkele gouden ringen voor de enkels te laten zien. Ik bracht haar de zwaarste en mooiste gouden enkelringen die ik bezat. Zij wierp er een onverschillige blik op en zei mij: ‘Pas ze mij aan! Onmiddellijk bukte een van de slavinnen zich en hief de slip omhoog van haar zijden kleed. Mijn ogen zagen de rankste van alle enkels, die ooit door de handen van de Schepper zijn gemaakt. Ik paste haar de ringen aan, maar ik kon er in mijn winkel geen vinden, die nauw genoeg was voor de bekoorlijke rankheid van die benen, gegoten in de vorm van de volmaaktheid. Zij zag mijn verwarring, glimlachte en zei: ‘Het doet er niet toe, ach jongeman! Ik zal je wat anders vragen. Maar zeg mij allereerst dit! Bij mij thuis heeft men mij gezegd, in alle oprechtheid, dat ik olifantenbenen heb. Is dat waar?’ Ik riep uit: ‘De naam van God over jou en rondom jou en over de volmaaktheid van je enkels, ach mijn meesteres! Als de gazelle die enkels zou zien, zou ze verkwijnen van afgunst!’ Toen zei ze tegen mij: ‘Toch geloofde ik het tegendeel!’ Dan voegde zij er aan toe: ‘Laat me wat armbanden zien!’ Ik, de ogen nog vervuld van de aanblik van die aanbiddelijke enkels en van die verleidelijke benen, ik zocht de fijnste en smalste gouden en emaillen armbanden uit, die ik bezat en bracht ze haar. Maar ze zei tot mij: ‘Pas ze mij aan, jij zelf. Ik, ik ben erg moe vandaag.’ Onmiddellijk trad een van de slavinnen naar voren en sloeg de mouwen van haar meesteres omhoog. Voor mijn ogen verscheen een arm, hai! Een zwanenhals, blanker en gladder dan kristal en aan het einde ervan zag ik een pols en een hand en vingers, hai! Hai! Kandijsuiker, ach mijn heer, gekonfijte dadels, een vreugde voor de ziel, een genot, een puur en het hoogste genot. Ik bukte me en paste mijn armbanden aan die wonderbaarlijke arm. Maar de nauwste, die voor kinderhanden waren gemaakt, bengelden smadelijk om die fijne, doorzichtige polsen. Ik haastte me ze er weer af te nemen, uit angst dat hun aanraking die vlekkeloze huid zou kwetsen. Zij glimlachte opnieuw, toen ze mijn verwarring zag en zei: ‘Wat heb je gezien, ach jongeman? Ben ik verminkt of heb ik eendenpoten, of de arm van een nijlpaard?’ Ik riep uit: ‘De naam van God over jou en rondom jou en over de rondheid van je blanke armen en over de rankheid van je kinderpols en over de rankheid van je engelenvingers, ach mijn meesteres.’ Ze zei tegen mij: ‘Hoe kan dat? Is het dan niet waar? Toch, bij mij thuis, hoe vaak heeft men mij niet het tegenovergestelde verteld.’ Dan voegde zij er aan toe: ‘Laat mij halskettingen zien en gouden hangers.’ Ik, wankelend zonder een druppel wijn te hebben gedronken, haastte mij haar mijn rijkste en lichtste halskettingen en gouden hangers te brengen. Onmiddellijk ontblootte een van de slavinnen, met vrome omzichtigheid, de hals van haar meesteres en een gedeelte van haar boezem. Hola, hola! Daar verschenen de twee borstjes, beide tegelijk, ach mijn heer, de twee kleine borstjes van roze ivoor, glad en rond en och zo stevig, op de verblindende sneeuw van haar borst. Zij schenen te hangen aan haar hals van zuiver marmer als twee mooie tweelingen aan de hals van hun moeder. Ik, bij de aanblik, ik kon mij niet weerhouden uit te roepen, terwijl ik het hoofd afwendde: ‘Doe dicht! Doe dicht! Dat God zijn sluiers uitvouwde!’ Zij zei tegen mij: ‘Wat dan! Pas je me de halskettingen en hangers niet? Maar het doet er niet toe! Ik zal je wat anders vragen. Maar zeg mij in elk geval eerst: ben ik misvormd, of zwaar van boezem als een vrouwelijke buffel, en zwart en behaard? Ben ik soms uitgeteerd en droog als een gezouten vis en plat als de schaafbank van een schrijnwerker?’ Ik riep uit: ‘De naam van God over jou en rondom jou en over je verborgen bekoorlijkheden, over je verborgen vruchten en over heel je verborgen schoonheid, ach mijn meesteres!’ Zij zei: ‘Zouden ze mij dan voor de gek hebben gehouden, zij, die mij zo vaak hebben verzekerd, dat er niets lelijkers te vinden was dan mijn verborgen vormen?’ Zij voegde er aan toe: ‘Het zij zo! Maar, als je mij die halskettingen en hangers niet durft aan te passen, ach jongeman, zou je me dan tenminste een paar lendenbanden kunnen aanpassen?’ Ik bracht haar de soepelste en lichtste lendenbanden van gouddraad, die ik bezat en legde die bescheiden aan haar voeten. Maar zij zei tegen mij: ‘Wel nee! Wel nee! Bij God, jij moet ze mij aanpassen!’ Ik, ach sultan mijn heer, ik kon niet anders dan beamen en gehoorzamen. Bij voorbaat vermoedde ik hoe slank die gazelle zou zijn en koos ik de kleinste en nauwste van al die lendenbanden. Ik bond die haar om de heupen, over haar kleren en sluiers heen. Maar die lendenband, die op bestelling gemaakt was voor een jong prinsesje, was te wijd voor dat middel. Dat was zo slank, dat het geen schaduw wierp op de grond en zo recht, dat het een schrijver van de letter aleph tot wanhoop zou hebben gebracht. Zo buigzaam, dat het de banboom van ergernis zou doen verdrogen en zo zacht, dat het een kluitje heerlijke boter zou hebben doen smelten van afgunst. Zo soepel, dat het de jonge pauw zou hebben doen vluchten van schaamte en zo golvend, dat het de bamboestengel te gronde zou hebben gericht. Ik, inziende dat ik op geen van haar wensen iets geschikts kon vinden, ik zat diep in de put en wist niet hoe mij te verontschuldigen. Maar ze zei tegen mij: ‘Blijkbaar ben ik mismaakt, met een dubbele bochel van achter en een dubbele bochel van voren, en heb ik een afzichtelijke buik en een rug als van een dromedaris.’ Ik riep uit: ‘De naam van God over jou en rondom jou en over je middel en over wat daar boven en daar onder en daar achter is, ach mijn meesteres.’ Ze zei tot mij: ‘Ik ben verbaasd, ach jongeman, want bij mij thuis heeft men mij zo vaak bevestigd in die ongunstige mening over mezelf! Hoe het ook zij, nu je geen lendenband voor me kunt vinden, hoop ik toch, dat het je zal lukken mij oorbellen te verschaffen en een gouden kam om mijn haren bijeen te houden!’ Dat gezegd te hebben, tilde ze zelf de kleine gezichtssluier omhoog en mijn ogen zagen haar gezicht, dat schoon was als de volle maan, wassende naar haar veertiende nacht. Ik, bij de aanblik van die kostbare edelstenen, die haar Babylonische ogen waren en van haar anemoonkleurige wangen en van haar kleine mond, koralen schrijn waarin een rij van parels was gevat en van geheel dat ontroerende gezicht, ik voelde mijn adem stokken. Ik kon geen beweging maken om te halen wat ze me had gevraagd. Zij glimlachte en zei: ‘Ik begrijp, ach jongeman, dat je ontroerd bent door mijn lelijkheid. Inderdaad, ik weet, want men heeft het mij zoveel malen herhaald, dat mijn gezicht afgrijselijk lelijk is, vol gaten en kerven als gevolg van de pokken, ik weet dat ik mijn rechteroog mis en dat het linkeroog scheel is. Dat mijn neus afzichtelijk gezwollen is, dat ik uit mijn mond ruik en dat mijn tanden bedorven zijn en loszitten en dat mijn oren verminkt zijn en ongelijk van grootte. Ik spreek maar niet over mijn huid, die schurftig is, noch over mijn haren, die dun en verrafeld zijn, noch over alle onzichtbare verschrikkingen van mijn innerlijk!’ Ik riep uit: ‘De naam van God over jou en rondom jou en over geheel je zichtbare schoonheid, ach mijn meesteres! Over je onzichtbare schoonheid, ach luisterrijke vrouw, over je reinheid, ach dochter van leliën! Over je geur, ach roos en over je glans en je blankheid, ach jasmijn en over alles wat aan jou kan worden gezien, geroken of gevoeld! Welzalig is hij, die je kan zien, ruiken en voelen!’ Ik stond daar, verslagen van ontroering, dronken van begeerte.

Toen keek het lieflijke jonge meisje mij aan met een glimlach uit haar amandelvormige ogen en sprak tegen mij: ‘Helaas, helaas! Waarom verafschuwt mijn vader mij dan zo dat hij mij alle lelijkheden toeschrijft, die ik je heb opgenoemd? Want het is niemand anders dan mijn bloedeigen vader, die mij altijd heeft doen geloven aan al die voorgewende verschrikkingen van mijn persoon. Maar geprezen zij God, die mij het tegendeel bewijst door jouw bemiddeling. Want nu ben ik overtuigd, dat mijn vader mij niet heeft bedrogen, maar dat hij onder de macht is van een zinsbegoocheling, die hem alles om zich heen als lelijk doet zien! Wat mij betreft, is hij geneigd, mij als slavin te verkopen aan de minste slavenhandelaar, om maar bevrijd te zijn van mijn aanblik, die hem kwelt.’ Ik, ach mijn heer, ik riep uit: ‘Maar wie is dan toch je vader, ach vorstin van de schoonheid?’ Zij antwoordde mij: ‘Het is de sjeik al-Islam, in eigen persoon!’ Vol geestdrift riep ik uit: ‘He, bij God, zou hij er dan niet in toestemmen, liever dan je aan een slavenhandelaar te verkopen, je aan mij ten huwelijk te geven?’ Zij zei: ‘Mijn vader is een eerlijk en nauwgezet man. Daar hij zich inbeeldt, dat zijn dochter een afstotelijk monster is, zou hij het niet op zijn geweten willen nemen haar te verenigen met een jongeman zoals jij! Maar je zou toch kunnen proberen aan hem je verzoek te doen. Ik zal je, met het oog daarop, de middelen wijzen, die je de meeste kans zullen geven hem te overreden.’ Na die woorden, dacht het jonge meisje van de volmaakte liefde een ogenblik na en zei: ‘Luister! Als je je opwachting gaat maken bij mijn vader, de sjeik al-Islam en als je hem je huwelijksaanzoek doet, zal hij je ongetwijfeld zeggen: ‘Ach mijn zoon, open toch je ogen. Weet, dat mijn dochter verlamd is en verminkt en gebocheld en…’ Maar jij, je moet hem dan in de rede vallen en zeggen: ‘Dat kan me niets schelen! Dat kan me niets schelen!’ Hij zal voortgaan: ‘Mijn dochter mist een oog, haar oren zijn ongelijk, ze stinkt, ze loopt mank, ze kwijlt, ze is een piskous, ze…’ Maar jij moet hem in de rede vallen en zeggen: ‘Dat kan me niets schelen! Dat kan me niets schelen!’ Hij zal voortgaan: ‘Ach ongelukkige, mijn dochter is weerzinwekkend, kwaadaardig, lui, snotterig, ze is…’ Maar jij moet hem in de rede vallen en zeggen: ‘Dat kan me niets schelen! Dat kan me niets schelen!’ Hij zal voortgaan: ‘Maar je weet niet wat je zegt, ach ongelukkige! Mijn dochter heeft een snor, een dikke buik, een gezwollen boezem, haar ene arm is verminkt, ze loopt mank, ze is scheel aan haar linkeroog, ze heeft vreselijke wratten op haar neus, haar gezicht draagt alle sporen van de pokken, ze stinkt uit haar mond, haar tanden zijn bedorven en zitten los, ze heeft een inwendige ziekte, ze is kaal, ze is vreselijk schurftig, ze is alles samen een verschrikking, een afschuwelijke vervloeking!’ Nadat hij heel die stroom van modder over mij zal hebben uitgestort, moet je tot hem zeggen: ‘He, bij God! Dat alles kan me niets schelen! Het kan me niets schelen! …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 839e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Ik, ach mijn heer, bij het horen van die woorden en bij de gedachte alleen al dat dergelijke uitdrukkingen konden worden gebezigd ten opzichte van dat jonge meisje van de volmaakte liefde, en dat nog wel door haar vader, ik voelde mij het bloed naar het hoofd stijgen van verontwaardiging en woede. Maar daar het uiteindelijk noodzakelijk was deze beproeving te doorstaan om te kunnen trouwen met deze mooiste van de gazellen, zei ik tegen haar: ‘De beproeving is hard, ach mijn meesteres en ik ben in staat te sterven als ik je vader op die manier over je hoor spreken. Maar God zal mij de nodige kracht en moed wel geven!’ Toen vroeg ik haar: ‘Wanneer zou ik mijn opwachting kunnen maken bij je vader, de eerbiedwaardige sjeik al-Islam, om hem mijn huwelijksaanzoek te doen?

Zij antwoordde mij: ‘Zeker morgen, in de loop van de ochtend.’

Bij die woorden stond ze op, groette mij met een glimlach en ging heen, gevolgd door haar jonge slavinnen. Mijn ziel volgde haar stappen, terwijl ik achterbleef in mijn winkel, ten prooi aan de kwellingen van wachten en begeren.

De volgende dag verzuimde ik dan ook niet mij op het aangegeven uur te haasten naar het verblijf van de sjeik al-Islam. Ik vroeg hem te spreken met de boodschap, dat het ging om een dringende zaak van het grootste belang. Hij ontving me dadelijk, beantwoordde mijn begroeting met eerbied en verzocht mij te gaan zitten. Ik merkte op, dat hij een grijsaard was met een eerbiedwaardig voorkomen en met een smetteloos witte baard. Zijn houding was er een van voorname grootheid, maar over zijn gezicht en zijn ogen lagen schaduwen van diepe droefheid en ongeneeslijke smart. Ik dacht: ‘Dat is het dus! Hij is aangetast door de zinsbegoocheling van het lelijke. Dat God hem moge genezen!’ Dus, nadat ik, uit eerbied en ontzag voor zijn leeftijd en hoge waardigheid, pas op de tweede uitnodiging was gaan zitten, bracht ik hem opnieuw mijn begroetingen en eerbetuigingen. Ik herhaalde die voor de derde maal, telkens weer opstaande. Nadat ik zo van mijn wellevendheid en goede manieren had blijk gegeven, ging ik weer zitten, doch op de uiterste rand van de stoel en ik wachtte tot hij, als eerste, het gesprek zou openen en mij zou vragen naar het doel van mijn bezoek.

Inderdaad, nadat de dienstdoende verantwoordelijke van de eunuchen ons de gebruikelijke verversingen had aangeboden en nadat de sjeik al-Islam met mij enige onbetekenende woorden had gewisseld over de hitte en de droogte, zei hij tot mij: ‘Ach koopman die en die, wat kan ik voor je doen?’ Ik antwoordde: ‘Ach mijn heer, ik ben mijn opwachting bij u komen maken om te bidden en te smeken met betrekking tot de dame, die verborgen leeft in uw woning achter het gordijn van de kuisheid, de verzegelde parel, de bloem en verborgen in de kelk van de bescheidenheid. Uw verrukkelijke dochter, de uitgelezen maagd, met wie ik mij wens te verenigen, ik onwaardige, door geoorloofde banden en een wettig contract!’ Bij die woorden zag ik het gezicht van de eerbiedwaardige grijsaard versomberen, daarna verbleken en vol droefheid neigde hij het hoofd ter aarde. Een lange tijd bleef hij verdiept in sombere overpeinzingen, zonder enige twijfel over zijn dochter. Toen hief hij langzaam het hoofd en zei tot mij op een toon van eindeloze droefheid: ‘Dat God je jeugd mag beschermen en je altijd met zijn genaden moge begunstigen, ach mijn zoon! Maar de dochter, die ik in huis heb, achter het gordijn van de kuisheid, biedt geen enkele hoop! Er is niets aan te doen en er is geen enkel lichtpunt! Want, … maar, ach sultan, mijn heer, ik viel hem plotseling in de rede en riep: ‘Ik ben tevreden met haar! Ik ben tevreden met haar!’ De eerbiedwaardige grijsaard zei tegen mij: ‘Dat God je overstelpen mag met zijn genaden, ach mijn zoon! Maar mijn dochter past niet bij een welgeschapen jongeman als jij, zo ruim voorzien van beminnelijke eigenschappen, kracht en gezondheid. Want zij is een ongelukkige zieke, van wie de moeder voortijdig bevallen is als gevolg van een brand. Zij is even mismaakt en lelijk als jij schoon en welgeschapen bent. Daar ik wil dat je volledig opgehelderd zult zijn over de reden van mijn weigering, zal ik je haar, desgewenst, beschrijven zo als ze is want de vreze Gods is in mijn hart en ik zou er niet aan willen meewerken je op een dwaalspoor te leiden!’ Maar ik riep uit: ‘Ik aanvaard haar met al haar gebreken en ik ben tevreden met haar, volkomen tevreden!’ Maar hij zei tegen mij: ‘Ach, mijn zoon, noodzaak een vader, die prijs stelt op de waardigheid van zijn huis, er niet toe je over zijn dochter te spreken in smartelijke termen! Maar je aanhouden dwingt mij er toe je te zeggen, dat, wanneer je mijn dochter huwt, je het verschrikkelijkste monster huwt van deze tijd, want zij is een wezen, waarvan de aanblik alleen al …’ Maar ik, uit angst voor de ijselijke opsomming van de verschrikkingen, waarmee hij zich opmaakte mijn gehoor te kwellen, viel hem in de rede en riep uit, op een toon waarin ik heel mijn ziel en heel mijn verlangen legde: ‘Ik ben tevreden met haar! Ik ben tevreden met haar!’ Ik voegde er aan toe: ‘Bij God over jou, onze vader, bespaar jezelf het verdriet over je eerbare dochter te spreken in smartelijke termen. Wat u mij ook over haar vertelt en hoe afstotend de beschrijving ook moge zijn, die u me van haar geeft, ik blijf u om haar hand vragen. Ik heb een bijzondere voorkeur voor verschrikkingen, wanneer zij van de aard zijn als die, waaraan u dochter lijdt. Ik herhaal het u, ik aanvaard haar zo als ze is. Ik ben tevreden met haar, uiterst tevreden!’

Toen de sjeik al-Islam mij zo had horen praten, toen hij begreep, dat mijn besluit onwankelbaar was en mijn verlangen onveranderlijk, sloeg hij de handen in elkaar van verrassing en verbazing en sprak tot mij: ‘Ik heb mijn geweten ontlast ten aanzien van God en ten aanzien van jou, ach mijn zoon en je zult je daad van waanzin slechts kunnen wijten aan je zelf. Maar anderzijds verbieden mij de goddelijke voorschriften om het verlangen te verhinderen zich te verzadigen en ik mag niet anders dan je mijn toestemming geven.’

Ik, in de wolken van geluk, kuste hem de hand uit eerbied en verzocht het huwelijk nog diezelfde dag te doen voltrekken. Hij zei tegen mij: ‘Ik heb er geen bezwaar tegen!’ Het contract werd geschreven en door de getuigen getekend. Er werd in bedongen dat ik mijn echtgenote aanvaardde met haar gebreken, haar misvormingen, haar ziekten, haar uitwassen, haar verminkingen, haar kwalen, haar mismaaktheden en andere soortgelijke dingen. Er werd eveneens in bedongen, dat ik, wanneer ik, om de een of andere reden, van haar zou scheiden, haar als losgeld en ondersteuning twintig beurzen van duizend dinar goud zou betalen. Ik, begrijpelijkerwijze, aanvaardde die voorwaarden maar al te graag. Ik zou overigens nog veel nadeliger voorwaarden hebben aanvaard.

Wel, na de opstelling van het contract, zei mijn oom, de vader van mijn echtgenote, tot mij: ‘Ach jij, het is het beste, dat je in mijn woning je huwelijk voltooit en jullie beiden hier blijven wonen. Het overbrengen van je zieke echtgenote, van hier naar je verafgelegen huis, zou grote moeilijkheden opleveren.’ Ik antwoordde: ‘Ik luister en ik gehoorzaam!’ In mijn binnenste brandde het verlangen en ik zei tot mijzelf: Bij God, is het werkelijk mogelijk dat ik, onbekende koopman, heer en meester geworden ben over dat meisje van de volmaakte liefde, de dochter van de vereerde sjeik al-Islam? Ben ik het werkelijk, die van haar schoonheid gaat genieten, die alle genot ongestoord met haar gaat delen, die naar hartenlust gaat eten en drinken van haar verborgen bekoorlijkheden, zich daaraan gaat verlustigen tot verzadigens toe?’

Toen eindelijk de nacht was aangebroken, betrad ik, na mijn avondgebed te hebben gebeden, de echtelijke kamer. Met kloppend hart van ontroering, naderde ik mijn echtgenote en hief de sluier van haar hoofd en ontblootte haar gezicht. Ik keek met mijn ziel en mijn ogen. Dat God het Kwade verdelge, ach sultan, mijn heer! Dat Hij je nimmer getuige laat zijn van een aanblik als die welke zich daar voordeed aan mijn ogen! Ik zag het meest misvormde, het meest verfoeilijke, het meest weerzinwekkende, het meest afstotelijke, het meest walgelijke menselijke wezen, dat men zich, in de vreselijkste van alle nachtmerries, kan voorstellen. Waarachtig, wat was ze lelijk, nog veel verschrikkelijker dan het jonge meisje mij had beschreven. Zij was een monster van misvormdheid, zo vol verschrikking, dat het mij onmogelijk zou zijn, ach mijn heer, je een beschrijving van haar te geven zonder een aanval van benauwdheid te krijgen en bewusteloos voor je voeten neer te vallen. Maar laat ik volstaan met je te zeggen, dat zij, die volgens mijn eigen wens mijn echtgenote was geworden, in haar walgelijke persoon alle bekende en onbekende kwalen en gruwelen omvatte, alle onreinheden, alle stank, alle afstotelijkheden, alle gruwzaamheden, alle verfoeilijkheden en alle vuiligheden die de mensen kunnen kwellen, op wie de last van een vervloeking weegt. Ik drukte mijn neus dicht, wendde het hoofd, liet haar sluier vallen en verwijderde mij van haar naar de verste hoek van de kamer. Want al ware ik een Thebaidische krokodilleneter geweest, dan nog had ik niet tot een vleselijke toenadering kunnen komen met een schepsel, dat op dusdanige wijze het gezicht van haar Schepper beledigde.

Neergezeten in mijn hoek, mijn gezicht naar de muur gewend, voelde ik alle zorgen mijn wezen bestormen en alle smart mijn hart beklemmen. Ik zuchtte uit het diepst van mijn hart. Maar ik had niet het recht een enkel woord te zeggen of de minste klacht te uiten, want ik had haar uit eigen beweging als echtgenote aanvaard. Want ik was het, in eigen persoon, die telkens haar vader in de rede was gevallen en die uitgeroepen had: ‘Ik ben tevreden met haar! Ik ben tevreden met haar!’ Ik zei tot mijzelf: ‘Wel ja, daar is ze dan, het jonge meisje van de volmaakte liefde! Ach, sterf! Sterf, sterf! Ach, idioot! Ach, stomme os! Ach, driedubbele kaffer!’ Ik beet me op mijn vingers en ik kneep me in stilte in mijn armen. De woede tegenover mijzelf groeide van uur tot uur en ik pijnigde mijzelf heel die noodlottige nacht en ik leed dezelfde smarten als ik zou hebben verduurd te midden van kwellingen, in de gevangenis van de Meed of van de Deilamiet. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 840e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Bij de ochtendschemering haastte ik mij dan ook mijn bruidskamer te ontvluchten en naar het badhuis te snellen om mij te zuiveren van het contact met die vrouw van de verschrikking. Na de afwassing te hebben verricht, welke de grote rituele wassing voorschrijft voor de gevallen van onzuiverheid viel ik in een lichte sluimer. Vervolgens keerde ik naar mijn winkel terug en zette mij daar neer, duizelig in het hoofd, dronken zonder wijn te hebben gebruikt.

Weldra begaven mijn vrienden en de kooplieden die mij kenden en de voornaamste marktlui zich in mijn richting. Sommigen alleen, anderen met twee of drie of meerderen tegelijk kwamen mij feliciteren en mij hun gelukwensen aanbieden. Zij zeiden tegen mij: ‘Alle heil en zegen! Alle heil en zegen! Alle heil en zegen! Gelukgewenst! Gelukgewenst!’ Anderen zeiden tegen mij: ‘He, onze buurman, wij wisten niet, dat je zo gierig was! Waar is het feest, waar zijn de lekkernijen, waar zijn de koeldranken, waar is het gebak, waar zijn de schotels met de zoetigheid helwa, waar is dit en waar is dat? Bij God, het lijkt wel of de bekoorlijkheden van je jonge echtgenote je geest hebben gestoord. Dat ze je vrienden hebben doen vergeten en je de herinnering hebben ontnomen aan je meest elementaire plichten! Maar het doet er niet toe! Gelukgewenst!’

Ik, ach mijn heer, niet wetende of ze me voor de gek hielden of mij werkelijk gelukwensten, ik wist niet welke houding ik moest aannemen. Ik volstond met wat ontwijkende gebaren en een paar onbeduidende woorden. Ik voelde mijn neus die zwol van opgekropte woede en mijn ogen die op het punt stonden te versmelten in tranen van wanhoop. Mijn kwelling had geduurd van de ochtend tot het uur van het middaggebed en de meeste kooplieden waren naar de moskee gegaan of namen hun middagrust. Toen zag ik opeens, op een paar passen afstand voor mij het jonge meisje van de volmaakte liefde, de ware, zij die mijn ongeluk had bewerkt en de oorzaak was van mijn kwellingen. Zij kwam mijn richting uit, glimlachend, te midden van haar vijf slavinnen en zij boog zich bevallig en wiegde verleidelijk van rechts naar links, met haar zijden sleep, soepel als een bantwijgje in een tuin vol geuren. Ze was nog weelderiger uitgedost dan de vorige dag. Haar hele voorkomen was zo opvallend, dat de bewoners van de markt op elkaars schouders klommen om haar beter te zien, terwijl ze voorbijging. Met kinderlijke onschuld trad ze mijn winkel binnen, bracht mij allersierlijkst een begroeting, zette zich en zei: ‘Dat deze dag een zegen voor je zij, ach mijn meester Ola ad-Din en dat God je welzijn en geluk doet voortduren en je tevredenheid ten top voere! De vreugde zij met je! Gelukgewenst!’

Wel, en ik, ach mijn heer, vanaf het ogenblik dat ik haar had opgemerkt, had ik al de wenkbrauwen gefronst en verwensingen geuit in mijn hart. Maar toen ik zag met hoeveel stoutmoedigheid zij mij bespotte en hoe zij mij, na wat ze mij had aangedaan, nog kwam prikkelen, toen kon ik mezelf niet langer weerhouden. Alle grofheid van vroeger, toen ik deugdzaam was, steeg me naar de lippen. Ik barstte uit in verwensingen, zeggende: ‘Ach ketel vol peper, ach pan vol aardpek, ach put van verderf! Wat heb ik je dan gedaan, om me zo schandelijk te behandelen en om me te storten in een bodemloze afgrond? Dat God je vervloeke en dat Hij het ogenblik vervloeke, dat wij elkaar hebben ontmoet en dat Hij je gezicht voor altijd verduistere, ach ellendige!’ Maar zij, zonder enige ontroering, antwoordde glimlachend: ‘Hoe dan, ach timbaal, ben je soms je schuld tegenover mij vergeten, en je versmading van mijn ode in verzen? De slechte behandeling die je mijn boodschapster, de kleine negerin, hebt doen ondergaan? De verwensingen, die je haar hebt toegevoegd en de trap, die je haar hebt toegediend? De beledigingen, die je mij, door haar tussenkomst, hebt toegezonden?’ Na zo te hebben gesproken, nam het jonge meisje haar sluier op en stond op om te gaan.

Maar ik, ach mijn heer, ik begreep op dat ogenblik, dat ik slechts had gemaaid wat ik had gezaaid en ik voelde het volle gewicht van mijn vroegere brutaliteit. Ik besefte, hoe lompe deugdzaamheid in alle opzichten hatelijk is en de schijnheiligheid een verwerpelijk iets. Zonder verder uitstel, wierp ik mij voor de voeten van het meisje van de volmaakte liefde en ik smeekte haar mij te vergeven, zeggende: ‘Ik heb berouw! Ik heb berouw! Ik heb werkelijk erg veel berouw!’ Ik sprak woorden tot haar, zacht en verkwikkend als regendruppels in een verschroeide woestijn. Ik slaagde er in haar te doen blijven en zij verwaardigde zich mij te vergeven, en zei tegen mij: ‘Voor deze keer wil ik je wel vergeven, maar begin niet weer!’ Terwijl ik de slip van haar gewaad kuste en er mijn voorhoofd mee bedekte, riep ik uit: ‘Ach mijn meesteres, ik stel me onder je bescherming en ik ben je slaaf, die hoopt door jouw bemiddeling bevrijd te worden uit wat je weet!’ Glimlachend zei zij tegen mij: ‘Ik heb daar al aan gedacht. Evenals ik je in mijn netten heb weten te vangen, zo zal ik ook in staat zijn je eruit te bevrijden!’ Ik riep uit: ‘Kom op, kom op! Haast je! Haast je!’

Toen zei ze tegen mij: ‘Luister goed naar mijn woorden en volg mijn aanwijzingen. Je zult, zonder moeite, van je echtgenote kunnen worden ontlast!’ Ik boog voor haar neer: ‘Ach dauw! Ach verfrissing!’ Zij ging voort: ‘Kijk! Sta op en ga tot aan de voet van de stadsvesting. Daar vind je de hansworsten, goochelaars, kwakzalvers, potsenmakers, dansers, koorddansers, balletdansers, apenleiders, berenleiders, trommelaars, klarinetblazers, fluitspelers, paukenslagers en andere grappenmakers. Met hen moet je afspreken, dat ze je dadelijk komen opzoeken in het paleis van de sjeik al-Islam, de vader van je vrouw. Als zij aankomen, zit je met hem op het bordes van de binnenplaats verversingen te gebruiken. Als zij binnengekomen zijn, moeten zij je feliciteren en gelukwensen en zij moeten je toeroepen: ‘Ach zoon van onze oom, ach ons bloed, ach onze oogappel, wij delen in je vreugde, op deze gezegende dag van je huwelijk! Waarachtig, ach zoon van onze oom, wij verheugen ons over de rang, waartoe je bent opgeklommen. Al zou je je over ons schamen, wij zijn vereerd tot je familie te behoren. Al zou je ons, zelfs je eigen ouders ten spijt, wegjagen en al zou je ons de deur wijzen, wij zouden je niet verlaten. Want je bent de zoon van onze oom, ons bloed en onze oogappel.’ Dan moet jij net doen of je ontdaan bent over het ruchtbaar worden van je bloedverwantschap met al die lui en, als om je van hen af te maken, beginnen met handenvol drachmen en dinars onder hen uit te strooien. Als de sjeik al-Islam dat ziet, zal hij je zonder enige twijfel ondervragen. Het hoofd buigend, moet je hem antwoorden: ‘Ik moet je wel de waarheid zeggen, want mijn verwanten zijn daar om me te verraden. Mijn vader was in werkelijkheid een balletdanser, leider van beren en apen en dat is het beroep van mijn familie en haar herkomst. Maar, nadien, opende de Beloner voor ons de poort naar het fortuin en wij hebben achting verworven bij de kooplieden van de markt en hun bond.’ De vader van je vrouw zal tot je zeggen: ‘Je bent dus de zoon van een balletdanser, van de stam van de hansworsten en van de apenleiders?’ Je moet antwoorden: ‘Ik zie geen kans uit liefde voor je dochter en voor haar eer mijn afkomst en familie te verloochenen. Want bloed verloochent geen bloed, evenmin als de stroom haar bron!’ Zonder enige twijfel zal hij je zeggen: ‘In dat geval, ach jongeman, is het huwelijkscontract ongeldig, want je hebt ons je stam en afkomst verborgen. Het komt niet te pas, dat je de echtgenoot blijft van de dochter van de sjeik al-Islam, hoogste voorzitter van de rechters, die gezeten is op het tapijt van de wet en die een edelman en een heer is, van wie de afstamming voert tot aan de verwanten van de profeet van God! Het komt niet te pas, dat diens dochter, hoezeer ook verstoken van de weldaden van de Beloner, overgeleverd is aan de willekeur van de zoon van een goochelaar.’ Dan moet jij antwoorden: ‘Waarlijk, ach eerbiedige, je dochter is mijn wettige echtgenote en elk van haar haren is duizend levens waard. Ik, bij God, ik zou niet van haar scheiden, al gaf je me alle koninkrijken ter wereld!’ Maar, geleidelijk aan, laat je je dan overreden, en als het woord echtscheiding eenmaal is uitgesproken, stem je aarzelend er in toe, je echtgenote de vrijheid te hergeven. Dan spreek je, in tegenwoordigheid van de sjeik al-Islam en van twee getuigen, tot driemaal toe, de echtscheidingsformule uit. Op deze wijze bevrijd van je huwelijksband, keer je hierheen terug, waar ik op je zal wachten. God zal regelen wat er nog te regelen valt!’

Toen, bij die uiteenzetting van het jonge meisje van de volmaakte liefde, voelde ik de waaiers van mijn hart zich openvouwen en ik riep uit: ‘Ach koningin van wijsheid en schoonheid, ik ben bereid je te gehoorzamen op mijn hoofd en op mijn ogen!’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 


Maar toen de 841e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Ik nam afscheid van haar, liet haar achter in de winkel, ging naar het plein, dat aan de voet van de stadsvesting ligt en wendde mij tot de leider van de troep goochelaars, hansworsten, kwakzalvers, potsenmakers, dansers, koorddansers, apen- en berenleiders, trommelaars, klarinetblazers, fluitspelers, pijpers, paukenslagers en alle andere grappenmakers en ik kwam met de leider overeen, dat hij mij met de uitvoering van mijn plan zou helpen, waartegenover ik hem een belangrijke vergoeding beloofde. Na van hem de belofte van zijn hulp te hebben ontvangen, ging ik hem voor naar het paleis van de sjeik al-Islam, vader van mijn echtgenote, naast wie ik plaats nam op het bordes van de binnenplaats.

Nog geen uur zat ik daar met hem te keuvelen, onder het genot van koele dranken, toen daar plotseling door de grote poort, die ik opengelaten had, voorafgegaan door vier hansworsten, die op hun hoofd liepen en door vier koorddansers, die op de toppen van hun tenen liepen en door vier koorddansers, die op hun handen liepen en te midden van een onbeschrijfelijk geraas van ketelmuziek, de hele trommelende, paukende, tierende, schreeuwende, dansende, gebarende en kakelbonte troep van gekken binnenkwam, die hun verblijf hadden aan de voet van de stadsvesting. Ze waren er allemaal, de apenleiders met hun beesten, de berenleiders met hun mooiste onderdanen, de potsenmakers met hun bonte kleren, de kwakzalvers met hun hoge vilthoeden, en de muzikanten met hun luidruchtige instrumenten, die een grenzeloos geraas voortbrachten. Zij kwamen en stelden zich op in een lange rij op de binnenplaats, de apen en de beren in het midden en ieder van hen vertoonde zijn eigen kunstjes. Maar opeens klonk er een felle slag op de drum en alle rumoer viel weg als bij toverslag. De leider van de bende trad naar voren tot aan de onderste trede van de trap en met zijn forse stem riep hij mij aan, uit naam van al mijn verzamelde familieleden en hij wenste mij voorspoed en een lang leven en hield de redevoering, die ik hem had geleerd.

Inderdaad, ach mijn heer, alles geschiedde zoals het jonge meisje had voorzien. Want nadat de sjeik al-Islam uit de mond van de bendeleider zelf de verklaring van al dat kabaal had vernomen, vroeg hij mij om een bevestiging daarvan. En ik vertelde hem, dat ik, inderdaad, de neef was, van vaders en van moederszijde, van al die lieden en dat ik zelf de zoon was van een goochelaar en apenleider. Ik herhaalde voor hem alle woorden van de rol, die het jonge meisje mij had geleerd en die u al kent, ach koning van deze tijd. De sjeik al-Islam, die erg bleek geworden was en erg verontwaardigd, sprak tot mij: ‘Je kunt niet in dit huis blijven en niet in het gezin van de sjeik al-Islam, want ik vrees, dat men je in het gezicht zou spugen en dat men je met minder achting zou behandelen dan de hond van een christen of het varken van een jood.’ Ik antwoordde eerst: ‘Bij God, ik zou van mijn echtgenote niet scheiden, al bood u me het koninkrijk Irak!’ De sjeik al-Islam, die wel wist, dat de gedwongen echtscheiding volgens de islamitische wetgeving, ofwel sjaria, verboden is, nam mij terzijde en smeekte mij, in allerlei verzoenende bewoordingen, toe te stemmen in de echtscheiding en hij zei: ‘Bedek mijn eer en God zal de jouwe bedekken!’ En ik, ik eindigde met toe te geven en ik aanvaardde de echtscheiding en ik verklaarde voor getuigen, sprekende over de dochter van de sjeik al-Islam: ‘Ik verwerp haar eenmaal, andermaal, voor de derde maal, ik verwerp haar!’ Zo is namelijk de formule voor de onherroepelijke echtscheiding. Door de uitspraak ervan was ik, omdat de vader zelf mij er dringend om had verzocht, zowel ontslagen van de plicht tot het betalen van schadevergoeding en onderhoudskosten, evenals verlost van de schrikkelijkste nachtmerrie, die ooit op de borst van een menselijk wezen heeft gedrukt.

Zonder mij de tijd te gunnen afscheid te nemen van hem, die een nacht lang mijn schoonvader was geweest, koos ik, zonder om te kijken, het hazenpad en kwam, buiten adem, in mijn winkel aan, waar nog steeds het jonge meisje van de volmaakte liefde op mij zat te wachten. Met haar liefste stem heette ze mij welkom en, met alle welvoeglijkheid van haar manieren, wenste zij mij geluk met de goede afloop en zei tegen mij: ‘Nu is, dunkt me, het ogenblik gekomen van onze vereniging. Wat denk je daarvan, ach mijn meester?’ Ik antwoordde: ‘Zal het in mijn winkel zijn of in jouw huis?’ Zij glimlachte en zei: ‘Ach arme, weet je dan niet, hoezeer een vrouw op zichzelf moet passen om de dingen te doen zoals het hoort? Het moet dus wel bij mij thuis gebeuren!’ Ik antwoordde: ‘Bij God, ach mijn vorstin, sinds wanneer gaat de lelie naar het badhuis en de roos naar het bad? Mijn winkel is groot genoeg om je te herbergen, lelie of roos. Al was mijn winkel afgebrand dan was mijn hart er nog.’ Zij antwoordde mij lachend: ‘Je overdrijft werkelijk! Je bent helemaal teruggekeerd van je vroegere, zo boerse manieren! En je kunt uitstekend complimentjes maken.’ Zij voegde er aan toe: ‘Sta nu op, sluit je winkel en volg mij.’

Welnu, ik, die slechts op die woorden wachtte, haastte mij te antwoorden: ‘Ik luister en ik gehoorzaam.’ Als laatste de winkel verlatend, sloot ik deze af en volgde, op tien passen afstand, de groep, gevormd door het jonge meisje en haar slavinnen. Zo kwamen wij voor een paleis, waarvan de poort bij onze nadering openging. Nauwelijks binnen, kwamen er twee eunuchen op mij af een verzochten mij met hen naar het badhuis te gaan. Ik was vastbesloten om alles te doen zonder naar een verklaring te vragen en liet mij door de eunuchen naar het badhuis geleiden, waar men mij een bad van zuivering en verfrissing liet nemen.  Hierna werd ik, in fijne kleren gestoken en besprenkeld met Chinese amber, naar één van de inwendige vertrekken geleid, waar het jonge meisje van mijn verlangen en van de volmaakte liefde mij wachtte, achteloos neergevleid op een bed van brokaat.

Wel, nauwelijks waren wij alleen of zij zei tegen mij: ‘Kom hierheen, kom, timbaal! Bij God, wat moet jij een domoor onder de domste domoren zijn, om voorheen een nacht als deze te hebben geweigerd! Maar ik wil je niet in de war brengen en zal je niet aan het verleden herinneren.’ Ik, ach mijn heer, bij het zien van dat jonge meisje, dat al geheel naakt was, blank en zo sierlijk gebouwd, bij het zien van de rijkdom van haar lichaamsvormen en van de omvang van haar mollige achterste en van de voortreffelijke hoedanigheid van haar verschillende vrouwelijke delen, bij die aanblik voelde ik hoe al mijn vroeger verzuim zich wilde herstellen en ik deed een stap terug om te springen. Maar met een gebaar hield ze mij tegen en zei, glimlachend: ‘Voor de strijd begint, ach sjeik, wil ik weten, of je de naam van je tegenstander kent. Hoe heet hij?’ Ik antwoordde: ‘De bron van de genaden!’ Zij zei: ‘Mis!’ Ik zei: ‘De vader van de blankheid!’ Zij zei: ‘Mis!’ Ik zei: ‘Het zachte vleesje!’ Zij zei: ‘Mis!’ Ik zei: ‘De gepelde sesam!’ Zij zei: ‘Mis!’ Ik zei: ‘De koningshagedis van het onderlijf!’ Zij zei: ‘Mis!’ Ik zei: ‘He, bij God, ach mijn meesteres, ik ken nog slechts één naam, en dat is alles: de herberg van mijn vader Mansoer!’ Zij zei: ‘Mis!’ Zij voegde er aan toe: ‘Ach timbaal, wat hebben ze je dan geleerd, de wijze godgeleerden en de meesters in de woordkunst!’ Ik zei: ‘In het geheel niets!’ Zij zei: ‘Luister dan! Zie een paar van die namen: de stille spreeuw, het mollige schaapje, de zwijgende tong, de welsprekende zonder woorden, de verstelbare schroef, de klem op maat, de verwoede bijter, de onvermoeibare schudder, de aantrekkelijke afgrond, de put van Jakob, de wieg van het kind, het nest zonder ei, de vogel zonder veren, de vlekkeloze duif, de kat zonder snor, de kip zonder stem en het konijn zonder oren.’

Toen zij had opgehouden op deze wijze mijn gehoor te strelen en mijn oordeel te verhelderen, nam zij mij plotseling tussen haar benen en haar armen, en zei tegen mij: ‘Kom op, kom op, ach timbaal! Wees snel in het springen, zwaar in het dalen en licht in het wegen, en stevig in het drukken, wees een zwemmer naar de diepte en een stop zonder speling en een springer zonder oponthoud, want onuitstaanbaar is degene, die zich één- of tweemaal verheft om zich daarna weer neer te zetten, en die het hoofd omhoog heft om het weer te buigen, en die overeind gaat staan om weer neer te vallen. Wees dus onverschrokken, ach dartele vriend.’

En ik, ach mijn heer, ik antwoordde: ‘He, bij je leven, ach mijn meesteres, zullen we bij het begin beginnen?’ Ik voegde er aan toe: ‘Bij wie moet ik beginnen?’ Zij antwoordde: ‘Aan jou de keuze, ach timbaal!’ Ik zei: ‘Laten we dan eerst de stille spreeuw zijn graantje geven!’ Zij zei: ‘Hij wacht! Hij wacht!’

Toen, ach sultan mijn heer, zei ik tot mijn kind: ‘Bevredig de spreeuw!’ Het kind antwoordde dat het luisterde en gehoorzaamde en het maakte zich op, de stille spreeuw groots en ruimschoots te voeden. Dadelijk begon de spreeuw te roepen in de taal van de spreeuwen, zeggende: ‘Dat God je gave vergrote! Dat God je gave vergrote!’ Ik zei tot het kind: ‘Maak nu je begroeting voor het mollige schaapje, dat wacht!’ Het kind maakte voor het bewuste schaapje zijn diepste begroeting. Het schaapje antwoordde in zijn taal: ‘Dat God je gave vergrote! Dat God je gave vergrote!’ Ik, ik zei tot het kind: ‘Spreek nu tot de zwijgende tong!’ Het kind wreef met zijn vinger op de zwijgende tong, die onmiddellijk antwoordde met welluidende stem: ‘Dat God je gave vergrote! Dat God je gave vergrote!’ Ik, ik zei tot het kind: ‘Tem de verwoede bijter!’ Hij begon de bewuste bijter te strelen, met grote omzichtigheid en hij deed het zo goed, dat hij zonder schade weer uit de muil te voorschijn kwam en dat de bijter, voldaan over zijn moed en zijn arbeid, tot hem zei: ‘Ik betuig je hulde! Ah! Wat een drank!’ En ik, ik zei tot het kind: ‘Vul de put van Jakob, ach jij, geduldiger dan Job!’ Onmiddellijk antwoordde het kind: ‘Hij slokt me op! Hij slokt me op!’ De bewuste put werd gevuld zonder moeite of last en gekurkt zonder speling of ruimte. En ik, ik zei tot het kind: ‘Verwarm de vogel zonder veren!’ En het kind antwoordde als de hamer op het aanbeeld en de verwarmde vogel antwoordde: ‘Ik brand! Ik brand!’ En ik, ik zei tot het kind: ‘Ach voortreffelijke, geef deze reis wat graan aan de kip zonder stem!’ De flinke jongen zei geen nee en gaf overvloedig graan aan bedoelde kip, die begon te kakelen, zeggende: ‘Gezegend! Gezegend!’ En ik, ik zei tot het kind: ‘Vergeet het brave konijn zonder oren niet en wek het uit zijn slaap, ach weergaloze vader van het oog!’ Het nog steeds wakkere kind sprak tot het konijn, ofschoon het geen oren had, en gaf het zulke goede raad, dat het uitriep: ‘Wat heerlijk! Wat heerlijk!’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 842e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Ik ging voort, ach mijn heer, het kind aan te sporen om op deze wijze met zijn tegenstander te praten, de conversatie telkens gewijzigd en aangepast aan elk zinnebeeld, nemend en gevend, zonder de kat zonder snor te vergeten of de smetteloze duif, of de wieg, die erg warm bleek, of de klem op maat, die zonder schram werd getart, of de aantrekkelijke afgrond waar het kind zich scheefstandig in stortte om ongeschonden te blijven en waarvan de eigenares om genade riep, zeggende: ‘Ik geef me over! Ik geef me over! Ach! Wat een gaffel!’ Of de verstelbare schroef, waar het kind nog onkwetsbaarder en groter uit te voorschijn kwam, of uiteindelijk de herberg van mijn vader Mansoer, die heter was dan een bakoven en waar het kind steviger en zwaarder dan een aardpeer uit te voorschijn kwam. Wij staakten de strijd niet eerder, ach sultan mijn heer, dan bij het aanbreken van de morgen, om het morgengebed te doen en naar het bad te gaan.

Toen wij klaar waren in het badhuis en weer bijeen voor het ontbijt, zei de jonge vrouw van de volmaakte liefde tot mij: ‘Bij God, ach timbaal, je bent werkelijk voortreffelijk geweest en het lot heeft mij begunstigd door mijn welgevallen op jou te richten. Wel, nu gaat het er om onze vereniging te wettigen. Wat denk je ervan? Wil je bij me blijven, volgens Gods wet, of zie je er liever vanaf mij ooit weer te zien?’ En ik, ik antwoordde: ‘Liever sterf ik de rode dood dan afstand te doen van het genot, dat blanke gezicht te zien, ach mijn meesteres!’ Zij zei tegen mij: ‘Als dat zo is, dan halen we de rechter en de getuigen!’ Op staande voet liet zij de rechter en de getuigen roepen en zij gaf opdracht onmiddellijk ons huwelijkscontract te schrijven. Daarna gebruikten wij samen onze eerste maaltijd en wij wachtten, om elke kans op buikpijn te vermijden, tot onze digestie was geëindigd, toen begonnen wij opnieuw met onze genotvolle spelen en koppelden de nacht aan de dag.

En dat leven leefde ik, ach mijn heer, met de jonge vrouw van de volmaakte liefde gedurende dertig nachten en dertig dagen, schavend aan wat er te schaven was en vijlend aan wat er te vijlen was en vullend wat er te vullen was, tot ik me, op een dag, bevangen door een soort duizeling, ten aanzien van mijn vriendin liet ontvallen: ‘Ik weet niet wat het is, maar, bij God, ik kan vandaag de twaalfde spies niet meer drillen!’ Zij riep uit: ‘Wat nou? Wat nou? Maar op die twaalfde komt het juist aan! De anderen gelden niet!’ Ik zei tegen haar: ‘Onmogelijk! Het is onmogelijk!’ Toen begon zij te lachen en zei: ‘Je moet rust hebben! Wij zullen je die geven!’ Verder hoorde ik niets meer, want de krachten begaven mij, ach heer, en ik rolde op de grond als een ezel zonder halster.

Toen ik ontwaakte uit mijn bewusteloosheid, vond ik mezelf geketend in deze zwakzinnigeninrichting, in gezelschap van mijn makkers, deze twee eerbiedwaardige jongemannen en de bewaker, die ik ondervroeg, zei tegen mij: ‘Het is voor je rust! Het is voor je rust!’ Wel, wat mij betreft, ach sultan mijn heer, ik voel me nu behoorlijk uitgerust en aangesterkt en ik vraag aan uw edelmoedigheid om mijn hereniging met de jonge vrouw van de volmaakte liefde tot stand te brengen. Wat haar naam en hoedanigheid betreft, die kan ik je niet zeggen, want ik ken ze niet. Ik heb alles verteld wat ik wist. Dit is, naar orde en regelmaat van gebeurtenissen, mijn geschiedenis, zoals zij heeft plaats gevonden. Maar God is wijzer!’

Toen sultan Mahmoed en zijn minister, de vroegere sultanderwisj, dit verhaal van de tweede jongeman hadden aangehoord, waren zij uiterst verbaasd over de regelmaat en klaarheid waarmee het verhaal was verteld. De sultan zei tegen de jongeman: ‘Bij mijn leven! Al was de reden van je opsluiting niet onwettig geweest, dan nog zou ik je hebben bevrijd, na dit verhaal.’ Hij voegde er aan toe: ‘Kun je ons de weg wijzen naar het paleis van de jonge vrouw?’ Hij antwoordde: ‘Als het moest, met gesloten ogen!’ Toen gingen de sultan en de minister en de kamerheer, de gewezen eerste gek staan en de sultan zei tegen de jongeman, na diens boeien te hebben verbroken: ‘Ga ons voor naar de woning van je echtgenote!’ Zij stonden alle vier, op het punt om weg te gaan, toen de derde jongeman, die de ketens nog om de hals had, uitriep: ‘Ach mijn meesters, bij God over ons allen! Luister, voor je weg gaat, naar mijn geschiedenis, want die is nog wonderlijker dan die van die twee makkers van mij!’ De sultan zei hem: ‘Wees welgemoed en kalm van geest, want wij komen dadelijk terug.’

Zij gingen, voorafgegaan door de jongeman, tot zij bij de poort van een paleis aankwamen. Bij de aanblik van dat paleis, riep de sultan uit: ‘God is allergrootste! Ontmaskerd zij Satan de Verleider! Dit paleis, ach mijn vrienden, is de woning van de derde dochter van mijn oom, de overleden sultan. En ons lot is een wonderlijk lot. Lof aan Hem, die verenigt wat gescheiden was en die verbindt wat ontbonden was!’ Hij ging het paleis binnen, gevolgd door zijn metgezellen en liet zijn komst aankondigen aan de dochter van zijn oom, die zich haastte haar opwachting bij hem te maken.

Inderdaad, het was de jonge vrouw van de volmaakte liefde! Zij kuste de hand uit eerbied van de sultan, echtgenoot van haar zus en verklaarde zich onderworpen aan zijn bevelen. De sultan zei haar: ‘Ach dochter van de oom, ik breng je man bij je, die voortreffelijke bedgenoot, die ik op dit ogenblik benoem tot mijn tweede kamerheer en die voortaan mijn disgenoot zal zijn, want ik ken zijn geschiedenis en het tijdelijke misverstand, dat tussen jullie gerezen is. Dat zal zich in de toekomst echter niet herhalen, want hij is nu uitgerust en aangesterkt.’ De jonge vrouw antwoordde: ‘Ik luister en ik gehoorzaam! Nu hij onder jouw hoede is en jij garant voor hem staat en nu jij me verzekert, dat hij zich heeft hersteld, stem ik er in toe opnieuw met hem te leven!’ De sultan zei tegen haar: ‘Ik dank je, ach dochter van de oom! Je neemt me een pak van mijn hart!’ Hij voegde er aan toe: ‘Sta ons slechts toe hem voor een uur lang mee te nemen, want wij moeten samen nog een verhaal aanhoren, dat uitermate wonderlijk schijnt te zijn!’ Hij nam afscheid van haar en vertrok met de jongeman, die zijn tweede kamerheer was geworden, met zijn minister en met zijn eerste kamerheer.

Toen zij in de zwakzinnigeninrichting waren aangekomen, gingen zij op hun plaatsen zitten, tegenover de derde jongeman, die op hete kolen zat en die, met de keten nog om de hals, onmiddellijk zijn verhaal begon, dat luidde als volgt:

 

Geschiedenis van de derde gek

 

Weet, ach mijn vorstelijke meester, en u, ach minister van goede raad, en u, geëerde kamerheren, mijn twee gewezen lotgenoten, weet, dat mijn geschiedenis geen enkel verband houdt met die, welke al zijn verteld, want terwijl mijn twee makkers het slachtoffer zijn geworden van twee jonge meisjes, was mijn geval geheel anders. U zult dat trouwens straks zelf kunnen beoordelen. Dus, ach mijne heren, ik was nog een kind, toen mijn vader en mijn moeder stierven in de barmhartigheid van de Beloner. Ik werd opgenomen door barmhartige buren, arme lieden zoals wij, die zelfs het meest noodzakelijke niet hadden en geen kosten konden maken voor mijn opvoeding en die mij lieten rondzwerven door de straten, blootshoofds en met blote benen en met als enig kledingstuk de helft van een katoenen hemd. Het leek wel of ik niet afstotend was om te zien, want vaak bleven er voorbijgangers, die mij zagen bakken in de zon, stilstaan en riepen uit: ‘Dat God dit kind behoede voor het boze oog! Hij is zo mooi als een stuk van de maan.’ Onder hen waren er soms, die de zoetigheid helwa met grauwe erwten voor mij kochten of zachte, gele karamel, die men in draden uit elkaar kan trekken, en, terwijl zij mij dat gaven, tikten ze me op de wang, of streken mij over het hoofd, of ze trokken vriendschappelijk aan de ene lok, die ik midden op mijn geschoren hoofd droeg. En ik, ik opende een geweldige mond en verslond in één hap alle lekkernij. Dit ontlokte allen, die naar mij keken, uitroepen van bewondering en opende de ogen van de kleine kwajongens, die met mij speelden, wijd van afgunst. Zo kwam het ogenblik, dat ik twaalf jaar oud was.

Welnu, op zekere dag, toen ik met de vriendjes, met wie ik gewoonlijk speelde op stap was gegaan om sperwer- en kraaiennesten te zoeken op het dak van vervallen huizen, zag ik, in een hutje, overdekt met palmbladeren, aan het einde van een verlaten hof, de vage en onbeweeglijke gedaante van een menselijk wezen. Daar ik wist, dat de djinns en de geesten verlaten huizen plegen te bezoeken, dacht ik: ‘Die daar is een djinn!’ Door schrik bevangen, klom ik van de ruïne af en wilde het op een lopen zetten om uit het gezicht van de djinn te komen. Maar uit de hut klonk een zeer zachte stem, die mij riep, en zei: ‘Waarom vlucht je, mooi kind? Kom proeven van de wijsheid! Kom zonder vrees bij mij. Ik ben geen djinn en geen goede geest, maar een menselijk wezen, dat in eenzaamheid en overpeinzing leeft. Kom, mijn kind en ik zal je onderwijzen in de wijsheid.’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 843e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “En ik, plotseling in mijn vlucht gestuit door een onweerstaanbare kracht, ik keerde terug op mijn schreden en ging in de richting van de hut, terwijl de zeer zachte stem voortging tot mij te spreken: ‘Kom, mooi kind, kom!’ Ik ging de hut binnen en zag dat de onbeweeglijke gedaante toebehoorde aan een zeer oude grijsaard, die een ontelbaar aantal jaren oud moest zijn. Maar zijn gezicht, ondanks die hoge leeftijd, was als de zon. Hij zei tegen mij: ‘Welkom is de wees, die mijn wijsheid komt erven!’ Hij zei nog: ‘Ik zal je vader en je moeder zijn.’ Hij nam mijn hand en ging voort: ‘Je zult mijn leerling zijn. Eens zul je de leermeester worden van andere leerlingen.’ Na zo te hebben gesproken, gaf hij mij de vredeskus, liet mij naast zich zitten en begon mij meteen te onderwijzen. En ik, ik raakte in de macht van zijn woord en van de schoonheid van zijn wijsheid en ik verzaakte voor hem mijn spelen en mijn vriendjes. Hij werd mijn vader en mijn moeder. Ik betoonde hem diepe eerbied, uiterste liefde en grenzeloze onderworpenheid. Zo verliepen vijf jaren en ik ontving een voorbeeldige opvoeding. Mijn geest werd gevoed met het brood van de wijsheid. Maar, ach mijn heer, alle wijsheid is ijdel, indien zij niet is gezaaid op een terrein, waarvan de ondergrond goed is. Immers, zij wordt weggerukt bij de eerste harkstreek van de dwaasheid die de vruchtbare bovenlaag beroert. Daaronder is niets dan droogte en onvruchtbaarheid. Ik zou weldra aan den lijve de kracht van de heerszuchtige menselijke driften ervaren. Want zie, op een dag, dat de oude wijze mij naar de binnenhof van de moskee had gezonden om voor ons onderhoud te bedelen, kweet ik mij van mijn taak. Na begunstigd te zijn door de edelmoedigheid van de Gelovigen, verliet ik de moskee en hernam de weg naar onze eenzaamheid. Maar, onderweg, ach mijn heer, kwam ik een groep eunuchen tegen en in hun midden schreed heupwiegend een gesluierd jong meisje en het scheen mij toe, dat haar ogen, onder de sluier, alle schoonheid van de hemel bevatten. De eunuchen waren gewapend met lange stokken, waarmee ze op de schouders van de voorbijgangers sloegen, om de weg voor hun meesteres vrij te houden. Van alle kanten hoorde ik de mensen fluisteren: ‘De dochter van de sultan! De dochter van de sultan!’ En ik, ach mijn heer, ik keerde terug naar mijn meester, met bewogen gemoed en verwarde geest. Opeens was ik de leerstellingen van mijn meester vergeten en mijn vijf jaren vol wijsheid en de voorschriften van de onthouding.

Mijn meester bekeek mij met droeve blik, terwijl ik huilde. Wij brachten de ganse nacht door aan elkaars zijde zonder een woord te spreken. En ’s morgens, na hem, als naar gewoonte, de hand te hebben gekust uit eerbied, zei ik: ‘Ach mijn vader en mijn moeder, schenk vergiffenis aan uw onwaardige leerling! Mijn ziel moet namelijk wel de dochter van de sultan terugzien, al was het maar om een enkele blik op haar te werpen.’

Mijn meester zei tegen mij: ‘Ach zoon van je vader en van je moeder, ach mijn kind, je zult, omdat je ziel het verlangt, de dochter van de sultan zien. Maar denk aan de afstand die er bestaat tussen de eenzamen van de wijsheid en de koningen van de aarde! Ach zoon van je vader en van je moeder, ach jij, die gevoed bent door mijn liefde, vergeet je hoezeer de wijsheid onverenigbaar is met de omgang met de dochters van Adam, vooral wanneer het koningsdochters zijn? Heb je dan je plicht aan de vrede des harten verzaakt? Wil je dat ik sterf in de overtuiging, dat, met mij, de laatste bewaarder van de leer van de eenzaamheid verdwijnt? Ach mijn zoon, niets is zo vol rijkdom als de onthouding en niets is zo vol bevrediging als de eenzaamheid!’ Maar ik antwoordde: ‘Ach mijn vader en mijn moeder, als ik de prinses niet kan zien, al was het maar om een enkele blik op haar te werpen, dan zal ik sterven.’ Toen zei mijn meester, die van mij hield en die mijn bedroefdheid en hartenleed zag, tot mij: ‘Kind, zou één blik op de prinses al je verlangens bevredigen?’ Ik antwoordde: ‘Zonder enige twijfel!’ Toen naderde mijn meester mij zuchtend, wreef een soort zalf over mijn oogballen en, op het zelfde ogenblik, verdween een gedeelte van mijn lichaam en niet meer dan de helft van mijn lichaam bleef zichtbaar, een beweeglijke tors. Mijn meester zei mij: ‘Begeef je nu naar het midden van de stad. Zo zul je het doel bereiken dat je wenst.’

Ik antwoordde, dat ik luisterde en gehoorzaamde en ik begaf me in een oogwenk naar het marktplein, waar ik me al direct omringd zag door een onafzienbare menigte. Iedereen bekeek me met verbazing. Van alle kanten kwamen mensen toegelopen, om dat zonderlinge wezen te zien, dat slechts de helft van een mens was en dat zich met zulk een snelheid voortbewoog. Het gerucht van dat vreemde verschijnsel verspreidde zich weldra door de hele stad en drong door tot in het paleis waar de dochter van de sultan met haar moeder woonde. Beiden wilden zij op mij hun nieuwsgierigheid bevredigen en zij zonden eunuchen uit om mij te pakken en aan hen voor te geleiden. Ik werd naar het paleis gebracht en de harem binnengevoerd, waar de prinses en haar moeder hun nieuwsgierigheid bevredigden, terwijl ik toekeek. Daarna lieten ze mij opnemen door de eunuchen, die mij terug droegen naar waar zij mij hadden gepakt. En ik, de ziel gekwelder en de geest verwarder dan ooit, keerde terug naar mijn meester, in de hut. Ik vond hem uitgestrekt liggen op de mat, hij ademde moeizaam en zijn gelaatskleur was geel, alsof hij stervende was. Maar mijn hart werd te zeer door andere dingen in beslag genomen dan dat ik me bezorgd kon maken over hem. Hij vroeg mij met zwakke stem: ‘Ach mijn kind, heb je de dochter van de sultan gezien?’ Ik antwoordde: ‘Ja, maar het is erger dan wanneer ik haar niet had gezien. Voortaan zal mijn ziel geen rust meer vinden, tenzij het mij lukt bij haar te gaan zitten en mijn ogen te verzadigen met het genot haar te bekijken!’ Terwijl hij een diepe zucht slaakte, zei hij tegen mij: ‘Ach mijn welbeminde leerling, hoezeer vrees ik voor de vrede van je hart! Ah! Welk verband kan er ooit bestaan tussen de Eenzamen en de Machtigen!’ Ik antwoordde: ‘Ach, mijn vader, tenzij ik mijn hoofd neerleg naast het hare, tenzij ik haar aanschouw en ik haar bekoorlijke hals aanraak met mijn hand, zal ik diep ongelukkig zijn en zal ik sterven van wanhoop.’

Toen zei mijn meester, die van mij hield en die evenzeer bezorgd was over mijn verstand als over de vrede van mijn hart, tegen mij, terwijl stervenssnikken hem pijnlijk bewogen: ‘Ach zoon van je vader en van je moeder, ach kind die het leven in je draagt en die vergeet, hoe zorgwekkend en verderfelijk de vrouw is, ga en verzadig al je begeerten! Maar ik smeek je, als een laatste gunst, op deze plek mijn graf te delven en mij te begraven en op mijn graf geen steen aan te brengen, die de plaats aanduidt waar ik rust. Buig je over mij heen, mijn zoon, opdat ik je het middel geef om je doel te bereiken.’ En ik, ach mijn heer, ik boog me over mijn meester heen en deze bestreek mijn oogleden met een soort kohl van zeer fijn zwart poeder en sprak tot mij: ‘Ach mijn gewezen leerling, nu ben je, dank zij de bijzondere eigenschappen van deze kohl, onzichtbaar geworden voor de ogen van de mensen. Je kunt nu, zonder vrees, aan al je verlangens voldoen! Dat Gods zegen over je hoofd moge zijn en je, binnen de grenzen van het mogelijke, behoede voor de hinderlagen van de verworpenen, die onrust zaaien te midden van de uitverkorenen van de Eenzaamheid!’

Na zo te hebben gesproken, was mijn vereerde meester alsof hij nooit had bestaan. En ik, ik haastte me hem te begraven in een kuil die ik groef onder de hut, waar hij had geleefd, dat God hem toelaten mag in zijn barmhartigheid en hem een uitgelezen plaats mag verschaffen! Daarna haastte ik mij, weg te vliegen naar het paleis van de dochter van de sultan. Welnu, daar ik voor ieders ogen onzichtbaar was, betrad ik het paleis zonder te worden opgemerkt, en mijn weg vervolgend, kwam ik in de harem en ging rechtstreeks naar de kamer van de prinses. Ik vond haar uitgestrekt op haar bed, terwijl ze haar middagslaap deed en ze had niets aan dan een hemd van Mosulse zijde. En ik, ach mijn heer, die van mijn leven nog nooit de gelegenheid had gehad de naaktheid van een vrouw te zien, ik raakte in een vervoering, die mij het laatste restje wijsheid en fatsoen deed vergeten. Ik riep uit: ‘God! God!’ Ik gooide dat er uit met zo’n luide stem, dat het jonge meisje de ogen halverwege opende, een zucht van ontwaken slaakte en zich omdraaide op haar bed. Maar dat was, gelukkig, alles. Toen, ach mijn heer, zag ik het onbeschrijfelijke! Ik stond versteld, dat een zo rank en fijn meisje een zo weelderig achterwerk bezat. In mijn verbazing, ging ik nog dichter bij haar staan, wetend dat ik onzichtbaar was en legde heel zachtjes een vinger op dat achterwerk om het te bevoelen en om het hart, wat dat aanging, te bevredigen. Ik voelde, dat het massief en elastisch was en zacht als boter en koel. Maar ik kon niet bijkomen van de verbazing die zijn omvang mij had bezorgd en ik vroeg me af: ‘Waarom zo groot? Waarom zo groot?’ Nadat ik over dat onderwerp had nagedacht zonder een bevredigend antwoord te vinden, haastte ik mij het jonge meisje te benaderen. Ik deed dat met eindeloze voorzichtigheid om haar maar niet te wekken. Toen ik dacht dat het eerste gevaar voorbij was, waagde ik een enkele eerste beweging. Zachtjes, zachtjes ging het kind, je weet wel, ach mijn heer, zijn gang. Maar het wachtte er zich wel voor grof te zijn of laakbare handelingen te verrichten, hoe dan ook. Ook hij stelde zich er tevreden mee alleen maar kennis te maken met dat wat hij niet kende. Niets meer, ach mijn heer. Wij waren beiden van mening, dat het, voor deze eerste maal, rijkelijk voldoende was, om ons een oordeel te vormen. Maar, zie! Juist op het ogenblik dat ik wilde opstaan, dreef de verleider mij er toe het jonge meisje te knijpen, midden in een van die verbazingwekkende billen, waarvan de omvang mij versteld had doen staan en ik kon de verleiding niet weerstaan en zie! Ik kneep het jonge meisje midden in die bil. En, verwijderd zij de Boze, de indruk, die zij daarvan ondervond, was zó hevig, dat zij, ditmaal terdege ontwaakt, uit haar bed sprong met een kreet van schrik en luidkeels om haar moeder riep. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 844e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Welnu, op het horen van de alarmkreten en het angstgeschreeuw en het hulpgeroep van haar dochter, kwam de moeder, halsoverkop, aangelopen, op de voet gevolgd door de oude min van het jonge meisje en door de eunuchen. Met haar hand op de plaats waar ze was geknepen, ging het jonge meisje voort met roepen: ‘Ik zoek mijn toevlucht bij God tegen satan, de gestenigde!’ Als uit één mond vroegen haar moeder en de oude min haar: ‘Wat is er toch? Wat is er toch? Waarom houd je je hand op je edele achterste? Wat is er gebeurd met je edele achterste? Laat ons zien wat er mee aan de hand is, met je edele achterste!’ De min wendde zich tot de eunuchen met een doordringende blik en riep hun toe: ‘Verdwijn een beetje!’ De eunuchen verwijderden zich, binnensmonds het ellendige oude wijf verwensend. Dat alles gebeurde! En ik, ik zag zonder gezien te worden, dank zij de kohl van mijn gestorven meester, dat God hem in zijn goede gunsten koestert!

Welnu dan, nadat haar moeder en haar min haar hadden gekweld met indringende vragen, hun halzen uitrekkend om te zien wat er kon zijn gebeurd, zei het jonge meisje eindelijk, blozend en met een van pijn vertrokken gezicht: ‘Daar is het! Daar is het! Ik ben geknepen! Ik ben geknepen!’

De twee vrouwen keken en zagen, op het achterste, de rode en al gezwollen afdruk van mijn duim en middelvinger. Uitermate ontsteld en verontwaardigd, traden zij terug en riepen uit: ‘Ach schaamteloze, wie heeft dat gedaan? Wie heeft dat gedaan?’ Het jonge meisje begon te huilen en zei: ‘Ik weet het niet! Ik weet het niet!’ Zij voegde er aan toe: ‘Ik ben zo geknepen, terwijl ik, in mijn slaap, droomde dat ik een dikke komkommer at!’ Toen de twee vrouwen die woorden hoorden, bogen zij zich gelijktijdig en keken onder de gordijnen en onder de lakens en onder het bedgordijn. Nadat zij niets verdachts hadden gevonden, zeiden zij tegen het jonge meisje: ‘Ben je er wel zeker van, dat je je zelf niet geknepen hebt, in je slaap?’ Zij antwoordde: ‘Ik zou liever sterven dan me zelf zo vreselijk te knijpen.’ Toen uitte de oude min haar mening, zeggende: ‘Er is geen toevlucht en macht dan in God, de Allerhoogste, de Almachtige. Diegene die onze dochter geknepen heeft, is een onnoemelijke onder de onnoemelijken, die de lucht bevolken! Hij moet hier door dit venster zijn binnengekomen en, toen hij onze dochter heeft zien slapen met haar edele achterste bloot, heeft hij het verlangen niet kunnen weerstaan haar op die plaats te knijpen. Dat is heel waarschijnlijk wat er gebeurd is.’ Na deze woorden, deed ze snel de deur en het venster dicht en vervolgde: ‘Alvorens onze dochter een kompres van koud water en azijn op te leggen, moeten we allereerst de Boze verdrijven. Er is maar één deugdelijk middel en dat is om in de kamer kameeldrek te verbranden. Want noch djinns, noch geesten, of welke andere onnoemelijken ook kunnen de geur van kameeldrek verdragen. Ik ken de woorden, die men tijdens de verbranding moet uitspreken!’ Onmiddellijk riep ze tegen de eunuchen die bijeen stonden achter de deur: ‘Ga snel voor ons een mand kameeldrek halen.’

Terwijl de eunuchen het bevel uitvoerden, naderde de moeder haar dochter en vroeg haar: ‘Ben je er zeker van, ach mijn dochter, dat de Boze je verder niets heeft gedaan? En heb je niets gevoeld van wat ik bedoel?’ Zij zei: ‘Ik weet het niet!’ Toen bogen de moeder en de min het hoofd en onderzochten het jonge meisje. Zij zagen, ach mijn heer, dat, zoals ik al zei, alles nog op zijn plaats was en dat er, noch van voren noch van achteren, enig spoor van geweld was. Maar de vervloekte min, met haar scherpe neus, zei: ‘Ik ruik op onze dochter de geur van een mannelijke djinn!’ Zij schreeuwde tegen de eunuchen: ‘Waar blijft de drek, ach ellendelingen!’ Op dat ogenblik verschenen de eunuchen met de mand en zij haastten zich die aan de oude te overhandigen, door een kier van de deur.

Toen nam de oude min de tapijten weg, die op de grond lagen, wierp de mand met drek uit op de marmeren tegels en stak het in brand. Zodra de rook zich verhief, begon ze onbekende woorden over het vuur heen te mompelen, terwijl ze in de lucht magische tekens trok.

En zie! De rook van de verbrande drek, die weldra de kamer vulde, prikkelde mijn ogen op zo’n een ondragelijke wijze, dat zij zich vulden met tranen, zodat ik ze meerdere malen moest afvegen met de zoom van mijn gewaad. Ik dacht er niet aan, ach mijn heer, dat ik door deze handeling, beetje bij beetje, de kohl wegveegde, waarvan de werking mij onzichtbaar maakte en waarvan ik, in mijn kortzichtigheid, vergeten was een flinke hoeveelheid bij me te steken vóór het overlijden van mijn meester. En waarachtig, plotseling hoorde ik de drie vrouwen gelijktijdig drie angstkreten uitstoten, terwijl ze met hun vingers in mijn richting wezen: ‘Daar is de goede geest! Daar is de goede geest! Daar is de goede geest!’ Zij riepen de eunuchen te hulp, die onmiddellijk de kamer binnenstormden en zich op mij wierpen en mij wilden doden. Maar ik riep hun toe met mijn vreselijkste stem: ‘Als jullie mij het minste kwaad doen, zal ik mijn broeders, de djinns, te hulp roepen, die jullie zullen afmaken en dit paleis zullen doen neerstorten op de hoofden van zijn inwoners!’ Toen werden zij bang en volstonden met mij vast te binden. De oude riep mij toe: ‘Mijn vijf linker vingers in je rechteroog en mijn vijf andere vingers in je linkeroog!’ Ik zei haar: ‘Houd je mond, vervloekte gifmengster, of ik roep mijn broeders, de djinns, die je zullen onthoofden!’ Toen werd ze bang en zweeg. Maar een ogenblik later riep ze: ‘Omdat hij een goede geest is, kunnen we hem niet doden. Maar wij kunnen hem kluisteren voor de rest van zijn jaren!’ Zij zei tegen de eunuchen: ‘Pak hem op en breng hem naar de zwakzinnigeninrichting en leg hem een ketting om de hals en maak de ketting vast aan de muur. Zeg tegen de bewakers dat, als zij hem laten ontsnappen, hun dood onherroepelijk zal zijn!’ Meteen, ach mijn heer, namen de eunuchen mij mee, terwijl ik een lang gezicht trok. Zij wierpen mij in de zwakzinnigeninrichting, waar ik mijn twee vroegere makkers ontmoette, die nu uw eerbiedwaardige kamerheren zijn. En dit is mijn geschiedenis! Dit is, ach mijn heer, de reden van mijn opsluiting in dit gekkenhuis en van deze ketting om mijn hals. Ik heb u alles verteld, van het begin tot het einde en daarom hoop ik dat God en u mij mijn dwaling hebben vergeven en dat uw goedheid mij uit deze kerker zal bevrijden om mij ergens, waar dan ook, te plaatsen buiten deze gevangenis. Het beste is dat ik de echtgenoot word van de prinses op wie ik stapelverliefd ben. De Allerhoogste is boven ons!’

Toen sultan Mahmoed dat verhaal had aangehoord, wendde hij zich tot zijn vriend, de gewezen sultanderwisj en zei tegen hem: ‘Zie hoe het lot de lotgevallen van onze familie heeft geleid! Want de prinses, op wie deze jongeman verliefd is, is de jongste dochter van de overleden sultan, vader van mijn echtgenote! Nu rest ons slechts aan deze geschiedenis het passende vervolg te geven.’ Hij wendde zich tot de jongeman en zei hem: ‘Werkelijk, je verhaal is een wonderlijk verhaal en zelfs wanneer je me niet de dochter van mijn oom ten huwelijk had gevraagd, zou ik je haar toch hebben toegewezen, om je het genoegen te tonen, dat ik aan je woorden beleef!’ Hij ontdeed hem onmiddellijk van zijn ketens en zei tegen hem: ‘Je zult voortaan mijn derde kamerheer zijn en ik zal orders geven voor de viering van je huwelijk met de prinses, van wie je de bekoorlijkheden al kent.’

De jongeman kuste de hand uit eerbied van de edelmoedige sultan. Allen verlieten de zwakzinnigeninrichting en gingen naar het paleis, waar, ter viering van de twee verzoeningen en van het huwelijk van de jongeman met de prinses, grote feesten plaats vonden en grote publieke vermakelijkheden. Alle inwoners van de stad, klein en groot, werden uitgenodigd om deel te nemen aan de feestelijkheden, die veertig dagen en veertig nachten zouden duren, ter ere van het huwelijk van de sultansdochter met de leerling van de wijze en van de vereniging van de vier, die door het lot gescheiden waren. Zij leefden allen in weelde en in de vreugde van de vriendschap, tot aan de onvermijdelijke scheiding.

Dat is, ach fortuinlijke Vorst,” ging Sjahrzad verder na een korte adempauze: “de ingewikkelde geschiedenis van de vriendelijke Bastaard, die sultan was en een zwervende derwisj werd om vervolgens te worden gekozen tot minister van Mahmoed, de sultan en van wat hem overkwam met zijn vriend en met de drie jongemannen, die als gekken opgesloten zaten in de zwakzinnigeninrichting. Maar God is groter, en edelmoediger, en wijzer!” Toen voegde Sjahrzad er zonder aarzeling aan toe: “Maar denk niet, dat deze geschiedenis schoner of leerzamer is dan die van de ‘Woorden onder de negenennegentig afgeslagen hoofden’!” Koning Sjahriar riep uit: “Wat voor woorden zijn dat, Sjahrzad, en wat zijn dat voor afgeslagen hoofden, die ik niet ken?” Sjahrzad zei:

 

Woorden onder de negenennegentig afgehouwen hoofden

 

“Er wordt verteld, maar God alleen weet verschil te maken tussen het werkelijke en het onwerkelijke en beide feilloos te onderscheiden, dat er in de oudheid van de tijden in een stad onder de steden van het oude Rome een vorst leefde van hoge rang, met schitterende verdiensten, een meester met macht en aanzien, met strijdkrachten en legers. Deze koning had een tot jongeling opgegroeide zoon, die van een volmaakte schoonheid was en hem dierbaarder was dan al zijn schatten. Deze jongeling, de zoon van de koning, was niet alleen volmaakt schoon, hij was bovendien begiftigd met een wijsheid die de aarde verbaasde. Deze geschiedenis zal overigens slechts de bevestiging zijn van die bewonderenswaardige wijsheid en die schoonheid van de prinselijke jongeling.

Om deze eigenschappen op de proef te stellen, deed God de Allerhoogste de wind waaien uit de richting van de rampspoed over de dagen van de koning en de koningin, de vader en de moeder van de jongeling. Uit de koninklijke staat, waarin zij hadden vertoefd op het toppunt van macht en rijkdom, ontwaakten zij op een morgen in een leeg paleis, armer en ellendiger dan de bedelaars op de weg van de barmhartigheid. Want niets is voor de Allerhoogste gemakkelijker dan de hechtste tronen te doen omvallen en de paleizen te doen bewonen door roofdieren en nachtvogels. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 845e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Tegenover de rampzalige wending van de tijd en de onverwachte slag van het noodlot voelde de jongeling zijn hart gestaald als de dampende kling in het water en hij nam de taak op zich, de moed van zijn ouders weer op te beuren en om hen te redden uit de toestand waarin zij zich bevonden.

Hij zei tegen de arme koning: ‘Ach mijn vader, zeg mij bij God of u uw ja wilt doen neigen naar uw kind, dat u zou willen spreken?’ De koning hief het hoofd op en antwoordde: ‘Ach mijn zoon, jij bent de uitverkorene van de schranderheid. Spreek en wij zullen je gehoorzamen.’ De jongeling zei: ‘Sta op, ach mijn heer en laat ons vertrekken naar landen, waar men zelfs onze naam niet kent. Want waartoe dient het zich te beklagen tegenover het onherstelbare, als we nog meesters over het ogenblik zijn? Ergens anders zullen wij een nieuw leven beginnen en hernieuwde vreugde vinden!’ De koning antwoordde: ‘Ach mijn bewonderenswaardig kind, vol inschikkelijkheid en vroomheid, jouw raad is een ingeving van de Meester van de wijsheid. Moge de zorg voor deze zaak op God rusten en op jou.’

Toen stond de jongeling op en, na alles voor de reis te hebben voorbereid, nam hij zijn vader en zijn moeder bij de hand en ging met hen op weg langs de weg der bestemming. Zij reisden door vlakten en woestijnen en onderbraken hun tocht pas toen zij in de verte een grote, fraai gebouwde stad zagen. De jongeling liet zijn vader en zijn moeder plaatsnemen en uitrusten in de schaduw van de vestingmuren en ging alleen deze stad binnen. De voorbijgangers, die hij ondervroeg, vertelden hem, dat deze stad de hoofdstad was van een land, geregeerd door een rechtvaardige en luisterrijke sultan, die de roem van de vorsten en sultans was. Toen stelde hij zijn plan en voornemen vast en keerde haastig naar zijn bejaarde ouders terug tegen wie hij zei: ‘Ik heb de bedoeling u te verkopen aan de sultan van deze stad, die een groot sultan is. Wat zeggen jullie daarvan, ach mijn ouders?’ Zij antwoordden: ‘Ach kind, jij weet beter dan wij wat past en wat niet past, want de Allerhoogste heeft tederheid aan je hart geschonken en alle schranderheid aan je geest. Wij kunnen niet anders dan je met gerustheid en vertrouwen gehoorzamen, want we hebben onze hoop gesteld op God en jou, ach kind. Alles wat jij als juist zult beoordelen zal onze instemming hebben.’ De jongeling nam opnieuw zijn bejaarde ouders bij de hand en begaf zich op weg naar het paleis van de sultan. Hij liet hen achter in de binnenhof van het paleis en vroeg om in de troonzaal te worden toegelaten, teneinde de vorst te spreken. Omdat hij van een voornaam en schoon uiterlijk was leidde men hem onmiddellijk de gehoorzaal binnen. Hij bracht zijn hulde aan de sultan, die, na hem aanschouwd te hebben, zag, dat hij zonder enige twijfel een zoon van de groten van de aarde was en hij zei tegen hem: ‘Wat wens jij, ach jongeman van helder begrip?’ Na voor de tweede keer de grond tussen de handen van de vorst te hebben gekust uit eerbied, antwoordde de jongeling: ‘Ik heb bij mij een gevangene, vroom en de Heer vrezend, een voorbeeld van eerlijkheid en eer. Tegelijkertijd heb ik bij mij een vrouwelijke gevangene, aangenaam van karakter, bevallig van manieren, bekoorlijk van taal en rijk aan die hoedanigheden, die vereist zijn voor een slavin. Beiden hebben betere dagen gekend en bevinden zich op het ogenblik in een toestand van achtervolging door het noodlot. Daarom wil ik hen aan Uwe Hoogheid verkopen, opdat zij dienaren tussen uw voeten zullen zijn en slaven tot uw beschikking, zoals wij alle drie uw roerend bezit zijn.’

Toen de vorst uit de mond van de jongeling deze woorden, gesproken met een bekoorlijke tongval, had gehoord, sprak hij tot hem: ‘Ach jongeling zonder vergelijk, die misschien wel uit de hemel tot ons komt. Aangezien de twee gevangenen van wie u spreekt uw eigendom zijn, kunnen ze niet anders dan mij behagen. Haast u daarom en haal hen hier, opdat ik hen zie en ze van u koop!’ De jongeling keerde terug naar de arme koning die zijn vader was en de arme koningin die zijn moeder was. Hij nam beiden bij de hand, terwijl zij hem gehoorzaamden, bracht hen naar de koning. Bij de eerste blik die hij sloeg op de vader en de moeder en de jongeling, verbaasde de koning zich met de uiterste verbazing en hij zei: ‘Als dit slaven zijn, hoe moeten koningen dan wel zijn?’ Hij vroeg hun: ‘En jullie beiden zijn de slaven en het eigendom van deze schone jongeling?’ Zij antwoordden: ‘Wij zijn, in waarheid, met alle banden zijn slaven en zijn eigendom, ach koning van deze tijden!’ Toen wendde hij zich tot de jongeman en sprak tot hem: ‘Schat jijzelf de prijs voor mij, welke u passend lijkt voor de verkoop van deze twee gevangenen die met niemand te vergelijken zijn in het verblijf van de vorsten!’ De jongeman zei: ‘Ach mijn meester, er is geen schat, die mij schadeloos kan stellen voor het verlies van deze twee gevangenen. Daarom zal ik hen niet aan u afstaan tegen gewicht van goud of zilver. Ik stel hen in uw handen als een pand tot de dag, die het lot zal bepalen. Ik wil als prijs voor deze tijdelijke afstand u slechts iets vragen, wat in zijn soort even kostbaar is als zij het zijn onder de schepselen van God. Ik vraag u, met name voor de overdracht van de mannelijke gevangene een paard, dat het schoonste uit uw stallen is, geheel gezadeld, getoomd en opgetuigd, en ik vraag u voor de overdracht van de vrouwelijke gevangene een uitrusting, zoals zonen van koningen die dragen. Ik stel als voorwaarde, dat op de dag dat ik u het paard en de uitrusting teruggeef, u mij de twee gevangenen weer zult geven, die een zegen geweest zullen zijn voor u en voor uw rijk.’ De koning antwoordde: ‘Dat uw wens geschiede.’ Dadelijk en op het ogenblik zelf liet hij het schoonste paard, dat ooit heeft gehinnikt onder het oog van de zon, uit de stallen halen en gaf het aan de jongeling, een zweetvos met trillende neusgaten, met uitpuilende ogen, die de lucht insnoof en op de grond trappelde, vol ongeduld naar de ren en de vlucht. Hij liet de schoonste uitrusting uit de bergplaatsen halen, die ooit een ridder heeft getooid in het toernooi van de kampstrijders en liet het de jongeling ter hand stellen, die er zich onmiddellijk mee kleedde. De nieuwe ridder verscheen er zo schoon in, dat de koning uitriep: ‘Als je bij mij wilt blijven, ach ridder, zal ik je met weldaden overladen!’ De jongeling zei: ‘Dat God de dagen die u resten verlenge, ach koning van deze tijden! Maar mijn bestemming ligt niet hier. Ik moet haar gaan vinden waar zij mij wacht.’

Na zo te hebben gesproken zei hij zijn ouders vaarwel, nam afscheid van de koning en vertrok in galop op zijn vos. Hij trok door vlakten en woestijnen, stak beken en stromen over en hij onderbrak zijn tocht pas toen hij in het zicht van een andere stad gekomen was, nog groter en fraaier gebouwd dan de eerste.

Maar zodra hij deze stad binnen reed verhief zich een gemompel langs zijn weg en kreten van verrassing en medelijden begeleidden elk van zijn stappen. Hij hoorde sommigen, die zeiden: ‘Wat jammer voor zijn jeugd! Waarom komt een zo schone jongeling zich zonder reden blootstellen aan de dood?’ En anderen zeiden: ‘Hij zal de honderdste zijn! Hij zal de honderdste zijn! Hij is de schoonste van allen. Hij is een koningszoon!’ En weer anderen zeiden: ‘Een jongeling van zo prille leeftijd zal niet kunnen slagen, waar zoveel geleerden in gebreke zijn gebleven!’ Het gemompel en de uitroepen vermeerderden slechts naarmate hij voortreed door de straten van de stad. De menigte die zich rond en voor hem verzamelde werd op het laatst zo dicht, dat hij zijn paard niet kon doen voortschrijden zonder het gevaar dat een van de inwoners zou worden vertrapt. En, zeer verrast, zag hij zich genoodzaakt zijn paard in te houden en hij vroeg aan hen, die hem de weg versperden: ‘Waarom, ach goede lieden, verhinderen jullie een vreemdeling en zijn paard van hun vermoeienissen te gaan uitrusten? En waarom weigeren jullie mij zo eensgezind gastvrijheid?’

Uit het midden van de menigte kwam toen een grijsaard naar voren, die voor de jongeling trad, het paard bij de teugels greep en zei: ‘Ach schone jongeling, moge God u voor ’t onheil behoeden! Dat niemand zijn lot kan ontwijken, omdat het lot vastgehecht is aan onze hals, zal geen verstandig man ooit kunnen betwisten. Maar dat iemand in de bloei van zijn jeugd zich onbekommerd in de dood gaat storten, dat is iets wat tot het gebied der krankzinnigheid behoort. Wij smeken u daarom, en ik smeek het u in naam van alle inwoners van deze stad, op uw schreden terug te keren en niet zo uw ziel bloot te stellen aan het verderf waarvan u dan niet meer te redden bent!’ De jongeling antwoordde: ‘Ach achtenswaardige grijsaard, ik ben niet naar deze stad gekomen met de bedoeling te sterven. Wat is dan toch de zonderlinge aangelegenheid die mij schijnt te bedreigen en wat is het doodsgevaar dat ik zal lopen?’ De grijsaard antwoordde: ‘Als het waar is, wat uw woorden ons duidelijk maken, dat u onbekend bent met het onheil dat u wacht als u uw weg voortzet, dan zal ik u daarvan op de hoogte stellen.’ Te midden van de zwijgende menigte, zei hij: ‘Weet, ach koningszoon, ach schone jongeling die uw gelijke niet heeft in de wereld, dat de dochter van onze koning een jeugdige prinses is, die, zonder dat eraan valt te twijfelen, de schoonste is onder de vrouwen van deze tijd. Welnu, zij heeft besloten slechts te zullen trouwen met hem, die op een bevredigende wijze antwoord zal geven op alle vragen welke zij stelt, echter met daartegenover deze voorwaarde, dat de dood de straf zal zijn voor hem, die haar gedachten niet kan raden of een vraag moet laten voorbijgaan waarop hij het antwoord in de vereiste bewoordingen niet weet. Op deze wijze heeft zij al negenennegentig jongelieden het hoofd doen afhouwen, alle zonen van vorsten, emirs of van hooggeplaatste persoonlijkheden, waaronder er enige waren, die onderricht waren in alle takken van de menselijke kennis. Deze dochter van onze koning woont nu in de top van de toren, die de stad beheerst en waar vandaan zij de vragen stelt aan de jongelieden, die zich aanbieden om ze op te lossen. U bent nu dus gewaarschuwd! Bij God over u, heb medelijden met uw jeugd en haast u naar uw vader en moeder, die u liefhebben, terug te keren, uit vrees dat de prinses over uw aankomst zou horen spreken en u bij zich zou doen ontbieden. Dat God u behoede voor alle rampspoed, ach schone jongeling!’

Deze woorden van de grijsaard horende, antwoordde de koningszoon: ‘Bij deze prinses wacht mij mijn bestemming. Ach, jullie allen, wijs mij de weg!’ Toen stegen uit de hele menigte gezucht en gekerm op, geweeklaag en gejammer. Rond de jongeling verhieven zich kreten, waarbij hij de woorden hoorde: ‘Hij gaat de dood tegemoet! Hij gaat de dood tegemoet! Hij is de honderdste! Hij is de honderdste!’ Heel die stroom van omstanders bewoog zich met hem mee. Hij werd vergezeld door duizenden mensen, die hun winkels hadden gesloten en hun bezigheden in de steek hadden gelaten, om hem te volgen. Op deze wijze ging hij de weg, die leidde naar zijn bestemming.

Weldra naderde hij de toren en hij merkte op het platte dak van deze toren de prinses op, die op haar troon was gezeten, in het koninklijk purper en omgeven door haar jeugdige slavinnen, ook gekleed in het purper. Van het gezicht van de prinses, dat met een rode sluier was bedekt, kon men niets onderscheiden dan de twee donkere edelstenen die haar ogen waren, gelijk aan twee zwarte meren, van binnen verlicht. Rond het torenterras wiegelden, hangend op gelijke onderlinge afstanden, boven de prinses de negenennegentig afgehouwen hoofden.

De prinselijke jongeling nu hield zijn paard op enige afstand van de toren in, ten einde de prinses te kunnen zien en door haar gezien te worden, ten einde te horen en door haar te worden gehoord. Bij dit schouwspel viel alle rumoer van de menigte stil. Te midden van dit zwijgen hoorde men de stem van de prinses, die zei: ‘Omdat jij de honderdste bent, ach vermetele jongeman, moet jij ongetwijfeld gereed zijn mijn vragen te beantwoorden!’ De jongeling, fier op zijn paard gezeten, zei: ‘Ik ben gereed, ach prinses!’ De stilte werd nog dieper en de prinses zei: ‘Begin dan met mij zonder aarzelen te zeggen, ach jongeman, na uw ogen op mij te hebben geslagen en op hen die mij omringen, op wie ik lijk en op wie zij lijken, zittend op het hoge terras van de toren.’

De jongeling, na zijn ogen te hebben geslagen op de prinses en op hen, die haar omringden, antwoordde zonder aarzelen: ‘Ach prinses, jij gelijkt een godin, en zij, die je omgeven, gelijken de dienaressen van de godin. Tegelijkertijd gelijk je de zon, en de jonge meisjes, die je omgeven, gelijken de stralen van de zon. Tevens gelijk jij de maan, en de jonge meisjes gelijken de sterren, die het gevolg vormen van de maan. Uiteindelijk vergelijk ik je met de maand Nissan, die de maand van de bloemen is, en al deze jonge meisjes met de bloemen, die zij met haar adem tot leven wekt.’

Toen de prinses dit antwoord, dat de menigte mompelend had aangehoord, vernam, toonde zij zich voldaan en zei: ‘Je hebt uitgeblonken, ach jongeman en je eerste antwoord verdient niet de dood. Maar omdat je mijn eerste vraag hebt weten op te lossen, door ons, mij en deze jonge meisjes, te vergelijken eerst met een godin en met de dienaressen van de godin, vervolgens met de zon en met de stralen van de zon, daarna met de maan en met de sterren, die het gevolg vormen van de maan en uiteindelijk met de maand Nissan en met de bloemen, die ontluiken in de maand Nissan, zal ik je geen al te ingewikkelde en moeilijke vragen meer ter oplossing voorleggen. Ik zal je eerst vragen mij de letterlijke betekenis te zeggen van de volgende woorden: ‘Geef aan de bruid van het Westen de zoon van de koning van het Oosten ten huwelijk en uit hen zal een kind geboren worden, dat de sultan zal zijn van de schone aangezichten.’ Zonder een ogenblik te aarzelen, antwoordde de jongeling: ‘Ach prinses, deze woorden bevatten het ganse geheim van de steen van de wijzen en hun verborgen zin is als volgt: ‘Reinig met de vochtigheid, die uit het Westen komt, de maagdelijke aarde die uit het Oosten komt en uit deze verbinding zal het kwikzilver van de wijzen voortspruiten dat almachtig is in de natuur, waaruit de zon ontstaat en het goud dat het kind is van de zon, de maan en het zilver dat het kind is van de maan, en dat stenen in diamanten verandert. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 846e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Na dit antwoord te hebben aangehoord gaf de prinses een teken van instemming en zei: ‘Omdat jij, ach jongeman, de verborgen zin hebt weten te verklaren van het huwelijk tussen de zoon van het Oosten en de dochter van het Westen ontkom je ook deze keer aan de jou boven het hoofd hangende dood. Maar kun je me nu zeggen, wie de talismans hun kracht verleent?’

De jongeling, op zijn paard gezeten, antwoordde: ‘Ach prinses, de talismans danken hun verheven kracht en hun wonderlijke uitwerking aan de letters, die hen samenstellen, want de letters staan in betrekking tot de geesten en de taal bevat geen letter, die niet door een geest wordt bestierd. Als je mij vraagt wat een geest is, dan zal ik je zeggen, dat het een uitstraling of een uitstroming is van de krachten van de almacht en de eigenschappen van de Allerhoogste. De geesten, die verblijven in de zichtbare wereld, bevelen hen, die in de hemelse wereld verblijven, en de geesten die verblijven in de hemelse wereld bevelen hen, die van de ondermaanse wereld zijn. De letters vormen de woorden en de woorden stellen de spreuken samen en slechts de geesten, vertegenwoordigd door de letters en bijeengebracht in de spreuken geschreven op de talismans, verrichten de wonderen, waarover de gewone mensen zich verbazen, maar die de wijzen niet verwarren. Zij dragen die kennis van de macht van de woorden en weten, dat woorden eeuwig de wereld zullen regeren en dat geschreven of verkondigde uitspraken koningen kunnen omverwerpen en hun rijken vernietigen!’

Na dit antwoord aangehoord te hebben, waar de menigte met uitroepen van vreugde en van verbazing naar had geluisterd, zei de prinses: ‘Jij hebt uitgeblonken, ach jongeman, op deze wijze mij de macht van de woorden en uitspraken verklarend, die altijd de wereld regeren en machtiger zijn dan alle koningen. Ik weet niet, of je ook de volgende vraag zult kunnen beantwoorden: ‘Zou jij mij in waarheid kunnen zeggen, wie de twee eeuwige vijanden zijn?’ De jongeling op zijn paard, antwoordde: ‘Ach prinses, ik zal niet zeggen, dat de twee eeuwige vijanden de hemel en de aarde zijn, want de afstand die hen scheidt is geen werkelijke afstand en de ruimte die zich tussen hen opent, is geen werkelijke ruimte, want deze afstand en deze ruimte, die afgronden schijnen, kunnen in een ogenblik worden overspannen en de hemel kan zich in minder dan een oogwenk met de aarde verenigen. Om deze vereniging tot stand te brengen zijn geen legers van djinns en geen menselijke wezens nodig, noch duizend vleugels, maar eenvoudig een ding, dat machtiger is dan al de krachten van de djinns en van de mensen en lichter en met grotere macht uitgerust dan de vleugels van de adelaar en die van de duif, en dat is het gebed! Ik zal je niet zeggen, ach prinses, dat de twee eeuwige vijanden de nacht en de dag zijn, want beurtelings verenigt de morgen hen en scheidt de schemering hen. Ik zal je niet zeggen, dat de twee eeuwige vijanden de zon en de maan zijn, want beide verlichten zij de aarde en zij zijn een en dezelfde weldaad. Ik zal je niet zeggen, dat de twee eeuwige vijanden de ziel en het lichaam zijn, want als we het ene kennen, zijn we volkomen onkundig van het andere en men kan geen mening ten beste geven over iets wat men niet kent! Maar ik verklaar je, ach prinses, dat de twee eeuwige vijanden de dood en het leven zijn, want zij zijn elkaars noodlot, omdat zij zich van het geschapen wezen bedienen alsof het speelgoed is, terwijl zij elkaar ten koste van dit speelgoed onophoudelijk bestrijden. Het is altijd het speelgoed, dat uiteindelijk het werkelijke slachtoffer is van dit spel, terwijl zij zelf er slechts wel bij varen en gedijen. Ziedaar, in waarheid, de twee eeuwige vijanden, vijanden van elkaar en vijanden van de schepsels!’ Dit antwoord van de jongeling horend riep de menigte als uit één mond: ‘Lof aan Hem, die jou met zoveel wijsheid heeft begiftigd en die jouw geest met zoveel verstand en kennis heeft getooid!’ De prinses op de toren, gezeten te midden van de jonge meisjes, gekleed net als zij in het koninklijke purper, zei: ‘Jij hebt uitgeblonken in je antwoord met betrekking tot de eeuwige vijanden, vijanden van elkaar en vijanden van de schepsels. Maar ik weet niet zeker of je antwoord zult kunnen geven op de vraag, die ik je nu zal stellen. Kun je mij waarlijk zeggen, welke de boom is met de twaalf takken die ieder twee trossen dragen, de ene gevormd door dertig blanke vruchten, de andere door dertig zwarte vruchten?’ De jongeling antwoordde zonder aarzelen: ‘Deze vraag, ach prinses, kan worden opgelost door een kind, want die boom is niets anders dan het jaar, dat twaalf maanden heeft, elk uit twee delen gevormd, de twee trossen: want iedere tros draagt dertig nachten, wat de dertig zwarte vruchten zijn en dertig dagen, wat de dertig blanke vruchten zijn.’ Dit antwoord, evenals de voorgaande met kreten van bewondering ontvangen, deed de prinses zeggen: ‘Jij hebt uitgeblonken, ach jongeman, maar meen je me ook te kunnen zeggen, welke grond slechts eenmaal door de zon is gezien?’ Hij antwoordde: ‘Dat is de bodem van de Rode Zee, bij de doortocht van de kinderen Israëls op bevel van Mozes, over hem het gebed en de vrede!’ Zij zei: ‘Ja, inderdaad. Maar kun je me zeggen, wie de gong heeft uitgevonden?’

Hij antwoordde: ‘Hij die de gong heeft uitgevonden, is niemand anders dan Noël’, want hij was aan boord van de ark.’ Zij zei: ‘Ja, maar kun je mij ook zeggen welke de onwettige daad is of men ze doet of niet doet?’ Hij antwoordde: ‘Dat is het gebed van een dronken man.’ Zij vroeg: ‘En welke plaats op aarde is het dichtst bij de hemel. Is het een berg of een vlakte?’

Hij zei: ‘Het is het heilige Kaäba in Mekka.’ Zij zei: ‘U hebt uitgeblonken! Maar kunt u mij vertellen, welke de bittere zaak is, die men verborgen moet houden?’ Hij antwoordde: ‘Dat is de armoede, ach prinses! Want, hoewel ik nog jong ben, heb ik de armoede al ondervonden, en, hoewel ik een koningszoon ben, heb ik haar bitterheid geproefd. En ik heb bevonden, dat zij nog bitterder is dan mirre en absint. Men moet haar voor ieders ogen verbergen, want de vrienden en de buren zouden er als eerste om lachen en met klachten oogst u steeds verachting.’ Zij zei: ‘Jij hebt met juistheid en volgens mijn gedachten gesproken. Maar kun jij mij zeggen, welke, na de gezondheid, de kostbaarste zaak is?’ Hij antwoordde: ‘Dat is de vriendschap, als ze teder is. Maar om uit te maken of de vriend vatbaar is voor tederheid, moet men hem eerst op de proef stellen en vervolgens hem kiezen. Heeft men eenmaal deze eerste vriend gekozen, dan moet men hem nooit opgeven, want de tweede zou men niet lang behouden. Daarom moet men hem, vooraleer hem te kiezen, goed onderzoeken, om te zien of hij wijs is of onwetend, want eerder zal de raaf wit worden dan dat de onwetende de wijsheid begrijpt, want de woorden van de wijze, zelfs als hij ons met een stok slaat, zijn te verkiezen boven de lofuitingen en de bloemen van de onwetende, de wijze immers laat geen woord aan zijn mond ontglippen vooraleer hij zijn hart heeft geraadpleegd.’ Zij vroeg: ‘En welke boom is het moeilijkst goed te kweken?’ De jongeling antwoordde zonder aarzelen: ‘Dat is het slechte karakter! Er wordt verteld, dat een boom geplant was aan een wateroever, op een gunstige plaats en hij droeg geen vruchten. Na aan hem alle zorgen te hebben besteed zonder het minste resultaat te bereiken, wilde zijn meester hem omhakken en de boom zei: ‘Breng mij over naar een andere plaats en ik zal vruchten dragen!’ Zijn meester zei tot hem: ‘Jij staat hier aan een wateroever en jij hebt niets voortgebracht. Hoe zou jij dan vruchtbaar worden als ik je overbracht naar ergens anders?’ En hij hakte hem om!’ En de jongeling zweeg een ogenblik en zei toen: ‘Zo wordt er eveneens verteld, dat men op zekere dag een wolf een school binnenbracht om hem te leren lezen. En om hem de grondbeginselen van de taal bij te brengen zei de onderwijzer tot hem: ‘Aleph, Ba, Ta…,’ maar de wolf antwoordde: ‘Schaap, geitje, ooi,’ omdat dit alles zijn gedachten vervulde en in zijn aard lag. Eveneens wordt verteld, dat men een ezel wilde wennen aan zindelijkheid en hem behoorlijke manieren wilde bijbrengen. Men bracht hem in een badhuis, men gaf hem een bad, besprenkelde hem met reukwater en zette hem in een prachtige zaal en liet hem daar plaatsnemen op een rijk tapijt. Hij deed alles wat een ezel in vrijheid in een weide aan onbehoorlijks kan doen, van de meest onbetamelijke geluiden tot de meest onfatsoenlijke vertoningen. Daarna stiet hij met zijn kop de met as gevulde koperen kachel om over het tapijt en hij begon zich in de as rond te wentelen, de vier poten omhoog en de oren achterwaarts, zich de rug wrijvend en zich met plezier bevuilend. De meester zei tot de slaven, die toeschoten om hem te straffen: ‘Laat hem zich wentelen, breng hem daarna weg en geef hem zijn vrijheid in zijn stal, want jullie zullen zijn geaardheid niet veranderen.’ En eindelijk wordt er ook verteld, dat men eens tot een kat zei: ‘Hou op met roven en we zullen je een gouden halssnoer schenken en iedere dag geven we je lever te eten en tong en niertjes en kippenbeentjes en muizen.’ De kat antwoordde beleefd: ‘Roven was het bedrijf van mijn vader en van mijn grootvader, hoe wil je dat ik het afzweer om jullie een plezier te doen?’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

 

Maar toen de 847e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Na zo te hebben gesproken over het karakter van de mens en zijn geaardheid zei de prinselijke jongeling: ‘Ach prinses, ik heb hier niets aan toe te voegen!’

Toen stegen uit de boezem van de menigte, die opeengepakt stond aan de voet van de toren, duizenden kreten van bewondering ten hemel. De prinses zei: ‘Inderdaad, ach jongeman, jij hebt gezegevierd. Maar de vragen zijn nog niet uitgeput en om te zorgen dat aan de voorwaarden voldaan is, moet ik je ondervragen tot aan het uur van het avondgebed.’

De jongeling zei: ‘Ach prinses, u kunt mij onverschillig welke vragen nog stellen, die u onoplosbaar schijnen, met de hulp van de Allerhoogste zal ik ze oplossen. Daarom smeek ik u, niet uw stem te vermoeien door mij verder op deze wijze te ondervragen. Vergun liever mij u te zeggen, dat het ongetwijfeld de voorkeur verdient, dat ik u zelf een vraag stel. Als u mij antwoordt, zal mijn hoofd vallen zoals dat van mijn voorganger gevallen is, maar blijft u mij het antwoord schuldig dan zal zonder uitstel onze bruiloft worden gevierd!’ De prinses zei: ‘Stel je vraag, want ik neem de voorwaarden aan!’ De jongeling vroeg: ‘Kunt u mij zeggen, ach prinses, hoe het mogelijk is, dat ik, uw slaaf, te paard zittend op dit edele dier, tegelijkertijd te paard zit op mijn vader, en hoe het mogelijk is dat ik, terwijl ik voor aller ogen zichtbaar ben, toch verscholen ben in de kledingstukken van mijn moeder?’

De prinses dacht een uur lang na maar kon geen enkel antwoord vinden. Zij zei: ‘Leg het zelf aan mij uit!’

Toen vertelde de jongeling in tegenwoordigheid van de hele verzamelde menigte zijn hele geschiedenis aan de prinses, vanaf het begin tot het einde, zonder een bijzonderheid te vergeten. Maar het heeft geen enkel nut haar te herhalen. Hij voegde eraan toe: ‘Zie dan hoe ik, na mijn vader, de koning, tegen dit paard te hebben verruild en mijn moeder, de koningin, tegen deze uitrusting, te paard zit op mijn eigen vader en verscholen ben in de kledingstukken van mijn eigen moeder!’ Dit alles geschiedde. Zo werd de jongeling, de zoon van de arme koning en van de arme koningin, de echtgenoot van de prinses met de raadsels. Zo kon hij, koning geworden na de dood van de vader van zijn echtgenote, het paard en de uitrusting teruggeven aan de koning van de stad die ze aan hem had uitgeleend en zijn vader en zijn moeder laten komen, om met hen en zijn echtgenote te leven in een uiterste beleving van geneugten en heerlijkheden. Zo is de geschiedenis van de jongeling, die de schone woorden sprak onder de negenennegentig afgehouwen hoofden. Maar God is wijzer!”

 

Na deze geschiedenis verteld te hebben zweeg Sjahrzad. Koning Sjahriar zei: “Sjahrzad, ik houd van de woorden van deze jongeling. Maar het is lang geleden dat je me korte en bekoorlijke anekdoten verteld hebt en ik ben bang dat je je kennis dienaangaande hebt uitgeput.” Sjahrzad antwoordde levendig: “Korte anekdoten ken ik het best, ach gezegende vorst. Ik zal overigens niet wachten u dit te bewijzen!”

Onmiddellijk daarop zei Sjahrzad:

 

De slechtheid van de gehuwde vrouwen

 

“Mij kwam ter ore, ach fortuinlijke vorst, dat er een man leefde aan het hof van een zekere koning. Die man was nar van beroep en van burgerlijke staat vrijgezel. Welnu, op een dag onder de dagen, zei de koning, zijn meester, tot hem: ‘Ach vader van de wijsheid, je bent vrijgezel, en werkelijk, ik zou graag zien, dat je trouwde.’ De nar antwoordde: ‘Ach koning van deze tijd, bij je leven! Onthef mij van die zaligheid. Ik, ik ben overtuigd vrijgezel en ik vrees het andere geslacht grotelijks. Ja, werkelijk, ik vrees grotelijks in handen te vallen van de een of andere slechte, overspelige vrouw of hoereerster van het kwade soort en waar ben ik dan aan toe? Ik smeek je, ach koning van deze tijd, dwing me er niet toe, gelukzalig te worden, ondanks mijn gebreken en mijn onwaardigheid.’ De koning kreeg zo’n lachbui bij die woorden, dat hij zich liet neervallen op zijn achterste. Hij zei: ‘Niks daarvan! Vandaag nog zul je trouwen.’ De nar vermande zich, boog het hoofd, kruiste de handen voor de borst, en antwoordde, zuchtend: ‘Goed! Het moet dan maar! Het is goed!’

Toen liet de koning zijn grootminister roepen en sprak tot deze: ‘Je moet voor onze trouwe dienaar hier een echtgenote zoeken. Zij moet mooi zijn en van onbesproken gedrag en eerbaar en bescheiden.’ De minister antwoordde met te luisteren en te gehoorzamen en ging ogenblikkelijk op zoek naar een oude koppelaarster van het paleis en gaf haar bevel de nar van de sultan onmiddellijk een echtgenote te bezorgen, die aan genoemde voorwaarden voldeed. De oude zat niet met de handen in het haar en verhief zich dadelijk en vond een jonge vrouw, zo en zo, bereid om echtgenote van de nar te worden. De koning was zeer tevreden en verzuimde niet zijn nar te overladen met geschenken en gunsten, ter gelegenheid van diens bruiloft.

De naar nu leefde in vrede met zijn echtgenote een half jaar lang of misschien zeven maanden. Nadien overkwam hem wat hem moest overkomen, want niemand ontloopt zijn lot.

Inderdaad had de vrouw, met wie de koning hem had doen huwen, de tijd gevonden, al vier mannen te verleiden, op de kop af vier en vier verschillende. De eerste van die lieve minnaars was banketbakker van beroep; de tweede was een groenteboer; de derde was slager van hamelvlees; en de vierde was de deftigste, want hij was eerste klarinettist van het orkest van de sultan en de sjeik van de bond van klarinettisten, een belangrijk personage. Nu werd op een dag de nar, de voormalige vrijgezel, de nieuwe hoorndrager, ’s morgens zeer vroeg bij de koning ontboden. Hij liet zijn vrouw in bed achter en haastte zich naar het paleis. Het toeval wilde, dat de banketbakker die ochtend in de stemming was voor een bijslaap. Gebruik makende van de omstandigheid, dat de echtgenoot was vertrokken, kwam hij en klopte aan de deur van de jonge vrouw. Ze deed hem open en zei: ‘Je komt vandaag vroeger dan gewoonlijk.’ Hij antwoordde: ‘Wel, bij God, je hebt gelijk. Maar ik had vanmorgen mijn deeg al klaar voor mijn schalen gebak en ik had het al gerold en plat gemaakt en tot bladerdeeg verwerkt. Ik stond al op het punt om het te vullen met pijnboompitten en amandelen, toen ik merkte dat het nog zeer vroeg was en dat de kopers voorlopig nog niet zouden komen. Toen zei ik tegen mezelf: ‘Ach jij, sta op en schud het meel van je kleren en wandel door deze frisse morgen naar een zeker iemand en verheug je met haar, want zij is verheugeniswekkend.’ De jonge vrouw antwoordde: ‘Dat was, bij God, een goede gedachte!’ En daarop was zij met hem gelijk aan deeg dat onder de deegroller is en hij was met haar gelijk aan een vulsel in een gebakje. Zij hadden hun werkzaamheden nog niet beëindigd, toen zij hoorden kloppen op de deur. De bakker vroeg aan de vrouw: ‘Wie kan dat wel zijn?’ Zij antwoordde: ‘Ik weet het niet. Maar ga jij je ondertussen verstoppen op het toilet.’ Voor alle zekerheid ging de bakker haastig weg om zich te verstoppen op de plaats waarheen zij hem had gezegd te gaan. Zij ging de deur open maken en ze zag haar tweede minnaar voor zich, de groenteboer, die haar een mandje groenten als geschenk kwam brengen, de eerstelingen van het seizoen. Zij zei tegen hem: ‘Het is een beetje vroeg en dit is jouw uur niet.’ Hij zei: ‘Bij God! Je hebt gelijk, maar toen ik, vanmorgen, uit mijn moestuin kwam, zei ik tot mezelf: ‘Ach jij, het uur is werkelijk te vroeg om naar de markt te gaan en je zou er goed aan doen, dit mandje verse groente naar een zeker iemand te brengen, die je hart verblijdt, want zij is zo bekoorlijk.’ Zij sprak: ‘Wees welkom!’ Zij verblijdde zijn hart en hij gaf haar wat ze het liefst had, een fikse komkommer en een fraaie pompoen. Zij waren nog niet klaar met het werk in die moestuin, toen ze hoorden kloppen op de deur en hij vroeg: ‘Wie is dat?’ Zij antwoordde: ‘Ik weet het niet, maar ga jij je ondertussen vlug verstoppen op het toilet.’ Met spoed ging hij heen om zich daar op te sluiten. Hij vond de plaats al bezet door de banketbakker en hij sprak tot deze: ‘Wat is dit? Wat doe jij hier?’ De ander antwoordde: ‘Ik ben wat jij bent en ik doe hier wat jij zelf hier komt doen.’ Zij gingen achter elkaar zitten en de groenteboer droeg op zijn rug het mandje groenten dat de jonge vrouw hem had aangeraden mee te nemen om zijn aanwezigheid in het huis niet te verraden.

Ondertussen was de vrouw de deur gaan opendoen. Daar stond haar derde minnaar voor haar, de slager. Hij had, als geschenk, een mooi stuk hamelhuid voor haar meegebracht, met krullende wol, en de horens zaten er nog aan. Zij zei tegen hem: ‘Een beetje te vroeg! Een beetje te vroeg!’ Hij antwoordde: ‘Ja zeker, bij God! Ik had de hamels, bestemd voor de verkoop, al geslacht en ik had ze opgehangen in mijn winkel, toen ik tegen mezelf zei: ‘Ach jij, er is nog geen mens op één van de markten en je zou er goed aan doen, naar een zeker iemand te gaan om haar als geschenk deze mooie huid met horens te brengen, die haar kan dienen tot een zacht tapijt. Daar zij uitmunt in behaaglijkheid, zal zij deze ochtend schoner voor je maken dan gewoonlijk.’ Zij antwoordde: ‘Kom dan maar binnen!’ Zij was voor hem zachter dan de staart van een hamel van het vette soort en hij gaf haar wat de ram aan het schaap geeft. Zij waren nog niet klaar met geven en nemen, toen zij hoorden kloppen op de deur. Zij zei tegen hem: ‘Vooruit, gauw! Neem je huid met horens en ga je verstoppen op het toilet!’ Hij deed wat zij hem zei. Hij vond het toilet al bezet door de banketbakker en de groenteboer. Hij bracht hun zijn begroeting en zij beantwoordden zijn begroeting. Hij vroeg hun: ‘Wat is de reden van jullie aanwezigheid hier?’ Zij antwoordden: ‘Dezelfde als voor jou!’ Toen ging hij achter hen zitten, op het toilet.

Ondertussen zag de vrouw, die de deur was gaan openen, haar vierde vriend voor zich, de eerste klarinettist van het orkest van de sultan. Zij liet hem binnen en zei tegen hem: ‘Je bent, vanmorgen, warempel, vroeger dan gewoonlijk.’ Hij antwoordde: ‘Bij God! Je hebt gelijk. Maar toen ik, vanochtend, weg ging om les te gaan geven aan de muzikanten van de sultan, bemerkte ik, dat het uur nog te vroeg was, en ik zei tot mezelf: ‘Ach jij, je zou goed doen het uur van de les te gaan afwachten bij een zeker iemand, die bekoorlijk is en je enige heerlijke ogenblikken zal doen genieten.’ Zij antwoordde: ‘Een voortreffelijke gedachte.’ Zij speelden op de klarinet en zij hadden het eerste wijsje van het lied nog niet beëindigd, toen zij snelle slagen op de deur hoorden. De eerste klarinettist vroeg aan zijn vriendin: ‘Wie is dat?’ Zij antwoordde: ‘God alleen is alwetend, maar misschien is het mijn echtgenoot. Je doet goed je vlug te gaan opsluiten op het toilet en neem je klarinet mee.’ Hij haastte zich te gehoorzamen, en vond op de bewuste plaats de banketbakker, de groenteboer en de slager. Hij sprak tot hen: ‘De vrede over jullie, ach makkers! Wat doen jullie hier, achter elkaar gezeten op deze zonderlinge plek?’ Zij antwoordden: ‘Ook over jou de vrede en de barmhartigheid van God en zijn zegeningen! Wij doen hier wat jij hier zelf komt doen!’ Hij nam, als vierde, achter hen plaats.

En wel, de vijfde, die aan de deur had geklopt, was inderdaad de nar van de sultan, de echtgenoot van de jonge vrouw. Hij hield met beide handen zijn buik vast en zei: ‘Weg met de Boze, de Verderfelijke! Geef me vlug een scheutje anijs en venkel, ach vrouw! Mijn buik loopt! Mijn buik loopt! Ik kon niet langer bij de sultan blijven en ik kom thuis om naar bed te gaan! Een scheut anijs en venkel, ach vrouw!’ Hij liep rechtstreeks naar het toilet, zonder de ontsteltenis van zijn vrouw te bemerken, en, toen hij de deur had geopend, zag hij de vier mannen, netjes op een rij neergehurkt op de tegels, boven het gat, de een voor de ander. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 848e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Bij die aanblik twijfelde de nar van de sultan niet aan de zekerheid van zijn ongeluk. Maar, daar hij vervuld was van voorzichtigheid en wijsheid zei hij tot zichzelf: ‘Als ik hen ga bedreigen, zullen ze me zonder omhaal doden. Het is dan ook beter me voor de domme te houden.’

Zo dacht hij en hij wierp zich op zijn knieën bij de deur van het toilet en riep tot de vier hurkende snoodaards: ‘Ach heiligen van God, ik herken u! Jij, die overdekt bent met vlekken witte schurft en die door de profane ogen van de onwetenden zou worden aangezien voor een banketbakker, jij bent, zonder enige twijfel de heilige aartsvader Job, vol zweren, de melaatse, overdekt met schurft! En jij, ach heilige man, die op je rug een mandje heerlijke groenten draagt, jij bent zonder enige twijfel de grote Kizr, bewaker van de boomgaarden en moestuinen, die steeds opnieuw de bomen siert met hun groene kruinen, die de vluchtige wateren doet stromen, die het bloeiend tapijt van de weiden ontrolt en die, ’s avonds, in je groene mantel gekleed, de zachte tinten mengt, waartoe de hemelen zich kleuren in de schemering! En jij, ach grote krijger, die over je schouders de leeuwenhuid draagt en op je hoofd die twee ramshorens, jij bent zonder enige twijfel Alexander de Grote met de twee horens! Jij, uiteindelijk, gelukzalige engel, die in je rechterhand die roemrijke klarinet houdt, jij bent zonder enige twijfel de engel van het laatste oordeel.’ Bij die woorden van de nar van de sultan, knepen de vier snoodaards elkaar in de dijen en zeiden heel zachtjes de een tot de ander, terwijl de nar voortging de aarde te kussen uit eerbied: ‘Het lot is ons gunstig! Hij houdt ons werkelijk voor heilige personen, laten wij hem sterken in zijn geloof, want dat is voor ons de enige kans op redding.’ Op hetzelfde ogenblik stonden zij op en zeiden: ‘Ja zeker, bij God! Je vergist je niet, ach jij! Wij zijn inderdaad degenen die je hebt genoemd. Wij zijn gekomen om je te bezoeken en wij zijn binnengekomen door het toilet, omdat dit de enige plaats in je huis is, die open staat naar de hemel.’ De nar, nog steeds neergeknield, zei tegen hun: ‘Ach heilige en vermaarde personen, Job, de melaatse, Kizr, vader van de seizoenen, Alexander met de twee horens en jij, die de boodschap brengt van het Oordeel, sta mij toe, nu je mij de eervolle onderscheiding van een bezoek hebt verwaardigd, een wens te doen in je handen!’ Zij antwoordden: ‘Spreek! Spreek!’ Hij zei: ‘Verleen mij de gunst, mij te vergezellen naar het paleis van de sultan van deze stad, die mijn meester is, opdat jullie kennis met hem maken en opdat hij mij daardoor verplicht is en mij daarom behoud in zijn goedgunstigheid!’ Zij antwoordden, hoewel zeer aarzelend: ‘Wij staan je die gunst toe!’

Toen leidde de nar hen voor de ogen van de sultan en sprak: ‘Ach mijn vorstelijke meester, sta aan uw slaaf toe deze vier heilige personen aan u voor te stellen! De eerste, die met meel is bevlekt, is onze heer Job, de melaatse; en deze hier, die dat mandje met groenten op zijn rug draagt, is onze heer Kizr, de bewaker van de bomen, de vader van het gebladerte; en deze hier, die over zijn schouders die dierenhuid draagt en twee horens op zijn hoofd, is de grote koning en krijger Alexander met de twee horens; en die laatste uiteindelijk, die een klarinet in de hand houdt, is onze heer engel Israfil, de aankondiger van het laatste oordeel.’ Terwijl de sultan de grens van de verbazing bereikte, voegde hij er aan toe: ‘Welnu, ach sultan, mijn heer, ik dank de grote eer van het bezoek van deze verheven personen aan de buitengemene heiligheid van de echtgenote, die u mij in uw edelmoedigheid hebt geschonken. Ik trof, echt waar, deze heren aan, netjes op een rij achter elkaar neergehurkt in het toilet van mijn gesloten harem. De eerste, die daar zat, was de profeet Job, over hem het gebed en de vrede, en de laatste, die daar zat, was de engel Israfil, over hem de vrede en de gunsten van de Allerhoogste!’ Bij het horen van die woorden uit de mond van zijn nar, bekeek de sultan aandachtig de vier bewuste personen. Plotseling werd hij gegrepen door zo’n onbedaarlijke lachbui, dat hij een stuip nabij was en met zijn armen in de rondte sloeg en met zijn benen in de lucht, terwijl hij neerviel op zijn achterste. Toen riep hij: ‘Wil je dan, ach schaamteloze, dat ik sterf van het lachen? Of ben je gek geworden?’ De nar zei: ‘Bij God, ach mijn heer, wat ik u vertel is wat ik heb gezien, en alles wat ik heb gezien, dat heb ik u verteld!’ De koning riep, lachend: ‘Maar zie je dan niet, dat hij, die je de profeet Kizr noemt, niets anders is dan een groenteboer en dat hij, die je profeet Job noemt, niets anders is dan een banketbakker, en dat degene die je de grote Alexander noemt, niets anders is dan een slager, en dat hij, die je de engel Israfil noemt niemand anders is dan mijn eerste klarinettist, de leider van mijn orkest?’ De nar zei: ‘Bij God, ach mijn heer, wat ik u vertel is wat ik heb gezien, en alles wat ik heb gezien, dat heb ik u verteld!’

Toen begreep de koning de gehele draagwijdte van het ongeluk van zijn nar en hij wendde zich tot de vier medeplichtigen van de ontuchtige echtgenote en zei tegen hen: ‘Vier van de duizend hoorndragers, vertel mij de waarheid over deze geschiedenis, of ik laat jullie je teelballen wegnemen!’ Die vier vertelden, bevend, aan de koning wat waar en wat niet waar was, zonder te liegen, zó zeer bevreesd waren zij, dat men hun de erfenis van hun vaderen zou ontnemen. De koning riep verontwaardigd: ‘Dat God het trouweloze geslacht en het ras van de hoereersters en verraderlijke zielen moge verderven!’ Hij wendde zich tot zijn nar en zei tegen hem: ‘Ik sta je toe te scheiden van je echtgenote, ach vader van de wijsheid, om weer vrijgezel te worden.’ Hij bekleedde hem met een prachtig eregewaad. Toen wendde hij zich tot de vier makkers en zei hun: ‘Wat jullie betreft, jullie misdrijf is zo enorm, dat je de straf, die je wacht, niet kunt ontgaan!’ Hij gaf een teken aan zijn zwaarddrager om nader te treden en sprak tot deze: ‘Ontneem hun de teelballen, opdat zij eunuchen worden in dienst van onze trouwe dienaar, deze eerbiedwaardige vrijgezel!’

Toen trad de eerste van de schuldige minnaars, de banketbakker, alias Job, de melaatse, naar voren en kuste uit eerbied de aarde voor de voeten van de koning en sprak: ‘Ach grote koning, ach grootmoedigste onder de sultans, indien ik u een verhaal vertel, dat nog erger is dan onze geschiedenis met de vroegere echtgenote van deze eerbare vrijgezel, staat u me dan de gunst toe van het behoud van mijn teelballen?’ De koning wendde zich tot zijn nar en ondervroeg hem met een teken wat hij dacht van het voorstel van de banketbakker. Nadat de nar ‘ja’ had geknikt, zei de koning tot de banketbakker: ‘Ja, zeker, ach banketbakker, als je het bedoelde verhaal vertelt en als ik het buitengewoon of wonderbaarlijk vind, dan zal ik je het behoud toestaan van je weet wel!’ De banketbakker zei:

 

Verhaal van de banketbakker

 

‘Mij kwam ter ore, ach fortuinlijke vorst, dat er een vrouw leefde die, van nature, een verbazingwekkende hoereerster was en een onheilsvriendin. Zij was getrouwd, zo had het toeval gewild, met een eerbare plaatsvervanger, stadsbestuurder in naam van de sultan. Die eerbare beambte had niet het geringste vermoeden, zo had het toeval gewild, van de slechtheid van de vrouwen en van haar verdorvenheid. Bovendien was hij al geruime tijd niet meer bij machte iets te doen met zijn echtgenote. Hij, de gedoofde sintel, hij kon niets meer, absoluut niets meer. De vrouw verontschuldigde zich dan ook wegens haar ontucht en uitspattingen, tot zichzelf zeggende: ‘Ik neem het brood, waar ik het vind, en het vlees, waar ik het zie hangen.

Welnu, hij die zij het liefst mocht van degenen, die voor haar brandden, was een jonge heer des huizes, een palfrenier van haar echtgenoot, de plaatsvervanger. Maar daar de echtgenoot sinds zekere tijd het huis niet meer uitging, werden de samenkomsten van de twee geliefden zeldzamer en moeilijker. Maar het duurde niet lang of zij vond een voorwendsel om meer vrijheid te hebben en zij sprak tot haar man: ‘Ach mijn meester, ik hoor zo juist dat de buurvrouw van mijn moeder is gestorven, en ik wilde graag de voorschriften van het fatsoen en de verplichtingen van nabuurschap in acht nemen en de drie dagen van de begrafenis gaan doorbrengen in het huis van mijn moeder.’ De plaatsvervanger antwoordde: ‘Dat God die dood moge vergoeden door jouw dagen te verlengen! Je mag de drie dagen van de begrafenis bij je moeder gaan doorbrengen.’ Maar zij zei: ‘Ja, ach mijn meester, maar ik ben een jonge en verlegen vrouw en ik ben erg bang om alleen in de straten te lopen, om naar het huis van mijn moeder te gaan, dat zover hier vandaan is!’ De plaatsvervanger zei: ‘Waarom zou je alleen gaan? Hebben wij dan in huis niet een heer des huizes, vol ijver en goede wil, die je kan vergezellen op tochten als deze? Laat hem roepen en zeg hem voor jou het rode dekkleed op de ezel bij de teugel te houden. Druk hem goed op het hart, de ezel niet op te jagen met tonggeluiden of met de drijfstok, want het beest zou kunnen steigeren en je zou kunnen vallen!’ Zij antwoordde: ‘Ja, ach mijn meester, maar roep jij hem zelf maar, om hem die aanwijzingen te geven. Ik zou het niet kunnen.’ De eerbare plaatsvervanger liet de heer des huizes ontbieden, die een jonge, levenslustige, gespierde kerel was en gaf deze zijn bevelen. Toen de guit die woorden van zijn meester hoorde was hij geweldig in zijn schik. Zo hielp hij dan zijn geliefde, die de echtgenote van de plaatsvervanger was, op de ezel, en ging met haar op stap. Maar in plaats van naar het huis van de moeder te gaan, voor de bedoelde begrafenis, gingen die twee naar een tuin, die zij kenden. Zij hadden mondvoorraad bij zich en uitgezochte wijnen. Zij gingen op hun gemak in de koelte van de schaduw zitten en de heer des huizes, die door zijn vader voorzien was van een omvangrijke erfenis, haalde edelmoedig al zijn koopwaar voor de dag en spreidde die ten toon voor de verrukte ogen van de jonge vrouw. Deze nam de waar in haar handen en betastte ze om er de hoedanigheid van te onderzoeken. Ze vond dat het eersterangs goederen waren en ze eigende zich de goederen zonder meer toe, met verlof van de eigenaar. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 849e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Wat lengte en breedte betreft, paste het uitstekend, beter zelfs dan koopwaar, die op maat is besteld. Daarom was het, dat zij zo levendig de eigenaar van de koopwaar waardeerde. Dat verklaart ook waarom zij er tot aan de avond toe mee speelde en er mee bezig was, zonder een ogenblik moe te worden. Zij hield er pas mee op, toen zij niet meer genoeg kon zien om de draad door de naald te krijgen.

Toen stonden zij beiden op. De heer des huizes liet de ezel bestijgen door de jonge vrouw. Zij gingen beiden naar het huis van de heer des huizes, waar zij, na de ezel zijn portie te hebben gegeven, zich haastten zelf een plaatsje te zoeken om hun portie te nemen. Zij gaven elkaar wederkerig hun portie, tot zij verzadigd waren, en sliepen dan in, voor een uur. Daarna ontwaakten zij om opnieuw hun honger te stillen en zij hielden niet op voor het ochtend was. Maar dat was om op te staan en samen naar de tuin te gaan en de spelletjes en pretjes van de vorige dag voort te zetten.

Zo deden ze drie dagen lang, zonder respijt of rust. Zij lieten het rad door het water draaien, en zonder oponthoud snorde de klos van de jonkman, het lammetje zoog bij zijn moeder, de vinger ging op en neer in de ring, het kind rustte in zijn wieg, de tweelingen omhelsden elkaar, de spijker raakte gekneld in de schroef, de nek van de kameel schoot naar voren, de mus pikte liefkozend zijn wijfje, de jonge vogel tjilpte in zijn warme nest, het duifje pikte graan, het konijntje at gras, het kalf herkauwde, het geitje sprong en de huid drong zich aan tegen de huid, totdat de vader van de aanvallen, die nimmer in gebreke was, uit zichzelf ophield de schalmei te bespelen.

Op de morgen van de vierde dag, zei de heer des huizes tegen de jonge vrouw, echtgenote van de plaatsvervanger: ‘De drie dagen verlof zijn verstreken. Laten we opstaan en naar het huis gaan van je echtgenoot.’ Maar zij antwoordde: ‘Wel nee! Wie drie dagen verlof heeft, moet er nog drie bij nemen! Wat nou! Wij hebben nog niet eens echt de tijd gehad om werkelijk te genieten. Ik niet, om me aan jou te verzadigen en jij niet, om je aan mij te verzadigen. Wat die dwaze koppelaar betreft, laat die maar in zijn eentje verkleumen in huis, met zichzelf als wijfje en eiderdons en dubbelgevouwen, zoals de honden doen, met zijn hoofd tussen zijn twee benen!’

Zo sprak zij en zo deden zij. Zij brachten samen nog drie dagen door, in voortdurend geslachtelijk verkeer tot aan de uiterste grens van verlustiging en genot. Op de morgen van de zevende dag gingen zij naar het huis van de plaatsvervanger. Zij troffen hem zittend aan met een bekommerde blik en met tegenover hem een oude negerin die druk aan het woord was. De ongelukkige man, die geen enkel vermoeden had van de uitspattingen van zijn verdorven vrouw, ontving haar hartelijk en vriendelijk en zei tegen haar: ‘Gezegend zij God, die je gezond en wel naar huis voert! Waarom al die vertraging, ach dochter van de oom? Je hebt me vreselijk ongerust gemaakt!’ Zij antwoordde: ‘Ach mijn meester, men heeft mij, bij de overledene, het kind des huizes toevertrouwd, om het te troosten en om het schadeloos te stellen voor het spenen. Het zijn de zorgen, die ik aan dat kind heb besteed, die mij tot nu toe hebben tegengehouden.’ De plaatsvervanger sprak: ‘Die reden is afdoende en ik moet haar geloven. Ik ben zeer gelukkig je weer te zien.’ Dat is mijn verhaal, ach roemrijke koning!’

Toen de koning dat verhaal van de banketbakker had aangehoord, kreeg hij zo’n lachbui, dat hij zich op zijn achterste liet neervallen. Maar de nar riep uit: ‘Het geval van de plaatsvervanger is minder erg dan het mijne! De geschiedenis is minder ongewoon dan mijn geschiedenis.’

Toen wendde de koning zich tot de banketbakker en zei tegen hem: ‘Omdat dit het oordeel is van de beledigde, kan ik jou, ach schooier, slechts het behoud van één teelbal toestaan.’ De nar, die zegevierde en op deze manier wraak wilde nemen, sprak op spreukrijke wijze: ‘Ja, die straf is terecht voor al wie buiten echt, bij hoeren terecht komt, zich geen genot ontzegt, van voor- of achterplecht.’ Toen voegde hij er aan toe: ‘Ach koning van deze tijd, schenk hem, toch, het behoud van de tweede teelbal!’

Op dat ogenblik, trad de tweede minnaar naar voren, de groenteboer. Hij kuste uit eerbied de grond voor de voeten van de sultan en zei: ‘Ach grote koning, ach edelmoedigste van de koningen, schenkt u mij het behoud van je weet wel, wanneer mijn verhaal u bekoort? De koning wendde zich tot de nar, die met tekens zijn toestemming gaf. De koning zei tot de groenteboer: ‘Als je verhaal wonderbaarlijk is, zal ik je toestaan wat je vraagt!’

Toen zei de groenteboer, die de rol had gespeeld van Kizr, de groene profeet:

 

Verhaal van de groenteboer

 

‘Er wordt verteld, ach koning van deze tijd, dat er een man leefde, die sterrenkundige was van beroep en die gezichten kon lezen en daardoor iemands gedachten kon raden door de uitdrukking van diens gezicht. Die sterrenkundige had een echtgenote, die ongewoon mooi was en bijzonder bekoorlijk. Die echtgenote was altijd en overal achter zijn rug om bezig haar eigen deugden te roemen en haar verdiensten te ontvouwen, zeggende: ‘Ach man, ik heb, onder mijn geslachtsgenoten, mijns gelijke niet in zuiverheid, in verhevenheid van gevoelens en in kuisheid. De sterrenkundige, die een groot gelaatskenner was, twijfelde niet aan haar woorden, zozeer straalde haar gezicht inderdaad reinheid en onschuld uit. Hij sprak tot zichzelf: ‘Bij God, er is geen man die een echtgenote heeft, die te vergelijken is met mijn echtgenote, dat vat vol van alle deugden.’ Overal verkondigde hij de verdiensten van zijn echtgenote en hij zong haar lof en hij sprak zijn bewondering uit over haar houding en haar welvoeglijkheid, terwijl de ware welvoeglijkheid hem ervan had moeten weerhouden tegenover vreemden ooit over zijn harem te spreken. Maar de wijzen, ach mijn heer en de sterrenkundigen in het bijzonder, volgen niet de gewoonten van iedereen. Daarom zijn de avonturen, die zij beleven, niet de avonturen van iedereen. Want zie, op een dag, dat hij, als naar gewoonte, de deugden van zijn echtgenote prees voor een gezelschap onbekende personen, verhief zich een man, die tegen hem zei: ‘Je bent maar een leugenaar, jij!’ Het gelaat van de sterrenkundige werd helemaal geel en hij vroeg met een stem, door woede bewogen: ‘Waar is het bewijs van mijn leugen?’ De ander zei: ‘Je bent een leugenaar of wel zwakzinnig, want je vrouw is niets anders dan een hoer!’ Bij het horen van die diepe belediging, wierp de sterrenkundige zich op de man, om hem te wurgen en hem het bloed uit de aderen te zuigen. Maar de omstanders scheidden hen en zeiden tegen de sterrenkundige: ‘Indien deze man hier zijn zeggen niet bewijst, zullen wij hem aan je afstaan zodat je zijn bloed kunt drinken.’ De belediger sprak: ‘Ach man, sta dan op, ga naar je vrouw, de deugdzame en deel haar mede dat je voor vier dagen op reis gaat. Neem afscheid van haar, ga je huis uit en verberg je op een plaats vanwaar je alles kunt zien zonder gezien te worden. Je zult zien wat je zult zien. Vrede zij met jou!’ De omstanders zeiden: ‘Ja, bij God! Onderzoek op deze manier de waarheid van zijn woorden. Als ze onwaar zijn, kun je zijn bloed zuigen.’

Toen ging de sterrenkundige, met zijn baard bevend van woede en emotie, naar zijn deugdzame echtgenote en zei haar: ‘Ach vrouw, sta op en maak de toebereidselen voor een reis die ik ga maken en waardoor ik vier of misschien zes dagen afwezig zal zijn!’ De echtgenote riep uit: ‘Ach mijn meester, wil je dan mijn ziel in de wanhoop storten en me doen vergaan van verdriet? Waarom zou je me niet meenemen, zodat ik met je meereis, je dien en je onderweg verzorg als je vermoeid bent of ziek? Waarom wil je me hier alleen laten met de bittere smart van je afwezigheid?’ De sterrenkundige, die deze woorden hoorde, sprak tot zichzelf: ‘Bij God! Mijn echtgenote heeft haars gelijke niet onder de uitgelezenen van het vrouwelijk geslacht.’ Hij antwoordde zijn echtgenote: ‘Ach licht van het oog, wees niet bedroefd om deze afwezigheid, die niet meer dan vier of misschien wel zes dagen zal duren. Denk er slechts om goed voor jezelf te zorgen en gezond te blijven.’ De echtgenote begon te schreien en te zuchten, zeggende: ‘Ach, wat heb ik een verdriet! Ach, wat ben ik ongelukkig, verlaten en weinig bemind!’ De sterrenkundige trachtte haar naar beste vermogen te bedaren, zeggende: ‘Bedaar je gemoed en verfris je ogen. Ik zal, bij mijn terugkomst, mooie geschenken als souvenirs voor je meebrengen!’ Hij liet haar achter, huilend van wanhoop en in katzwijm in de armen vallend van de negerinnen en ging zijn weg. Maar, na verloop van twee uren, keerde hij op zijn schreden terug, kwam zachtjes binnen door het tuinpoortje en vatte post op een plaats die hij kende en vanwaar hij alles in huis kon zien zonder gezien te worden. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 850e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Hij was nog geen uur in zijn schuilplaats, toen het volgende gebeurde! Hij zag een man naar binnen gaan, in wie hij onmiddellijk de handelaar in suikerriet herkende, die gevestigd was aan de overkant van de straat. Die hield een stuk suikerriet in de hand, van de beste soort en op hetzelfde ogenblik zag hij zijn echtgenote die man heupwiegend tegemoet treden en hij hoorde haar lachend zeggen: ‘Is dat alles op het gebied van suikerriet wat je me brengt, ach vader van het suikerriet?’ De man zei: ‘Ach mijn meesteres, het suikerriet dat je ziet is niets vergeleken bij dat wat je niet ziet!’ Zij zei hem: ‘Geef hier! Geef het hier!’ Hij zei: ‘Hier heb je het!’ Hier heb je het!’ Toen voegde hij er aan toe: ‘Ja, maar waar is die koppelaar van m’n achterste, je man, de sterrenkundige?’ Ze zei: ‘God moge hem de benen en armen breken. Hij is vertrokken voor een reis van vier of misschien wel zes dagen! Ik hoop, dat hij begraven raakt onder een neerstortende minaret!’ Die twee begonnen samen te lachen. De man haalde zijn suikerriet te voorschijn en gaf die aan de jonge vrouw. Deze begon er aan te trekken en te wrijven en er van te maken, wat men in zo’n geval maakt van alle suikerriet van deze soort. Hij omhelsde haar en zij omhelsde hem en hij omstrengelde haar en zij omstrengelde hem en hij belastte haar met een zwaar en genadeloos gewicht. Hij genoot haar bekoorlijkheden tot hij er van verzadigd was. Toen verliet hij haar en ging zijns weegs.

Dat alles gebeurde. De sterrenkundige zag het en hoorde het. Daar zag hij, na verloop van enkele ogenblikken, een andere man binnenkomen, in wie hij de handelaar in gevogelte herkende, die gevestigd was in die wijk. De jonge vrouw trad die handelaar tegemoet, waarbij ze verleidelijk wiegde met de heupen en zij sprak tot hem: ‘De begroeting over jou, ach vader van het gevogelte, wat breng je me vandaag?’ Hij antwoordde: ‘Een haantje, ach mijn meesteres, zo zacht als wol, zo rond als een tol, heel jong en dol, sterk als een knol, met een hoedje dat rood is en bol, je mag het hebben voor de lol!’ De jonge vrouw zei: ‘Ik neem het! Ik neem het!’ Hij zei: ‘Ik geef het! Ik geef het!’ Met het haantje van de handelaar in gevogelte, ach mijn heer, deden zij precies hetzelfde als wat er gebeurd was met het vurig suikerriet. Waarna de man opstond en zich uitrekte en weg ging.

Dat alles gebeurde! De sterrenkundige zag het en hoorde het. Na verloop van enige ogenblikken trad een man binnen, die hij onmiddellijk herkende als het hoofd van de ezeldrijvers van die wijk. De jonge vrouw liep naar hem toe en omhelsde hem, tegen hem zeggende: ‘Wat breng je je liefje vandaag, ach vader van de ezels?’ Hij zei: ‘Een banaan, ach mijn meesteres, een banaan!’ Zij zei, lachende: ‘Ga hier vandaan, ach kale haan! Waar is die banaan?’ Hij zei: ‘Ach sultane, ach huidje, teder en doorschijnend, ik kreeg hem van mijn vader, die banaan, toen hij leider was van een karavaan, van die enige erfenis moet ik bestaan!’ Zij zei: ‘Ik zie slechts je stok om de ezels te slaan! Waar is de banaan?’ Hij zei: ‘Het is een vrucht, ach sultane, in het verborgene groeiende en niet profaan. Stelt men hem bloot, hij zal vergaan. Maar zie hem hier staan! Zie hem hier staan!’

Dat alles gebeurde! Maar alvorens de banaan werd genuttigd, ach mijn heer, uitte de sterrenkundige, die alles had gezien en gehoord een luide kreet en viel levenloos ter aarde. Over hem zij Gods barmhartigheid! De jonge vrouw, die de banaan verkoos boven het suikerriet en het haantje, huwde, na de wettelijke termijn, met het hoofd van de ezeldrijvers van haar wijk. Dat is mijn verhaal, ach roemrijke vorst!’

De koning danste van plezier na het horen van dit verhaal van de groenteboer en schudde van tevredenheid. Hij sprak tot zijn nar: ‘Deze geschiedenis, ach vader van de wijsheid, is erger dan jouw geschiedenis. Wij moeten deze groenteboer de gunst van zijn beide teelballen toestaan.’ Hij zei tot de man: ‘Treed nu terug!’

De koopman trad te midden van de rij van zijn makkers en de derde minnaar kwam naar voren, de slager van hamelvlees. Hij vroeg om dezelfde gunst en de sultan kon, uit rechtschapenheid, dat verzoek niet weigeren, maar stelde dezelfde voorwaarden.

Toen zei de slager, die de rol had gespeeld van Alexander met de twee horens:

 

Verhaal van de slager

 

‘Er woonde een man in Caïro en die man had een echtgenote, die gunstig bekend stond om haar vriendelijkheid, haar edel karakter, haar bevalligheid, haar gehoorzaamheid en haar vreze des Heren. Zij had in haar huis een paar vette en zware ganzen. Zij had eveneens, maar diep in het geheim, een minnaar op wie ze zwaar verliefd was.

Wel, op een dag bracht die minnaar haar een verstolen bezoek en hij zag, hoe zij bezig was met de twee prachtige ganzen. Meteen kreeg hij trek in die vogels. Hij zei tot de vrouw: ‘Ach jij, je moet die twee ganzen voor ons braden en ze bereiden op de meest voortreffelijke wijze, opdat wij er samen van genieten en smullen. Mijn ziel verlangt vurig naar ganzenvlees, vandaag.’ Zij antwoordde: ‘Dat is heel gemakkelijk en je verlangens bevredigen is mij een plezier. Bij je leven, ach jij, ik zal de twee ganzen onthalzen en bereiden. Ik zal je ze beide geven. Je moet ze meenemen naar je huis en ze opeten in volle lust en tevredenheid des harten. Op die manier zal mijn echtgenoot, die ongelukskoppelaar, noch de smaak noch de geur ervan kennen!’ Hij vroeg: ‘Hoe zul je dat aanleggen?’ Zij antwoordde: ‘Ik zal hem op mijn manier een poets bakken, die hem zal heugen. Ik zal jou de twee ganzen geven, want niets is mij zo lief als jij, ach licht van mijn ogen! Zo zal die koppelaar noch de smaak van de ganzen noch de geur ervan kennen.’

Daarop omhelsden zij elkaar. In afwachting van het bezit van de ganzen, ging de jongeman zijns weegs. Dat geschiedde, wat hem betreft.

Maar wat de jonge vrouw aangaat, toen, tegen zonsondergang, haar man thuis kwam van zijn werk, zei zij tegen hem: ‘Welbeschouwd, ach man, hoe kun jij eigenlijk aanspraak maken op die titel van man, waar je zo gespeend bent van de deugd, die mannen in werkelijkheid die titel waardig maakt, de gastvrijheid? Heb je ooit wel eens iemand uitgenodigd in je huis en heb je ooit, een dag onder de dagen, tegen mij gezegd: ‘Ach vrouw, ik krijg vandaag een gast in mijn huis?’ Heb je ooit tot jezelf gezegd: ‘De mensen zullen op de duur, wanneer ik voortga met zo benepen gierig te leven, verklaren dat ik een armzalig mens ben, die niets weet van de gewoonten aangaande gastvrijheid.’ De man antwoordde: ‘Ach vrouw, niets is gemakkelijker dan dat verzuim te herstellen! Morgen, met Gods wil, zal ik lamsvlees en rijst voor je kopen en je zult dan iets heerlijks klaarmaken voor het diner of voor het souper, naar jouw believen, zodat ik één van mijn beste vrienden voor de maaltijd kan uitnodigen.’ Zij zei: ‘Nee, bij God, ach man! Ik heb liever dat je, in plaats van genoemd vlees, wat gehakt voor me koopt, opdat ik daar een vulsel van kan maken, waarmee ik onze twee ganzen kan vullen, nadat je die voor mij hebt onthalsd. Die zal ik braden. Want niets is smakelijker dan gevulde en gebraden ganzen en niets kan beter dan ganzen het gezicht van de gastheer verfraaien tegenover zijn gast.’ Hij antwoordde: ‘Op mijn hoofd en op mijn oog! Zo zal het geschieden!’

Dus, bij dageraad van de volgende dag, onthalsde de man de twee vette ganzen, en ging weg om een schaal gehakt te kopen, een schaal rijst en een ons hete kruiden plus andere smaakverhogende toevoegsels. Hij bracht alles naar huis, en sprak tot zijn echtgenote: ‘Zorg dat je de gebraden ganzen klaar hebt voor vanmiddag, want dat is het uur, dat ik met mijn gasten zal verschijnen.’ Hij ging zijns weegs.

Vlak daarna stond zij op en plukte de ganzen, maakte ze schoon en vulde ze met een heerlijk vulsel van gehakt, rijst en pijnboompitten, amandelen, rozijnen, zachte noten en fijne kruiden en zij bleef bij het braden, tot alles degelijk klaar was. Zij zond haar negerinnetje weg om de jongeman, haar geliefde, te roepen, die zich haastte naar haar toe te gaan. Zij omhelsde hem, en hij omhelsde haar en nadat zij samen hadden getorteld en elkaar bevredigd, overhandigde zij hem de twee heerlijke ganzen in hun geheel en alles wat er bij hoorde. Hij pakte ze op en ging zijns weegs. Dat, wat hem betreft, en zijn rol was beëindigd. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 


Maar toen de 851e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Wat de echtgenoot van de jonge vrouw aangaat, hij verzuimde niet nauwkeurig op tijd te zijn. Op het middaguur kwam hij thuis, vergezeld van een vriend en klopte op de deur. Zij stond op en ging de deur voor hen openen, en nodigde hen uit binnen te komen en ontving hen hartelijk. Toen nam zij haar echtgenoot ter zijde en zei tegen hem: ‘Nu hebben we de twee ganzen geslacht, beide in een keer en je brengt maar één man mee? Maar er konden nog vier gasten bijkomen om mijn keuken eer aan te doen. Vooruit, ga en haal nog twee van je vrienden, of zelfs drie, om de ganzen op te eten. En de man ging gehoorzaam weg om te doen wat ze hem had bevolen.

Toen spoedde de vrouw zich naar de gast en ging met ontsteld gezicht voor hem staan, en sprak tot hem met een stem, bevend van aandoening: ‘Ach! Ongelukkige! Je bent onherroepelijk verloren! Bij God! Je hebt zeker geen kinderen of familie, dat je je zo, hals over kop, in een wisse dood stort!’ De gast voelde, toen hij die woorden hoorde, hoe de angst hem overviel en diep doordrong in zijn hart. Hij vroeg: ‘Wat is er dan, ach goede vrouw! Zij antwoordde: ‘Bij God! Ik kan het geheim niet bewaren! Weet dan, dat mijn man ernstig verontwaardigd is over je gedrag ten aanzien van hem en dat hij je slechts hierheen heeft gebracht met de bedoeling je te beroven van je teelballen en je te misvormen tot een ontmande eunuch. Of je nu sterft of leeft, je zult ongelukkig zijn, wat een ellendige toestand!’ Zij voegde er aan toe: ‘Mijn man is twee van zijn vrienden gaan halen om hem te helpen je te ontmannen!’

Bij het horen van die onthulling uit de mond van de jonge vrouw, stond de gast op stel en sprong op, wipte de straat op, en koos het hazenpad. Op hetzelfde ogenblik kwam de echtgenoot binnen, ditmaal vergezeld van twee vrienden. De jonge vrouw liep hem tegemoet en riep: ‘Ach ramp, ach ramp! De ganzen! De ganzen!’ Hij vroeg: ‘Bij God, wat is er, en waarom? Waarom?’ Zij zei: ‘Ach wat een ramp! Ach wat een ramp! Ah! Ik ongelukkige! De ganzen! De ganzen! De ganzen!’ Hij vroeg: ‘Wel, wat is er dan met de ganzen? Bij God, houd op, schreeuw niet zo en zeg mij wat er is gebeurd met je ganzen! Laat ze me zien, laat ze me zien!’ Zij zei: ‘Kijk dan! Kijk! Daar gaan ze, daar gaan ze! Je gast heeft ze meegenomen en geroofd en hij is door het venster weggevlucht!’ Zij voegde er aan toe: ‘Ga jij maar feesten! Feest jij maar!’

Bij die woorden van zijn echtgenote, liep de man in allerijl de straat op en zag zijn eerste gast hals over kop wegrennen, de tuniek tussen de tanden. Hij riep hem toe: ‘Bij God over jou! Kom terug, kom terug en ik zal je niet alles ontnemen. Kom terug, en, bij God, ik zal maar de helft van je afnemen!’ Daarmee wilde hij zeggen, ach koning van deze tijd, dat hij hem slechts één gans wou afnemen en hem de andere laten. Maar de vluchteling, die de ander die woorden hoorde roepen, was overtuigd dat men hem terugriep om hem één ei te ontnemen in plaats van twee en riep, terwijl hij voortging met rennen: ‘Mij één ei afnemen? Dat zou je wel willen! Probeer me maar te pakken, als je me van één van mijn eieren wilt beroven!’

 

Dat is mijn verhaal, ach roemrijke vorst!’ Toen de koning dit verhaal van de slager had aangehoord, viel hij nagenoeg flauw van het lachen. Daarna wendde hij zich tot de nar en vroeg aan hem: ‘Moeten wij die daar één van zijn eieren afnemen of alle twee?’ De nar zei: ‘We laten hem in het bezit van zijn eieren, want het is de moeite niet, ze hem te ontnemen. Het is ook niet mijn wens.’ De sultan sprak tot de man: ‘Verdwijn uit mijn ogen!’ Toen de man zich had teruggetrokken tot op de rij van zijn makkers, trad de vierde minnaar naar voren en smeekte de sultan hem een gelijke gunst onder gelijke voorwaarden toe te staan. Nadat de sultan had toegestemd, sprak de vierde minnaar, de eerste klarinettist, hij, die de rol had gespeeld van de engel Israfil:

 

Verhaal van de eerste klarinettist

 

‘Er wordt verteld, dat er in een stad onder de steden van Egypte een man leefde, al bejaard, die een zoon had, een genotzuchtige, luie en leugenachtige jongeling, die, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, slechts van één gedachte was bezield: de erfenis van zijn vader te doen gedijen. Die oude man, vader van de jonge deugniet, had in zijn huis, ondanks zijn hoge leeftijd, een echtgenote van vijftien jaar, die een volmaakte schoonheid was. De zoon hield niet op met om de echtgenote van zijn vader heen te draaien, met de bedoeling haar de ware weerstand van het staal te leren kennen en het verschil daarvan met de zachtheid van buigzame was. De vader, die zijn zoon kende als een galgenbrok van de ergste soort, wist niet wat te doen om zijn jonge echtgenote buiten het bereik van diens boosaardige opzet te houden. Uiteindelijk meende hij, dat het voor hem het beste middel en de zekerste waarborg zou zijn, wanneer hij naast de eerste nog een tweede echtgenote nam, zodat hij, met twee vrouwen naast elkaar, de ene kon doen beschermen door de andere en ze wederkerig kon doen wapenen tegen de hinderlagen van zijn zoon. Hij koos een tweede echtgenote, nog mooier en nog jonger en plaatste die bij de eerste. Hij leefde om beurten met elk van hen.

Welnu, de jonge schavuit, die de bedoeling van zijn vader doorzag, sprak tot zichzelf: ‘Bij God! Nu zal ik een dubbel hapje hebben.’ Maar het was heel moeilijk voor hem om zijn plan uit te voeren, want de vader had de gewoonte aangenomen, telkens wanneer hij weg moest, tegen de beide jonge echtgenotes te zeggen: ‘Neemt u wel in acht tegen de pogingen van mijn zoon, die galgenbrok. Hij is een buitengewone slechterik, die mijn leven vergalt en die mij al heeft genoodzaakt van de drie echtgenotes te scheiden, die ik vóór u had. Neemt u in acht! Neemt u in acht!’ De twee jonge vrouwen antwoordden: ‘Bij God, als hij ooit een vinger naar ons zou uitsteken of als hij ons het minste onbetamelijke woord zou toevoegen, dan zullen wij hem in zijn gezicht meppen met onze pantoffels!’ De oude hield aan, zeggende: ‘Neemt u in acht! Neemt u in acht!’ En zij antwoordden: ‘Wij zijn op onze hoede! Wij zijn op onze hoede!’ De galgenbrok sprak tot zichzelf: ‘Bij God! We zullen wel eens zien, of ze me in mijn gezicht zullen meppen met hun pantoffels, we zullen wel eens zien!’

Wel, op een dag, toen de graanvoorraad van het huis was uitgeput, zei de oude tot zijn zoon: ‘Laten we naar de korenmarkt gaan, om een zak of twee te kopen.’ Zij gingen samen op stap, de vader liep voor de zoon uit. De twee echtgenoten klommen naar het terras van het huis, om hen te zien vertrekken.

Maar onderweg merkte de oude, dat hij zijn pantoffels vergeten had, die hij gewend was, al wandelende, in de hand te houden, of over zijn schouders te hangen. Hij zei tegen zijn zoon: ‘Ga gauw naar huis terug om ze te halen.’ De schavuit liep als de weerlicht naar huis terug, en, toen hij de twee jonge vrouwen, echtgenoten van zijn vader, op het terras zag zitten, riep hij hun van beneden toe: ‘Mijn vader stuurt mij naar jullie toe, met een boodschap!’ Zij vroegen: ‘Welke boodschap?’ Hij zei: ‘Hij heeft me gelast hier terug te komen en jullie hierboven naar hartenlust te omhelzen, allebei, allebei!’ Zij antwoordden: ‘Wat zeg je daar, ach hond? Bij God! Je vader heeft je nooit met zo’n opdracht kunnen belasten. Je liegt, ach galgenbrok van het ergste soort, ach zwijn!’ Hij zei: ‘Bij God, ik lieg niet!’ Hij voegde er aan toe: ‘Ik zal jullie bewijzen, dat ik niet lieg!’ Uit volle borst riep hij naar zijn vader, die al veel verderop liep: ‘Ach mijn vader, ach mijn vader! Eén maar, of allebei? Eén maar, of allebei?’ De oude antwoordde, uit volle borst: ‘Alle twee, snoodaard, allebei! Dat God je straffe!’ Wel, ach sultan, mijn heer, de oude wilde met die woorden zijn zoon beduiden, dat die hem beide pantoffels moest brengen en niet, dat hij zijn twee echtgenoten moest omhelzen. Toen zij dat antwoord van hun echtgenoot hoorden, zeiden de twee jonge vrouwen tegen elkaar: ‘De schalk heeft niet gelogen! Laten we hem dus toestaan met ons te doen wat zijn vader hem heeft opgedragen te doen.’

Zo was het, ach sultan, mijn heer, dat, dank zij de list van de pantoffels, de deugniet kon opgaan tot bij de twee duifjes voor een uitzonderlijke schermutseling. Daarop bracht hij zijn vader de pantoffels. Vanaf dat ogenblik hadden de twee jonge vrouwen voortdurend de wens hem op de mond te kussen, tegen hem zeggende: ‘Kom bij ons! Kom bij ons!’ De ogen van de oude zagen niets, want zij waren scheel. Dat is mijn verhaal, ach roemrijke vorst!’

Toen de koning dat verhaal van zijn eerste klarinettist had aangehoord, was hij aan de grens van de begeestering en hij schonk hem volledig de begenadiging, die deze had gevraagd voor zijn teelballen. Daarna zond hij de vier minnaars weg, tegen hen zeggende: ‘Kus eerst de hand uit eerbied van mijn trouwe dienaar, die je hebt bedrogen en vraag hem vergiffenis!’ Zij antwoordden door te luisteren en te gehoorzamen en zij verzoenden zich met de nar, en leefden, sindsdien, met hem in de beste verstandhouding. Hij eveneens met hen.”

Maar, vervolgde Sjahrzad, het verhaal van de slechtheid van de gehuwde vrouwen is zo lang, dat ik je liever nu meteen het wonderlijke verhaal vertel:

 

Geschiedenis van Ali Baba en de veertig rovers

 

“Mij werd bekend, ach gezegende koning, dat er in de al lang voorbije jaren en in de dagen van het verre verleden in een stad onder de steden van Perzië twee broers leefden, van wie de ene Kasim en de andere Ali Baba heette. Geprezen is Degene voor Wie alle namen, bijnamen en voornamen worden uitgewist en die de zielen in hun naaktheid en de gewetens in hun diepte aanschouwt, de Allerhoogste, de Meester van het noodlot, enzovoort, enzovoort, enzovoort! Amen!

En vervolgens: Toen de vader van Kasim en Ali Baba, die een heel arm man onder de gewone mensen was, in de barmhartigheid van zijn Heer was overleden, deelden de beide broers in alle eerlijkheid het weinige dat hun als erfenis ten deel was gevallen. Maar het duurde niet lang of zij hadden het weinige voer dat hun was toebedeeld, opgegeten en van de ene dag op de andere zagen zij zich zonder brood of kaas en met heel lange neuzen en gezichten, wat dat betreft. Ziehier, wat er van komt, wanneer men in zijn jonge jaren dwaas is en de raadgevingen van de wijzen vergeet! Maar de oudste van de twee, Kasim, zag dat hij weldra van gebrek in zijn huid zou smelten. Dus begon hij uit te zien naar een weelderig baantje. Daar hij slim was en vol schelmenstreken zat, duurde het niet lang of hij maakte kennis met een koppelaarster, verre van ons zij de Boze, die na zijn hoedanigheden als berijder en zijn deugden als haantjepik en zijn krachten als bijslaper op de proef gesteld te hebben, hem uithuwelijkte aan een jonge dochter, die goed van woning, goed van brood en volmaakt van spieren en sowieso voortreffelijk was. Gezegend zij de Weldoener! Op die wijze kreeg hij behalve het genot van zijn echtvriendin nog dat van een welvoorziene winkel, midden in de markt van de kooplieden. Want zo luidde het noodlot dat van zijn geboorte af op zijn voorhoofd geschreven stond. Dit dan wat hem betreft.

Wat de tweede, die Ali Baba heette, aangaat, luister! Daar hij van nature van alle eerzucht gespeend was en maar een bescheiden smaak had, met weinig tevreden was en er geen lede ogen op na hield, werd hij houthakker en begon een leven van sjouwerij en armoede. Maar ondanks alles wist hij, dank zij de lessen van de dure ondervinding, met zoveel spaarzaamheid te leven, dat hij wat geld opzij kon leggen dat hij verstandig gebruikte om een ezel te kopen, daarna twee ezels, vervolgens drie ezels. Hij begon met ze dagelijks met zich mee te voeren in het bos om ze daar met de takkenbossen en het brandhout te beladen die hij vroeger verplicht was zelf op zijn rug te dragen.

Welnu, toen hij op die wijze eigenaar van drie ezels geworden was, boezemde Ali Baba zoveel vertrouwen in aan de lieden van zijn gilde, allen arme houthakkers, dat een van hen er een eer in stelde hem zijn dochter ten huwelijk aan te bieden. De drie ezels van Ali Baba werden voor de rechter en de getuigen op het contract ingeschreven als enige bruidsschat en enige weduwgeld van het meisje, dat verder geen enkele uitzet of ook maar iets dergelijks in het huis van haar echtgenoot meebracht, aangezien ze een kind van arme lieden was. Doch armoede en rijkdom duren slechts een poos, terwijl God de Verhevene de eeuwig Levende is.

Dank zij de zegen des hemels, kreeg Ali Baba van zijn vrouw, de dochter van de houthakkers, kinderen als manen die hun Schepper zegenden. Hij leefde bescheiden in alle eerlijkheid met heel zijn familie, van de opbrengst van zijn takkenbossen en het brandhout die hij in de stad verkocht en hij wenste van zijn Schepper niets anders dan dit eenvoudige, rustige geluk.

Echter, op een dag onder de dagen toen Ali Baba bezig was hout te hakken in een kreupelbos dat nog maagdelijk van alle bijslagen was, en terwijl zijn drie ezels in afwachting van hun gewone vracht al grazend en al poepend niet ver van daar met een hoge borst rondwandelden, liet de klop van het noodlot zich voor Ali Baba in dat bos horen. Maar Ali Baba besefte dit niet, daar hij geloofde dat zijn noodlot al jarenlang bezig was zijn loop te volgen.

Eerst was het een dof gerommel in de verte, dat steeds sterker werd en snel naderbij kwam, om uiteindelijk duidelijk herkend te worden als het galop van vele paarden, wanneer je met het oor op de grond luisterde. Ali Baba, als vreedzaam man met een afkeer van avonturen en moeilijkheden, werd heel bang omdat hij zich alleen met zijn drie ezels als enige kameraden in deze eenzaamheid bevond. Zijn voorzichtigheid ried hem aan dadelijk boven in een grote en dikke boom te klimmen, die op de top van een heuveltje stond en het hele bos beheerste. Daar bovenin gezeten en tussen de takken verborgen, kon hij rustig afwachten wat er aan de hand zou zijn. Welnu, hij deed er goed aan! Want nauwelijks zat hij daar, of hij bemerkte een troep tot de tanden bewapende ruiters, die met flinke vaart de kant uitkwam waar hij zich bevond. Aan hun zwarte snoeten, aan hun ogen van pas gepoetst koper en aan hun baarden, wreedaardig in het midden gescheiden als de twee vleugels van aasgieren, kon hij wel merken dat zij struikrovers waren en banjers van de verschrikkelijkste soort. Ali Baba vergiste zich daar niet in. Toen zij vlak bij het rotsachtige heuveltje waren, waarboven Ali Baba onzichtbaar, maar zelf ziende en ineengedoken zat, stegen zij af op een teken van hun aanvoerder, een reus. Zij ontzadelden hun paarden en hingen elk daarvan een haverzak vol gerst, die achter het zadel op hun rug lag, om de hals en bonden ze met de halsters vast aan de naburige bomen, waarna zij hun eigen knapzakken losmaakten en die op hun eigen schouders laadden. Daar die knapzakken erg zwaar waren, liepen de rovers gebogen onder hun gewicht.

Allen gingen in goede orde onder Ali Baba langs, die ze gemakkelijk kon tellen en vaststelde dat ze met zijn veertigen waren, niet één meer, niet één minder. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 852e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Zo beladen kwamen zij aan de voet van een groot rotsblok dat onder aan het heuveltje lag, en bleven daar netjes in de rij staan. Hun aanvoerder die aan het hoofd van de rij stond, zette een ogenblik zijn zware zak op de grond, ging in zijn volle lengte tegenover dat rotsblok staan, richtte zich met daverende stem tot iemand of iets dat voor alle blikken onzichtbaar was en brulde: ‘Sesam, open u!’ Dadelijk ging het rotsblok wijd open.

Toen ging de aanvoerder van de struikrovers een beetje opzij om eerst zijn mannen langs hem heen te laten lopen. Toen zij allemaal binnen waren, laadde hij zijn zak weer op zijn rug en trad als laatste binnen. Daarop riep hij op een toon van een onherroepelijk commando: ‘Sesam, sluit u weer!’ Het rotsblok ging weer dicht en zag er zo verzegeld uit alsof de toverkunst van de rover het nooit door de kracht van zijn toverspreuk geopend had.

Bij het zien hiervan verbaasde Ali Baba zich zeer in zijn binnenste en hij zei bij zichzelf: ‘Als zij met hun kennis van de toverkunst maar niet mijn schuilplaats ontdekken en dan mijn lengte door mijn breedte heen slaan!’ Hij paste er wel voor op ook maar de kleinste beweging te maken ondanks al de ongerustheid die hem knelde wat betreft zijn ezels die maar voortgingen zich vrijelijk in het kreupelhout te vermeien.

Wat de veertig rovers betreft, na een tamelijk lang verblijf in de grot waarin Ali Baba hen had zien verdwijnen, gaven zij weer enig teken van hun terugkomst door een onderaards gerommel dat veel weg had van een verre donder. Uiteindelijk ging de rots weer open om het veertigtal met hun aanvoerder aan het hoofd en hun lege knapzakken in de hand, door te laten. Ieder van hen keerde naar zijn paard terug, zadelde het opnieuw en sprong er boven op, na de knapzak aan het zadel bevestigd te hebben. Vervolgens keerde de aanvoerder zich naar de opening van de grot en sprak luidkeels de formule uit: ‘Sesam, sluit u weer!’ De twee helften van de rots voegden zich weer samen en versmolten zonder enig spoor van een opening over te laten. Met hun koolzwarte gezichten, met hun varkensbaarden, hervatten zij allen de weg die zij gekomen waren. Dit dan wat hen betreft.

Maar wat Ali Baba aangaat, de voorzichtigheid die hem onder de gaven van God ten deel gevallen was, noopte hem nog even in zijn schuilplaats te blijven ondanks zijn verlangen om zijn ezels weer op te gaan zoeken. Hij zei bij zichzelf: ‘Die verschrikkelijke, diefachtige rovers kunnen best onverwachts, omdat zij iets in hun grot vergeten hebben, op hun schreden terugkeren en mij hier ter plaatse verrassen. Dan, ach Ali Baba, zul je pas zien wat het een arme duivel zoals jij gaat kosten dat hij de weg kruist van zulke machtige heerschappen!

Na zo nagedacht te hebben, stelde Ali Baba zich dus tevreden met de angstwekkende ruiters enkel maar met de ogen te volgen, tot zij uit het gezicht verdwenen waren. Pas lang nadat zij niet meer te zien waren en een geruststellende stilte in het bos was weergekeerd, besloot hij eindelijk uit zijn boom omlaag te klauteren en zelfs toen nog met duizend voorzorgen, terwijl hij zich naar rechts en naar links wendde naarmate hij een hogere tak verliet voor een lagere.

Toen hij eindelijk op de grond stond, stapte Ali Baba naar de bewuste rots, maar heel behoedzaam en op zijn tenen, terwijl hij zijn adem inhield. Hij had eigenlijk eerst zijn ezels willen gaan opzoeken om zich daarover gerust te stellen, aangezien ze heel zijn fortuin en het brood van zijn kinderen uitmaakten, maar een ongekende nieuwsgierigheid was in zijn hart ontstoken door alles wat hij boven in zijn boom gezien en gehoord had. Verder was het zijn noodlot dat hem onweerstaanbaar tot dat avontuur dreef.

Welnu, toen hij voor de rots aangekomen was, onderzocht Ali Baba deze van boven tot onder en merkte dat hij glad was en zonder enige oneffenheid waarin hij ook maar de punt van een naald had kunnen steken. Hij zei bij zichzelf: ‘Toch zijn die veertig daar ingestapt en heb ik ze toch met mijn eigen ogen daarin zien verdwijnen. Ach God! Wat handig! Wie zal zeggen wat zij in die grot zijn gaan doen die door allerlei talismans is afgesloten, maar waar ik geen stom woord van ken!’ Verder dacht hij: ‘Bij God, ik heb echter de formule voor het opendoen en de formule voor het sluiten goed onthouden. Als ik die eens een beetje probeerde, alleen maar om te zien of ze uit mijn mond dezelfde macht hebben als uit die van die ontzaglijke reus van een bandiet!’ Hij vergat dus zijn vroegere bangelijkheid en door de stem van het noodlot gedreven, wendde Ali Baba de houthakker zich tot de rots en zei: ‘Sesam, open u!’ Hoewel die drie magische woorden met een weinig zekere stem werden uitgesproken, spleet het rotsblok uiteen en ontstond er een ruime doorgang. In uiterste ontsteltenis had Ali Baba het liefst dat alles de rug willen toekeren om zijn benen in de wind te slaan, maar de kracht van zijn noodlot liet hem onbeweeglijk blijven voor de opening en dwong hem daarin te kijken. In plaats van daarbinnen een grot vol duisternis en verschrikking te zien, zag hij tot zijn grote verbazing een lange galerij voor zich die op gelijke hoogte in een ruime zaal uitkwam die met haar gewelf in de steen zelf was uitgehouwen en ruimschoots licht ontving uit openingen die boven in de hoeken waren aangebracht. Hij besloot voetje voor voetje de galerij in te gaan die op het eerste gezicht niets bijzonder afschrikwekkends had. Hij sprak dus de verzoenende formule: ‘In naam van God, de Genadige, de Barmhartige!’ uit, die hem uiteindelijk sterkte en zonder al te zeer te beven, liep hij voort tot in de zaal met het gewelf. Zodra hij daar aangekomen was, zag hij hoe de twee helften van het rotsblok zich weer geruisloos samen voegden en de opening volledig afsloten, wat niet naliet hem desondanks ongerust te maken, aangezien standvastigheid van moed niet bepaald zijn kracht was. Hoe dan ook, hij geloofde dat hij voortaan dank zij de toverformule alle deuren wel vanzelf kon laten opengaan. Toen besloot hij maar eens in alle rust te gaan kijken naar wat er te zien viel.

Hij zag langs alle muren tot aan het gewelf opgehoopt, stapels en stapels kostelijke koopwaren, balen zijden en brokaten stoffen, zakken met mondvoorraad, en grote koffers tot aan de rand gevuld met muntgeld en andere vol zilveren staven en weer andere volgepropt met gouden dinar en goud in baar, rij aan rij. Alsof al die koffers en al die zakken niet voldoende waren om die opeengehoopte rijkdommen te bevatten, was zelfs de vloer bedekt met hopen goud, juwelen en goudsmeedwerken, zodat men niet wist waar zijn voet neer te zetten zonder op een of ander juweel te trappen of te struikelen over een of ander stapeltje fonkelende dinar. Ali Baba die van zijn levensdagen de echte kleur van goud nooit gezien, of zelfs de geur ervan gekend had, verbaasde zich over dit alles tot aan de uiterste grens van de verbazing. Bij het zien van die willekeurig, zoals ze binnengekomen waren, opeengehoopte schatten en die talloze rijkdommen, waarvan het geringste al een koningspaleis maar al te zeer versierd zou hebben, zei hij bij zichzelf, dat deze grot geen jaren, maar al eerder, dienst gedaan moest hebben als opslagplaats en tevens als toevluchtsoord voor generaties van dieven en zoons van dieven, de nazaten van de plunderaars van Babylon.

Toen Ali Baba een beetje van zijn verbazing bekomen was, zei hij bij zichzelf: ‘Bij God, ach Ali Baba, nu zie je hoe je noodlot een blank gezicht begint te krijgen en je naast je ezels en je takkenbossen midden in een goudbad gevoerd heeft zoals alleen maar koning Salomo en Alexander met de twee horens gekend hebben. Meteen leer je zo maar de toverformules en je maakt gebruik van hun kracht en je laat de rotsdeuren en de fabelachtige grotten voor je open gaan, ach gezegende houthakker! Dat is een grote genade van de Weldoener die je zo meester maakt over rijkdommen die door de misdaden van geslachten van rovers en bandieten opgestapeld werden. Wanneer dat alles gebeurd is, dan is het zeker dat je voortaan met je familie voor alle nood bewaard zult zijn door van het goud van diefstal en plundering een goed gebruik te maken.

Na door deze redenering het met zijn geweten op een akkoordje gegooid te hebben, boog die stakker van een Ali Baba zich naar een van de zakken met mondvoorraad, leegde deze van zijn inhoud en vulde hem met niets dan gouden dinar en andere gouden muntstukken, zonder naar de zilveren en de overige kostbare voorwerpen meer om te kijken. Hij laadde de zak op zijn schouders en bracht hem tot aan het einde van de galerij. Daarop kwam hij in de overwelfde zaal terug en vulde op dezelfde manier een tweede zak, vervolgens een derde en nog verscheidene andere zakken, zoveel als hij maar dacht dat zijn drie ezels konden dragen zonder te bezwijken. Na dit gedaan te hebben, wendde hij zich tot de ingang van de grot en sprak: ‘Sesam, open u!’

Ogenblikkelijk gingen de twee vleugels van de rotsdeur in hun volle breedte open en Ali Baba ging vlug zijn ezels ophalen en liet ze tot bij de ingang komen. Hij laadde de zakken op hun rug en verborg ze zorgvuldig, door er takkenbossen bovenop te leggen. Toen hij met dit karweitje klaar was, sprak hij de sluitingsformule uit en dadelijk voegden de beide helften van het rotsblok zich weer samen.

Nu begon Ali Baba zijn twee met goud beladen ezels voor zich uit te drijven door ze met een stem vol eerbied aan te sporen en volstrekt niet meer door ze met vloeken en luid klinkende verwensingen te overladen, zoals hij hun gewoonlijk toevoegde wanneer ze met hun poten draalden. Want als Ali Baba evenals alle ezeldrijvers zijn beesten toesprak met namen als: ‘Ach religie van het lid!’ of ‘de religie van je zus!’ of ‘zoon van een flikker!’ of ‘zaakje van een koppelaarster!’ dan was het stellig niet om ze te beledigen, want hij hield niet minder van hen dan van zijn eigen kinderen, maar dan was het eenvoudig om hen tot rede te brengen. Doch ditmaal voelde hij dat hij ze in alle rechtvaardigheid dergelijke benamingen niet kon aandoen terwijl ze op hun lijven meer goud droegen dan er in de geldkist van de sultan zat. Zonder ze verder lastig te vallen, hervatte hij met hen de weg naar de stad. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 853e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Welnu, toen ze voor zijn huis aankwamen, vond Ali Baba de poort aan de binnenkant met een dikke klink gesloten en hij dacht bij zichzelf: ‘Als ik eens hierop de kracht van de toverformule probeerde?’ Dus zei hij: ‘Sesam, open u!’ Dadelijk ging de poort wijd open, terwijl de klink losschoot. Zonder op een andere wijze zijn aankomst aan te kondigen, trad Ali Baba met zijn ezels de kleine binnenplaats van zijn huis binnen. Zich tot de poort wendend, zei hij: ‘Sesam, sluit u weer!’ Vanzelf draaiend viel de poort geruisloos in de klink terug.

Op die wijze raakte Ali Baba ervan overtuigd dat hij voortaan de bezitter was van een onvergelijkelijk geheim dat een mysterieuze macht behelsde die hij verkregen had zonder dat het hem iets anders gekost had dan de voorbijgaande opwinding die aan de afschrikwekkende snuiten van de veertig rovers en de woeste aanblik van hun aanvoerder te wijten geweest was.

Toen de vrouw van Ali Baba de ezels op de binnenplaats ontdekte en Ali Baba bezig zag ze af te laden, snelde ze toe en sloeg van verbazing haar handpalmen tegen elkaar, terwijl zij uitriep: ‘Ach mens, hoe heb je het aangelegd om de poort open te maken die ikzelf op de klink gedaan heb? Gods naam over ons allen! Wat breng je op deze gezegende dag mee in die dikke zakken die zo zwaar zijn als ik ze nog nooit in huis gezien heb!’

Zonder op de eerste vraag te antwoorden, zei Ali Baba: ‘Die zakken komen tot ons vanwege God, ach vrouw. Maar kom jij mij eerst maar eens helpen ze het huis binnen te brengen in plaats van mij lastig te vallen met vragen over poorten en klinken.’

Ali Baba’s echtgenote onderdrukte haar nieuwsgierigheid en kwam hem helpen om de zakken op zijn rug te laden en ze de een na de ander het huis binnen te brengen. Daar zij ze elke keer betastte, voelde zij dat ze geld bevatten en ze dacht dat het geld stellig oude koperen munten moesten zijn of iets in die geest. Die ontdekking, hoewel zeer onvolledig en ver bezijden de waarheid, veroorzaakte een grote ongerustheid in haar gemoed. Uiteindelijk raakte zij ervan overtuigd dat haar echtgenoot zich verbonden moest hebben met dieven of dergelijk gespuis, want hoe was anders de aanwezigheid van zoveel zware zakken vol geld te verklaren? Toen alle zakken naar binnen gebracht waren, kon zij zich dan ook niet langer meer inhouden, en met een plotselinge uitbarsting begon zij zich met beide handen op de wangen te slaan, haar kleren te verscheuren en uit te roepen: ‘Ach ramp over ons! Ach onherroepelijk verlies voor onze kinderen! Ach galg!’

Ali Baba raakte van het horen van die kreten en jammerklachten van zijn vrouw uitermate verontwaardigd en hij schreeuwde haar toe: ‘De galg in je oog, ach vervloekte! Wat heb je toch om zo’n keel op te zetten? Waarom wil je de kastijding van de dieven over onze hoofden afroepen?’ Ze sprak: ‘Ongeluk zal ons huis binnenkomen met die geldzakken, ach zoon van mijn oom. Bij mijn leven over je, haast je ze weer op de ezelsruggen te laden en ze ver van hier te brengen, want mijn hart is niet gerust zo lang ik ze in ons huis weet!’

 

Hij antwoordde: ‘God verdoeme de vrouwen die van alle oordeel gespeend zijn! Ik zie wel, ach dochter van mijn oom, dat je je inbeeldt dat ik die zakken gestolen heb. Welnu, help jezelf uit de droom en verkwik je ogen, want wij hebben ze gekregen van de Weldoener die mij vandaag mijn noodlot in het woud heeft doen ontmoeten. Overigens zal ik je vertellen hoe deze ontmoeting zich heeft toegedragen, maar niet voordat ik die zakken leeggemaakt heb om je de inhoud daarvan te laten zien.’

Terwijl hij de zakken bij hun uiteinde vastpakte, schudde Ali Baba ze de een na de ander op de vloermat leeg. De stapels goud rolden welluidend omlaag terwijl ze duizend vonken schoten in de armoedige kamer van de houthakker. Ali Baba die triomfeerde, nu hij zijn vrouw verblind zag door dit schouwspel, ging op de hoop goud zitten, trok zijn benen onder zijn lijf op en zei: ‘Luister nu, ach vrouw!’ Hij deed haar het verhaal van zijn avontuur, van het begin tot het einde, zonder een bijzonderheid over te slaan. Maar het heeft volstrekt geen nut dit te herhalen.

Toen de vrouw van Ali Baba het verhaal van zijn avontuur had aangehoord, voelde zij de schrik in haar hart plaats maken voor een grote vreugde en zij verblijdde en verkneukelde zich en zei: ‘Ach dag van melk, ach dag van blankheid! Lof zij God die de ondeugdelijk verkregen rijkdommen van die veertig bandieten en straatrovers ons huis heeft doen binnenkomen, en die op die wijze wettig gemaakt heeft wat onwettig was. Hij is de Edelmoedige, de Weldoener!’ Zij stond direct op en ging op haar hurken voor de stapel goud zitten en begon plichtsgetrouw één voor één de talloze dinar-munten te tellen.

Maar Ali Baba begon te lachen en zei haar: ‘Wat doe je daar, ach stakker? Hoe kun je eraan denken dat alles te gaan tellen? Sta liever op en kom me helpen een gat in onze keuken te graven om zo vlug mogelijk dat goud daarin te stoppen en zo alle sporen ervan te laten verdwijnen. Anders lopen wij groot gevaar ons de hebzucht van onze buren en van de politiehoofden op de hals te halen.’

Maar de vrouw van Ali Baba die van orde in alle dingen hield en die er op stond zich een juist denkbeeld te vormen van de hoeveelheid van de rijkdommen die hun op die gezegende dag ten deel viel, antwoordde: ‘Stellig niet, ik wil geen tijd verliezen met het goud te tellen. Maar ik kan het niet laten begraven zonder het op z’n minst gewogen of gemeten te hebben. Daarom smeek ik je, ach zoon van mijn oom, mij tijd te geven ergens in de buurt een houten maat te gaan halen. Dan zal ik afmeten, terwijl jij het gat graaft. Op die manier zullen wij ons goed bewust zijn van wat wij uit noodzaak of uit overdaad aan onze kinderen kunnen besteden.’

Hoewel deze voorzorg hem op zijn minst genomen overbodig toescheen, wilde Ali Baba zijn vrouw niet dwarsbomen bij een gelegenheid van zoveel vreugde voor hen allen en hij zei tegen haar: ‘Het zij zo, maar ga en kom vlug terug en pas er vooral goed op dat je ons geheim niet rondstrooit of er ook maar het geringste woord over zegt!’

De vrouw van Ali Baba ging dus op zoek naar de bewuste maat en dacht dat het het kortst zou duren wanneer zij er één ging vragen aan de vrouw van Kasim, de broer van Ali Baba, van wie het huis niet ver daar vandaan stond. Zij ging bij de echtgenote van Kasim binnen, die rijke vrouw vol verwaandheid, die zich nooit verwaardigde de arme Ali Baba noch zijn vrouw ooit op een maaltijd bij zich uit te nodigen, aangezien zij zonder fortuin of relaties waren, zij die nimmer het geringste suikerwerk aan de kinderen van Ali Baba gezonden had, zoals heel arme lieden voor de kinderen van andere heel arme lieden plegen te kopen. Na de beleefdheidbegroetingen, vroeg zij haar hun voor een paar ogenblikjes een houten maat te willen lenen.

Toen de vrouw van Kasim dit woordje maat hoorde, verbaasde zij zich uitermate. Want zij wist dat Ali Baba en zijn vrouw heel arm waren en zij kon niet begrijpen waarvoor zij dit voorwerp dachten te gebruiken waarvan zich gewoonlijk alleen de eigenaars van grote graanvoorraden bedienden, terwijl de overigen zich ermee tevreden stelden hun dagelijks of wekelijks koren bij de graanhandelaar te kopen. Hoewel zij in andere omstandigheden het haar ongetwijfeld geweigerd zou hebben, onder onverschillig welk voorwendsel, voelde zij ditmaal teveel nieuwsgierigheid in haar binnenste prikkelen, om zich deze gelegenheid voorbij te laten gaan. Ze zei haar dus: ‘Moge God Zijn gunsten over jullie hoofden doen toenemen! Maar die maat, ach moeder van Ahmad, wil je die groot of klein?’ Zij antwoordde: ‘Liefst klein, ach beste meesteres!’ De vrouw van Kasim ging de bewuste maat halen.

Welnu, die vrouw was niet voor niets een verkoopproduct van koppelarij, moge God Zijn genade weigeren over producten van dit soort en alle haaibaaien verdoemen, want daar zij tot elke prijs wilde weten welke soort graan haar arme bloedverwanten gingen afmeten, beraamde zij een list zoals de hoerendochters die steeds in de vingers hebben. Zij ging immers wat pek halen en smeerde daarmee eigenhandig de bodem van de maat van onderen in, aan de kant waar dit voorwerp op staat. Daarop kwam zij bij haar bloedverwante terug met verontschuldigingen dat zij haar had laten wachten en stelde haar de maat ter hand.

De vrouw van Ali Baba vloeide over van dankbetuigingen en haastte zich naar huis terug te gaan. Daar begon zij met de maat midden op de stapel goud te zetten en zij begon met hem te vullen en hem een beetje verder leeg te storten, terwijl zij op de muur met een stukje houtskool telkens een zwart streepje trok wanneer zij de maat leeggoot. Juist toen zij met haar werk klaar was, kwam Ali Baba terug, die van zijn kant ook gereed was met het graven van een gat in de keuken.

Zijn vrouw liet hem de houtskoolstreepjes aan de wand zien, terwijl zij jubelde van vreugde en aan hem de zorg overliet om al het goud te begraven om zelf in allerijl de maat aan de ongeduldige vrouw van Kasim terug te bezorgen. Zij wist niet, de stakker, dat een gouden dinar onder aan de maat was blijven kleven, dank zij het pek van de gemeenheid. Zij gaf dus de maat aan haar rijke bloedverwante, dat stuk koopwaar van een koppelaarster, terug en bedankte haar zeer met de woorden: ‘Ik heb stipt tegenover je willen zijn, ach beste meesteres, opdat je goedheid een andere maal ten opzichte van mij niet ontmoedigd wordt.’

Zij ging haars weegs. Dit dan wat de vrouw van Ali Baba betreft. Wat de echtgenote van Kasim, dat geslepen wijf, aangaat kon zij nauwelijks afwachten dat haar bloedverwante de rug gekeerd had, om de houten maat ondersteboven te draaien en aan de onderkant te kijken. Zij raakte in de uiterste verbazing toen zij een goudstuk in het pek geplakt zag in plaats van het een of andere korreltje bonen, gerst of haver. De huid van haar gezicht werd saffraan en van heel donker teer de kleur van haar ogen. Haar hart versteende van jaloezie en verslindende afgunst. Zij riep uit: ‘Verwoesting over hun woning! Sinds wanneer hebben die ellendelingen zo maar goud bij maatjes en vrachten?’ In de onuitsprekelijke woede waarin zij verkeerde, kon zij niet wachten tot haar man uit zijn winkel terug was, maar zij zond haar dienstbode om hem in allerijl te gaan halen.

Zodra Kasim buiten adem over de drempel van zijn huis was, ontving zij hem met woedende uitroepen alsof zij hem verrast had terwijl hij bezig was de een of andere jeugdige knaap te bewerken.

Welnu, zonder hem de tijd te laten onder deze storm tot zichzelf te komen, hield zij hem de bewuste gouden dinar onder de neus en schreeuwde hem toe: ‘Zie je dit?! Welnu, het is niets anders dan het overschot van die ellendelingen! Ach, je gelooft dat je rijk bent en je wenst jezelf dagelijks geluk dat je een winkel en klanten hebt, terwijl je broer maar drie ezels als zijn deel heeft! Help jezelf uit de droom, ach sjeik! Want Ali Baba, die houthakker, die holbuik, die kale neet, stelt zich niet tevreden met zijn goud te tellen zoals jij, hij meet het bij maatjes af! Bij God, hij meet het af zoals de graanhandelaar met zijn graan doet!’

In een onweer van woorden, kreten en uitroepen bracht zij hem op de hoogte van de zaak en legde zij hem uit van welke list zij zich bediend had om de ontstellende ontdekking van Ali Baba’s rijkdom te doen. Zij ging voort: ‘Dat is nog niet alles, ach sjeik! Nu is het aan jou om de bron te ontdekken van het vermogen van je ellendige broer, die vervloekte huichelaar, die armoede voorwendt en het goud bij maten en armvrachten vol om zich heen smijt!’ Bij het horen van die woorden van zijn vrouw twijfelde Kasim niet meer of de rijkdom van zijn broer was werkelijkheid. Verre van zich gelukkig te voelen dat hij de zoon van zijn vader en zijn moeder voortaan van alle nood bevrijd wist en zich in zijn geluk te verheugen, kreeg hij er een zwartgallige jaloezie door en voelde hij zijn galblaas van afgunst barsten. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 854e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Hij stond dadelijk en op hetzelfde ogenblik op en liep naar zijn broer om met eigen ogen te zien wat er te zien viel.

Daar trof hij Ali Baba aan die zijn houweel nog in de hand had en juist klaar was met het begraven van zijn goud.

Zonder hem de begroetingen te geven en zonder hem bij zijn naam of zijn voornaam te noemen of hem zelfs maar als zijn broer te behandelen. Die nauwe verwantschap was hij vergeten sinds hij het rijke product van de koppelaarster getrouwd had. Hij liep op hem toe en zei: ‘Ach, speel je zo de gereserveerde en de achterbakse met ons, ach vader van de ezels! Ja, ga maar door met te doen alsof je arm en ellendig bent en de bedelaar tegenover de mensen te spelen om in je vlooien- en luizenhol het goud bij maatjes te meten zoals de graanhandelaars hun graan!’

Bij het horen van die woorden raakte Ali Baba uiterst verward en verbijsterd, volstrekt niet omdat hij gierig of hebberig was, maar omdat hij de slechtheid vreesde en de begerigheid van het oog van zijn broer en de vrouw van zijn broer. Hij antwoordde: ‘Bij God over jou, ik weet niet precies waar je op zinspeelt. Haast je dus liever je nader uit te drukken en ik zal niet aan oprechtheid noch goede gevoelens tegenover je tekort schieten, hoewel je sinds jaren en jaren de bloedbanden vergeten bent en je je gezicht afwendt van het mijne en dat van mijn kinderen.’

Toen zei de heerszuchtige Kasim: ‘Over dit alles gaat het niet, Ali Baba! Het gaat er alleen maar om dat je niet zo onwetend tegen mij doet, want ik weet al wat je voor me verborgen wilt houden.’ Hij toonde hem de gouden dinar die nog met pek besmeerd was en zei hem terwijl hij hem boos aankeek: ‘Hoeveel maatjes dinar net als deze heb je op je zolder, ach sjeik? En waar heb je zoveel goud gestolen, ach schande van ons huis?’

Daarop verklaarde hij hem in enkele woorden hoe zijn vrouw de onderkant van de maat die zij hun geleend had, met pek had ingesmeerd en hoe dit goudstuk daaraan was blijven kleven.

Toen Ali Baba deze woorden van zijn broer vernam, begreep hij dat de fout nu eenmaal gemaakt was en niet meer hersteld kon worden. Zonder zich dan ook langer te laten ondervragen en zonder zijn broer ook maar het minste teken van verbazing of ergernis te tonen dat hij ontdekt was, zei hij: ‘God is edelmoedig, ach beste broer! Hij zendt Zijn gaven zelfs voordat wij ze verlangen. Hij zij geprezen!’ Hij vertelde hem in alle bijzonderheden zijn avontuur in het woud, zonder hem echter met de toverspreuk bekend te maken. Hij ging voort: ‘Wij zijn, ach beste broer, van dezelfde vader en van dezelfde moeder. Daarom behoort alles wat van mij is ook aan jou toe en ik wil als je mij de gunst bewijst het aan te nemen, je de helft van het goud geven dat ik uit de grot heb meegebracht.’

Maar de slechte Kasim, van wie de hebzucht de zwartheid zelf benaderde, antwoordde: ‘Stellig, zo vat ik het ook op. Maar ik wil eveneens weten hoe ik zelf die rotsen zou kunnen binnentreden als ik daar zin in krijg. Ik waarschuw je mij vooral niet in dit opzicht te bedriegen, anders ga ik je op stel en sprong bij het gerecht aangeven als medeplichtige van de dieven. Bij zulk een vennootschap kun je alleen maar verliezen.’

Indachtig het lot van zijn vrouw en zijn kinderen, wanneer hij zou worden aangegeven en nog meer door zijn toegeeflijke natuur dan door vrees voor de dreigementen van een broer, door een barbaarse ziel gedreven, openbaarde de goede Ali Baba hem toen de drie woorden van de toverspreuk, zowel voor het openen van de deur als voor het sluiten daarvan.

Zonder hem zelfs een woord van dank toe te voegen, verliet Kasim hem plotseling, vastbesloten zich helemaal in zijn eentje meester te gaan maken van de schat in de grot.

De volgende morgen, voor het aanbreken van de dag, vertrok hij dus naar het woud, terwijl hij tien muildieren voor zich uit dreef, beladen met grote koffers die hij van plan was te vullen met de opbrengst van zijn eerste ontdekkingstocht. Overigens was hij van plan om, wanneer hij zich eenmaal goed rekenschap gegeven had van de in de grot opgestapelde voorraden en rijkdommen, een tweede reis te gaan maken met een nog groter aantal muildieren en zelfs zo nodig met een hele karavaan kamelen. Hij volgde in alle onderdelen de aanwijzingen van Ali Baba, die zijn goedheid zover gedreven had dat hij zich zelfs als gids had aangeboden maar die hardvochtig verdreven was door twee paar wantrouwige ogen van Kasim en zijn echtgenote, dat product van koppelarij. Weldra kwam hij bij de voet van het rotsblok aan dat hij onder al de overige rotsen herkende aan het volkomen gladde uiterlijk en aan zijn top waarop een grote boom stond. Hij hief zijn beide armen naar de rots op en sprak: ‘Sesam, open u!’ De rots spleet eensklaps in het midden open.

Kasim die de muildieren al aan de bomen had vastgebonden, drong door in de grot waarvan de opening dadelijk achter hem dicht ging, dank zij de spreuk voor de sluiting. Welnu, hij wist niet wat hem daar wachtte.

Eerst was het een en al verblinding bij het zien van zoveel opeengestapelde rijkdommen, goud in staven en stapeltjes juwelen. Hij voelde een nog heviger verlangen om de eigenaar te worden van deze fabelachtige schat. Hij zag wel dat hij om alles hier mee te nemen, niet alleen een karavaan kamelen nodig zou hebben, maar alle kamelen bij elkaar die van de uiteinden van China tot aan de grenzen van Iran reizen. Hij zei bij zichzelf dat hij de volgende keer de nodige maatregelen zou treffen om een ware plunderexpeditie te organiseren, terwijl hij zich ditmaal tevreden stelde met zoveel zakken met gemunt goud te vullen als zijn tien muildieren maar dragen konden. Toen hij met dit werk klaar was, ging hij naar de galerij terug die uitkwam op de rots met de gesloten deur en hij riep uit: ‘Gerst, open u!’, want de verbijsterde Kasim van wie de geest volkomen in beslag genomen was door de ontdekking van deze schat, was het woord dat hij zeggen moest helemaal vergeten. Dit gebeurde zo tot zijn onherroepelijke verderf. Hij zei dus verschillende malen opnieuw: ‘Gerst, open u! Gerst, open u!’ Maar de rots bewoog zich niet. Toen zei hij: ‘Snijboon, open u!’ Maar geen enkele spleet ontstond. Kasim begon zijn geduld te verliezen en schreeuwde in één adem: ‘Rogge, open u!, Boekweit, open u!, Rijst, open u! Wikke, open u!’ Maar de granieten deur bleef dicht.

Kasim, aan de grens van de ontsteltenis toen hij bemerkte dat de deur gesloten bleef, omdat hij de spreuk kwijt was, begon voor de onbeweeglijke rots alle namen te noemen van granen en van alle verschillende soorten van korrels, die de hand van de Zaaier over het oppervlak der velden van het begin der wereld af geworpen heeft. Maar het graniet bleef onwrikbaar. Want de onwaardige broer van Ali Baba vergat onder al die korrels maar één korrel, precies die waaraan de toverkracht verbonden was: het geheimzinnige sesam. Zo verblindt, vroeg of laat en vaak eerder vroeg dan laat, het noodlot immers het geheugen van de bozen, berooft hen van alle doorzicht en ontneemt hun gezicht en gehoor op bevel van de Grenzeloos Machtige. De Profeet, over Hem de zegeningen en de meest uitgezochte begroeting!, heeft, sprekende van de slechten, gezegd: ‘God zal hun de gave van Zijn helderheid ontnemen en hen in duisternis laten rondtasten. Blind, doof en stom zullen zij dan niet meer op hun stappen kunnen terugkeren!’ Zo heeft de Afgezant, moge God Hem in Zijn beste genade houden!, van hen gezegd: ‘Voor altijd zijn hun harten en hun oren met het zegel van God gesloten en hun ogen met een band geblinddoekt. Hun is een verschrikkelijke foltering voorbehouden!’

Toen dus de slechte Kasim, die volstrekt niet op deze noodlottige gebeurtenis verdacht geweest was, zag, dat hij de goede spreuk niet meer machtig was, begon hij zijn hersens te pijnigen om haar terug te vinden. Dat was volkomen nutteloos want zijn geheugen was de tovernaam voorgoed kwijtgeraakt.

Aan angst en woede ten prooi liet hij toen de zakken vol goud daar staan en begon de grot in alle richtingen te doorlopen, op zoek naar de een of andere uitgang. Maar overal vond hij slechts wanhopig gladde muren van graniet. Als een wild beest of een kameel in de bronst begon hij te schuimbekken met een schuim van kwijl en bloed en hij beet zich op de vingers van wanhoop. Maar dat was nog lang niet al zijn straf, want hij had nog te sterven, wat niet lang op zich zou laten wachten! Inderdaad kwamen op het middaguur de veertig rovers volgens hun dagelijkse gewoonte naar de grot terug. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 855e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Daar zagen zij de tien muildieren met grote koffers beladen en aan de bomen vastgebonden. Op een teken van hun aanvoerder trokken zij dadelijk woedend van leer en lieten hun paarden met gevierde teugel naar de ingang van de grot snellen. Daarop sprongen zij op de grond en begonnen overal rondom het rotsblok te zoeken om de man te vinden van wie die muildieren konden zijn. Maar daar hun nasporingen op niets uitliepen, besloot de aanvoerder de grot binnen te gaan. Hij hief dus zijn sabel naar de onzichtbare deur, terwijl hij de spreuk uitsprak, en de rots verdeelde zich in twee helften die beide in tegengestelde richting uiteen weken. Welnu, de opgesloten Kasim die de paarden en de uitroepen van verbazing en woede en boosheid van de gemene rovers gehoord had, twijfelde niet langer aan zijn onherroepelijk einde. Doch daar zijn ziel hem dierbaar was, wilde hij toch trachten haar te behouden. Hij dook dus in een hok weg, gereed om zich bij de eerste de beste gelegenheid naar buiten te storten. Zodra het woord sesam was uitgesproken en hij het onder vervloeken van zijn slechte geheugen gehoord had en zodra hij de opening zag ontstaan, stormde hij dan ook naar buiten, als een ram met gebogen hoofd en zo hevig en met zo weinig onderscheidingsvermogen, dat hij tegen de aanvoerder van de veertig zelf opbotste, die in zijn volle lengte over de grond rolde. Maar in zijn val trok de verschrikkelijke reus Kasim met zich mee en duwde hem zijn ene hand in de mond en zijn andere in de buik. Op hetzelfde ogenblik grepen de andere rovers, die te hulp gesneld waren, alles wat zij maar grijpen konden van de aanvaller, de indringer, en hakten met hun sabels in op wat zij maar te pakken kregen. Zo werd Kasim in minder dan een oogwenk in benen, armen, kop en romp verdeeld en blies hij zijn laatste adem uit voordat hij wist wat hem overkwam. Want zo was zijn noodlot. Dit dan wat hem betreft!

Wat de rovers aangaat, zodra zij hun sabels hadden afgeveegd, gingen zij hun grot binnen en vonden vlak bij de uitgang de zakken opgesteld die Kasim klaargezet had. Zij haastten zich deze weer leeg te storten op dezelfde plaats waar zij gevuld waren en bemerkten niets van de hoeveelheid die nog ontbrak en die Ali Baba had meegenomen.

Daarop gingen zij in een kring zitten om te beraadslagen en zij redeneerden lang en breed over het voorval. Maar onbekend als zij waren met het feit dat Ali Baba hen bespioneerd had, konden zij maar niet begrijpen hoe iemand bij hen had kunnen binnendringen. Zij weigerden nog langer na te denken over een waarom dat geen daarom bezat. Na hun nieuwe aanwinst te hebben uitgeladen en een beetje rust genomen te hebben, gaven zij er de voorkeur aan hun grot te verlaten en weer te paard te stijgen om de wegen onveilig te gaan maken en de karavanen te gaan beroven. Het waren namelijk actieve mannen die niet van lange redeneringen en veel woorden hielden. Maar wij zullen ze wel weer tegenkomen als het ogenblik daartoe is aangebroken.

Welnu, luister dan naar wat er op dit alles volgde.

In de eerste plaats de echtgenote van Kasim! Ach, dat vervloekte wijf, zij was de oorzaak van de dood van haar man, die overigens zijn einde best verdiende! Het was immers de gemeenheid van die uitvindster van het klevende pek die het uitgangspunt werd van de moordpartij aan het slot. Daar ze er niet aan twijfelde dat hij weldra terug zou zijn, had zij een bijzonder maal klaargemaakt om hem te onthalen, maar toen zij zag dat de nacht was aangebroken en er geen Kasim was, noch de schaduw van Kasim, noch zelfs de reuk van Kasim, werd zij hoogst ongerust, volstrekt niet omdat zij bovenmate veel van hem hield, maar omdat hij onontbeerlijk was voor haar leven en haar hebzucht.

Toen haar ongerustheid tot de hoogste grens gestegen was, besloot zij dan ook Ali Baba te gaan opzoeken, zij die tot dusver zich nooit had willen verlagen om de drempel van zijn huis te overschrijden, die hoerendochter! Met een gemaakt gezicht ging zij naar binnen en zei tegen Ali Baba: ‘De begroeting over je, ach uitverkoren broer van mijn echtgenoot! Broers zijn iets aan hun broers verplicht en vrienden aan hun vrienden. Welnu, ik kom je smeken mij gerust te stellen over het lot van je broer die, zoals je weet, naar het bos gegaan is en die ondanks de vergevorderde nacht nog niet is teruggekeerd. Bij God over je, ach gezicht van zegening, haast je te gaan kijken wat hem in het bos is overkomen!’

Ali Baba die erom bekend stond dat hij een medelijdende ziel bezat, deelde de bezorgdheid van de vrouw van Kasim en zei haar: ‘Moge God de onheilen van het hoofd van je man afwenden, beste zus! Had Kasim maar even naar mijn broederlijke raad willen luisteren en mij als gids met hem meegenomen! Maar verontrust je niet al te zeer over zijn wegblijven. Ongetwijfeld heeft hij gemeend dat het verstandig zou zijn de stad niet binnen te komen vóór middernacht, om niet de aandacht van voorbijgangers te trekken.’

Welnu, dat was heel waarschijnlijk. In werkelijkheid was Kasim echter allang niet meer Kasim, maar bestond hij uit zes partjes Kasim: twee armen, twee benen, een romp en een kop, die door de rovers binnen in de galerij achter de rotsdeur zelf waren neergezet, opdat ieder die de verboden drempel zou durven overschrijden, door hun aanblik zou ontstellen en door hun stank afgeschrikt zou worden. Ali Baba stelde dus zo goed hij kon de vrouw van zijn broer gerust en liet haar inzien dat alle nasporingen tot niets zouden leiden zolang het nog stikdonker was. Hij nodigde haar in alle hartelijkheid uit de nacht in hun gezelschap door te brengen. De vrouw van Ali Baba liet haar in haar eigen bed slapen, terwijl Ali Baba haar verzekerde dat hij bij het krieken van de dag onmiddellijk naar het bos zou gaan.

Inderdaad, zodra het eerste schijnsel van de dageraad verscheen, stond de voortreffelijke Ali Baba al op de binnenplaats van zijn huis bij zijn drie ezels. Daarmee vertrok hij dadelijk, na de vrouw van Kasim op het hart gedrukt te hebben haar droefheid te matigen en zijn eigen vrouw aangespoord te hebben haar te verzorgen en het haar aan niets te laten ontbreken.

Welnu, toen hij de rots naderde, was Ali Baba, toen hij de muildieren van Kasim niet zag, wel verplicht zichzelf te bekennen dat er iets ernstigs gebeurd moest zijn, temeer daar hij niets in het bos was tegengekomen. Zijn ongerustheid nam nog toe, toen hij de grond aan de voet van het rotsblok met bloed bevlekt zag. Het was dan ook niet zonder grote ontroering dat hij de drie toverwoorden voor het opendoen uitsprak en de grot binnenging. Het schouwspel van de zes parten van Kasim ontstelde zijn blikken en deed zijn knieën knikken. Het scheelde niet veel of hij was op de grond flauw gevallen. Maar de gevoelens die hij voor zijn broer koesterde, lieten hem zijn ontroering te boven komen en hij aarzelde niet om al het mogelijke te doen en te trachten de laatste plichten ten aanzien van zijn broer te vervullen, die uiteindelijk toch een Moslim was en zoon van dezelfde vader en dezelfde moeder. Hij haastte zich in de grot twee grote zakken te nemen, waarin hij de zes parten van zijn broer stopte, de romp in de ene en de kop met de vier ledematen in de andere zak. Hij laadde die op één van zijn ezels en bedekte ze zorgvuldig met gekapt hout en takken. Daarop zei hij bij zichzelf dat, nu hij eenmaal hier was, het toch wel de moeite waard was gebruik te maken van de gelegenheid om nog een paar zakken goud mee te nemen om zijn ezels niet onverrichter zake te laten terugkeren. Hij belaadde dus de twee andere ezels met zakken vol goud, met hout en bladeren daar bovenop, net als de eerste keer. Nadat hij de rotsdeur weer bevolen had zich te sluiten, nam hij weer de weg naar de stad, terwijl hij inwendig het treurig einde van zijn broer beweende.

Welnu, zodra hij op de binnenplaats van zijn huis was aangekomen, riep Ali Baba de slavin Morgane om hem te helpen de ezels af te laden. Morgane nu was een jong meisje dat Ali Baba en zijn vrouw als kind hadden opgenomen en met dezelfde zorg en dezelfde liefde hadden grootgebracht alsof zij hun eigen dochter was. Zij was in hun huis opgegroeid, terwijl zij haar aangenomen moeder in de huishouding hielp en het werk van tien man deed. Bij dit alles was ze aangenaam, zachtaardig, handig, verstandig en vruchtbaar in het uitvinden van middelen om de neteligste kwesties op te lossen en de lastigste dingen te doen slagen.

Zodra zij dan ook naar beneden gekomen was, begon zij met de handen van haar aangenomen vader uit eerbied te kussen en wenste hem welkom zoals zij gewend was te doen, elke keer dat hij naar huis terugkeerde. Ali Baba zei haar: ‘Ach Morgane, mijn dochter, vandaag zul je me bewijzen moeten geven van je slimheid, je toewijding en je verstand.’ Hij vertelde haar het noodlottig einde van zijn broer en ging voort: ‘Nu ligt hij daar in zes stukken op de derde ezel. Terwijl ik naar boven ga om het droevige nieuws aan zijn arme weduwe te vertellen, moet jij nadenken over een middel om hem te laten begraven alsof hij een natuurlijke dood gestorven was, zonder dat iemand aan de waarheid kan twijfelen.’ Zij antwoordde: ‘Ik luister en gehoorzaam.’

Terwijl Ali Baba haar achterliet om over de ontstane situatie na te denken, ging hij naar boven, naar de weduwe van Kasim.

Nu, zijn gezicht stond al zo, dat toen de vrouw van Kasim hem zag binnenkomen, zij meteen luidkeels begon te huilen. Zij begon met zich de wangen open te krabben en de haren uit te rukken en haar kleren te verscheuren.

Maar Ali Baba wist haar het voorval met zoveel omzichtigheid te vertellen, dat hij erin slaagde de kreten en jammerklachten te vermijden die de buren te hoop zouden doen lopen en heel de wijk in rep en roer gebracht zouden hebben. Vóór haar nog de tijd te laten om te weten of zij moest schreeuwen of niet moest schreeuwen, ging hij voort: ‘God is edelmoedig en heeft mij een rijkdom gegeven, groter dan mijn behoefte. Als dus in dit onherstelbare ongeluk dat jou treft iets nog in staat is je te troosten, bied ik je aan de weelde die God mij gezonden heeft, te voegen bij datgene wat jou toebehoort en van nu af bij mij in huis te komen wonen als tweede echtgenote. Je zult zo in de moeder van mijn kinderen een liefhebbende en voorkomende zus vinden. Samen zullen wij in alle rust leven, al pratend over de deugden van de overledene.’

Na zo gesproken te hebben, zweeg Ali Baba in afwachting van het antwoord. God verlichtte op dat ogenblik het hart van de voormalige koopwaar van de koppelarij en bevrijdde haar van haar smetten. Want Hij is de Almachtige! En zij begreep de goedheid van Ali Baba en de edelmoedigheid van zijn aanbod en zij stemde erin toe zijn tweede vrouw te worden. Door haar huwelijk met die gezegende man werd zij werkelijk een gezeten vrouw. Dit dan wat haar betreft.

Wat Ali Baba aangaat, die er op deze manier in geslaagd was de doordringende kreten en het bekend raken van het geheim te voorkomen, hij liet zijn nieuwe vrouw achter in de handen van zijn oude echtgenote en ging weer naar beneden op weg naar de jeugdige Morgane.

Daar kwam hij haar tegen. Zij was juist teruggekomen van een boodschap buitenshuis, want Morgane had haar tijd niet verloren laten gaan en had al een heel krijgsplan uitgedacht voor deze moeilijke omstandigheid. Zij was immers naar de winkel van een drogist gegaan die aan de overkant woonde en had hem om een soort van speciaal triakel gevraagd om dodelijke ziekten te genezen. De koopman had haar voor het geld dat zij hem aanbood zulk een geneesmiddel gegeven, maar niet zonder haar tevoren gevraagd te hebben wie er ziek was in het huis van haar meester. Morgane had zuchtend geantwoord: ‘Ach ramp over ons, de broer van mijn meester Ali Baba heeft de rode ziekte te pakken en is naar ons toegebracht om beter verpleegd te worden, maar niemand begrijpt iets van zijn kwaal. Hij ligt onbeweeglijk met een gezicht van saffraan, hij is stom, hij is blind, hij is doof. Moge dit triakel, ach sjeik, hem uit zijn slechte toestand wekken!’ En na zo gesproken te hebben, had zij het bewuste triakel meegenomen waarvan Kasim in werkelijkheid hoegenaamd geen gebruik meer kon maken en zij was weer bij haar meester Ali Baba teruggekomen. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 856e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Met weinig woorden stelde zij hem op de hoogte van wat zij van plan was te doen. Hij keurde haar plan goed en zei haar hoe groot de bewondering was die hij voor haar vindingrijkheid koesterde.

Inderdaad ging de ijverige Morgane de volgende dag naar dezelfde drogist en met een gezicht badend van tranen en met veel zuchten en onderbrekingen van het gezucht, vroeg zij hem om een zekere likkepot die men gewoonlijk alleen maar aan opgegeven stervenden toedient. Zij ging heen, zeggende: ‘Helaas over ons, als dit middel niet helpt, is alles verloren!’ Zij droeg er zorg voor alle mensen uit de wijk tegelijkertijd op de hoogte te stellen van het geveinsde hopeloze geval van Kasim, de broer van Ali Baba.

Toen dan ook de volgende dag van de ochtends vroeg de bewoners van de wijk plotseling gewekt werden door snijdende en jammerende kreten, twijfelden zij er niet aan of die kreten werden geslaakt door de vrouw van Kasim, door de vrouw van de broer van Kasim, door de jeugdige Morgane en door alle verwante vrouwen, om de dood van Kasim aan te kondigen. Welnu, ondertussen ging Morgane voort met haar plan ten uitvoer te brengen. Immers zij had bij zichzelf gezegd: ‘Mijn kind, dat is nog niet alles, een plotselinge dood te laten doorgaan voor een natuurlijke dood. Het gaat er om een nog veel groter gevaar af te wenden. En wel, er voor te zorgen dat de mensen niet zouden merken dat de overledene in zes stukken verdeeld is. Zonder dat zou de kruik niet zonder barst zijn!’

Zonder dralen liep zij naar een oude schoenlapper van die wijk, die haar niet kende en terwijl zij hem de begroeting toewenste, stopte zij hem een gouden dinar in de hand en zei hem toen: ‘Ach sjeik Mostafa, uw hand is vandaag onmisbaar voor ons!’

De oude schoenlapper die een vrolijke en opgewekte baas was, antwoordde: ‘Ach gezegende dag door je blanke komst, ach maangezicht! Spreek, ach beste meesteres en ik zal je antwoorden, bij mijn hoofd en bij mijn ogen!’ Morgane zei: ‘Ach beste oom Mostafa, je moet alleen maar opstaan en met me meekomen. Maar neem als je zo goed wilt zijn, alles mee wat je nodig hebt om leer te naaien!’

Toen hij gedaan had wat zij van hem vroeg, nam ze een doek en bond hem plotseling de ogen daarmee dicht, terwijl ze hem zei: ‘Dit is een noodzakelijke voorwaarde. Zonder dit is het nutteloos!’ Maar hij ging er tegen in en zei: ‘Wil je, ach jonge dochter, mij voor één dinar het geloof van mijn vaderen laten verloochenen of de een of andere buitengewone misdaad of schelmenstreek laten uitvoeren?’ Maar ze zei tegen hem: ‘Verre van ons zij de Boze, ach sjeik! Je geweten mag gerust zijn. Wees niet bang voor iets van die aard, want het gaat alleen maar om een klein naaikarweitje.’ Bij deze woorden stopte ze hem een tweede goudstuk in de hand, wat hem deed besluiten haar te volgen. Morgane nam hem bij de hand en bracht hem geblinddoekt naar de kelder van Ali Baba’s huis. Daar deed ze hem de doek af en wees hem het lijk van de overledene dat ze weer samengesteld had door de zes delen op hun verschillende plaatsen te leggen en ze zei tegen hem: ‘Nu zie je waarom ik de moeite genomen heb om je aan mijn hand hierheen te voeren: dat is om je de zes delen die hier liggen, aan elkaar te laten naaien.’

Daar de sjeik verschrikt terugdeinsde, stopte de gewiekste Morgane hem opnieuw een goudstuk in de hand en beloofde hem er nog een, als het werk snel klaar was. Dit deed de schoenlapper ertoe besluiten het gevalletje maar te klaren. Toen hij gereed was, bond Morgane hem opnieuw de ogen dicht en na hem de beloofde beloning gegeven te hebben, liet zij hem uit de kelder gaan en bracht hem tot aan de deur van zijn winkel, waar zij hem achterliet na hem het zicht teruggegeven te hebben. Zij haastte zich naar huis terug te gaan, niet zonder van tijd tot tijd om te kijken, om te zien of de schoenlapper haar niet in de gaten hield. Zodra zij was thuisgekomen, waste zij het weer aaneengelapte lijf van Kasim, parfumeerde het met wierook en besprenkelde het met reukwerken. Door Ali Baba geholpen, hulde zij het in de lijkwade, waarna zij, opdat geen van de mensen die de bestelde draagbaar brachten enig vermoeden zou hebben, zelf die draagbaar in ontvangst ging nemen en rijkelijk voor de baar betaalde. Steeds geholpen door Ali Baba legde zij toen het lijk op de dodenberrie en bedekte het geheel met doeken en stoffen die voor deze gelegenheid gekocht waren.

Inmiddels verschenen de voorganger en de andere waardigheidsbekleders van de moskee. Vier van de aanwezige buren laadden de draagbaar op hun schouders. De voorgangers stelden zich op aan het hoofd van de stoet, gevolgd door de lezers van de Koran. Morgane liep achter de dragers, een en al tranen, terwijl zij jammerkreten uitstootte en zich met hevige slagen op de borst sloeg en haar haren uittrok. Tegelijkertijd sloot Ali Baba de stoet, vergezeld door de buren die zich om beurten van tijd tot tijd afzonderden om de andere dragers te vervangen en verlichting te brengen. Zo ging het voort tot men op het kerkhof aankwam, terwijl in het huis van Ali Baba de vrouwen die voor de begrafenisplechtigheid te hoop gelopen waren, hun geweeklaag dooreen mengden en de hele wijk vervulden met ontstellende kreten. Op die wijze bleef de waarheid van die dood zorgvuldig verborgen voor elke openbaarmaking, zonder dat iemand de geringste argwaan kon hebben over het noodlottige avontuur. Dit dan wat hun allen betreft!

Wat de veertig rovers aangaat, die in verband met het bederf van de zes in de grot achtergelaten parten van Kasim een maand lang hadden nagelaten naar hun wijkplaats terug te keren: zij waren bij hun terugkomst in de grot ten hoogste verbaasd dat zij noch parten van Kasim, noch resten van Kasim, noch iets dat daar van dichtbij of van verre op leek, terugvonden. Ditmaal begonnen zij serieus over de toestand na te denken. Het hoofd van de veertig mannen zei: ‘Ach mannen, wij zijn ontdekt, daar valt niet meer aan te twijfelen en ons geheim is bekend. Als wij dit niet dadelijk trachten te verhelpen, zullen alle rijkdommen die wij en onze voorouders met zoveel zorg en moeite hebben opgestapeld, weldra worden weggevoerd door de medeplichtige van de dief die wij gestraft hebben. Het is dus nodig dat wij, na de een te hebben vermoord, ook de ander van kant maken zonder verder tijd te verliezen. Als dit vaststaat, dan is er maar één middel om ons doel te bereiken en dat is dat een van ons, die tegelijkertijd dapper en handig is, als vreemde derwisj vermomd door de stad gaat, al zijn gewiekstheid gebruikt om te ontdekken of er niet gesproken wordt over hem die wij in zes stukken gehakt hebben en om te weten te komen in welk huis die man woonde. Maar al die nasporingen zullen met de grootste omzichtigheid uitgevoerd moeten worden, want één woord teveel zou de zaak in de war kunnen sturen en ons onherroepelijk in het verderf storten. Ik ben dan ook van oordeel dat degene die deze taak op zich neemt, zich zal moeten verbinden de doodstraf te ondergaan als hij blijk geeft van lichtzinnigheid in de vervulling van zijn opdracht.’

Dadelijk riep een van de rovers uit: ‘Ik bied mij aan voor deze onderneming en ik aanvaard de voorwaarde!’ De aanvoerder en zijn kameraden wensten hem geluk en overstelpten hem met lof. Hij vertrok als derwisj vermomd.

Welnu, hij ging de stad binnen, waar alle huizen en winkels nog gesloten waren vanwege het vroege ochtenduur, behalve de winkel van sjeik Mostafa de schoenlapper.

Sjeik Mostafa, met de els in de hand, was al bezig een muil van saffraangeel leer te maken. En hij sloeg de ogen op en zag de derwisj die toekeek hoe hij werkte en hem bewonderde en die zich haastte hem de begroeting toe te wensen. Sjeik Mostafa beantwoordde zijn begroeting, en de derwisj gaf zijn verbazing te kennen toen hij merkte dat de sjeik op zijn leeftijd nog zulke goede ogen en zulke handige vingers bezat.

Erg gevleid zette de man een hoge borst op en antwoordde: ‘Bij God, ach derwisj, ik kan nog bij de eerste de beste poging al een draad door mijn naald rijgen en ik kan zelfs de zes parten van een dooie onder in een kelder zonder licht aan elkaar naaien!’

Het scheelde niet veel of de derwisjrover veerde bij die woorden op van vreugde en zegende zijn noodlot dat hem langs de kortste weg naar het gewenste doel gevoerd had. Hij liet zich deze kans dan ook niet ontnemen en onder het veinzen van verwondering riep hij uit: ‘Ach gelaat van zegening, de zes parten van een dode, wat wil je met die woorden zeggen? Is het bijgeval in dit land de gewoonte de doden in zes parten te snijden en ze daarna weer aan elkaar te naaien? Gaat men zo te werk om te zien wat er van binnen zit?’ Bij die woorden begon sjeik Mostafa te lachen en antwoordde: ‘Nee, bij God, dat is hier zeker niet de gewoonte. Maar ik weet wat ik weet en wat ik weet, zal geen mens te weten komen! Ik heb daarvoor verschillende redenen, de ene nog serieuzer dan de andere. En overigens is mijn tong vanmorgen kort en ze gehoorzaamt niet aan het spel van mijn geheugen.’

De derwisjrover begon op zijn beurt te lachen, zowel vanwege de drukte waarmee de sjeikschoenlapper zijn spreuken ten beste gaf, als om die goede baas voor zich in te nemen. Terwijl hij daarop deed alsof hij hem de hand schudde, deed hij hem een goudstuk toekomen en ging voort: ‘Ach zoon van de welsprekende lieden, ach oom, God beware mij ervoor mij te willen mengen in wat mij niet aangaat, maar als ik, in mijn hoedanigheid van vreemdeling die ervan houdt polshoogte te nemen, u één verzoek mag doen, dan zou het zijn mij de gunst te willen bewijzen, mij te zeggen waar het huis staat met de kelder waarin de zes parten van de dode waren, die jij aan elkaar hebt genaaid.’

De oude schoenlapper antwoordde: ‘Hoe zou ik dat kunnen, ach hoofd van de derwisjen, daar ik dat huis zelf niet ken. Weet immers, dat ik er met dichtgebonden ogen naar toe gebracht ben door een betoverend jong meisje dat de dingen met een ongeëvenaarde vlotheid heeft laten verlopen. Het is echter waar, mijn zoon, dat als men mij opnieuw de ogen zou toebinden, ik het huis misschien zou kunnen terugvinden door mij te laten leiden door bepaalde opmerkingen die ik gemaakt heb onder het lopen en onder het betasten van allerlei dingen op mijn weg. Je moet weten, ach wijze derwisj, dat de mens met zijn vingers evengoed alles ziet als met zijn ogen, vooral als hij niet zo’n harde huid heeft als de rug van een krokodil. Wat mij betreft, onder de klanten van wie ik de achtenswaardige voeten beschoei, zijn er verschillende blinden die dankzij het oog dat zij aan elke vingertop hebben, helderder zien dan de vervloekte barbier die mij elke vrijdag het hoofd scheert door mij de huid wreedaardig te kerven, moge God hem ervoor doen boeten. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 857e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “De derwisjrover riep uit: ‘Gezegend zij de borst die u gezoogd heeft en dat u nog lang een draad in uw naald mag rijgen en achtenswaardige voeten mag schoeien, ach sjeik van de goede voorboden! Stellig, ik wens niet anders dan mij in uw aanwijzingen te schikken, opdat u het huis tracht terug te vinden waar zulke verbazingwekkende dingen in de kelder plaatsvinden.’

Daarop besloot sjeik Mostafa op te staan en de derwisj bond hem de ogen dicht en leidde hem aan de hand de straat op en liep aan zijn zijde terwijl hij hem nu eens voerde, dan weer door hem op de tast gevoerd werd, tot aan het huis van Ali Baba zelf. Sjeik Mostafa zei: ‘Ongetwijfeld is het daar en nergens anders. Ik herken het huis aan de geur van de ezeldrek die het uitwasemt en aan die hoekpaal hier, waartegen ik de eerste keer mijn voet gestoten heb.’ Uitermate verheugd haastte de dief zich, alvorens de schoenlapper zijn blinddoek af te doen, de deur van het huis te merken met een stuk krijt dat hij bij zich had. Vervolgens gaf hij zijn metgezel het gezicht terug, schonk hem nog een goudstuk en zond hem heen, na hem bedankt en beloofd te hebben dat hij niet zou nalaten voor de rest van zijn leven zijn muilen bij hem te kopen.

IJlings hernam hij daarop de weg naar het woud om zijn ontdekking aan het hoofd van de veertig rovers te gaan melden. Maar hij wist niet dat hij recht op de plaats af liep waar hij zijn kop van zijn schouders zou zien vliegen, zoals men wel merken zal.

Immers, toen de bedrijvige Morgane het huis uitging om inkopen te doen, merkte zij bij haar terugkomst uit de markt op de deur het witte merk dat de derwisjdief erop aangebracht had. Aandachtig bekeek zij het en dacht met haar oplettende geest: Dit merk hier is niet vanzelf op die deur gekomen. De hand die het heeft aangebracht, kan slechts een vijandige hand zijn. Men moet dus de hekserij daarvan bezweren door de slag verkeerd te laten aankomen! Snel ging zij dus een stuk krijt halen en maakte precies hetzelfde merk op dezelfde plek op alle deuren van alle huizen in de straat, zowel rechts als links en elke keer als zij zo’n merk aanbracht, zei ze inwendig tegen de aanbrenger van het eerste merk: ‘Mijn vijf vingers in je linkeroog en mijn vijf andere vingers in je rechteroog!’ Zij wist dat er geen machtiger formule bestond om de onzichtbare krachten te bezweren, de hekserij te ontgaan en de volvoerde of dreigende rampen te doen terugvallen op het hoofd van zijn boosdoener.

Toen dan ook de volgende dag de dieven die door hun kameraad op de hoogte gesteld waren, twee aan twee de stad binnengedrongen waren om het huis dat met het merk getekend was te overvallen, raakten zij in totale verbijstering en verwarring toen zij vaststelden dat alle deuren van de huizen van die wijk hetzelfde merk droegen, precies hetzelfde. Op een teken van hun aanvoerder haastten zij zich naar hun grot in het bos terug te keren, om niet de aandacht van de voorbijgangers te trekken.

Toen zij weer bij elkaar waren, sleurden zij midden in de kring die hun troep gevormd had, de rovergids die zulke slechte voorzorgen genomen had, veroordeelden hem op staande voet ter dood en sloegen hem op een teken dat hun aanvoerder gaf, het hoofd af.

Welnu, daar het dringender dan ooit werd wraak te nemen op de veroorzaker van die hele geschiedenis, bood een tweede rover zich aan om op verkenning uit te gaan. Nadat de aanvoerder in zijn verzoek had toegestemd, ging hij de stad binnen, stelde zich in verbinding met sjeik Mostafa, liet zich voeren naar het huis waarvan aangenomen werd dat het het huis met de zes aaneengenaaide parten was en bracht een rood teken aan ergens op de deur, op een weinig opvallende plaats. Daarop ging hij naar de grot terug, maar hij wist niet dat een kop, eenmaal gemerkt voor de fatale sprong, alleen maar die sprong kan doen en geen andere.

Immers toen de rovers, door hun kameraad geleid, in de straat van Ali Baba aangekomen waren, ontdekten zij dat alle deuren gemerkt waren met een rood teken, op precies dezelfde plek want de scherpzinnige Morgane, die onraad vermoedde, had evenals de eerste keer haar voorzorgen genomen. Bij zijn terugkeer in de grot moest de gids wat zijn kop betrof hetzelfde lot ondergaan als zijn voorganger. Doch dat droeg er ook al weinig toe bij om de rovers meer licht in die aangelegenheid te verschaffen en diende er slechts toe de bende met twee van de moedigste boeven te verminderen.

Toen de aanvoerder dan ook een flinke poos over de toestand had nagedacht, hief hij het hoofd op en zei bij zichzelf: ‘Voortaan zal ik mij alleen maar op mijzelf verlaten!’ Geheel in zijn eentje vertrok hij naar de stad. Nu, hij deed niet zoals de anderen, want toen hij zich het huis van Ali Baba door sjeik Mostafa had laten aanwijzen, verloor hij zijn tijd niet door de deur te merken met rood of wit of blauw krijt, maar hij bekeek haar aandachtig om de plaats ervan goed in zijn geheugen te prenten, aangezien het er van buiten net zo uitzag als alle naburige huizen. Toen zijn onderzoek eenmaal afgelopen was, keerde hij naar het bos terug, riep de zevenendertig andere overlevende rovers bij elkaar en zei tegen hen: ‘De man die ons het bewuste nadeel berokkend heeft, is ontdekt, want ik ken zijn huis nu precies. En bij God, zijn straf zal een verschrikkelijke straf zijn! Wat jullie, mijn boeven, betreft, haast jullie je mij achtendertig grote potten hier te brengen, van aardewerk, aan de binnenkant vernist, met een brede hals en een dikke buik. Die achtendertig potten moeten leeg zijn behalve één, die jullie met olijfolie moeten vullen. Let erop dat ze geen van alle een barst hebben en kom dadelijk terug.’ De rovers die gewend waren zonder verder nadenken de bevelen van hun aanvoerder te volbrengen, antwoordden met ja en met gehoorzaamheid en haastten zich in de markt van de pottenbakkers de achtendertig bewuste potten te gaan halen om ze twee aan twee op hun paarden bij hun aanvoerder te brengen.

Daarop zei de dief tegen zijn mannen: ‘Trek jullie kleren uit en laat ieder van jullie in een pot gaan zitten, terwijl hij niets anders bij zich heeft dan zijn wapens, zijn tulband en zijn muilen.’ Zonder een woord te zeggen, klauterden de zevenendertig rovers twee aan twee op de ruggen van de paarden die de potten droegen. Daar elk paard twee potten droeg, een rechts en een links, liet elk van de twee rovers zich in een pot zakken, waarin hij volkomen verdween. Op die manier zaten zij in elkaar gehurkt met de kuiten tegen de dijen en de knieën ter hoogte van hun kin, net als op de twintigste dag kuikentjes in het ei. Zo geïnstalleerd hielden zij een kromzwaard in de ene hand en een knuppel in de andere, met hun muilen zorgvuldig onder hun achterste gestopt. De zevenendertigste dief zat op die manier tegenover de enige pot die met olie gevuld was en vormde daarvan het tegenwicht.

Toen de dieven eindelijk, op allerminst gemakkelijke wijze, allemaal in hun potten zaten, kwam de aanvoerder naar hen toe, onderzocht de een na de ander en sloot de opening van de potten met palmvezels, zodat de inhoud verborgen bleef en tezelfdertijd zijn mannen in staat waren vrij adem te halen. Opdat er geen twijfel over de inhoud in de geest van de voorbijgangers kon opkomen, nam hij wat olie uit de daarmee gevulde pot en wreef zorgvuldig de buitenkant van de nieuwe potten daarmee in. Na alles zo ingericht te hebben, vermomde de roverhoofdman zich als oliekoopman. Terwijl hij de paarden, die dus ogenschijnlijk koopwaar droegen, voor zich uit dreef naar de stad, deed hij zichzelf voor als begeleider van die karavaan. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 858e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Welnu, God schreef hem veiligheid voor en zonder hindernissen kwam hij tegen de avond bij het huis van Ali Baba aan. Alsof al zijn moeilijkheden zich als vanzelf oplosten, had hij niet de minste moeite om de opzet die hij voor ogen had, te volvoeren en bij de deur aan te kloppen, want Ali Baba zat in eigen persoon op de drempel om rustig een luchtje te scheppen voor het avondgebed.

De roverhoofdman haastte zich zijn paarden stil te doen houden, ging voor Ali Baba staan en zei hem na de begroetingen en complimenten: ‘Ach beste meester, uw slaaf is oliekoopman en weet niet waar hij vannacht zijn intrek moet nemen in een stad waar hij niemand kent. Hij hoopt dus op uw gulheid zodat u om Gods wil tot morgenvroeg gastvrijheid wilt verlenen aan hem en zijn dieren, op de binnenplaats van uw huis.’ Bij het horen van dit verzoek herinnerde Ali Baba zich de tijd dat hij arm was en van het slechte weer te lijden had en dadelijk werd zijn hart bewogen. Hij herkende de roverhoofdman, die hij eerder in het bos gezien en gehoord had in het geheel niet en hij stond te zijner eer op en antwoordde hem: ‘Ach oliekoopman, mijn broeder, moge deze woning u rust bieden en dat u er op uw gemak bij uw familie zijn mag. Wees welkom!’ Dit zeggende, nam hij hem bij de hand en bracht hem met zijn paarden naar de binnenplaats. Hij riep Morgane en een andere slavin en gaf hen bevel de gast van God te helpen met de potten af te laden en de beesten eten te geven. Toen de potten alle geordend achter op de binnenplaats stonden opgesteld en de paarden langs de muur waren vastgebonden met een zak vol gerst en haver om de hals, pakte Ali Baba, nog steeds vol tegemoetkomendheid en hartelijkheid, weer de hand van zijn gast vast en bracht hem zijn woning binnen, waar hij hem op de ereplaats liet zitten en zichzelf aan zijn zijde zette om het avondmaal te gebruiken. Nadat zij beiden gegeten en gedronken en God voor Zijn gunsten bedankt hadden, wilde Ali Baba zijn gast niet verder hinderen en trok zich terug met de woorden: ‘Ach beste meester, dit huis is uw huis en alles wat er in huis is, behoort u toe.’

Welnu, net toen hij weg ging, riep de oliekoopman, die de roverhoofdman was, hem terug met de woorden: ‘Bij God over u, ach mijn gastheer, wijs mij de plaats van uw eerzaam huis waar het mij veroorloofd is rust te geven aan het binnenste van mijn ingewanden en ook te gaan wateren.’ Ali Baba wees hem het toilet dat juist op de hoek van het huis lag, vlak bij de plek waar de potten stonden opgesteld en antwoordde: ‘Daar is het!’ Vervolgens haastte hij zich te verdwijnen om de spijsverteringsfuncties van de oliekoopman niet te belemmeren.

De roverhoofdman liet inderdaad niet na te doen wat hij te doen had. Toen hij klaar was, ging hij naar de potten toe. Hij boog zich over elk daarvan heen en zei heel zachtjes: ‘Ach jij die en die, zodra je tegen de pot waarin je zit een tik zult horen van het kiezelsteentje, dat ik er tegen aan zal gooien vanuit de plaats waar ik mijn intrek heb, moet je niet nalaten eruit te komen en naar mij toe te snellen.’ Na zijn lieden zo bevolen te hebben wat zij doen moesten, ging hij het huis weer binnen.

Morgane die bij de keukendeur op hem wachtte met een olielantaarn in de hand, bracht hem naar de kamer die zij voor hem had klaargemaakt en trok zich terug.

Om goed uitgerust te zijn bij het uitvoeren van zijn plan, haastte hij zich op het bed te gaan liggen waar hij tot halverwege de nacht dacht te slapen. Het duurde niet lang of hij snurkte als de waterketel van een wasvrouw.

Daarop gebeurde wat er gebeuren moest.

Immers, terwijl Morgane nog in de keuken bezig was de etensschalen en pannen te wassen, ging plotseling de lamp uit bij gebrek aan olie. Welnu, daar de olievoorraad van het huis juist op was en Morgane vergeten had deze gedurende de nacht aan te vullen en erg ongelukkig was over deze tegenspoed, riep zij Abdollah, de nieuwe slaaf van Ali Baba die zij haar ongeluk en haar probleem vertelde. Maar schaterlachend antwoordde Abdollah haar: ‘Bij God over je, ach Morgane mijn zus, hoe kun je zeggen dat wij hier in huis olie tekort komen als er op de binnenplaats op dit ogenblik achtendertig potten tegen de muur opgesteld staan vol olijfolie die, te oordelen naar de geur van de wanden die haar bevatten, van buitengewone kwaliteit moet zijn. Ach, beste zus, mijn oog herkent vanavond niet de ijverige, de verstandige, de vindingrijke Morgane!’ Daarop ging hij voort: ‘Ik ga weer slapen zus, om morgen bij het krieken van de dag op te staan en onze meester Ali Baba naar het badhuis te begeleiden.’ Hij verliet haar om niet ver van de kamer van de oliekoopman te gaan snurken als een moerasbuffel.

Daarop nam Morgane, een beetje verlegen door de woorden van Abdollah, de oliepan en ging naar de binnenplaats om die te vullen uit een van de potten. Zij naderde de eerste pot, deed het deksel eraf en doopte de pan in de gapende opening. En – ach holderdebolder van de ingewanden, ach opengesperde ogen, ach samengeknepen keel, in plaats van in olie te zinken, stootte de pot heel hard tegen iets dat weerstand bood. Dat iets bewoog, en er kwam een stem uit die zei: ‘Bij God, het keitje dat de aanvoerder gesmeten heeft, is op zijn minst genomen een rots. Vooruit, dit is het ogenblik.’ Hij richtte zijn hoofd op en maakte aanstalten om uit de pot te komen. Dit alles geschiedde!

Nu, welk menselijk schepsel dat in een pot een levend wezen ziet in plaats van olie, zou zich niet verbeeld hebben het rampzalig uur van zijn noodlot te zien aanbreken? De jonge Morgane, die eerst erg schrok, kon dan ook niet nalaten te denken: ‘Ik ben dood! Iedereen in huis is onherroepelijk dood!’ Maar zie, plotseling gaf de hevigheid van haar ontsteltenis haar al haar moed en tegenwoordigheid van geest terug. In plaats van luidkeels te gaan schreeuwen en lawaai te maken, boog zij zich over de opening van de pot en zei: ‘Nog niet, nog niet, ach boef! Je meester slaapt nog! Wacht totdat hij wakker wordt!’ Want Morgane, wijs als ze was, had alles geraden. Om zekerheid te hebben over de ernst van de toestand, wilde zij alle andere potten onderzoeken, hoewel die poging niet zonder gevaar was. Zij ging naar elk daarvan, betastte het hoofd dat dadelijk te voorschijn kwam zodra het deksel was afgenomen, en zei tegen elk hoofd: ‘Geduld en tot weldra!’ Op die manier telde zij zevenendertig koppen van baardige rovers en vond dat de achtendertigste pot de enige was die vol olie zat. Toen vulde zij in alle rust haar pan en ging vlug haar lamp aansteken om weldra terug te komen en het bevrijdingsplan ten uitvoer te brengen dat het dreigende gevaar in haar geest had doen opkomen.

Eenmaal op de binnenplaats terug, ontstak zij dus een groot vuur onder de ketel die voor de was diende en met haar pan vulde zij de ketel met olie die zij uit de aarden pot nam. Daar het vuur flink brandde, duurde het niet lang of de olie stond te koken.

Daarop vulde Morgane de grootste stalemmer met die kokende olie, ging naar een van de kruiken toe, lichtte het deksel op en goot met één scheut de dodelijke vloeistof over de kop die te voorschijn kwam. De bandiet die eigenaar was van die kop, werd onherroepelijk verbrand en verzwolg de dood met de kreet die hij niet meer slaken kon.

Met zekere hand liet Morgane allen die in de potten zaten eenzelfde lot ondergaan, zodat zij gesmoord en gekookt stierven, want niemand, al zit hij in een pot met zeven wanden opgesloten, kan ooit ontsnappen aan het lot dat hem om zijn hals zit.

Welnu, toen zij haar daad volvoerd had, doofde Morgane het vuur onder de wasketel, sloot de potten weer met hun deksel van palmvezels en ging naar de keuken terug waar zij haar lantaarn uitblies en in het donker bleef zitten, vastbesloten om de verdere afloop van het zaakje waar te nemen. Op die manier op de uitkijk zittend, hoefde zij niet lang te wachten. Immers, tegen middernacht werd de oliekoopman wakker, stak zijn hoofd uit het venster dat op de binnenplaats uitkwam, en daar hij nergens meer een lichtje zag en geen enkel gerucht hoorde, meende hij dat heel het huis in slaap gevallen moest zijn. Daarop nam hij, net zoals hij tegen zijn mannen gezegd had, wat keisteentjes die hij bij zich had en smeet de één na de ander tegen de potten aan. Daar hij een zeker oog en een vaardige hand bezat, bereikte hij elke keer zijn doel, wat hij weten kon doordat hij de steentjes tegen de potten hoorde slaan. Daarop wachtte hij, er niet aan twijfelend of hij zou zijn boeven zien oprijzen met hun gevelde wapens. Maar er bewoog niemand. Daarop wierp hij opnieuw keitjes naar hen toe, in de veronderstelling dat ze in hun potten waren ingeslapen, maar er verscheen geen kop en geen enkele beweging deed zich voor. De roverhoofdman werd ontzettend kwaad op zijn mannen die hij in diepe slaap waande en hij ging naar beneden naar hen toe, denkend: ‘Die hondenzoons! Ze deugen nergens voor!’ Hij snelde naar de potten, doch alleen maar om terug te deinzen, zo verschrikkelijk was de stank van verbrande olie en verbrand vlees die er uit opsteeg. Toch ging hij opnieuw er naar toe en betastte met zijn hand de wanden die zo warm waren als die van een oven. Toen raapte hij een bosje stro op, stak het aan en keek in de potten. Hij zag zijn mannen, de één na de ander gekookt en rokend met ontzielde lichamen.

Bij de aanblik hiervan begreep de roverhoofdman welk een wreedaardige dood zijn zevenendertig metgezellen hadden ondergaan. Hij deed een vervaarlijke sprong tot boven op de muur van de binnenplaats, dook de straat in en sloeg zijn benen in de wind, vluchtte weg en stortte zich in de nacht terwijl hij onder zijn passen de afstand vernietigde. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 859e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “In zijn grot aangekomen, verloor hij zich in duistere overpeinzingen over wat hem voortaan te doen stond, om alles te wreken wat hij te wreken had. Dit voorlopig wat hem aangaat!

Wat Morgane betreft die daar juist het huis van haar meesters en de levens die het beschermde gered had, toen zij zich eenmaal rekenschap had gegeven dat alle gevaar bezworen was door de vlucht van de valse oliekoopman, wachtte zij rustig het aanbreken van de dag af om haar meester Ali Baba te gaan wekken. Toen deze eenmaal aangekleed was, in de mening dat men hem alleen maar zo vroeg gewekt had opdat hij naar het badhuis kon gaan, bracht Morgane hem voor de potten en zei hem: ‘Ach beste meester, licht het eerste deksel op en kijk!’

Toen Ali Baba gekeken had, raakte hij uiterst ontzet en vol afschuw. Morgane echter haastte zich hem alles te vertellen wat er gebeurd was, van het begin tot het einde, zonder een bijzonderheid over te slaan. Maar het heeft volstrekt geen nut het te herhalen. En zij vertelde hem eveneens de geschiedenis van de witte en de rode merken op de deuren, waarvan zij het eerst niet nodig gevonden had het hem mede te delen. Maar ook wat die geschiedenis aangaat, heeft het volstrekt geen nut haar te herhalen.

Toen Ali Baba het verhaal van zijn slavin Morgane had aangehoord, weende hij van ontroering en sloot het jonge meisje met tederheid aan zijn hart, zeggende: ‘Ach dochter van de zegening, geprezen zij de buik die je gedragen heeft! Stellig, het brood dat je in onze woning gegeten hebt, is niet door ondankbaarheid gegeten. Jij bent mijn dochter en de dochter van de moeder van mijn kinderen. Voortaan zul je aan het hoofd van mijn huis staan en de oudste van mijn kinderen zijn!’ Hij ging voort met haar vriendelijke woorden toe te voegen en haar zeer te danken voor haar dapperheid, haar wijsheid en haar gehechtheid. Waarna Ali Baba, door Morgane en de slaaf Abdollah geholpen, overging tot het begraven van de dieven die hij bij nadere overweging besloot zonder enige plechtigheid te laten verdwijnen in een enorme kuil, die hij in zijn tuin voor hen groef en waarin hij hen dwars door elkaar smeet, om niet de aandacht van de buren te trekken. Op die wijze ontdeed men zich uiteindelijk van dat vervloekte gebroedsel. Netjes gedaan!

Er gingen verschillende dagen in het huis van Ali Baba voorbij temidden van blijdschap en gelukwensen. Men werd niet moe elkaar de bijzonderheden van dit wonderbaarlijke avontuur te vertellen en God te danken voor de bevrijding en alle commentaren te leveren die zoiets met zich meebracht. Morgane werd meer vertroeteld dan ooit en Ali Baba met zijn twee vrouwen en zijn kinderen bedachten van alles om haar hun erkentelijkheid en hun vriendschap te tonen.

Welnu, op zekere dag zei de oudste zoon van Ali Baba die de zaken van koop en verkoop in de oude winkel van Kasim leidde, bij zijn terugkeer uit de markt tegen zijn vader: ‘Ach beste vader, ik weet niet hoe ik het moet aanleggen om al de vriendelijkheden te beantwoorden van de koopman Hosein, waarmee hij mij onophoudelijk overlaadt sinds hij zich onlangs in onze markt gevestigd heeft. Ik heb nu al vijf maal aangenomen zijn middagmaal te delen, zonder hem iets terug te doen. Ik zou hem dus graag, ach vader, willen onthalen, al was het maar een enkele keer om hem zo door de weelderigheid van het feestmaal bij die ene gelegenheid schadeloos te stellen voor al zijn uitgaven die hij om mij gedaan heeft. Want je zult het met mij eens zijn dat het niet erg behoorlijk zou zijn als ik het nog langer uitstelde de voorkomendheden te beantwoorden die hij mij betoond heeft.’ Ali Baba antwoordde: ‘Stellig, ach mijn zoon, dit is wel de gebruikelijkste van alle plichten. Je had mij daar al eerder aan moeten herinneren. Nu, morgen is het juist vrijdag, de rustdag, en daar kun je gebruik van maken door de waardige Hosein, je buurman, uit te nodigen brood en zout ‘s avonds met ons te komen delen. Als hij uit bescheidenheid uitvluchten verzint, moet je niet bang zijn te blijven aandringen en hem naar ons huis mee te nemen, waar ik hoop dat hij een onthaal zal vinden dat zijn gulheid niet al te onwaardig is.’

Inderdaad nodigde de zoon van Ali Baba na het gebed de waardige Hosein de koopman, die zich kort geleden in de markt gevestigd had, uit om een wandelingetje met hem te maken. Begeleid door zijn buurman, richtte hij zijn wandelingetje zo in dat hij precies in dat gedeelte van de wijk kwam waar zijn woning stond. Ali Baba die op de drempel op hen wachtte, kwam met glimlachend gezicht op hen toe. Na de begroetingen en wensen over en weer, gaf hij de waardige Hosein zijn dankbaarheid te kennen voor diens voorkomendheden ten aanzien van zijn zoon en nodigde hij hem met veel aandrang uit in zijn huis te komen uitrusten en met zijn zoon het avondmaal te delen. Hij ging voort: ‘Ik weet dat, wat ik ook mag doen, ik uw goedheid voor mijn zoon niet genoeg beantwoorden kan. Maar wij hopen dat u tenminste het brood en zout van onze gastvrijheid zult willen aannemen.’ Doch de waardige Hosein antwoordde: ‘Bij God, ach beste meester, uw gastvrijheid is stellig een grote gastvrijheid, maar hoe zou ik die kunnen aannemen wanneer ik al heel lang geleden een belofte heb afgelegd nooit spijzen te zullen aanraken, die met zout zijn klaargemaakt en nooit van die stof te zullen proeven?’ Ali Baba antwoordde: ‘Laat dit u niet weerhouden, ach gezegende waardige, want ik behoef slechts een woord tegen de keuken te zeggen en de spijzen worden zonder zout en zonder iets dergelijks klaargemaakt!’ Hij drong zozeer bij de koopman aan dat hij hem verplichtte het huis binnen te treden. Daarna ging hij Morgane waarschuwen dat zij geen zout in de spijzen moest doen en dat zij die avond speciaal de gerechten en de vulsels en de pasteien klaar moest maken zonder toevoeging van die gewone stof.

Uitermate verbaasd over de afschuw die de nieuwe gast voor zout toonde, wist Morgane niet waaraan zij zulk een ongewone smaak moest toeschrijven en zij begon over het geval na te denken. Toch vergat zij niet de negerin die kookte te waarschuwen dat zij zich te houden had aan het vreemde bevel van hun meester Ali Baba.

Toen de maaltijd gereed was, werd hij door Morgane in schotels opgediend en hielp de slaaf Abdollah ze in de ontvangstzaal te dragen. Daar zij van nature heel nieuwsgierig was, liet zij niet na van tijd tot tijd een paar blikken te werpen op de gast die niet van zout hield. Toen de maaltijd geëindigd was, ging Morgane weg om haar meester Ali Baba de gelegenheid te laten zich op zijn gemak met de genode gast te onderhouden. Maar na verloop van een uur ging het meisje opnieuw de zaal binnen en tot grote verbazing van Ali Baba was zij als danseres gekleed, met een diadeem van gouden zecchinen om haar voorhoofd, haar hals versierd met een snoer van gele amberkorrels, haar middel omsloten door een gordel van gouden maliën en met armbanden van gouden rinkelbelletjes om haar polsen en enkels. Aan haar gordel hing volgens de gewoonte van de beroepsdanseressen een ponjaard met een heft van jade en een lang, opengewerkt en puntig lemmet dat diende om er de dansfiguren mee aan te geven. Haar verliefde reeënogen die al van nature zo groot en zo diep van glans waren, had zij met zwarte kool duidelijk verlengd tot aan haar slapen, evenals haar wenkbrauwen die in een dreigende boog getrokken waren. Zo getooid en opgeschikt, kwam zij met afgemeten passen nader, recht overeind en de borsten vooruit. Achter haar trad de jonge slaaf Abdollah binnen, die in zijn linkerhand ter hoogte van zijn gezicht een tamboerijn met metalen castagnetten hield waarop hij de maat sloeg, maar heel langzaam zodat hij de stappen van zijn gezellin ritmisch begeleidde. Toen zij voor haar meester gekomen was, boog Morgane vol gratie en zonder hem de tijd te gunnen van zijn verbazing te bekomen waarin dit onverwachte optreden hem gebracht had, wendde zij zich tot de jonge Abdollah en gaf hem een klein teken met haar wenkbrauwen. Plotseling versnelde hij het ritme van de tamboerijn op een heel bewogen maat en glippend als een vogel begon Morgane te dansen. Zij danste onvermoeibaar alle passen en schetste alle figuren zoals nog nooit een beroepsdanseres in de paleizen van de koningen gedaan had. Zij danste zoals misschien de herder David gedanst had voor Saul, zwart van droefheid. Zij danste een sluierdans en die van de zakdoek en die van de stok. Zij danste de dansen van de Jodinnen en die van de Grieken en die van de Egyptenaren en die van de Perzen en die van de Bedoeïenen, met zulk een wonderbare lichtheid, dat stellig alleen Belkis, de koningin die verliefd was op Salomo, ze zo had kunnen dansen.

Toen zij dit allemaal gedanst had, toen het hart van haar meester en dat van de zoon van haar meester en dat van de koopman, de gast van haar meester, aan haar passen hingen en hun ogen gekleefd zaten aan de soepelheid van haar lichaam, begon zij de golvende dans van de dolk. Inderdaad, plotseling trok zij het gouden wapen uit zijn zilveren schede en ontroerend door sierlijkheid en houdingen, stortte zij zich voorwaarts met de dreigende dolk, op het versnelde ritme van de tamboerijn, gebogen, soepel, vlug, ruig en wild, met bliksemende ogen en gedragen door vleugels die men niet zag. De dreiging van het wapen richtte zich nu eens naar de één of andere onzichtbare vijand in de lucht en keerde zich dan weer met de punt naar de schone borsten van het vervoerde meisje. Op deze ogenblikken stootten de aanwezigen een lange kreet van ontsteltenis uit, zo dicht leek het hart van de danseres in hun ogen bij de dodelijke punt te zijn. Daarop werd het ritme van de tamboerijn geleidelijk aan langzamer, de maat werd opgewekter en luwde tot de klankrijke huid geheel verstilde. Morgane, met een borst, hijgend als een golf van de zee, hield op met dansen. Zij wendde zich tot de slaaf Abdollah die op een nieuw teken van haar wenkbrauw haar de tamboerijn toewierp. Zij ving deze op, en terwijl zij zich omdraaide, gebruikte zij hem als een centenbakje om het de drie toeschouwers voor te houden en volgens de gewoonte van de beroepsdanseressen hun weldadigheid in te roepen.

Hoewel een beetje stijfjes door de onverwachte houding van zijn bediende, had Ali Baba zich door zoveel bekoorlijkheid en kunst laten winnen, dat hij een gouden dinar in de tamboerijn wierp. Morgane bedankte hem met een diepe buiging en een glimlach en hield de tamboerijn aan de zoon van Ali Baba voor, die niet minder gul was dan zijn vader. Daarop bood zij, nog steeds met de tamboerijn in haar linkerhand, deze de gast voor die niet van zout hield. De waardige Hosein haalde zijn beurs te voorschijn en begon juist wat geld daarin te zoeken om het te geven aan de zo verleidelijke danseres, toen Morgane, die twee stappen achteruit gegaan was, plotseling als een wilde kat vooruit sprong en hem de dolk die zij in haar rechterhand zwaaide, tot aan het gevest in het hart stak. De waardige Hosein, met ogen die eensklaps uit hun kassen puilden, opende de mond en sloot hem weer, terwijl hij nauwelijks een halve zucht slaakte, stortte daarna op het tapijt, met het hoofd voor zijn voeten en was op hetzelfde ogenblik een lijf zonder ziel.

Ali Baba en zijn zoon, uitermate ontsteld en verontwaardigd, stortten zich op Morgane die, hoewel bevend van ontdaanheid, de bebloede dolk aan haar zijden sluier schoonveegde. Omdat zij meenden dat zij aan een aanval van razernij en waanzin leed en zij haar bij de handen grepen om haar het wapen te ontrukken, zei ze hun met rustige stem: ‘Ach mijn meesters, lof zij God die de armen van een zwak jong meisje geleid heeft om u op de aanvoerder van uw vijanden te wreken! Kijk maar eens of hij daar niet die oliekoopman is, die aanvoerder van de rovers in eigen persoon, met zijn eigen oog, de man die niet het heilige zout van de gastvrijheid wilde proeven!’

Terwijl zij zo sprak, ontdeed zij het lijk dat daar lag van zijn mantel om de vijand te kunnen zien die hun ondergang gezworen had en zij ontdeed het van de lange baard en de vermomming die hij voor die gelegenheid aangetrokken had. Toen Ali Baba op die wijze in het ontzielde lichaam van de waardige Hosein de oliekoopman, de meester van de potten en de roverhoofdman herkend had, begreep hij dat hij voor de tweede maal zijn heil en dat van zijn hele familie slechts te danken had aan de oplettende toewijding en de moed van de jeugdige Morgane. Hij drukte haar tegen zijn borst en kuste haar tussen de beide ogen en zei met tranen in de ogen tegen haar: Ach Morgane, mijn dochter, wil je om mijn geluk ten top te voeren voorgoed in mijn familie opgenomen worden door mijn zoon te huwen, de schone jonge man die je hier ziet?’

Morgane kuste de hand uit eerbied van Ali Baba en antwoordde: ‘Bij mijn hoofd en bij mijn ogen.’

Het huwelijk van Morgane met de zoon van Ali Baba werd dadelijk gesloten voor de rechter en de getuigen te midden van feesten en vermakelijkheden en men begroef heimelijk het lijk van de roverhoofdman in het massagraf dat ook zijn voormalige kameraden tot laatste verblijfplaats diende. Hij zij vervloekt! …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 860e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “… Na het huwelijk van zijn zoon liet Ali Baba, die voorzichtigheid geleerd had en voortaan de raadgevingen van Morgane volgde en oplettend naar haar mening luisterde, het een tijdlang na om naar de grot terug te keren, uit vrees er de twee rovers tegen te komen, van wie hij het lot niet kende en die in werkelijkheid al, zoals u weet, ach gezegende koning, terechtgesteld waren op bevel van hun aanvoerder. Pas na verloop van een jaar, toen alles geheel en al rustig was aan die kant, besloot hij in gezelschap van zijn zoon en van de schrandere Morgane de grot te gaan opzoeken. Morgane, die alles onderweg gadesloeg, zag, bij de rots aangekomen, dat de struiken en grote gewassen het smalle pad, dat er omheen liep, geheel afgesloten hadden en dat er aan de andere kant op de grond geen enkel spoor van menselijke stappen en geen enkel overblijfsel van paarden te vinden was. Daaruit concludeerde zij dat er sinds lange tijd niemand geweest was, en ze zei tegen Ali Baba: ‘Ach beste oom, er is geen enkel probleem. Wij kunnen naar binnen gaan zonder enig gevaar te lopen!’

Daarop stak Ali Baba zijn hand uit naar de stenen deur en sprak de toverformule uit, zeggende: ‘Sesam, open u!’ Juist zoals vroeger gehoorzaamde de deur aan die drie woorden, en als bewogen door onzichtbare dienaars ging de rots vanzelf open en gaf vrije doortocht aan Ali Baba, zijn zoon en de jeugdige Morgane. Ali Baba stelde vast dat er inderdaad niets veranderd was sinds zijn laatste bezoek aan de schatkamer en hij was er maar wat trots op aan Morgane en haar echtgenoot de fabelachtige rijkdommen te tonen waarvan hij voortaan de enige bezitter was. Toen zij alles in de grot onderzocht hadden, vulden zij de drie grote zakken die zij hadden meegenomen met goud en edelstenen en keerden weer naar huis terug, na de sluitingsformule te hebben uitgesproken. Van toen af leefden zij in vrede en geluk, matig en voorzichtig gebruikmakend van de rijkdommen die hun verleend waren door de Schenker, die de Enig Grote, de Edelmoedige is.

Zo werd Ali Baba, de houthakker, die slechts drie ezels als enig fortuin had, dankzij zijn noodlot en zegening de rijkste en meest geëerde man van zijn geboortestad.

Welnu, ere aan Hem die zonder te tellen geeft aan de nederige van de aarde!”

 

Sjahrzad nam een adempauze en ging verder: “Dit is dan, ach gezegende koning, alles wat ik weet van de geschiedenis van Ali Baba en de veertig rovers, maar God is veel wijzer!”

Koning Sjahriar zei: “Stellig, Sjahrzad, is deze geschiedenis een verbazingwekkende geschiedenis! De jonge Morgane heeft haars gelijke niet onder de vrouwen van nu. Dat weet ik maar al te goed, ik, die verplicht geweest ben de kop te laten afhakken van al die sletten uit mijn paleis.” Maar Sjahrzad die zag dat de koning al zijn wenkbrauwen fronste bij deze herinnering en zich pijnlijk opwond over deze voorbije dingen, haastte zich met de volgende woorden de geschiedenis te beginnen van

 

De ontmoetingen van ar-Rasjid op de brug van Bagdad

 

Ziende dat koning Sjahriar alleen al door de herinnering aan zijn vroegere nare ervaringen de wenkbrauwen fronste, maakte Sjahrzad dadelijk een aanvang met een nieuwe geschiedenis, zeggende: “Mij werd bekend, ach Koning van deze tijd, ach kroon op mijn hoofd, dat kalief Haroen ar-Rasjid, wie God bijsta met al Zijn goedgunstigheid, op zekere dag zijn paleis had verlaten in het gezelschap van zijn minister Jafar en van Masroer, zijn zwaarddrager en dat deze mannen evenals de kalief zelf, zich voordeden als deftige kooplieden uit de stad. Toen hij was aangekomen bij de stenen brug, waarmee de beide oevers van de Tigris met elkaar zijn verbonden, bespeurde hij aan de ingang een zeer bejaarde blindeman, die daar met gevouwen benen op de grond zat en de voorbijgangers bij God verzocht hem, op hun weg, uit vrijgevigheid een aalmoes te geven. Zodra de kalief die oude gebrekkige stumper had bereikt, bleef hij staan en drukte een gouden dinar in de uitgestrekte handpalm. Op het moment waarop hij zijn wandeling wilde voortzetten, omklemde de bedelaar echter plotseling zijn hand en zei: ‘Ach edelmoedige gever, dat God u met Zijn uitnemendste zegeningen mag belonen voor dit blijk van uw medelijdend hart. Maar voor u verder gaat, smeek ik u, mij de volgende gunst niet te weigeren. Hef namelijk uw arm op en geef me een vuistslag, of een oorvijg.’

Nadat hij dit had gezegd, liet hij de hand van de ander weer los, opdat deze hem een klap zou kunnen toedienen. Om echter niet de kans te lopen, dat die onbekende zou verdwijnen zonder hem die voldoening te hebben verschaft, greep hij hem meteen bij een slip van zijn lange mantel.

Deze gang van zaken verbaasde de kalief erg en daarom zei hij tegen de blinde: ‘Ach oom, God behoede me ervoor om gevolg te geven aan je bevel, want als iemand in naam van God een aalmoes verstrekt, zal hij die verdienste toch zeker weer niet ongedaan gaan maken door degene die er het voordeel van trekt, te mishandelen. Bovendien is een kwalijke daad, zoals jij me die ten aanzien van jou wilt laten bedrijven, een gelovige onwaardig.’

Na deze woorden trachtte hij zich aan de greep van de blinde te onttrekken. Hij had echter geen rekening gehouden met de waakzaamheid van de blindeman, die op deze mogelijkheid bedacht was geweest en hem nu met een veel grotere inspanning dan hiervoor probeerde vast te houden. Hij zei: ‘Ach mijn nobele meester, vergeef me de opdringerigheid en de brutaliteit van mijn handelwijze. Maar ik smeek u nogmaals mij een oorvijg te geven. Als u dat niet wilt doen, heb ik liever dat u de aalmoes terugneemt. Ik kan haar alleen maar op die voorwaarde aanvaarden, daar ik anders de gelofte zou schenden welke ik heb afgelegd voor het aangezicht van Hem, die u ziet en mij ziet, wat dus op een eedbreuk ten aanzien van God zou neerkomen.’ Hieraan voegde hij nog toe: ‘Als u, ach mijn heer, de oorzaak van mijn gelofte kende, zou u me zonder enige weifeling voldoening verschaffen.’

De kalief zei tegen zichzelf: ‘Slechts bij God, de Almachtige, ben ik geborgen tegen de opdringerigheid van de oude blindeman.’ Daar hij niet langer bloot wilde staan aan de nieuwsgierigheid van de voorbijgangers, voldeed hij snel aan het verzoek van de blinde, die hem na ontvangst van de klap dadelijk losliet, hem bedankende en beide handen ten hemel heffende om de zegeningen af te roepen over zijn hoofd.

Terwijl ar-Rasjid, aldus bevrijd, zich met zijn metgezellen verwijderde, zei hij tegen Jafar: ‘Bij God! De geschiedenis van die blinde moet wel een wonderlijke historie zijn en zijn geval zeer ongebruikelijk! Weet je wat, ga nog eens naar hem toe en zeg hem, dat je gezonden bent door de emir van de gelovigen en dat hem bevolen wordt om morgen, ten tijde van het namiddaggebed, in het paleis te verschijnen.’ Jafar ging naar de blinde toe en bracht hem het bevel van zijn meester over.

Nadien sloot hij zich opnieuw bij de kalief aan. Nauwelijks hadden zij enige passen gedaan, toen ze aan de linkerkant van de brug, haast recht tegenover de blinde, een tweede bedelaar, met verminkte benen en een hazenlip ontdekten. Op een teken van zijn meester begaf Masroer, de zwaarddrager, zich naar de man met de verminkte benen en de hazenlip en overhandigde hem de aalmoes, die voor die dag in zijn lot beschreven stond. De man hief het hoofd op en barstte in lachen uit, zeggende: ‘Ach, bij God! Mijn leven lang heb ik als schoolmeester nog niet zoveel verdiend als ik nu uit uw milde hand ontvang, ach mijn meester!’Ar-Rasjid, dit antwoord vernemende, wendde zich tot Jafar en zei: ‘Bij het leven van mijn hoofd, als dit een schoolmeester is, moet het toch wel een heel zonderlinge geschiedenis zijn, die hem ertoe heeft gebracht om bedelend aan de weg te gaan zitten. Stel je meteen even met hem in verbinding en draag hem op om zich morgen, op hetzelfde uur als de blinde, aan de poort van mijn paleis te vervoegen.’ De opdracht werd uitgevoerd, waarna zij hun wandeling hervatten. Maar voordat zij de man met de verminkte benen goed en wel de rug hadden toegekeerd, hoorden zij hem met luide kreten zegeningen afroepen over het hoofd van een sjeik, die zich zo juist bij hem had opgehouden. Nu bleven zij op hun beurt staan kijken om te zien wat er aan de hand was. Zij zagen dat de sjeik zich uit de voeten trachtte te maken, totaal verbijsterd door de zegeningen en de loftuitingen, die hem ten deel vielen. Uit de woorden van de verminkte maakten zij op dat de sjeik hem een nog aanmerkelijk grotere aalmoes had geschonken dan Masroer en wel een groter bedrag dan de arme drommel ooit tevoren had ontvangen. Haroen betuigde Jafar zijn verwondering over het aanschouwen van een doodgewoon heerschap, dat bewezen had over een mildere hand te beschikken dan hijzelf, wat hem tot besluit deed zeggen: ‘Met deze sjeik zou ik graag kennis willen maken, om de aanleiding tot zijn vrijgevigheid te doorgronden. Haast je, ach Jafar, ga hem zeggen dat ik hem morgenmiddag, op hetzelfde uur als de blinde en de verminkte, tussen mijn handen verwacht.’ De opdracht werd uitgevoerd. Zij maakten zich net op om hun weg te vervolgen, toen zij een prachtige stoet, zoals die gewoonlijk slechts door koningen en sultans kan worden onderhouden, over de brug op zich af zagen komen. Herauten te paard gingen er aan vooraf en riepen: ‘Maak vrij baan voor onze meester, echtgenoot van de dochter van de machtige koning van China en van de dochter van de machtige koning van Sind en van Indië!’ Aan het hoofd van de stoet, op een paard dat alleen al door zijn gang alle kenmerken van raszuiverheid vertoonde, reed een emir, of een koningszoon misschien, van wie het voorkomen tintelend en één en al adeldom was. Onmiddellijk na hem volgden twee Saïs, die een wonderwel opgetuigde kameel aan een blauw zijden halster voortleidden. Het droeg een palankijn, waarin ter rechter en ter linkerzijde, onder een hemel van rood brokaat, de twee vorstelijke jonkvrouwen, echtgenoten van de ruiter, waren gezeten, die het gelaat volkomen achter een sluier van oranje zijde hadden verborgen. De stoet werd gesloten door een troep muzikanten en deze ontlokten aan hun instrumenten van onbekende vorm Chinese en Indische melodieën.

Haroen ar-Rasjid, zowel verrast als opgetogen, zei tegen zijn metgezellen: ‘Slechts zelden is mijn hoofdstad door een zo voorname vreemdeling bezocht, ondanks dat ik toch al koningen en prinsen en de fierste emirs op aarde binnen haar muren heb ontvangen. De hoofden van de ongelovigen aan de andere zijde van de zeeën, zij die de landen van de Europeanen en zij die de regionen in het uiterste Westen bewonen, hebben me toch ook hun boodschappers en hun afgezanten gezonden. Maar geen van al die bezoekers kon zich, wat praal en schoonheid betreft, met deze vreemdeling meten.’ Hij nam hierop Masroer, zijn zwaarddrager, terzijde en zei hem: ‘Volg snel die stoet, ach Masroer, zodat je kunt waarnemen wat er valt waar te nemen en je mij straks, in het paleis, daarover zult kunnen informeren. Draag er echter vooral zorg voor om die adellijke vreemdeling uit te nodigen, zich morgenmiddag tussen mijn handen te presenteren en wel op hetzelfde uur als de blinde, de verminkte en de vrijgevige sjeik.’ Masroer vertrok, om zich van zijn opdracht te kwijten en daarna begaven de kalief en Jafar zich uiteindelijk naar het andere einde van de brug. Toen zij dit goed en wel hadden bereikt, zagen zij op het plein, dat zich daar vlak voor hen uitstrekte en dat gebruikt werd voor het houden van wedstrijden en steekspelen, een grote opeenhoping van volk. Het keek nauwlettend naar een jonge man, die een schone witte merrie bereed en haar met losse teugel heen en weer voortdreef, haar zonder verpozing op zulk een manier mishandelde met striemende zweepslagen en het gebruik van de sporen, dat zij geheel en al met schuim en bloed was overdekt en haar benen en haar hele lichaam aan een voortdurende siddering ten prooi waren.

Daar de kalief veel van paarden hield en niet kon verdragen dat men ze mishandelde, vroeg hij de toeschouwers: ‘Waarom gedraagt dit jongmens zich zo barbaars ten aanzien van die schone volgzame merrie?’ Zij antwoordden hem: ‘Dat weten wij niet. God is de enige die het weet. Maar wel zien we hier elke dag, op hetzelfde uur, die jonge man met zijn witte merrie verschijnen en zijn we getuige van dit onmenselijke gedrag.’ Toch voegden zij er nog aan toe: ‘Hij is echter de rechtmatige eigenaar van die merrie, zodat hij haar op zijn manier kan behandelen.’ De kalief wendde zich na deze woorden tot Jafar en zei: ‘Ik draag je op, ach Jafar, om er bij dat jongmens naar te informeren, waarom hij het nodig vindt zijn merrie op een dergelijke wijze te mishandelen. Als hij weigert je dit te openbaren, kun je hem zeggen wie jij bent, maar in elk geval dien je hem te verordonneren morgenmiddag tussen mijn handen te verschijnen, op hetzelfde uur als de blinde, de verminkte, de vrijgevige sjeik en de buitenlandse ruiter.’ Jafar antwoordde bevestigend en betuigde zijn gehoorzaamheid en daarna liet de kalief hem op het plein achter, om tot besluit van die dag alleen naar zijn paleis terug te keren. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 


Maar toen de 861e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “De volgende dag, omstreeks het namiddaggebed, trad de kalief het hof van de audiënties binnen en geleidde Jafar onmiddellijk het vijftal personen, die zij de dag tevoren op de brug van Bagdad hadden ontmoet, voor zijn aangezicht, te weten: de blinde, die zo graag geslagen wilde worden; de verminkte schoolmeester; de vrijgevige sjeik; de adellijke ruiter, van wie het gevolg Chinese en Indische melodieën ten gehore had gebracht en de jonge eigenaar van de witte merrie. Zodra zij zich alle vijf voor de troon neergeworpen hadden en uit eerbied de aarde binnen de handen van de kalief hadden gekust, gaf deze met een hoofdbeweging te kennen dat zij weer mochten gaan staan, waarna Jafar hen in de juiste volgorde naast elkaar rangschikte op het tapijt, aan de voet van de troon. Ar-Rasjid sprak het eerst de jonge eigenaar van de witte merrie aan en zei: ‘Aangezien jij je gisteren zo onmenselijk hebt gedragen tegenover die schone, witte en volgzame merrie welke je bereed, zou ik wel eens willen vernemen, ach jongmens, uit welke overwegingen je tot een dergelijke, barbaarse handelwijze bent gekomen ten aanzien van een stom dier, dat niet in staat is om te antwoorden op beledigingen en dat evenmin de macht bezit om toegebrachte slagen te vergelden. En kom me niet aandragen met het praatje, dat je zo handelde om het te dresseren, of te temmen, want ik heb zelf gedurende mijn leven een groot aantal hengsten en merries getemd en gedresseerd, maar ik heb het nooit en te nimmer noodzakelijk gevonden die dieren te mishandelen, zoals jij dat deed. Probeer me ook niet op de mouw te spelden, dat je die merrie zo kwelde om de toeschouwers te vermaken, want je vermaakte hen niet met je onmenselijk vertoon, maar je ergerde hen, evengoed als je het mij deed. Het heeft maar weinig gescheeld, bij God, of ik had me bekend gemaakt, om jou met een passende straf te tuchtigen en meteen dat weerzinwekkende schouwspel te beëindigen. Spreek op, lieg niet en kom voor de dag met elke beweegreden die jou tot dit gedrag heeft gevoerd. Slechts op die manier zal het je gelukken mijn wrok te ontgaan en mij gunstig te stemmen. Indien je relaas me bevredigt en je woorden een verschoning van je handelwijze inhouden, ben ik zelfs bereid om al wat me heeft gehinderd, te vergeven en te vergeten.’

Toen de jonge eigenaar van de witte merrie deze woorden van de kalief had vernomen, werd zijn gelaatskleur zo geel als was, liet hij het hoofd hangen en bewaarde hij het stilzwijgen. Hij was zichtbaar ten prooi aan een diepe schaamte en aan een grenzeloos verdriet. Aangezien hij in deze houding bleef zitten, zonder een woord te kunnen uitbrengen, terwijl de tranen hem uit de ogen welden en op de borst drupten, werd de kalief ertoe bewogen om een andere toon tegen hem aan te slaan. Hij was nieuwsgieriger geworden dan ooit en zei met een bemoedigende stem: ‘Ach jonge man, vergeet nu maar dat je in tegenwoordigheid van de emir van de gelovigen bent en laat je geheel en al gaan, zoals je dat onder vrienden zou doen, want ik heb nu wel gemerkt dat je geschiedenis zeer bijzonder moet zijn en dat de aanleiding tot je gedrag ook aan ongewone gronden moet zijn ontsproten. Wat mij betreft, ik zweer je bij de verdiensten van mijn voorouders, van de roemruchtige, dat jou geen kwaad zal overkomen.’ Jafar ging er van zijn kant toe over om de jonge man onmiskenbaar aanmoedigende tekens te geven, die duidelijk tot uitdrukking brachten: ‘Spreek vol vertrouwen. Maak je nergens ongerust over.’

Hierop hervond het jongmens de kracht die uit hem gevloeid was. Na het hoofd weer opgeheven te hebben, boog hij zich opnieuw voorover, kuste uit eerbied nogmaals de aarde tussen de handen van de kalief en zei:

 

Geschiedenis van de jonge man met de witte merrie

 

‘Weet, ach emir van de gelovigen, dat iedereen in mijn wijk mij kent en dat ik daar heer Neman word genoemd. De geschiedenis die ik nu, op uw bevel ga vertellen, is mijn eigen geschiedenis en ze bestaat uit een mysterie van het islamitische geloof. Als ze met naalden aan de binnenkant van het oog werd opgetekend, zou zij een ieder die haar met aandacht in zich opnam, tot lering kunnen strekken.’

De jongeman zweeg een ogenblik, om zich al zijn herinneringen voor de geest te halen, en ging verder: ‘Toen mijn vader stierf, liet hij me als erfenis datgene na, wat God voor mij had voorbeschikt. Ik ontdekte dat de zegeningen van God over mijn hoofd menigvuldiger en uitgelezener waren dan ik ooit had kunnen wensen. Bovendien ontging het me niet, dat ik van de ene op de andere dag de rijkste en aanzienlijkste man in mijn wijk was geworden. Mijn nieuwe levensstaat verleidde me echter niet tot opgeblazenheid en hoogmoed, maar bracht een verdere ontwikkeling teweeg van mijn neiging tot rust en eenzaamheid. Ik bleef voortleven als jonggezel en prees mezelf op elke morgen van God gelukkig, omdat ik geen familiezorgen kende en geen verantwoordelijkheid bezat. Elke avond zei ik in mezelf: Ach heer Neman, wat leid je toch een eenvoudig en rustig leven! Hoe aangenaam is de eenzaamheid van het jonggezellenbestaan!’

Op zekere dag, ach mijn heer, ontwaakte ik echter met het hevige en onbegrijpelijke verlangen om plotseling verandering in mijn leven aan te brengen. Het was een verlangen naar het huwelijk, dat in mijn binnenste was ontstaan. Ik stond onmiddellijk op, bewogen door de innerlijke roerselen van mijn hart. Ik zei tegen mezelf: ‘Schaam jij je niet, ach heer Neman, om je huis in eenzaamheid te bewonen zoals een jakhals zijn hol zonder koestering van wie dan ook, zonder een altijd fris vrouwenlichaam om er je ogen aan te vergasten en zonder enige verknochtheid, waaruit je het bewustzijn zou kunnen putten, dat je in werkelijkheid leeft door de bezieling van je Schepper? Lijkt het je soms wenselijk om de gunsten van onze jonge meisjes pas te leren kennen als de jaren je gebrekkig hebben gemaakt en je nergens meer toe in staat zult zijn?’

Hoewel deze natuurlijke gedachten voor de eerste maal in mij opwelden, gaf ik zonder weifeling gevolg aan het verzoek van mijn ziel, want zij is een dierbaar pand en al haar wensen dienen te worden vervuld. Ik kende echter geen enkele gehuwde vrouw, die een bruid voor mij zou kunnen vinden onder de dochters van de notabelen in mijn wijk, of van de rijke kooplieden op de markt, terwijl ik bovendien vast besloten was om te huwen met kennis van zaken, waarmee ik wil zeggen, dat ik mijn eigen ogen wenste te gebruiken om de lieftalligheden en alle andere eigenschappen van mijn bruid te beoordelen. Ik was niet van plan me te voegen naar de gewoonte, waarbij het is voorgeschreven dat men het gelaat van de bruid niet zal kennen aleer het contract ondertekend en het huwelijksceremonieel voltrokken is. Uit dien hoofde had ik eenvoudigweg besloten, een bruid te kiezen uit de schone slavinnen, die men geregeld te koop aanbiedt. Ik verliet onmiddellijk mijn woning en begaf me naar de slavinnenmarkt, terwijl ik tegen mijzelf zei: ‘Ach heer Neman, het is een kostelijk besluit van je, een vrouw te kiezen uit de jonge slavinnen en geen verbintenis te zoeken met een welgesteld meisje. Op deze manier ontloop je heel wat last en onaangenaamheden, omdat je er om te beginnen niet beducht voor hoeft te zijn om die nieuwe familie van je vrouw op je rug te krijgen. De wijze waarop de vijanden van je schoonmoeder, een oud stuk rampzaligheid ongetwijfeld, haar bij voortduring zullen bejegenen, hoeft jou alvast niet zwaar op de maag te liggen. Evenmin hoeven je schouders de last te torsen, die samengesteld is uit de broers en de broertjes van je vrouw, evenals uit haar ouders en haar grootouders, terwijl je verder niets te maken zult hebben met de vervelende en lompe kennissen van je oom, de vader van je vrouw. Maar bovenal zul je verschoond blijven van de toekomstige verwijten, waarmee de dochter van de notabele je zonder mankeren en bij elke gelegenheid zal laten voelen, dat zij van betere afkomst is en dat jij niet het minste en geringste hebt in te brengen, doch slechts verplichtingen ten aanzien van haar hebt en gehouden bent om haar met alle mogelijke consideratie en voorkomendheid te behandelen. Als jij in zulke omstandigheden zou komen te verkeren, zou je met spijt terugzien op je jonggezellentijd en op je vingers knagen tot het bloed eruit liep. Als je daarentegen na een nauwlettend onderzoek met je ogen en je vingers een vrouw uitkiest, die alleen maar met haar schoonheid is belast, breng je alles tot zijn eenvoudigste vormen terug. Je vermijdt verwikkelingen, hebt niets met de schaduwzijden van het huwelijk te maken en geniet er uitsluitend de voordelen van.’

Ik voelde mij die morgen zeer voldaan na deze, voor mij geheel nieuwe overwegingen, ach emir van de gelovigen en kwam welgemoed op de slavinnenmarkt aan, om er een knappe echtgenote uit te zoeken, waarmee ik alle mogelijke heerlijkheden en zegeningen door wederzijdse liefde zou gaan beleven. Ik ben van nature tot hartelijkheid geneigd en daarom verlangde ik er met mijn ganse wezen naar om in de jonge vrouw van mijn keuze die voortreffelijkheden van ziel en lichaam aan te treffen, die mij in staat zouden stellen haar deelgenoot te maken van al mijn opeengehoopte reserves aan tederheid, waarvan ik nog nimmer aan iemand een greintje had afgestaan.

Toevallig was het de marktdag en was er te Bagdad juist een nieuwe aanvoer gearriveerd van jonge meisjes uit Circassië, uit Ionië, van de eilanden in het uiterste Noorden, uit Ethiopië, uit Iran, uit Khorasan, uit Arabië, uit de landen van de Roemenen, van het Anatolische strand, uit Serendib, uit Indië en uit China. Toen ik in het centrum van de markt was aangekomen, hadden de makelaars en de afslagers hen al in verschillende partijen afzonderlijk opgesteld, om de ongeregeldheden te ontkomen, die zo gemakkelijk uit een vermenging van allerlei rassen kunnen ontstaan. Bij elke partij was aan ieder jong meisje een ruime plaats toebedeeld, opdat men het van alle zijden zou kunnen beoordelen en elke koop naar beste weten en zonder bedrog tot stand zou kunnen worden gebracht.

Nu wilde het lot, want niemand kan zijn lot ontgaan, dat mijn eerste stappen tussen al die partijen zich richtten naar de groep van meisjes, afkomstig van de eilanden in het uiterste Noorden. Mijn stappen wendden zich echter niet uit eigen beweging in die richting; het waren mijn ogen die er de onmiddellijke aanleiding toe waren. Die groep van meisjes uit het uiterste Noorden stak namelijk scherp af tegen de naburige, donkerder groepen en wel door haar glans en door een weelde van zwaar, loshangend haar, geel als goud, op schouders zo blank als maagdelijk zilver. De meisjes waaruit deze groep bestond, leken vreemd genoeg allemaal op elkaar, zoals zussen die uit dezelfde vader en moeder zijn voortgekomen. En hun ogen waren even blauw als een Iraanse turkoois die nog vochtig is van de rots …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 862e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Nimmer tevoren, ach mijn heer, was het mij te beurt gevallen om jonge meisjes van een zo bijzondere schoonheid te aanschouwen. Ik geraakte in vervoering en voelde hoe mijn ziel opsprong in mijn borst en uitging naar dat ontroerende schouwspel. Na een uur was ik nog niet bij machte om een keuze te maken, aangezien al die meisjes mij in schoonheid gelijk schenen te zijn en daarom nam ik er een bij de hand, die mij als de jongste van hen allen voorkwam en zonder te bieden of te pingelen, bracht ik dadelijk de koop tot stand. Het jonge meisje was geheel en al omkranst met bevalligheden en zowel gelijk aan het zilver in de mijn als aan een gepelde amandel, glanzend en buitensporig bleek, met een vachtje van gele zijde en met onmetelijk grote, toverachtig blauwe ogen onder donkere, omgebogen wimpers, die aan het lemmet van een Turkse sabel deden denken en beveiliging boden aan een blik, zo lieflijk als de zee. Zij bracht mij de volgende woorden van de dichter te binnen:

 

‘Ach jij, van wie de fraaie huidskleur

kostelijk is, met een natuurlijk odeur

zoals de teint van een Chinese roos,

die ons dag en nacht bekoort mateloos.

Van wie het mondje en haar inhoud,

een purperen kamille gelijk, in eenvoud

bloeiend tussen een dubbele rij

van hagelkorrels, frank en vrij.

Ach eigenares van twee agaten ogen, zo bemind,

overschaduwd door bloesemblaadjes van de hyacint,

voortreffelijker nog dan bij een Egyptische koningin

uit vroegere tijden, zonder enige hoogmoedswaanzin.

Ach edele van hoge stand,

gewaardeerd in het land!

Als ik de schonen die ons beminnen, zonder bedrog,

met jou ging vergelijken, vergiste ik me toch nog,

omdat jouw geroemde schoonheid

geen weerga kent, wijd en zijd.

Wat zou een schoonheidsvlekje, gewis,

verstoken in de beminnelijke geheimenis

van je verborgenheden, niet kunnen doen

om een mens te doen waggelen bij dit visioen.

Zouden je slanke benen zich niet

verheven achten boven het riet

dat zich weerspiegelt in de vijver,

als ze zich rechtop staande, vol ijver,

bekeken in de spiegel van je ontblote voeten

en zo het ranke riet uit de hoogte begroetten.

Zouden de jonge twijgen van de boom ban

niet jaloers zijn op jouw volmaakte middel dan,

dat zich volgzaam en vrij voegt naar

het ritme van je grandeur, voorwaar,

want is jouw achterkasteel

niet een veel heerlijker juweel

dan het achterkwartier van een schip

dat de zee bevaart, voor het goede begrip.

Zou je, als het door wilde piraten

werd beklommen, of door soldaten,

met jouw wapens hun harten

niet dodelijk kwetsen en tarten.’

 

Ik nam het jonge meisje dus bij de hand, ach mijn heer en nadat ik haar naaktheid met mijn mantel had bedekt, geleidde ik haar naar mijn woning. Zij stond me onmiddellijk aan, daar ze zachtzinnig, zwijgzaam en bescheiden was. En ik voelde hoezeer ze me aantrok door haar uitheemse schoonheid, haar bleekheid, haar gele haardos die aan smeltend goud gelijk was, evenals door haar steeds neergeslagen, blauwe ogen, die zonder enige twijfel uit beschroomdheid voortdurend de mijne ontweken. Daar ze geen woord van onze taal verstond en ik die van haar evenmin kon spreken, vermoeide ik haar niet met vragen die toch onbeantwoord zouden blijven. Maar ik dankte de Schenker, omdat Hij een vrouw naar mijn woning had gevoerd, van wie het aanschijn alleen al voldoende was om me in verrukking te brengen. Desondanks ontging het me de eerste avond al niet, dat haar gedragingen zonderling waren. Zodra de duisternis was ingevallen, werden haar blauwe ogen aanmerkelijk dieper van tint en haar blik begon te fonkelen als door een inwendig vuur, zulks in tegenstelling tot haar oogopslag bij dag, toen deze van lieflijkheid overstroomde. Zij viel ten prooi aan een soort van overspanning, wat zich uitte door een nog grotere bleekheid van haar gelaatstrekken en door een trilling van haar lippen. Soms keek zij de kant van de deur uit, alsof ze er behoefte aan had om naar buiten te gaan en een luchtje te scheppen. Aangezien het nachtelijk uur echter weinig aanlokkelijk is voor een wandeling en het bovendien tijd werd voor het avondmaal, ging ik aan tafel en liet haar naast mij plaats nemen. Terwijl wij nog zaten te wachten tot het maal zou worden opgediend, wilde ik die gelegenheid gebruiken om haar te doen begrijpen, hoezeer ik haar komst als een zegen beschouwde en welke tedere aandoeningen in mijn hart waren ontkiemd, sinds mijn ogen haar voor het eerst hadden gezien. Ik streelde haar zachtjes, trachtte haar aan te halen en haar uitheemse ziel aan mij te laten wennen. Voorzichtig nam ik haar hand in de mijne en bracht deze aan mijn lippen en op mijn hart. Met dezelfde zorg, waarmee ik een oude stof zou behandelen die zo uit elkaar zou kunnen vallen, streek ik mijn vingers behoedzaam langs haar aanlokkelijke zijden haartooi. Nimmer zal ik vergeten, ach mijn heer, wat ik bij die aanraking ondervond. Ik voelde niet die warmte, die aan levend haar eigen is, maar kreeg de gewaarwording alsof de gele haren van haar lokken uit het een of andere ijskoude metaal waren getrokken en of mijn hand tot rust was gekomen op zijde die in smeltende sneeuw was gedrenkt. En ik twijfelde er niet aan, dat zij van nature geheel en al geformeerd moest zijn uit filigraanwerk van gouddraad.

Mijn gedachten gingen uit naar het onbegrensde vermogen van de Meester aller schepselen die de meisjes in ons klimaat heeft voorzien van hun zwarte haardos, heet als de vleugelen van de nacht, terwijl Hij het voorhoofd van de glanzende meisjes uit het Noorden heeft gekroond met een kroon van ijzige gloed.

In het besef, ach mijn heer, dat ik nu de echtgenoot was geworden van een zo uitzonderlijk, zozeer van de vrouwen in ons klimaat afwijkend wezen, wist ik me nog net te onttrekken aan een ontroering, waarin ontsteltenis en genot dooreen gemengd waren. Tevens kreeg ik het gevoel dat zij van een andere orde was dan ik en ons allemaal. Ik kreeg de neiging haar zo maar bovennatuurlijke gaven en ongekende deugden toe te dichten. Ik beschouwde haar met bewondering en diepe verbazing.

Weldra kwamen echter de slaven binnen, op hun hoofd de schotels met spijzen torsende, die zij daarna voor ons neerzetten. Het trok mijn aandacht, dat de gedwongenheid van mijn echtgenote bij het aanschouwen van die spijzen ogenblikkelijk toenam. Rode plekken en een intensere bleekheid wisselden elkaar af op haar wangen van mat satijn, terwijl haar ogen groter werden en voor zich uit staarden, zonder iets te zien. Ik schreef dit toe aan haar bedeesdheid en aan haar onbekendheid met onze gebruiken en om haar tot eten aan te moedigen, bediende ik mezelf van een schotel met rijst, in boter toebereid en zette me aan mijn maal, waarbij ik, zoals wij dat gewend zijn, van mijn vingers gebruik maakte. Maar in plaats dat dit voorbeeld de eetlust van mijn echtgenote prikkelde, bleek het haar ongetwijfeld een zeker gevoel van weerzin te geven, zo niet van walging. Zij dacht er blijkbaar niet aan, mijn voorbeeld te volgen, daar ze het hoofd afwendde en om zich heen keek, alsof ze ergens naar zocht. Uiteindelijk, mogelijkerwijs inziend dat ik haar met mijn blikken smeekte om toe te tasten, haalde zij na een langdurige periode van weifeling uit haar boezem een smal etui te voorschijn, gevormd als het been van een kind en trok daaruit een heel fijn stengeltje hondsgras, dat veel overeenkomst vertoonde met die fijne stengeltjes, die wij als oorlepeltje gebruikten. Zij nam dit kleine, puntige stengeltje behoedzaam tussen twee vingers en pikte er heel langzaam mee in de rijst, om daarna en nog langzamer, korrel voor korrel naar haar lippen te brengen. En tussen elk minuscuul hapje liet zij geruime tijd verstrijken. Het ging zo langzaam, dat zij nog niet meer dan een dozijn rijstkorrels tot zich had genomen, toen ik mijn maal al beëindigd had. Dat was alles wat zij die avond wilde eten. Toch meende ik uit een vaag gebaar te mogen opmaken, dat zij verzadigd was. Daar ik haar gedwongenheid niet wilde bevorderen en haar evenmin wilde afschrikken, drong ik haar geen ander voedsel meer op.

Deze gang van zaken versterkte me echter in het geloof, dat mijn uitheemse echtgenote een ander wezen was dan de bewoners van onze landstreken. En ik dacht bij mezelf: Als dit meisje om zich te voeden geen grotere behoeften heeft dan een vogeltje, moet zij wel anders zijn als onze vrouwen. Maar als het nu zo met de behoeften van haar lichaam is gesteld, hoe zal het dan met de behoeften van haar ziel zijn? Hierop nam ik het besluit me geheel te wijden aan het doorgronden van haar ziel, hoe ondoorgrondelijk deze me ook voorkwam.

Om mezelf een verklaring te geven van haar handelwijze, verbeeldde ik me die avond, dat zij niet gewend was met mannen te eten, laat staan met een echtgenoot, aangezien men haar zeer waarschijnlijk had geleerd, zich met terughouding te gedragen. Ik redeneerde zo: ja, dat is het! Zij heeft die terughouding in zulk een grote mate betracht, omdat zij eenvoudig van geest en kinderlijk is. Ook is het mogelijk, dat zij al gegeten heeft. En in het tegenovergestelde geval heeft ze er waarschijnlijk mee willen wachten tot ze met zichzelf alleen en vrij was, om te doen en te laten wat haar wenselijk leek.

Nadien stond ik op, nam haar met uiterste behoedzaamheid bij de hand en geleidde haar naar het vertrek, dat ik voor haar in gereedheid had laten brengen. Daar liet ik haar alleen, opdat zij er in alle vrijheid haar eigen gang zou kunnen gaan.

Beducht haar lastig te zullen vallen, of haar onaangenaam te zullen zijn, begaf ik me later die nacht niet naar haar kamer, zoals mannen dit gewoonlijk in hun huwelijksnacht doen. Het kwam me namelijk voor, dat ik door mijn bescheidenheid de welwillendheid van mijn echtgenote zou kunnen verwerven en haar zodoende tevens zou kunnen bewijzen dat de mannen uit onze landstreken beslist niet lomp genoemd kunnen worden en evenmin van wellevendheid zijn gespeend, maar dat zij zich als het nodig is wel degelijk kies en ingetogen weten te gedragen. Toch en bij uw leven, ach emir van de gelovigen, kan ik u verzekeren dat het mij die nacht niet aan het verlangen heeft ontbroken om door te dringen tot mijn glanzende echtgenote, dat heerlijke meisje, die dochter van de Noorderlingen, van wie de aanschijn mij lieflijk was en van wie de uitheemse gratie en raadselachtigheid mijn hart bekoorden. Mijn welbehagen was me echter veel te kostbaar om het door overhaasting in gevaar te brengen, aangezien ik haar slechts zou kunnen winnen door het terrein geleidelijk aan te ontginnen en te wachten, tot de vrucht haar zurigheid had verloren en tot volle, frisse wasdom was gekomen. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 863e Nacht een aanvang nam, begon zij opnieuw: “Ik bracht de nacht echter in slapeloosheid door, want ik werd voortdurend bezig gehouden door de blonde pracht van de jonge vreemdelinge, die mijn woonstee welriekend had gemaakt en van wie het schitterende lichaam mij even geurig, even donzig en even begeerlijk voorkwam als een abrikoos, geplukt in de ochtenddauw. Toen ze mij de volgende morgen bij het ochtendmaal tegemoet trad, ontving ik haar met een glimlach en een buiging, zoals ik het wel eens had zien doen bij de ontvangst van emirs uit het Westen, die hier als afgezanten van de Europese koningen een bezoek kwamen brengen. Ik liet haar naast mij aanzitten aan het gerecht, waarop zich evenals de vorige avond een schotel rulle rijst bevond die wonderbaarlijk goed met boter en kaneel was klaargemaakt. Mijn echtgenote gedroeg zich toen weer net zoals de vorige maal, want zij liet alle gerechten staan behalve die schotel met rijst, waaruit zij met haar oorlepeltje langzaam korrel voor korrel naar de mond bracht.

Deze handelwijze verbaasde mij nog meer dan de avond tevoren en ik vroeg mij af wat men er, bij God, toch mee kan hebben voorgehad om haar op die manier te leren eten. Misschien was dat een eigenaardigheid in haar familie, of in het land vanwaar zij is gekomen. Of zou zij dit alleen maar doen omdat ze een kleine eter is? Zou zij wellicht de rijstkorrels tellen, om steeds een gelijke hoeveelheid tot zich te nemen? Maar als zij meende dit te moeten doen uit spaarzaamheid, met de bedoeling me tot zuinigheid aan te sporen, of op verkwisting te wijzen, bij God!, dan vergiste zij zich, daar we in dit opzicht niet beschroomd behoeven te zijn, aangezien we ons op die wijze nimmer zullen ruïneren. Dankzij de Bezoldiger is het ons gegeven in welstand te leven, zodat het geen zin heeft ons het noodzakelijke, noch het overvloedige te ontzeggen.

Of mijn echtgenote iets van mijn gedachten en mijn verbouwereerdheid begreep, weet ik niet, maar ik weet wel dat zij op dezelfde onbegrijpelijke manier bleef eten. Het leek me er zelfs op alsof ze mij nog sterker wilde grieven, aangezien ze alleen de verst verwijderde korreltjes uit de rijst pikte, om uiteindelijk zonder iets te zeggen, of me ook maar aan te kijken, het puntige stengeltje schoon te maken en het op te bergen in haar beenvormige etui. Dat was alles wat ik haar die ochtend zag doen. Bij het avondeten handelde zij niet anders en zo ging het ook de volgende dag en elke keer trouwens, wanneer we samen aan de avondmaaltijd zaten.

Nu kon een vrouw volgens mij niet in leven blijven op het kleine beetje voedsel dat ik haar geregeld tot zich zag nemen en daarom twijfelde ik er niet aan, dat hiermee een nog vreemder mysterie verbonden moest zijn dan met alles wat ik al betreffende het bestaan van mijn echtgenote had waargenomen. Dit bracht mij ertoe om verder geduld te oefenen, met de hoop dat zij er na verloop van tijd aan zou wennen om met mij te leven zoals mijn ziel dat verlangde. Vrij spoedig moest ik mezelf echter al bekennen dat mijn hoop vergeefs zou zijn en dientengevolge nam ik mij voor, onverschillig wat dit me zou kosten, het besluit om een verklaring te vinden voor die levenswijze, die zozeer van de onze verschilde. En zonder dat ik erop bedacht was, deed zich daartoe de gelegenheid voor.

Na een dag of vijftien geduld te hebben geoefend en bescheidenheid te hebben betracht, besloot ik voor het eerst een bezoek aan het bruidsvertrek te brengen. Toen ik namelijk op een nacht in de mening verkeerde dat mijn echtgenote allang moest zijn ingeslapen, begaf ik me zachtjes naar haar appartement, wat recht tegenover het mijne was gelegen en op mijn tenen naderde ik de deur van haar kamer, opdat ik haar niet in de slaap zou storen. Om haar eerst rustig in haar slaap te kunnen gadeslaan, wilde ik haar niet overhaast wekken, want ik stelde mij voor dat zij met haar geloken oogleden en haar lange, omgekrulde wimpers, even schoon moest zijn als een van de engelen uit het Paradijs. Zodra ik echter haar kamerdeur had bereikt, hoorde ik hoe zij er aan de andere kant op toeliep. Ik kon me niet voorstellen waarom zij op dat vergevorderde nachtelijke uur het bed had verlaten en door nieuwsgierigheid gedwongen, verborg ik me achter de voorhang van de deur om na te gaan wat er aan de hand kon zijn.

Dadelijk daarop werd de deur geopend en verscheen mijn echtgenote in haar uitgaanskleren op de drempel, waarna zij zonder enig gerucht te maken losjes voortging over de marmeren vloertegels. Terwijl ik haar daar in het donker langs mij heen zag gaan, schrok ik zo, dat het bloed stolde in mijn hart. Haar ganse gezicht was zichtbaar in de duisternis, omdat het verlicht werd door een dubbel hellevuur. Dat waren haar ogen, brandend als die van een tijger, die, naar men zegt, zijn pad ermee verlicht als hij erop uitgaat om te moorden en te slachten. Zij was gelijk aan die verschrikkelijke gedaanten, die door boosaardige djinn in onze slaap naar ons toe worden gezonden om te tonen welke onheilen zij ten aanzien van ons beramen. Sterker nog: met haar doodsbleke gezicht, haar vlammende ogen en haar gele haren, die op een ontzettende wijze recht overeind stonden, leek zij mij zelf een vrouwelijke djinn en een van de gruwelijkste soort te zijn. Ik klappertandde zo erg, mijn heer, dat ik mijn kaken dacht te breken, het speeksel verdroogde in mijn mond en mijn ademtocht werd vernietigd. Toch was ik in staat om me te bewegen, maar ik droeg er zorg voor dat geen gebaar mijn aanwezigheid op die plaats achter die voorhang, verried. Ik wachtte tot zij zich verwijderd had eer ik, naar adem snakkend, uit mijn schuilplaats te voorschijn kwam. Snel begaf ik me naar het raam dat uitzag op het binnenhof van het huis en keek door het traliewerk naar buiten. Ik was juist op tijd om door een daartegenover liggend venster waar te nemen, dat zij de buitendeur opende en vertrok, waarbij haar blote voeten nauwelijks de grond beroerden.

Ik gaf haar een kleine voorsprong, holde naar de deur, die ze open had laten staan, nam daar mijn sandalen in de hand en volgde haar van verre. De nacht werd verlicht door een afnemende maan en de hele hemel strekte zich zoals elke nacht verheven, met ontroerende klaarheid uit. Ondanks de gistingen in mijn gemoed verhief ik mijn ziel tot de Heer van alle schepselen en bad ik inwendig: ‘Ach mijn Heer, God van vervoering en waarheid, wil er getuige van zijn dat ik met bedachtzaamheid en met eerlijke bedoelingen ten opzichte van mijn echtgenote, die dochter van de vreemdelingen, heb gehandeld, hoewel ik van al haar omstandigheden niets wist en zij misschien tot een misdadig ras behoort, dat een gruwel is in Uw ogen, Heer! Ik weet niet wat zij vannacht in haar schild voert onder het vriendelijk schijnsel van Uw hemel. Maar beschouw mij niet, in welk opzicht ook, als medeplichtig aan haar daden. Ik verwerp ze bij voorbaat, indien ze in strijd zijn met Uw wet en met de leer van Uw Afgezant – over Wie de vrede en het gebed zij!’

Na mijn gemoedsbezwaren op deze wijze te hebben bezworen, zag ik er niet meer tegenop om mijn echtgenote te volgen, waarheen zij ook zou mogen gaan. Zij doorliep alle straten van de stad met een opmerkelijke zekerheid, alsof zij te midden van ons was geboren en getogen. Ik volgde haar van verre, waarbij haar flikkerende haardos, die onheilspellend achter haar aan door de nacht vluchtte, mij tot richtsnoer diende. Zij bereikte de laatste huizen, liep door de stadspoorten en ging de verlaten velden in, die sinds eeuwen de woonplaats van de gestorvenen zijn geweest. De eerste dodenakker, waarop zich uitsluitend zeer oude graven bevonden, liet zij achter zich en ze spoedde zich voort naar de volgende, die dagelijks werd gebruikt. En ik dacht: Zij heeft daar zeker een gestorven vriendin of een zus, welke met haar uit het verre hierheen is gekomen. Ik kan me voorstellen dat ze er de voorkeur aan geeft om hier in de stilte en de eenzaamheid van de nacht enkele ogenblikken te verblijven. Maar haast gelijktijdig herinnerde ik me opnieuw haar verschrikkelijke voorkomen en haar vlammende ogen, waardoor al mijn bloed weer naar mijn hart teruggolfde. Vlak daarop zag ik tussen de graven een ondefinieerbare gestalte verrijzen en deze ging mijn echtgenote tegemoet. Toen herkende ik die gedaante uit het graf, die een reusachtig goede geest moest zijn, want zijn uiterlijk was afschuwelijk en zijn kop leek op die van een hyena. Ik begon zo te beven, dat mijn benen me niet meer konden dragen en ik achter een graftombe neerviel. Daardoor ontsnapte ik aan de aandacht van de reusachtig goede geest, zodat ik ondanks de ontzettende verwarring waarin ik me bevond, kon waarnemen hoe hij op mijn echtgenote toekwam, haar bij de hand nam en naar een geopend graf leidde. Hierna gingen zij tegenover elkaar aan de rand van het graf zitten. De reusachtig goede geest bukte zich diep over de aarde. Toen hij zich weer oprichtte, had hij een rond voorwerp te pakken, dat hij zwijgend aan mijn echtgenote overhandigde. Ik herkende dat voorwerp als een mensenschedel, die pas van een levenloos lichaam afgehouwen moest zijn. Mijn echtgenote stootte een schreeuw uit als die van een verscheurend beest, zette haar tanden zomaar in dat lijkenvlees en begon het te verslinden. Bij die aanblik, ach mijn heer, kreeg ik het gevoel dat de hemel in al zijn omvang neerstortte op mijn hoofd. In mijn ontzetting slaakte ik een kreet van afschuw, waardoor ik mijn aanwezigheid verraadde. Vlak daarop zag ik mijn echtgenote om de tombe heensluipen, die me tot dusverre had beschut. Ze beschouwde me met de ogen van een uitgehongerde tijgerin, gereed om haar prooi te bespringen. Ik achtte me zonder enige twijfel reddeloos verloren. Eer ik in staat was om ook maar iets tot mijn verdediging te ondernemen, of een bezwering tegen de hekserij te formuleren, stak zij beide armen naar mij uit en gromde in een onbekende taal enkele lettergrepen, welke te vergelijken waren met het gebrul dat men in de woestijnen kan waarnemen. Nauwelijks had zij deze duivelse lettergrepen uitgesproken, toen ik eensklaps werd veranderd in een hond. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 864e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Meteen wierp mijn echtgenote zich op me, gevolgd door de vreselijke reusachtig goede geest. Zij namen me tussen zich in en schopten me zo verschrikkelijk, dat het me onbegrijpelijk voorkomt, waarom ik ter plekke niet dood ben gebleven. Zowel de hachelijke toestand waarin ik mij bevond, als de gehechtheid van mijn ziel aan het leven, gaven mij echter de kracht en de moed om overeind te springen op alle vier mijn benen en met mijn staart teruggetrokken onder mijn buik, te vluchten, hoewel mijn echtgenote en de reusachtig goede geest mij met onverminderde woede bleven achtervolgen. Zij kregen er pas genoeg van om mij te mishandelen en achter mij aan te rennen, toen ze me heel ver van het kerkhof hadden verdreven en ik na elke tien stappen klagelijk blaffend op mijn rug rolde. Uiteindelijk zag ik hen echter naar het kerkhof terugkeren. Hierop haastte ik mij om als een verdoolde en ongelukkige hond de stadspoorten binnen te sluipen.

Nadat ik hinkende de hele nacht door de stad had gezworven, om te ontkomen aan de knauwen van de honden uit de buurt, rees in de ochtend de gedachte om een toevlucht te zoeken in de één of andere schuilplaats, waar ik mij aan hun wrede aanvallen zou kunnen onttrekken. Onmiddellijk gaf ik gevolg aan die inval en bij de eerste de beste winkel die op dat vroege uur al geopend bleek te zijn, schoot ik naar binnen. Ik verstopte me daar in een hoek, mij verbergend voor de blikken van mijn belagers.

Die winkel bleek te behoren aan een koopman in schaapskoppen en schapenpoten. Deze man nam het voor mij op, toen mijn aanvallers bij hun achtervolging ook in de winkel wilden binnendringen. Hij slaagde erin hen tegen te houden en te verdrijven, doch daarna wendde hij zich tot mij met het klaarblijkelijke doel, mij eveneens de winkel uit te zetten. Op dat moment zag ik heel goed in, dat ik mijn hoop op bescherming en op een onderkomen wel kon laten varen. De koopman was namelijk een van die overdreven vormelijke en fanatiek bijgelovige mensen, die honden als onreine dieren beschouwen en die noch genoeg water, noch genoeg zeep kunnen vinden om hun kleren te wassen, als een hond hen toevallig in het verkeer heeft aangeraakt. Hij kwam dus naar me toe en gelastte mij met stem en gebaar om zo spoedig mogelijk zijn winkel te verlaten. Maar ik rolde mij nog ronder op, kermde met klagelijke stem en keek naar hem op met ogen die om genade smeekten. Met een zweem van medelijden legde hij daarop de stok terzijde waarmee hij me had bedreigd, maar aangezien hij er toch beslist op bleef staan om zijn winkel van mijn aanwezigheid te bevrijden, nam hij een van zijn bewonderenswaardig gebraden, geurige kluifjes tussen zijn vingertoppen, hield het me goed zichtbaar voor en ging er vervolgens mee de straat op. Ik werd onweerstaanbaar aangetrokken door de geur van dat verrukkelijke gebraad, ach mijn heer, waardoor ik opstond uit mijn hoek en achter de koopman aan ging. Nauwelijks zag hij dat ik mij buiten zijn winkel bevond, of hij wierp me de kluif toe en begaf zich weer naar binnen.

Zodra ik het heerlijke vlees had ingeslikt, wilde ik weer haastig naar mijn hoek terugkeren. Maar hierbij had ik niet op mijn gastheer, de koopman in schaapskoppen gerekend, die mijn plan had doorzien en nu meedogenloos, met de verschrikkelijke, knoestige stok in de hand, op de drempel stond. In de houding van een smekeling zag ik naar hem op en ik kwispelstaartte ook, om hem duidelijk te maken dat ik om de gunst van die schuilhoek bad. Hij bleef echter onverbiddelijk, begon zelfs met zijn stok te zwaaien en riep met een stem die over zijn verdere bedoelingen niets meer te raden liet: ‘Verdwijn, ach smuiger!’

Zeer vernederd, gaf ik mijn benen over aan de wind, want ik was tevens bevreesd voor de honden in de omgeving, die al van alle kanten uit de markt op mij af stormden. IJlings ging ik er vandoor, naar de winkel van een broodbakker, die vlak bij die van de koopman in schaapskoppen lag.

In tegenstelling tot de vleesverkoper, die door gemoedsbezwaren werd verteerd en door bijgeloof bezeten, kwam de broodbakker me voor als een vrolijke en een innemende man en dat was hij inderdaad. Toen ik zijn winkel bereikte, zat hij op zijn mat te ontbijten en hoewel ik hem nog op geen enkele manier mijn behoefte aan eten kenbaar had gemaakt, bewoog zijn medelijdende ziel hem er onmiddellijk toe om mij een groot stuk brood, gedrenkt in tomatensaus, toe te werpen, waarbij hij met een goedaardige stem uitriep: ‘Hier stakker, eet met wellust!’ Het was echter verre van mij om gretig en gulzig op het goede van God aan te vallen, zoals andere honden dat gewoonlijk doen en daarom keek ik de edelmoedige broodbakker aan, knikte hem toe en begon te kwispelen, om hem mijn dankbaarheid goed te doen blijken. Ik moet hem hebben geroerd met mijn beleefdheid en hebben doen weten, dat ik hem op de één of andere manier bedankte, want ik zag dat hij mij goedhartig toelachte. Hoewel ik niet meer door honger werd gepijnigd en eigenlijk geen behoefte meer had om voedsel tot mij te nemen, nam ik het stuk brood toch tussen mijn tanden en begon ik het heel langzaam op te eten, enkel en alleen om hem een genoegen te doen en te laten begrijpen, dat ik dit deed uit beleefdheid ten aanzien van hem en tevens als eerbewijs. Dit alles merkte hij op en hij riep mij tot zich en beduidde mij met een welwillend gebaar dat ik vlak bij hem plaats kon nemen. Hierop ging ik zitten, kreunde van welbehagen en keerde me naar de kant van de straat om daarmee te beduiden, dat ik niets anders dan zijn bescherming vroeg. Dank zij God, die hem met scherpzinnigheid had begiftigd, begreep hij al mijn bedoelingen en haalde hij me liefkozend aan, mij zodoende moed en vertrouwen schenkende. Ik waagde het zelfs, verder zijn huis in te gaan. Maar ik deed het handig genoeg om hem te laten merken, dat ik dit zonder zijn toestemming niet zou hebben gedaan. Hij verzette zich er niet tegen, maar bleef zeer vriendelijk en wees mij een plek waar ik kon gaan liggen zonder hem tot last te zijn. Ik nam bezit van die plek, welke ik behield gedurende al de tijd die ik in zijn woning doorbracht. Van dat ogenblik aan voelde mijn meester zich door een grote genegenheid ten aanzien van mij gegrepen en behandelde hij mij uiterst welwillend. Of hij nu zijn ontbijt, zijn middagmaal of zijn avondeten nuttigde, altijd was ik aan zijn zijde en ontving ik daar mijn deel. Ik van mijn kant koesterde voor hem al de trouw en al de toewijding, waartoe de nobelste hondenziel in staat is. Uit dankbaarheid voor zijn goede zorgen hield ik mijn ogen voortdurend op hem gericht en als hij maar een voet in, of buiten het huis verzette, volgde ik hem trouw, vooral ook omdat ik had opgemerkt dat deze oplettendheid hem beviel en dat hij mij vertrouwelijk riep of floot, wanneer hij toevallig en zonder daartoe van tevoren aanstalten te hebben gemaakt, van plan was om uit te gaan. Ik snelde dan onmiddellijk van mijn plaats de straat op, sprong en dartelde, liep op het ene ogenblik duizend malen met mijn grootste snelheid en rende op het andere duizend keer voor de deur heen en weer. Ik maakte pas een eind aan die spelletjes, wanneer hij zelf de straat had bereikt. Ik vergezelde hem dan nauwlettend, volgde hem, of dartelde voor hem uit en keek hem van tijd tot tijd aan, om hem op mijn vreugde en mijn tevredenheid opmerkzaam te maken.

Toen ik al enige tijd in het huis van mijn meester, de broodbakker vertoefde, kwam er op een dag onder de dagen een vrouw de winkel binnen en zij kocht een rond broodje, dat pas, en goed gerezen, uit de oven was gekomen. Nadat zij mijn meester had betaald, nam zij het brood op en ze liep naar de deur. Op dat ogenblik ontdekte hij echter dat het zojuist ontvangen geldstuk vals was en hij zei tot haar: ‘Ach tante, dat God je leven moge verlengen! Maar als het je niet mishaagt, verlang ik hiervoor toch een andere munt.’ Al sprekende gaf hij haar het geldstuk in kwestie weer terug. Maar de vrouw, een hard oud wijf, begon heftig te protesteren en weigerde het aan te pakken, bewerende dat het goed was, waaraan zij nog toevoegde: ‘Ik heb het trouwens niet gemaakt en wat geld betreft, valt er niet te kiezen tussen watermeloenen en komkommers!’ Mijn meester liet zich echter niet door haar onsamenhangende argumenten overreden. Hij zei met een rustige stem, maar niet zonder minachting: ‘Jouw geldstuk is zo zichtbaar vals, dat zelfs mijn hond, een stom dier zonder enig onderscheidingsvermogen, zich er niet in zou vergissen.’ Louter met het doel dat wijf te vernederen, daar hij zelf niet geloofde in de uitslag van wat hij ging ondernemen, riep hij mij bij de naam en zei: ‘Lot! Lot! Kom eens, kom eens hier!’ Zodra ik zijn stem vernam, snelde ik kwispelend naar hem toe. Meteen daarop haalde hij de houten lade, waarin hij zijn geld bewaarde, te voorschijn, keerde haar om op de vloer en spreidde al de geldstukken die zij bevatte, voor mij uit. Vervolgens riep hij: ‘Hier! Hier! Zie je al dat geld? Bekijk het goed en zeg me dan of er ook een valse munt onder is!’ Aandachtig onderzocht ik al de geldstukken, waartoe ik nauwlettend het ene na het andere met het uiteinde van mijn poot verschoof en op die manier duurde het niet lang of ik had de valse munt gevonden. Toen keek ik hem aan, jankte zachtjes en kwispelde.

Eigenlijk had mijn meester in het geheel niet geloofd, dat een dier als ik zo scherpzinnig zou kunnen zijn. Toen hem nu hiervan het bewijs werd geleverd, raakte hij haast buiten zichzelf van verbazing en opgetogenheid, uitroepende: ‘God is de grootste! Slechts God is almachtig!’ Ditmaal kon het oude wijf de waarneming van haar eigen ogen niet weerspreken en omdat deze haar tot wanhoop bracht, nam zij snel haar valse munt terug, gaf er een goede voor in de plaats en spoedde zich heen, daarbij struikelend over haar sleep. Mijn meester was nog altijd hevig bewogen door mijn scherpzinnigheid en hij riep zijn buren en al de winkeliers van de markt bijeen. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 865e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Vol vuur vertelde hij hun wat er was voorgevallen en hierbij overdreef hij mijn verdiensten nog, hoewel ze op zichzelf al wonderlijk genoeg waren.

Nadat de aanwezigen het verhaal van mijn meester hadden aangehoord, spraken zij met bewondering over mijn verstand en verklaarden, dat zij nog nimmer zo’n bijzondere hond waren tegengekomen. Hierna wilden zij de ervaringen van mijn meester nog eens herhaald zien, niet omdat zij twijfelden aan zijn woord, maar omdat zij mij, na eigen ervaring met mijn scherpzinnigheid des te beter zouden kunnen roemen. Onmiddellijk gingen zij alle valse munten ophalen, die zij in huis hadden en deze toonden zij mij, samen met andere van goed allooi. Toen ik dit alles zag, dacht ik: ‘Ach God! Het is verbazingwekkend, zoveel valse geldstukken als er bij al deze mensen zijn!’ Omdat ik mijn meester niet wilde afvallen, wat zijn gelaat te midden van de buren versomberd zou hebben, onderzocht ik aandachtig alle geldstukken die zij mij onder ogen hadden gebracht. Er was geen enkele valse munt waarop ik mijn poot niet zette, om haar zodoende van de andere te onderscheiden.

Sindsdien verbreidde zich mijn faam in alle markten van de stad en dank zij de welbespraaktheid van de echtgenote van mijn meester, gebeurde dit zelfs in de harems. Van de ochtend tot de avond werd de broodbakkerij belegerd door een menigte van nieuwsgierigen, die mijn handigheid in het onderscheiden van goede en valse munten op de proef wilden stellen. Omdat ik van dag tot dag de tevredenheid van klanten moest winnen, die uit de meest afgelegen wijken van de stad mijn meester kwamen opzoeken, ontbrak het mij nimmer aan bezigheid. Zo verkreeg mijn meester door mijn vermaardheid meer klanten dan alle broodbakkerijen in de stad bij elkaar. Hij hield niet op mijn komst te zegenen, omdat deze voor hem van even grote waarde was als het bezit van een schat. Maar zijn voorspoed, die hij te danken had aan zijn medelijdend hart, verdroot de koopman in schaapskoppen, die zich van teleurstelling de vingers kapot beet. Gedreven door zijn jaloersheid liet hij niet na valstrikken voor mij te zetten, hetzij om mij te ontvoeren, hetzij om mij onaangenaamheden te bezorgen. Ook hitste hij steeds de honden uit de buurt tegen mij op als ik mijn huis verliet. Desondanks had ik niets te vrezen, want mijn meester beschermde me goed, terwijl ik bovendien nog werd verdedigd door de winkeliers die mijn beperkte kennis bewonderden.

In deze omstandigheden en door iedereen gewaardeerd, leefde ik geruime tijd en ik zou me in dit bestaan werkelijk gelukkig hebben gevoeld, indien niet onophoudelijk in mijn herinnering het besef was opgekomen, dat ik vroeger een menselijk schepsel was geweest. Ik leed niet zozeer omdat ik een hond onder de honden was, maar wel omdat ik was beroofd van het woord, waardoor mijn uitdrukkingsvermogen beperkt was tot een blik en ik mijn speelsheid alleen maar kon uiten door het gebruik van mijn poten of door het uitstoten van ongearticuleerde kreten. Vaak ook gingen mijn rugharen recht overeind staan en begon ik te sidderen, als die verschrikkelijke nacht op het kerkhof me te binnen schoot.

Op zekere dag kwam een oude vrouw met een eerbiedwaardig voorkomen de bakkerij in om evenals ieder ander brood te kopen. Toen ze het had aangenomen en betalen moest, wierp ze om mij te beproeven enige geldstukken neer, waaraan zij met opzet een valse munt had toegevoegd. Ik scheidde die munt onmiddellijk van de andere en zette mijn poot erop, terwijl ik haar met mijn blik tot een onderzoek noodde. Zij nam dat geldstuk op en ze zei: ‘Je hebt het uitstekend gedaan, het is inderdaad vals!’ Met grote bewondering keek zij me aan, betaalde daarna mijn meester het brood dat zij had gekocht en verwijderde zich, maar onderhand gaf zij mij verstolen een teken, dat klaarblijkelijk beduidde: ‘Volg mij!’

Nu vermoedde ik, ach emir van de gelovigen, dat deze dame zich op een heel bijzondere manier voor mij interesseerde, want de wijze waarop zij mij had aangekeken verschilde aanmerkelijk van die, waarop de anderen steeds naar mij keken. Voorzichtigheidshalve liet ik haar echter vertrekken en beperkte ik mij ertoe om haar na te kijken. Toen zij echter enkele stappen had gedaan, draaide zij zich om en ziende dat ik haar nakeek, doch mijn plaats niet verliet, gaf ze mij een tweede teken, dat dringender was dan het eerste. Gebruik makend van de omstandigheid dat mijn meester achter in de winkel aan het bakken was, sprong ik de straat op en volgde de dame, geprikkeld door een nieuwsgierigheid die sterker was dan mijn behoedzaamheid. Ik liep dus achter haar aan en bleef zo nu en dan weifelend en kwispelend staan. Zij moedigde me echter steeds weer aan en daardoor overwon ik uiteindelijk mijn onzekerheid en liep met haar mee naar haar woning. Zij opende de deur, ging het eerst naar binnen en nodigde mij met een heel lieve stem uit haar te volgen, zeggende: ‘Kom maar binnen, ach arme, het zal je niet berouwen!’ Ik ging achter haar aan. Toen zij de deur had gesloten, leidde zij mij naar de woonvertrekken, opende daar een kamer en liet mij binnentreden. Ik zag een jong meisje, mooi als de maan, dat op een divan zat te borduren. Zodra zij mij zag wierp zij snel haar sluier om, terwijl de oude dame tegen haar zei: ‘Ach dochter, hier breng ik je de beroemde hond van de broodbakker, je weet wel, die echte en valse munten zo goed van elkaar kan onderscheiden. Je weet ook, dat ik na het vernemen van de eerste geruchten mijn eigen veronderstellingen over deze kwestie had. Nu ben ik vandaag bij zijn meester brood gaan kopen en heb ik ervaren dat de geruchten op waarheid berusten. Ook ben ik erin geslaagd om deze zeldzame hond, waarover heel Bagdad opgetogen is, met mij mee te laten lopen. Zeg mij nu alles wat je denkt, ach dochter, en vertel me, of mijn vermoedens juist geweest zijn, of niet!’ Hierop antwoordde het jonge meisje: ‘Bij God, ach moeder, u heeft zich niet vergist en dit zal ik u meteen bewijzen.’

Ogenblikkelijk stond zij op, greep een roodkoperen bekken met water, mompelde daarboven enige woorden die ik niet verstond, besprenkelde mij vervolgens met enkele druppels van dat water en zei: ‘Indien je als hond bent geboren, blijf dan een hond, maar indien je bent geboren als een menselijk wezen, herneem dan, geholpen door de deugdzaamheid van dit water, de gedaante aan van een mens!’ Op hetzelfde ogenblik was het of ik iets van me afschudde. De toverban werd verbroken, ik verloor de gestalte van de hond en krachtens mijn geboorterecht werd ik weer mens. Hierop wierp ik mij, door dankbaarheid vervoerd, aan de voeten van mijn bevrijdster en kuste de zoom van haar kleed uit eerbied, om haar te danken voor de aan mij bewezen, grote weldaad en ik zei: ‘Ach gezegend jong meisje, dat God je door Zijn beste gaven de weergaloze weldaad moge vergoeden, die je onbeschroomd hebt bewezen aan een jou onbekende man, een vreemdeling in je huis. Hoe zou ik de woorden kunnen vinden, waarmee ik je naar verdienste kon danken en zegenen? Wees er echter van overtuigd dat ik mijzelf niet meer toebehoor, maar dat je mij hebt gekocht en wel voor een prijs, die mijn waarde verre overschrijdt. Om je nu nauwkeurig in te lichten over de slaaf die jouw eigendom en bezit is geworden, zal ik zonder overlast aan je oren te berokkenen en zonder vermoeidheid bij het luisteren op te wekken, in weinig woorden mijn geschiedenis vertellen.’

Eerst zei ik haar wie ik was en zette ik uiteen, hoe ik als vrijgezel plotseling tot het besluit was gekomen om een vrouw te huwen, die ik echter niet had willen kiezen uit de dochters van de notabelen van Bagdad, onze stad, maar uit de buitenlandse slavinnen, die geregeld worden verhandeld. Terwijl mijn bevrijdster en haar moeder met aandacht naar mijn uiteenzettingen luisterden, vertelde ik verder hoezeer ik was bekoord door de exotische schoonheid van het jonge meisje uit het noorden, hoe mijn huwelijk met haar begon, hoe ik mij welwillend en oplettend tegenover haar gedroeg, hoe teder ik haar bejegende en hoe ik steeds weer geduld oefende bij het aanhoudend waarnemen van haar eigenaardige manieren. Ook deed ik hen het verhaal van die ontzettende nachtelijke ontdekking en van alles wat daaruit voortkwam en dit deed ik van het begin tot het einde, zonder hen ook maar één bijzonderheid te verzwijgen. Maar het heeft geen zin, dit alles hier te herhalen.

Toen mijn bevrijdster en haar moeder mijn geschiedenis hadden aangehoord, toonden zij zich hoogst verontwaardigd over mijn echtgenote, dat jonge meisje uit het noorden, hoewel de moeder van mijn bevrijdster zei: ‘Ach zoon, je hebt toch wel op een zeer zonderlinge wijze gedwaald! Hoe heeft je ziel zich kunnen wenden tot een dochter van vreemdelingen, ondanks het feit dat onze eigen stad zo rijk is aan jonge meisjes van allerlei schakeringen, van wie het hoofd gezegend is door talrijke en uitgekozen weldaden van God? Zeker, het heeft zo moeten zijn, dat je werd behekst, omdat je zonder oordeel een keuze had gemaakt en je lot lichtvaardig in handen had gelegd van iemand, die met jou verschilde van bloed, van ras, van taal en van afkomst. Al het onheil werd veroorzaakt door de Satan, de Boze, de Steniger, dat zie ik heel goed in. Maar laten wij God danken, die jou door bemiddeling van mijn dochter je oorspronkelijke gedaante van menselijk wezen heeft teruggegeven.’ Ik antwoordde, na haar handen te hebben gekust uit eerbied: ‘Ach gezegende moeder, ik ben vol berouw tegenover God en tegenover uw eerbiedwaardig voorkomen, vanwege mijn onbezonnen handelwijze. Niets zou mij liever zijn dan te worden opgenomen in uw gezin, zoals ik al werd opgenomen in uw barmhartigheid. Indien u mij zou willen aannemen als de wettige echtgenoot van uw dochter, die met een zo edele ziel is begiftigd, hoeft u slechts het toestemmend woord te spreken.’ Hierop antwoordde zij: ‘Wat mij betreft, is daar niets op tegen! Maar jij, dochter, wat denk jij? Staat deze voortreffelijke jonge man, die God op ons pad heeft gevoerd, jou aan?’ Mijn jonge bevrijdster antwoordde: ‘Ach, bij God! Hij staat mij aan, ach moeder. Maar dit is nog niet alles! Eerst zullen we hem moeten vrijwaren voor de kwade streken en de boosaardigheid van zijn vroegere echtgenote. Het is nog niet voldoende dat wij de toverban hebben verbroken, waardoor hij buiten de gemeenschap van menselijke wezens werd gesloten. Ook zullen we het haar voor altijd onmogelijk moeten maken om hem te benadelen!’ Nadat zij deze woorden had gesproken, verliet zij de kamer, maar keerde vrij spoedig weer terug met een fles tussen haar vingers. Zij overhandigde mij deze fles, die met water was gevuld en zei: ‘Heer Neman! Zojuist heb ik mijn oude boeken geraadpleegd en deze zeggen mij, dat de boosaardige vreemdelinge zich op het ogenblik niet in je huis bevindt, maar dat zij er binnen korte tijd naar zal terugkeren. Tevens zeggen zij mij, dat die slimme vrouw het tegenover je bedienden doet voorkomen alsof zij in hevige ongerustheid verkeert door je afwezigheid. Maak nu gebruik van de omstandigheid dat zij weg is gegaan en spoed je huiswaarts met de fles, die ik je zojuist heb gegeven, zodat je haar op kunt wachten in de tuin en zij je bij thuiskomst onverwachts tegenover zich vindt. Dit zal haar geheel van haar stuk brengen en in eerste opwelling zal zij zich omdraaien om weg te vluchten. Op dat moment besprenkel je haar met het water uit deze fles en roep je haar toe: ‘Verlies je menselijke gedaante en wordt merrie!’ Zij zal dan ogenblikkelijk worden veranderd in een merrie onder de merries en dan spring jij op haar rug, grijpt haar bij de manen en schuift haar, ondanks haar tegenstand, een dubbel bit in de bek, dat tegen alles bestand is. Om haar te straffen, zoals zij dat heeft verdiend, kastijd je haar met krachtige zweepslagen net zolang, tot je van vermoeidheid moet ophouden. Een dergelijke behandeling zul je haar op alle dagen van God laten ondergaan. Zo zul je haar kunnen beheersen. Doe je dit niet, dan zal haar boosaardigheid de overhand krijgen en zul jij er onder lijden.’

Ik gaf gehoor aan haar opdrachten en besloot haar te gehoorzamen, ach emir van de gelovigen, waarna ik me naar mijn woning haastte om de komst van mijn vroegere echtgenote af te wachten. Daar verstopte ik me zo, dat ik haar al van verre zou kunnen zien aankomen en me dus onverwachts tegenover haar zou kunnen plaatsen.

Gelukkig vertoonde zij zich al vrij spoedig. Hoewel ik door bewondering werd aangegrepen, toen ik haar in al haar ontroerende schoonheid aanschouwde, liet ik toch niet na om datgene te doen waarvoor ik was gekomen. Het lukte mij volkomen haar in een merrie te doen veranderen. Nadat ik door wettelijke banden met mijn bevrijdster was verbonden, onderwierp ik de merrie aan die wrede behandeling, ach emir van de gelovigen, die u op het plein hebt aanschouwd en die u toen zozeer heeft gehinderd, ondanks het feit dat zij haar rechtvaardiging vindt in de boosaardigheid van de vreemdelinge uit het Noorden. Zo luidt mijn geschiedenis.

Na het aanhoren van heer Nemans geschiedenis verwonderde de ziel van de kalief zich zeer en hij zei tot de jonge man: ‘Je verhaal is stellig hoogst ongewoon en de behandeling die je de witte merrie laat ondergaan is verdiend. Toch zou ik graag zien, dat jij je echtgenote er toe weet te bewegen een middel te vinden, waardoor het niet meer nodig is haar dagelijks zo krachtig te kastijden, al zal die merrie toch de gestalte van een merrie moeten behouden. Maar als dit onmogelijk mocht zijn, God is de Allerhoogste!’

Zodra ar-Rasjid deze woorden had gesproken, wendde hij zich tot de volgende persoon, tot de mooie ruiter, die hij aan het hoofd van een stoet had waargenomen, gezeten op een paard dat door zijn gang alleen al alle kenmerken van raszuiverheid vertoonde, waarbij het hem was opgevallen dat die ruiter zijn ros bereed als een emir, of de één of andere koningszoon en dat hij gevolgd werd door een palankijn, waarin twee vorstelijke jonkvrouwen zaten en door muzikanten, die Indische en Chinese melodieën ten gehore brachten. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 866e Nacht was aangebroken, riep de kleine Donyazad: “Ach toe, zus! Vertel ons toch gauw wat er gebeurde, toen de kalief zich had gewend tot de jonge ruiter, die door Indische en Chinese melodieën werd begeleid!” “Graag!” antwoordde Sjahrzad en vertelde verder: “De kalief wendde zich dus tot de schone ruiter, die zich tussen zijn handen bevond en die hij een kennelijk raszuiver paard had zien berijden en hij zei tegen hem: ‘Ach jonge man, uit je trekken heb ik opgemaakt dat je een uitheemse edelman moet zijn en ik heb je bij mij ontboden om je de toegang tot mijn paleis te vergemakkelijken, zodat wij ons met onze oren en onze ogen aan je zouden kunnen verlustigen. Als je ons iets te vragen, of iets verwonderlijks te vertellen mocht hebben, aarzel daar dan vooral niet mee.’

Nadat de jongeman uit eerbied de aarde tussen de handen van de kalief had gekust, boog hij nogmaals en antwoordde daarna: ‘Ach emir van de gelovigen, de reden van mijn komst naar Bagdad heeft niets uitstaande met een zending, of met een afvaardiging, terwijl ze ook niet is voortgekomen uit nieuwsgierigheid, maar zuiver en alleen uit het verlangen om mijn geboortegrond terug te zien en daar tot aan mijn dood te kunnen leven. Mijn geschiedenis is echter zo verbazingwekkend, dat ik haar dadelijk aan onze meester, de emir van de gelovigen, zal vertellen!’ Hij zei:

 

Geschiedenis van de ruiter die vergezeld ging van Indische en Chinese melodieën

 

‘Weet dan ach heer, de kroon op ons hoofd, dat ik van beroep houthakker was, een beroep dat eveneens door mijn vader en mijn vaders vader werd uitgeoefend en dat ik de armste onder de houthakkers van Bagdad was. Niet alleen was mijn armoede groot, maar thuis werd zij dagelijks nog verergerd door de dochter van mijn oom, mijn echtgenote, een vinnige, gierige, twistzieke vrouw, leeg van blik en bedeeld met een kleinzielige geest. Zij deugde nergens voor en de keukenbezem kon met haar wedijveren als het op zachtaardigheid en onbuigzaamheid aankwam.

Aangezien zij nog vasthoudender was dan een paardenvlieg en luider kakelde dan een opgejaagde kip, had ik na heel wat twistgesprekken en teleurstellingen besloten om nooit meer het woord tot haar te richten, of in te gaan op haar grillen, zodat ik na thuiskomst tenminste zou kunnen uitrusten van mijn vermoeiende arbeid. Bovendien scheen dat vervloekte wijf er altijd kennis van te dragen wanneer de Schenker mijn zorgen had verminderd door enige drachmen in geld, daar zij dan dadelijk op mij afkwam als ik de drempel had overschreden, om er zich meester van te maken. Zo verliep mijn leven, ach emir van de gelovigen.

Op zekere dag moest ik nodig een touw kopen om er mijn takkenbossen mee samen te binden, aangezien het oude touw geheel versleten was en hoewel het me vrees aanjoeg hierover met mijn echtgenote te moeten spreken, kon ik haar toch niet onkundig laten van de uitgave die ik zou moeten doen.

Nauwelijks hadden echter de woorden touw en uitgave mijn mond verlaten, ach emir van de gelovigen, of het leek of alle stormen van de hemelen vrij spel hadden gekregen. Een orkaan van scheldwoorden en verwijten brak los boven mijn hoofd, maar het lijkt me beter daarover niet verder uit te weiden in het bijzijn van onze meester. Zij besloot uiteindelijk met het volgende: ‘Ach ergste onder de deugnieten en losbollen! Dat geld eis je natuurlijk van me op om het met de sletten van Bagdad te verdoen. Maar geloof maar gerust, dat je niet zo gemakkelijk van me af komt. Als je dat touw werkelijk nodig hebt, ga ik met je mee en dan kun je het in mijn tegenwoordigheid kopen. Trouwens, van nu af aan laat ik je niet meer er alleen op uit gaan!’ Toen ze dit had gezegd, sleepte ze me als het ware mee naar de markt en kocht daar zelf het touw, dat voor mijn broodwinning noodzakelijk was. God alleen weet echter, na wat voor een inspanning, na welk een gesjacher en steelse blikken van verstandhouding tussen mij en de wanhopige koopman, die transactie eindelijk tot stand kwam.

Met dit alles, ach heer, begon die dag mijn narigheid pas, want toen ik bij het verlaten van de markt afscheid van mijn echtgenote wilde nemen en me verder naar mijn werk wilde begeven, zei ze: ‘Wat ben je van plan? Waar ga je heen? Ik ga met je mee, ik blijf bij je!’ Ze sprong ze op de rug van mijn ezel en voegde aan het voorgaande toe: ‘Van nu af aan zal ik je vergezellen naar die berg, waar je voorgeeft dagelijks bezig te zijn met het binden van takkenbossen en ik zal daar dan wel eens toezicht houden op je werk.’

Na deze tijding werd de hele wereld zwart voor mijn ogen, ach heer en begreep ik, dat ik even goed meteen kon sterven. Ik zei tot mezelf: ‘Ach stumper, ze zal je zelfs je geloof nog ontnemen. Vroeger kende je tenminste nog enige gelijkmoedigheid zolang je alleen in het woud was. Maar nu is het gedaan. Crepeer van ellende en wanhoop. Er is slechts toevlucht en kracht te vinden bij God, bij de Barmhartige. Van Hem zijn wij afkomstig en tot Hem keren wij terug!’ Hierop besloot ik, me op mijn buik te wentelen zodra we in het woud waren aangekomen en daarna van verdriet te sterven.

Met deze gedachten liep ik zwijgend achter de ezel aan, die op zijn rug de last torste welke eveneens op mijn ziel en mijn leven drukte. Maar de mensenziel, die het leven vertegenwoordigt, gaf me onderweg een plan in om aan de dood te ontkomen, zoals nog nimmer tevoren bij me was opgekomen. Ik besloot onmiddellijk om het uit te voeren.

Nauwelijks waren we aan de voet van de berg gekomen en nauwelijks was mijn echtgenote van de ezel afgestapt, of ik zei tegen haar: ‘Luister, ach vrouw! Nu er toch geen mogelijkheid meer bestaat om nog iets voor jou te verbergen, wil ik je wel bekennen dat het nieuwe touw niet bestemd was om er mijn takkenbossen mee samen te binden, maar dat ik het wilde gebruiken om er ons voor altijd mee te verrijken!’ Deze onvoorziene verklaring sloeg mijn echtgenote met stomheid en daarvan maakte ik gebruik om haar naar een oude put te leiden, die al sinds jaren was uitgedroogd. Ik zei tegen haar: ‘Zie je die put? Ons lot ligt daarin verborgen! Met dat nieuwe touw ga ik het ophalen.’

Ziende, dat de dochter van mijn oom hoe langer hoe meer van haar stuk raakte, voegde ik er aan toe: ‘En oh ja, bij God, al een hele tijd geleden werd mij geopenbaard, dat er in deze put een schat verborgen ligt die in mijn lot beschreven staat. Maar op de dag van vandaag zou ik in de put moeten afdalen om hem te halen. Daarom verzocht ik je dat touw te mogen kopen!’

Wat ik had voorzien gebeurde, want nauwelijks was ik uitgesproken over de schat en het afdalen in de put, of mijn echtgenote riep uit: ‘Nee, bij God, ik daal af in de put! Ik zal je de gelegenheid niet geven om de schat te voorschijn te halen en je er meester van te maken. Ik weet hoe het met je eerlijkheid is gesteld.’ Meteen sloeg zij haar sluier terug en zei: ‘Kom op, doe het touw om me heen en laat me in de put zakken.’

Voor de vorm opperde ik nog enkele bezwaren, maar toen ik als dank een stortvloed van scheldwoorden kreeg te verduren, zuchtte ik: ‘Het geschiedt naar de wil van God en van jezelf, ach dochter van rechtschapen lieden!’ Ik haalde het touw onder haar armen door, knoopte het goed vast en liet haar vervolgens in de put zakken. Toen ik voelde, dat zij op de bodem was aangeland, liet ik het eind van het touw schieten, dat daarna achter haar aan op de bodem viel. Een zucht van voldoening, zoals ik nog niet eerder had geslaakt sinds ik de schoot van mijn moeder verliet, ontsnapte aan mijn boezem. Hierna schreeuwde ik de rampzalige toe: ‘Ach dochter van rechtschapen lieden, tracht je daar te schikken totdat ik je er uit kom halen!’ Zonder me om haar antwoord te bekommeren, verwijderde ik me en ging naar mijn werk, waar ik al zingende een begin maakte met het samenbinden van mijn takkenbossen, iets dat me als sinds lang niet meer was gebeurd. Ik was zo gelukkig, dat het me leek alsof ik vleugels had gekregen, want ik voelde me als een vogeltje zo licht. Nu ik verlost was van de oorzaak van mijn verontrusting, had ik eindelijk weer rust en vrede.

Na een dag of twee kwam echter in mijn ziel de volgende gedachte op: ‘Ach Ahmad, gedenk de wet van God en van Zijn Afgezant, over Wie het gebed en de zegeningen zij, die het een schepsel niet toestaat om een ander schepsel naar Zijn beeld, van het leven te beroven. Aangezien je de dochter van je oom op de bodem van de put aan haar lot hebt overgelaten, is het niet denkbeeldig dat je haar door gebrek aan voedsel zult doen sterven. Ongetwijfeld verdient zo’n schepsel de ergste straf, maar laadt haar dood niet op jouw geweten en haal haar uit de put. Daarenboven is het zeer wel mogelijk, dat die haar een les voor het leven is geweest en dat haar slechte karakter er door verbeterd is!’

Daar ik niet in staat was om het verlangen van mijn geweten te weerstaan, begaf ik mij naar de put, liet een ander touw omlaag zakken en riep naar de dochter van mijn oom: ‘Sla dit touw goed om je heen en haast je, dan zal ik je uit de put trekken. Ik hoop, dat deze les je leven gebeterd heeft.’

Hierop voelde ik dat het touw werd beetgepakt en ik wachtte toen nog even, opdat mijn echtgenote het goed vast zou kunnen maken. Snel daarna werd er met het touw geschud, waaruit ik opmaakte dat zij gereed was. Ik begon te trekken, maar dit ging met grote moeite gepaard, daar de last aan het eind van het touw bijzonder zwaar was. Stelt u zich echter mijn wanhoop voor, ach emir van de gelovigen, toen ik aan het eind van dat touw niet de dochter van mijn oom zag verschijnen, maar een reusachtige djinn met een onrustbarend uiterlijk, die zich voor mij neerboog zodra hij de grond had aangeraakt en zei: …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 867e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Ik ben je hoogst dankbaar, ach heer Ahmad, voor de dienst die je me zojuist hebt bewezen! Want ik behoor tot het geslacht van de djinn dat niet door het luchtruim kan vliegen en alleen maar over de aarde voort kan kruipen, hoewel we in staat zijn om ons even snel te verplaatsen als de vliegende djinn. Nu moet je weten, dat ik al sinds jaren deze oude put als mijn woning had uitgekozen. Ik leefde er in alle vrede, totdat twee dagen geleden de boosaardigste feeks van het hele heelal naar beneden kwam. Van het ogenblik af dat zij mijn gezellin werd, heeft ze mij gekweld en zonder uitstel gedwongen om tot haar in te gaan, ondanks dat ik jaren lang zonder vrouw had geleefd en de gewoonte van het paren was verleerd. Ach God, wat ben ik dankbaar, dat je me van dat canaille hebt verlost. Zo’n uitnemende dienst mag niet zonder beloning blijven, want hij is bewezen aan de ziel van iemand, die er de waarde van kent. Luister nu, wat ik voor je wil en kan doen.’

Terwijl hij even ophield om weer op adem te komen, dacht ik, gerustgesteld door zijn goede voornemens: ‘Bij God! Die vrouw is niet alleen in staat om een djinn schrik aan te jagen, maar ze is zo verschrikkelijk dat zelfs deze reus onder de djinn beducht voor haar is. Hoe is het me gelukt om zo lang opgewassen te blijven tegen haar sluwheid en boosaardigheid!’ Vol medelijden met mezelf en met mijn deelgenoot in het ongeluk, hoorde ik hem aan toen hij verder ging: ‘Ach heer Ahmad, nu ben je nog een houthakker, maar ik wil je aan de machtigste koningen gelijk maken. Dit zal als volgt geschieden. Ik weet dat de sultan van Indië een dochter bezit, zo jeugdig als de maan op haar veertiende dag. Ze is veertien en een kwart jaar oud, juist huwbaar geworden en maagdelijk als een parel in haar halssnoer. Het is mijn voornemen om te bewerkstelligen, dat zij je ten huwelijk wordt geschonken door de sultan van Indië, haar vader, die haar heviger bemint dan zijn eigen leven. Om dit plan te verwezenlijken gaan we op staande voet en met de grootst mogelijke snelheid naar het paleis van de sultan in Indië, waar ik in het lichaam van dat vorstelijke jonge meisje zal kruipen en tijdelijk bezit van haar geest zal nemen. Zij zal dan, bezeten zijnde, op haar hele omgeving de indruk van een krankzinnige maken, waarop de sultan, haar vader, de bekwaamste artsen van Indië zal opdragen haar te genezen. Niemand van hen zal echter kunnen ontdekken, dat mijn tegenwoordigheid in haar lichaam de werkelijke oorzaak is van de kwaal, zodat al hun pogingen zullen falen onder mijn ademtocht en volgens mijn wil. Dan zul jij plotseling verschijnen en de genezing van de prinses teweeg brengen. De middelen daartoe zal ik je verstrekken!’ Na zo te hebben gesproken, haalde de djinn uit zijn boezem enkele bladeren van een mij onbekende boom te voorschijn en terwijl hij deze aan mij overhandigde, ging hij verder: ‘Als je eenmaal bij de prinses bent binnengeleid, moet je het bij je onderzoek doen voorkomen alsof de kwaal je volkomen onbekend is. Buig je dan eerst voorover en doe alsof je diep nadenkt, om indruk op de omstanders te maken, waarna je één van de bladeren neemt, het in water dompelt en er vervolgens mee over het gezicht van het jonge meisje gaat wrijven. Ik zal dan onmiddellijk worden gedwongen om uit haar lichaam te treden en op dat ogenblik zal zij haar verstand weer terugkrijgen en weer worden zoals ze vroeger was. Als beloning voor wat je tot stand hebt gebracht, zul je op slag de echtgenoot worden van dat jonge meisje, de dochter van de koning. Op deze wijze, ach heer Ahmad, zal ik mijn dankbaarheid tonen voor de grote dienst die je mij hebt bewezen, toen je me bevrijdde van die verschrikkelijke vrouw, die mij het leven ondragelijk was komen maken in de put, in dat heerlijke en rustige oord, waar ik gehoopt had mijn dagen in afzondering te kunnen doorbrengen. Dat God die rampspoedige vervloeke!’

Na deze woorden nam de djinn afscheid, drukte me ondertussen nog eens op het hart om onmiddellijk naar Indië op weg te gaan, wenste me een goede reis toe en verdween voor mijn ogen, terwijl hij over het oppervlak van de aarde heen snelde als een schip, dat door een storm wordt voortgejaagd. Aangezien ik nu wist dat mijn lot me in Indië wachtte, ach mijn heer, schroomde ik niet om de aanwijzingen van de djinn na te komen en begaf ik me meteen op weg naar dat verre land. God verordonneerde mijn veiligheid, waardoor ik na een lange tocht vol vermoeienissen, ontberingen en gevaren, die ik onze meester maar niet zal verhalen, ongedeerd in Indië aankwam, in het gebied dat door de sultan, de vader van de prinses, mijn toekomstige echtgenote, werd beheerst.

Aan het eind van mijn reis vernam ik al gauw, dat de prinses al enige tijd krankzinnig was, dat het hele land in verslagenheid verkeerde en dat de sultan haar ten huwelijk zou geven aan degene die haar genezing kon bewerkstelligen, omdat hij de hulp van de vertegenwoordigers van de medische wetenschap tevergeefs had ingeroepen.

Gesterkt door de aanwijzingen van de djinn en zonder enige ongerustheid over de uitslag, ach emir van de gelovigen, meldde ik mij op de audiëntie, die de sultan eenmaal daags verleende aan een ieder die zich in staat achtte om heil te brengen aan de geest van de prinses. Vol vertrouwen ging ik de kamer binnen, waarin het jonge meisje was opgesloten en daar verzuimde ik niet om de lessen van de djinn in praktijk te brengen en me op verscheidene manieren gewichtig voor te doen, zodat men mij voor vol zou aanzien. Toen ik eenmaal indruk had gemaakt op de omstanders, wachtte ik mij wel om ook maar iets te vragen over de toestand van de zieke, maar bevochtigde ik één van de bladeren die in mijn bezit waren en wreef ik daarmee over het gezicht van de prinses.

Onmiddellijk werd zij door krampen bevangen, zij slaakte een luide kreet en viel flauw. Dit alles werd teweeggebracht door de djinn, want hij trad met zulk een onstuimigheid uit het lichaam van het jonge meisje, dat behalve uw dienaar, een ieder de schrik om het hart moet zijn geslagen. Ik was wel bewogen, maar liet het niet blijken, besprenkelde het gezicht van het meisje met rozenwater en liet haar weer bijkomen. Zij bleek toen bij haar volle verstand te zijn, daar zij met wijsheid, met liefelijkheid en evenwichtigheid tot iedereen het woord richtte en bovendien van degenen die haar omringden iedereen herkende en bij hun naam noemde.

In het paleis en in de hele stad was de vreugde overweldigend. De sultan van Indië kwam niet op zijn belofte terug, doch schonk mij uit erkentelijkheid voor de bewezen dienst zijn dochter tot vrouw. Het huwelijksfeest werd diezelfde dag nog met grote luister gevierd en het hele volk nam daaraan deel met vreugde en geluk. Zo werd ik de echtgenoot van de prinses, de dochter van de koning van Indië.

Maar wat nu die tweede prinses aangaat, die u aan de linkerkant van de palankijn hebt zien zitten, ach emir van de gelovigen, over haar het volgende.

Zodra de geweldige djinn als gevolg van onze overeenkomst het lichaam van de Indische prinses had verlaten, ging hij bij zichzelf te rade omdat hij een nieuwe woonplaats moest kiezen, aangezien hij immers geen onderkomen meer had en de oude put nog steeds was bezet door dat loeder, de dochter van mijn oom. Het verblijf in het lichaam van het jonge meisje was hem trouwens best bevallen en daarom had hij voor zichzelf al uitgemaakt, dat hij het lichaam van een ander jong meisje zou kiezen, wanneer hij dat van de Indische prinses moest verlaten. Na een ogenblik van bezinning ijlde hij dan ook heen en spoedde hij zich met grote snelheid, als een machtig schip dat door de storm wordt voortgejaagd, naar het koninkrijk China. Daar kwam het hem het beste voor om te gaan wonen in het lichaam van de dochter van de Chinese sultan, een meisje van veertien en een kwart jaar, dat even mooi was als de maan op haar veertiende dag en even maagdelijk als een parel uit haar halssnoer. Op slag viel die bezeten prinses ten prooi aan stuiptrekkingen en wanordelijke bewegingen, waarbij haar een vloed van onsamenhangende woorden ontsnapte, wat tot gevolg had dat men haar als een krankzinnige ging beschouwen. Hoewel de ongelukkige sultan van China de allerbekwaamste Chinese artsen bij zijn dochter ontbood, het lukte hem niet het meisje tot haar oorspronkelijke staat terug te brengen. Hij, zowel als zijn huis en zijn rijk, vervielen in verslagenheid en werden tot wanhoop gebracht, aangezien de prinses zijn enige dochter was en zij uitmuntte in liefelijkheid, bekoorlijkheid en schoonheid. Uiteindelijk erbarmde God zich echter over dat jonge meisje, waardoor het gerucht van de wonderbaarlijke genezing, welke ik tot stand had gebracht bij de Indische prinses die mijn echtgenote was geworden, tot de oren van de Chinese sultan kon doordringen. Dadelijk stuurde hij een afgezant naar de vader van mijn echtgenote, zodat ze mij zou verzoeken het herstel van zijn dochter, de prinses van China, te bewerkstelligen en daarbij bood hij aan, haar mij ten huwelijk te zullen geven als ik mocht slagen. Na dit aanbod begaf ik mij naar mijn jonge echtgenote, de dochter van de sultan van Indië en stelde haar in kennis van het verzoek en van het voorstel dat mij was gedaan. Het lukte mij haar er van te overtuigen dat zij de prinses van China zeer wel als een zus zou kunnen aannemen indien ik dat jonge meisje beter kon maken en zij mij als gevolg daarvan ten huwelijk zou worden geschonken. Ik vertrok naar China. Alles wat ik u nu heb verteld over die bezetenheid van de Chinese prinses, ach emir van de gelovigen, vernam ik pas van de djinn zelf toen ik eenmaal in China was aangekomen. Voor die tijd wist ik nog niet zeker waaraan haar kwaal moest worden geweten. Ik had echter gedacht, dat de potentie van mijn bladeren groot genoeg was om haar, van welke ziekte dan ook, te genezen. Vol vertrouwen was ik dus op weg gegaan, zonder ook maar in het minst te vermoeden dat mijn oude vriend, de reusachtige djinn, het lichaam van de sultansdochter tot woonplaats had uitverkoren en dat hij haar kwaal teweeggebracht had. Ik had gevraagd om met de zieke alleen te worden gelaten. Toen ik haar kamer was binnengetreden, hoorde ik daar tot mijn grote verbazing de stem van mijn oude vriend, de djinn, die mij door de mond van het jonge meisje als volgt toesprak: ‘Wat betekent dit, heer Ahmad? Nadat ik je met weldaden heb overstelpt, kom jij me verjagen uit de woning, waarin ik mijn oude dag had willen doorbrengen? Als jij me dwingt om uit dit lichaam te treden, wat let me dan om regelrecht naar Indië te gaan en van je afwezigheid gebruik te maken om je Indische echtgenote verscheidene malen te verkrachten en haar vervolgens te doden?’

De schrik die hij me op het lijf joeg was niet gering en van die omstandigheid maakte hij gebruik om mij zijn geschiedenis te verhalen sinds de dag, waarop hij uit het lichaam van mijn Indische echtgenote was getreden. Hierna bezwoer hij mij om, om zijn bestwil, hem rustig te laten verblijven in de woning waarin hij zich nu bevond. Ik was geheel en al verslagen, want ik wilde me niet ondankbaar tonen tegenover die voortreffelijke djinn, die per slot van rekening de oorzaak van mijn voorspoed was. Daarom leek het me het beste om maar terug te keren naar de sultan van China en hem mee te delen, dat ik in wetenschap tekort schoot en niet in staat was om de prinses van haar kwaal te genezen, toen God een list in mijn geest blies! Hierop wendde ik mij tot de djinn en zei: ‘Ach heer van de djinn, hun kroon, doorluchtigheid, ik ben niet hier naar toe gekomen om die Chinese prinses te genezen, maar ik heb mijn reis ondernomen om jouw hulp in te roepen. Je zult je ongetwijfeld dat vrouwmens nog herinneren, waarmee je in die oude put beroerde momenten hebt overleefd. Je weet wel, die echtgenote van me, die dochter van mijn oom. Ik had haar in die put geworpen om eindelijk eens rust te hebben. Het schijnt nu echter dat ze er uit is gehaald, want die onheilsvogel achtervolgt me. Ze is vrij en zit me op de hielen. Overal jaagt ze achter me aan, tot mijn ongeluk! Ze kan elk ogenblik hier zijn. Daar hoor ik haar afschuwelijke stem al schreeuwen in de hof van het paleis. Help me, ach vriend, help me alsjeblieft. Ik smeek je er om! …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 868e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Toen de djinn mijn woorden had vernomen, werd hij aangegrepen door een onbeschrijfelijke angst en hij riep uit: ‘Ach help! Ach God, ach help! Dat mijn broeders, de djinn, me ervoor mogen behoeden om ooit weer die vrouw te ontmoeten. Ga je gang maar, vriend Ahmad! Wat mij betreft, ik zal er niets tegen doen. Ik maak dat ik weg kom!’

Zodra hij dit had gezegd, verliet hij met geweld het lichaam van de prinses, gaf zijn voeten over aan de wind en begon met zijn stappen de afstand teniet te doen, zoals een schip op zee, dat door de storm wordt voortgejaagd. De Chinese prinses kwam tot bezinning en werd mijn tweede echtgenote.

Sindsdien heb ik met de twee koninklijke jonge meisjes alle mogelijke geneugten en tedere genoegens beleefd. Toch kwam het verlangen bij me op om het land terug te zien, waar ik was geboren en waar ik als houthakker had geleefd en dit gold eveneens voor deze stad Bagdad, de vredesstad. Ik zou dat moeten doen, als ik sultan van Indië of China zou worden, aangezien ik dan zo’n lange reis niet meer zou kunnen ondernemen.

Zodoende, ach emir van de gelovigen, bent u mij tegengekomen op de brug van Bagdad, aan het hoofd van mijn stoet, gevolgd door de palankijn die mijn beide echtgenoten droeg, de prinsessen van Indië en China, ter ere van wie de muzikanten op hun instrumenten Indische en Chinese melodieën speelden. Dit nu, is mijn geschiedenis. Maar God is alwetend!

Toen de kalief het verhaal van de edele ruiter had aangehoord, ging hij uit respect voor hem staan en nodigde hij hem uit om naast zich op het troonbed plaats te nemen. Hij wenste hem geluk, omdat hij, de arme houthakker, bij besluit van de Almachtige was uitverkoren tot erfgenaam van de troon van Indië en van de troon van China. Hieraan voegde hij nog toe: ‘Dat God onze vriendschap moge bezegelen en je moge behoeden en bewaren tot geluk van je toekomstige koninkrijken!’

Daarna wendde ar-Rasjid zich tot de volgende ontbodene en dit was de eerbiedwaardige sjeik met de gulle handpalm, tot wie hij zei: ‘Ach sjeik, gisteren ontmoette ik je op de brug van Bagdad en wat ik daar van je gulheid, je eenvoud en je nederigheid ten aanzien van God heb waargenomen, heeft me ertoe geprikkeld je meer van nabij te leren kennen. Ook ben ik ervan overtuigd, dat de middelen die de Schenker heeft willen aanwenden om je met Zijn gaven te begunstigen, buiten het alledaagse uitgaan. Ik popel om deze te vernemen en heb je hier ontboden om mij in dat opzicht voldoening te verschaffen. Spreek oprecht, want ik verheug me erop om met grotere kennis deel te kunnen nemen aan je geluk. Wat je me ook zou mogen zeggen, wees er tevoren van overtuigd dat je bent gedekt door de neusdoek van mijn hulp en bescherming!’

De sjeik met de gulle handpalm kuste uit eerbied eerst de aarde binnen de handen van de kalief en antwoordde daarop: ‘Ach emir van de gelovigen, ik zal u het waarachtige verhaal vertellen van datgene in mijn leven dat waard is verhaald te worden. Als mijn verhaal u mocht verbazen, weet dan dat de macht en de mildheid van de Heer van het Heelal nog veel verbazingwekkender is!’ Hierna ving hij zijn geschiedenis aan als volgt:

 

Geschiedenis van de sjeik met de gulle handpalm

 

‘Mijn leven lang, ach meester en heer van weldadigheid, heb ik als arme man het vak van touwslager beoefend, werkende in de hennep, zoals mijn vader en mijn voorvaderen dit vóór mij hadden gedaan. Mijn verdiensten in dat vak waren nauwelijks toereikend om in mijn onderhoud en in dat van mijn echtgenote en van mijn kinderen te voorzien. Ik miste echter de bekwaamheid om een ander beroep uit te oefenen en daarom stelde ik me zonder te morren tevreden met het weinige dat de Schenker ons toekende en schreef ik mijn kommer toe aan mijn gebrek aan kennis, zowel als aan de logheid van mijn geest. Dat ik mij daarin niet vergiste, dien ik de Meester in het doorzicht in alle bescheidenheid te bekennen. Intelligentie, ach mijn heer, heeft echter nimmer behoord tot de voorrechten van touwslagers die in de hennep werken en haar uitverkoren plaats bevindt zich niet onder de tulband van een touwslager die in de hennep werkt. Dus paste het mij slechts om het brood van God te eten en had het geen enkele zin om wensen te uiten, die nog moeilijker konden worden verwezenlijkt dan het geval zou zijn, indien men met één sprong de top van de berg Kaf wenste te overschrijden. Op zekere dag onder de dagen zat ik in mijn winkel een hennep touw af te maken, dat ik daartoe aan mijn grote teen had geknoopt, toen ik twee rijke ingezetenen uit mijn wijk zag aankomen, die er een gewoonte van hadden gemaakt om voor mijn winkeltje plaats te nemen en zich daar over allerhande zaken te onderhouden, terwijl zij de avondlucht inademden. Deze twee notabelen uit mijn wijk waren door vriendschap verbonden en zij hielden ervan om dan weer eens over het ene en dan weer eens over het andere punt met elkaar te discussiëren, waarbij zij tevens hun barnstenen rozenkrans aftastten. Nog nooit was het in het vuur van hun gesprekken gebeurd, dat de één ook maar een woord luider uitsprak dan de ander en geen van beiden was ooit afgeweken van het geduld, waarmee vrienden elkaar gedurende hun levensloop dienen te bejegenen. Sterker nog! Als de één sprak, luisterde de ander altijd. Hun redevoeringen kenmerkten zich dan ook steeds door wijsheid, zodat ik ondanks mijn beperkte bevattingsvermogen voordeel uit hun goede woorden kon trekken.

Zij namen die dag hun gebruikelijke plaats voor mijn winkel weer in en na mij de zegen te hebben toegewenst, waarop ik hen zoals dat behoort had teruggegroet, hernamen zij het gesprek dat onder de wandeling al een aanvang had genomen. Degene die Saad werd genoemd zei tot de andere, die Saadi heette: ‘Maar bij God! Ach, vriend Saadi, hoewel het niet in mijn bedoeling ligt om je tegen te spreken, ben ik toch van mening dat een mens in deze wereld slechts gelukkig kan zijn zolang hij zoveel goederen en rijkdommen bezit, dat hij geheel onafhankelijk van wie dan ook, kan leven. Overigens zijn de armen alleen maar arm omdat zij van vader op zoon in armoede zijn geboren, al kan het ook zijn dat zij in rijkdom zijn ontvangen, maar die hebben verloren door verkwisting, door losbandigheid, door de één of andere kwade zaak, of eenvoudig door één van die noodlottigheden, waartegen een schepsel zich niet kan hoeden. In elk geval is het mijn opvatting, ach Saadi, dat de armen slechts arm zijn vanwege hun onmacht om een voldoende grote som geld te vergaren, waarmee zij op het goede tijdstip een koop kunnen aangaan, die hen voorgoed zal verrijken. Als zij op deze wijze rijk worden heb ik het gevoel, dat zij hun rijkdom op een goede manier zullen gebruiken en niet alleen rijk zullen blijven, maar langzaamaan schatrijk zullen worden.’

Saadi antwoordde hierop: ‘Niet om tegen je in te gaan, ach vriend Saad, maar bij God! Tot mijn verdriet ben ik niet in staat om jouw mening te delen. Over het algemeen gesproken is het op het eerste gezicht beter in welstand te leven, dan in armoede. Maar een ziel zonder eerzucht zal door rijkdom op zichzelf in het geheel niet worden aangelokt. Rijkdom kan hoogstens van nut zijn bij het betrachten van vrijgevigheid. Maar wat een bezwaren brengt dit met zich mee! Zowel jij als ik hebben wat dit betreft dagelijks zorgen en last genoeg. Is het lot van onze vriend Hasan, de touwslager, per slot van rekening niet verkieslijker dan het onze? Bovendien, ach Saad, lijkt mij het middel dat jij voorstelde om een arme rijk te maken, lang niet zo zeker als het jou voorkwam. Ga zelf maar eens na hoe onzeker het eigenlijk is, dat het afhangt van verscheidene omstandigheden en kansen die hoogst wisselvallig zijn en ons nu te lang bezig zouden houden indien we er verder op in wilden gaan. Of een arme nu geheel is gespeend van het geld dat jij ter sprake hebt gebracht, dan wel dat hij er maar weinig van bezit, ik geloof dat zijn kansen om rijk te worden er niet minder om zullen zijn. Hiermee wil ik zeggen, dat hij zonder enig kapitaal en zonder zich enige moeite te getroosten, van de ene op de andere dag schatrijk kan worden, als zijn lot dat inhoudt. Daarom vind ik het volkomen nutteloos om zuinig te zijn uit beduchtheid voor kwade dagen, want de kwade zowel als de goede dagen worden ons door God geschonken. Daarenboven is het in elk opzicht kwaad als men uit berekening wenst af te doen aan het goede dat de Schenker ons op zekere dag toekent, wat het geval is indien men meent een deel daarvan opzij te moeten leggen. Zo’n deel, ach Saad, komt toe aan de armen van God en degene die het voor zichzelf behoudt geeft daarmee te kennen, dat hij geen vertrouwen stelt in de vrijgevigheid van de Schenker. Wat mij betreft, ach vriend, is er geen dag waarop ik bij het ontwaken niet tot mezelf zeg: ‘Verheug je, ach Saadi, want vele zijn de weldaden, die de Heer je vandaag kan schenken!’ En nog nooit is mijn geloof in de Schenker beschaamd. Daarom heb ik mijn leven lang niet gewerkt en heb ik mij nimmer zorgen gemaakt over de dag van morgen. Dit is mijn opvatting.’

Op deze woorden van zijn vriend antwoordde Saad: ‘Ach Saadi, ik zie wel in dat het vandaag geen zin zou hebben om tegenover jouw mening in de mijne te blijven volharden. Dus geef ik er de voorkeur aan om mij niet in hopeloos redetwisten te verliezen, doch eens een proef te nemen die de juistheid van mijn zienswijze op het leven tot uiting zal brengen. Zonder dralen zal ik op zoek gaan naar een werkelijk arm man, van wie de vader even arm was als hij en deze man zal ik zuiver als geschenk een belangrijke som geld verschaffen, welke hem tot grondslag van zijn toekomstig kapitaal kan dienen. Deze man zal er echter ook blijk van moeten geven dat hij fatsoenlijk is, want slechts dan kan de proef bewijzen wie van ons beiden gelijk heeft: jij die alles van het lot verwacht, of ik die van mening ben, dat ieder zijn eigen huis moet bouwen.’

Hierop antwoordde Saad: ‘Ach mijn vriend, zo zal het gebeuren! Maar om een arm en fatsoenlijk man te vinden, zul je niet ver hoeven te gaan. In onze onmiddellijke nabijheid bevindt zich vriend Hasan, de touwslager, die wezenlijk aan de vereiste voorwaarden voldoet. Je vrijgevigheid zou niet een waardiger hoofd kunnen overkomen! …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 869e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Saad antwoordde: ‘Bij God, je hebt gelijk! Het is louter door vergeetachtigheid dat ik ergens anders wilde zoeken, wat vlak voor de hand ligt.’

Hierna wendde hij zich tot mij en sprak: ‘Ach Hasan, ik weet dat je een groot gezin hebt, dat uit vele monden en uit talrijke tanden bestaat en dat geen van de vijf kinderen die de Schenker je heeft toebedeeld, al tot een leeftijd is gekomen waarop je er steun van zou kunnen ondervinden. En al is de ruwe hennep niet bijster kostbaar volgens de huidige marktprijzen, toch zul je over enig geld moeten beschikken als je er iets van wilt kopen. En om geld te bezitten, moet je hebben gespaard. Maar sparen is vrijwel onmogelijk in een huishouding als de jouwe, waar meer uitgaat dan er binnenkomt. Om je dus uit de ellende te helpen, wil ik je tweehonderd gouden dinar als geschenk geven, die je voor uitbreiding van je handel in touwwerk kunt gebruiken. Zeg mij, zal deze som van tweehonderd dinar toereikend zijn als je haar met overleg en inzicht gebruikt?’ Ik antwoordde hem, ach emir van de gelovigen: ‘Dat God uw leven verlenge, ach mijn meester en dat u honderdvoudig mag terugontvangen wat uw vrijgevigheid me heeft geboden! Aangezien u zich verwaardigd heeft om mij te ondervragen, waag ik het u te zeggen, dat het zaad in mijn grond op een vruchtbaar bed zal vallen. Hoewel ik geen hoge dunk van mijn eigen vermogens heb, meen ik toch dat een veel geringere som in mijn handen voldoende zal zijn om mij niet alleen even vermogend te maken als de voornaamste touwslagers die ik ken, maar rijker zelfs dan al de touwslagers van deze stad Bagdad samen, zo bevolkt en groot als zij is, tenminste, als God mij wil begunstigen, met Gods wil!’

Saad toonde zich zeer ingenomen met mijn antwoord en zei: ‘Je boezemt mij groot vertrouwen in, ach Hasan!’ Hierop nam hij een beurs van zijn borst, legde haar in mijn handen en ging verder: ‘Neem deze beurs. Zij bevat de tweehonderd dinar, waarover ik heb gesproken. Ik hoop dat je er een gelukkig en verstandig gebruik van zult kunnen maken en dat je er de kiem van rijkdom in zult aantreffen. Wees er bovendien van overtuigd, dat ik en mijn vriend Saadi zeer blij zullen zijn wanneer we op zekere dag vernemen dat je in voorspoed gelukkiger bent geworden dan je in armoedige omstandigheden was!’

Toen ik de beurs had aangenomen, ach mijn heer, bevond ik mij in uiterste vervoering van vreugde. Mijn bewogenheid was zo groot, dat mijn tong niet in staat was om de dankwoorden te vormen, die bij zulke gelegenheden gesproken dienen te worden. Gelukkig bezat ik net voldoende tegenwoordigheid van geest om tot de grond toe te buigen, het kleed van mijn weldoener bij de zoom te nemen en deze naar mijn lippen en mijn voorhoofd te brengen. Maar hij haastte zich om het kleed bescheiden naar zich toe te halen en nam afscheid van mij. Hij stond op en vergezeld door zijn vriend Saadi, zette hij zijn wandeling voort.

Zodra zij zich hadden verwijderd, kwam onmiddellijk en spontaan in mijn geest de gedachte op om een plaatsje te zoeken, waar ik de beurs met de tweehonderd dinar veilig zou kunnen neerleggen. In mijn armelijke woning, die uit één vertrek bestond, bevond zich geen kast, noch iets dat daarop leek, noch een lade, noch een kist, noch iets dat daarmee enige overeenkomst vertoonde. Daarom dacht ik er een ogenblik aan om het geld maar te gaan begraven op de één of andere verlaten plek buiten de stad, totdat ik een middel zou hebben gevonden om het te vermenigvuldigen. Dadelijk daarop gaf ik me er echter rekenschap van, dat mijn schat per ongeluk ontdekt zou kunnen worden of dat een landbouwer me zou kunnen bespieden bij het verstoppen. Om die reden kwam als volgende gedachte bij me op, dat ik die beurs nog het beste in de plooien van mijn tulband zou kunnen steken. Meteen stond ik op, ik sloot de deur van mijn winkel achter me dicht en ontrolde mijn tulband in zijn volle lengte. Daarna haalde ik tien gouden munten te voorschijn, die ik voor mijn eerste uitgaven terzijde legde en vervolgens verborg ik de beurs met het overige geld in de plooien van de doek en nam deze bij de uiteinden beet. Ik knoopte de beurs erin, plaatste de knoop tegen mijn muts en bevestigde mijn tulband opnieuw met vier volmaakte slagen. Toen kon ik weer op mijn gemak adem halen.

Na het treffen van deze voorzorgen opende ik de deur van mijn winkel weer en haastte ik mij naar de markt om alles in te slaan wat ik nodig dacht te hebben. Allereerst kocht ik een flinke hoeveelheid hennep, die ik naar mijn winkel bracht. Aangezien het al lang geleden was dat men in mijn woning vlees had gezien, liep ik daarna naar de slager en kocht een lamsschouder. Van daar ging ik opnieuw naar huis om de lamsschouder bij mijn vrouw te brengen, die deze dan met tomaten voor ons zou kunnen toebereiden. Ik verheugde mij al bij voorbaat op de vreugde van de kinderen bij de aanblik van dat smakelijke gerecht.

Maar ach mijn heer, mijn inbeelding was te groot om ongestraft te blijven. Ik had die lamsschouder op mijn hoofd gelegd en ik spoedde mij voort met neerhangende armen, dromend van overdaad. Plotseling schoot echter een uitgehongerde sperwer op de lamsschouder neer en voordat ik een arm kon opheffen, of een andere beweging kon maken, rukte hij hem weg, evenals mijn tulband met zijn hele inhoud. Hij vloog weg met de schouder in zijn snavel en de tulband in zijn klauwen. Toen ik dit zag, begon ik zulke vreselijke kreten te slaken, dat de mannen, de vrouwen en de kinderen in de buurt erdoor ontroerd werden en mijn kreten met die van hen aanvulden, om de dief aan het schrikken te maken en hem te bewegen om zijn buit los te laten. Onze kreten bewerkstelligden echter alleen, dat de sperwer zijn wiekslagen versnelde. Weldra verdween hij in het luchtruim met mijn bezit en mijn kansen. Spijtig en bedroefd moest ik er nu toe over gaan om een andere tulband te kopen en daardoor verminderde opnieuw het oorspronkelijke bedrag van tien dinar, dat ik uit voorzorg uit de beurs had genomen en dat nu eigenlijk mijn stamkapitaal vormde. Ik had er echter al een groot gedeelte van uitgegeven bij de aankoop van mijn voorraad hennep en het overschot was verre van voldoende om me nog gegronde hoop te geven op een weelderige toekomst. Maar wat me nog het meest van alles verdrietig maakte en de wereld somber maakte voor mijn ogen, was de gedachte dat Saad, mijn weldoener, geen voldoening zou kunnen vinden, omdat hij zo slecht geslaagd was in de keuze van de man, aan wie hij zijn geld toevertrouwde voor het nemen van de uitgedachte proef. Als hij het ongelukkige avontuur zou vernemen, was bovendien de kans niet uitgesloten, dat hij de hele toedracht van zaken zag als een puur verzinsel van mij en dat hij me met minachting zou overstelpen. Hoe dit echter ook zij, ach mijn heer, zo lang de enkele dinar die ik na het ongeval met de sperwer had overgehouden, niet was opgebruikt, hadden we thuis geen reden tot klagen. Toen dat bedrag was uitgeput, vervielen we al spoedig in dezelfde ellende als voordien en ik zag opnieuw geen kans om daar een oplossing voor te vinden. Toch waakte ik er wel voor om te mopperen tegen de besluiten van de Allerhoogste en ik dacht: ‘Ach arme, de Schenker heeft je bezit geschonken op een tijdstip, waarop je het totaal niet verwacht had en Hij heeft het je haast op dezelfde tijd weer ontnomen omdat dit Hem zo behaagde en omdat het bezit van Hem was! Leg je neer bij Zijn besluiten en onderwerp je aan Zijn wil!’ Nu had ik niet kunnen nalaten mijn vrouw deelgenoot te maken van het geleden verlies en van de wijze waarop het had plaats gevonden. Hoewel ik me op die manier groot had gehouden, bleek zij geheel ontroostbaar te zijn. Tot overmaat van ramp had ik me in de eerste grote verwarring tegenover mijn buren laten ontvallen, dat met mijn tulband een bedrag van honderdnegentig gouden dinar verloren was gegaan. Deze buren, met hun kinderen, die wel wisten hoe arm wij het hadden, vermaakten zich lachend met mijn woorden en kwamen tot de overtuiging, dat ik door het verlies van mijn tulband krankzinnig was geworden. En de vrouwen die ik ontmoette, begonnen te lachen en zeiden: ‘Daar heb je die man, die met zijn tulband tevens zijn verstand liet vliegen!’ Dit alles gebeurde!

Er waren ongeveer tien maanden verstreken sinds de sperwer mij dat ongeluk had berokkend, ach emir van de gelovigen, toen de beide heren en vrienden Saad en Saadi het plan opvatten om mij eens te vragen hoe ik de tweehonderd gouden dinar had besteed. Terwijl zij naar mij toe gingen, zei Saad tot Saadi: ‘Ik houd me al enige dagen in gedachten met onze vriend Hasan bezig en beleef nu al genoegen aan het vooruitzicht jou getuige te laten zijn van het welslagen van onze proef! Je zult een grote verandering in hem ontdekken en we zullen beiden moeite hebben om hem te herkennen.’ Intussen waren zij al dicht bij zijn winkel gekomen en daarom antwoordde Saadi glimlachend: ‘Het komt me voor, bij God! ach vriend Saad, dat je een komkommer wilt eten voor ze rijp is, want wat mij aangaat, kan ik met het blote oog vriend Hasan al zien zitten en zoals gewoonlijk heeft hij de hennep aan zijn grote teen geknoopt. Een merkbare verandering kan ik zo niet waarnemen, want hij is even armelijk gekleed als vroeger, maar misschien is er toch wel enige verandering, daar zijn tulband me minder onsmakelijk en onooglijk voorkomt dan tien maanden geleden. Kijk trouwens zelf maar en dan zul je zien, dat mijn woorden niet voor tegenspraak vatbaar zijn.’

Saad, die inmiddels bij de winkel was aangekomen, keek mij onderzoekend aan en zag eveneens, dat ik niet was veranderd en dat mijn voorkomen er niet op vooruit was gegaan. Vervolgens traden de twee vrienden bij me binnen en na de gebruikelijke begroetingen zei Saadi: ‘Wel Hasan, waarom die onthutste blik en dat sombere gezicht? Zijn het de zaken die je zorgen baren en bedroeft de nieuwe levenswijze je enigszins?’ Ik antwoordde met neergeslagen ogen: ‘Ach mijn meesters, dat God u het leven mag verlengen, maar wat mij betreft, het lot is me nog steeds vijandig gezind en de beslommeringen van het heden zijn nog erger dan die in het verleden. Het vertrouwen dat mijn meester Saad in zijn slaaf had gesteld, werd beschaamd, echter niet door de handelingen van de slaaf, maar door die van het lot.’

Hierop vertelde ik hun mijn avontuur in alle bijzonderheden, zoals ik het u ook heb verteld, ach emir van de gelovigen. Het heeft geen zin, dit nog een keer te herhalen.

Toen ik mijn verhaal had beëindigd, zag ik hoe Saadi ondeugend lachend naar Saad keek en ook, dat deze laatste zeer teleurgesteld was. Een ogenblik bleef het stil en daarop zei Saad: ‘Het succes is inderdaad niet van dien aard als ik had verwacht. Maar ik zal je geen verwijten maken, hoewel dat verhaal van die sperwer me min of meer vreemd aandoet en ik het evengoed zou kunnen tegenspreken en je ervan verdenken, dat je een vrolijk leventje hebt geleid en je flink tegoed hebt gedaan aan spijs en drank, terwijl ik je het geld voor heel andere doeleinden had afgestaan. Hoe dit echter ook zij, ik wil wederom de proef met je nemen en je een bedrag geven dat gelijk is aan het vorige, daar ik niet zou willen dat mijn vriend Saadi de zaak zou winnen zonder een verdere poging van mijn kant!’ Na deze woorden telde hij tweehonderd dinar voor me uit, daarbij zeggende: ‘Ik hoop, dat je ditmaal deze som niet in je tulband zult verstoppen.’ …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 870e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Toen ik daarop zijn handen greep en deze naar mijn lippen wilde brengen, verliet hij me en ging heen met zijn vriend.

Na hun vertrek hervatte ik mijn werk niet, maar sloot ik ijlings de winkel en ging naar huis, aangezien ik er mijn vrouw en kinderen op dat uur niet zou aantreffen. Van de tweehonderd gouden dinar legde ik er tien terzijde en de honderdnegentig andere wikkelde ik in een doek, die ik vervolgens dichtknoopte. Nadien kwam het er alleen nog op aan om een veilige plaats te vinden, waar ik dat kapitaal kon verbergen. Lang dacht ik na en uiteindelijk kwam ik op het idee om het op de bodem van een vat vol zemelen neer te leggen, waar niemand het zou gaan zoeken. Zodra dit gebeurd was, zette ik het vat weer terug in zijn hoek en juist toen ik weg wilde gaan, kwam mijn vrouw thuis om het eten te bereiden. Ik vertelde haar dat ik nog wat hennep ging kopen, maar dat ik op tijd voor het maal weer thuis zou zijn.

Terwijl ik op de markt met mijn inkoop bezig was, kwam er een man bij ons door de straat, die een soort van aarde liep uit te venten, zoals de vrouwen ze in het badhuis gebruiken om het haar te reinigen. Mijn vrouw had dit in lange tijd niet meer gedaan. Toen zij dan ook de roep van die koopman vernam, wenkte zij hem bij zich. Het ontbrak haar echter aan geld en daar zij dus niet op de gewone manier zou kunnen betalen, dacht ze bij zichzelf: We hebben hier nog altijd een vat met zemelen staan, waarmee we eigenlijk nooit iets uitvoeren. Ik zal zien of die koopman het soms wil ruilen voor zijn aarde waarmee ik mijn haar schoon kan maken.

En zo geschiedde het. De koopman ging op haar voorstel in en de koop werd gesloten. Het vat, en de inhoud daarvan, nam hij mee. Tegen etenstijd keerde ik beladen met al de hennep die ik maar kon dragen, naar huis terug en daar borg ik mijn vracht op de vliering, welke ik voor dat doel had aangebracht. Hierop haastte ik mij om ongemerkt een oogje te werpen op het vat, waarin zich mijn kansen bevonden. En ik zag wat ik zag. Gejaagd vroeg ik mijn vrouw, waarom zij dat vat van zijn plaats had verwijderd. Zij antwoordde rustig en deed me het verhaal van haar ruilhandel. Op dat moment werd mijn ziel door dolheid aangegrepen. Ik tolde om als iemand die duizelig is geworden en schreeuwde: ‘Werp de Gestenigde uit, ach vrouw! Jij hebt zojuist mijn toekomst, jouw toekomst en de toekomst van onze kinderen verruild voor een hoopje aarde, waarmee je het haar schoon kunt maken. Ditmaal zijn we reddeloos verloren!’ Daarna stelde ik haar met enkele woorden op de hoogte van het geval. In haar wanhoop begon zij te weeklagen, zich op de borst te slaan, de haren uit te rukken en haar kleren kapot te scheuren. Zij riep uit: ‘Ik ben de schuld van ons ongeluk! Ik heb de kans van de kinderen verkocht aan die koopman in aarde om het haar te reinigen en ik weet niet wie hij is. Ik heb hem nooit eerder gezien en ik zal hem nimmer terug kunnen vinden, vooral niet nu hij de beurs zal hebben ontdekt!’ Van de weeromstuit ging zij mij daarop verwijten, dat ik geen vertrouwen in haar had gesteld en dat het ongeluk zeker voorkomen had kunnen worden indien ik haar maar in mijn geheim had betrokken.

Het heeft geen zin hierover nog uit te weiden, ach mijn heer, daar u wel weet hoe welsprekend bedroefde vrouwen kunnen zijn en wat zij zich in hun smart soms kunnen laten ontvallen. Ik wist echter niet hoe ik haar zou moeten kalmeren en daarom begon ik maar te zeggen: ‘Ach dochter van mijn oom, matig je toch, alsjeblieft! Bedenk toch dat alle buren te hoop zullen lopen door dat huilen en weeklagen van je en dat het toch werkelijk niet nodig is hen van dit tweede ongeluk in kennis te stellen. Die sperwer heeft er al voor gezorgd dat het hen niet aan spottende opmerkingen en verholen glimlachjes ontbreekt, waarmee ze ons belachelijk kunnen maken en ons kunnen vernederen. Ditmaal zouden zij zich dubbel vermaken met onze onnozelheid. Laten we dit verlies nu niet naar buiten uitdragen, maar het geduldig ondergaan en ons zodoende onderwerpen aan de beschikkingen van de Allerhoogste. Laten we Hem dank brengen, omdat Hij van Zijn gaven slechts honderdnegentig munten terug heeft genomen en er ons tien heeft gelaten, waardoor we toch een onverwachte verlichting van onze zorgen hebben verkregen.’

Ondanks al deze goede argumenten gelukte het me nog niet mijn vrouw te doen berusten in het verlies. Slechts langzamerhand liet zij zich troosten, toen ik zei: ‘Inderdaad zijn wij arm. Maar wat hebben de rijken over het algemeen genomen eigenlijk op ons voor? Ademen wij niet dezelfde lucht als zij? Genieten wij niet van dezelfde hemel en van hetzelfde licht als zij? En sterven zij uiteindelijk ook niet, net als wij?’

Door deze redenering, ach mijn heer, slaagde ik er niet alleen in om haar te overtuigen, maar mezelf eveneens. Ik hervatte mijn werkzaamheden met een even ongebreidelde geest als ik voor de aanvang van beide droevige avonturen bezat.

Toch bleef er toch nog één punt over, dat me aanhoudend verdrietig stemde. Geregeld vroeg ik me met ongerustheid af, hoe ik een bezoek van Saad, mijn weldoener, zou moeten doorstaan, wanneer hij mij rekenschap kwam vragen over het gebruik van de tweehonderd dinar. Dit vooruitzicht maakte de wereld en het leven somber voor mijn ogen.

Uiteindelijk brak de zo gevreesde dag toch aan, waarop ik me in aanwezigheid van de twee vrienden bevond. En aangezien Saad lang gewacht had voordat hij me weer kwam bezoeken om naar nieuws te vragen, kon ik me zonder enige twijfel voorstellen dat hij tegen Saadi moest hebben gezegd: ‘Laten we geen haast maken om de touwslager Hasan op te gaan zoeken. Hoe langer we ons bezoek uitstellen, hoe rijker hij zal zijn geworden en hoe groter mijn voldoening daarover zal zijn.’ Evenzeer kon ik me voorstellen, dat Saadi hem glimlachend moest hebben geantwoord: ‘Bij God, niets zal me liever zijn dan je mening te kunnen delen. Alleen geloof ik stellig, dat Hasan nog een lange weg zal moeten afleggen voordat hij op het punt is gekomen, waar de weelde hem wacht. Maar we zijn er al. En nu zal hij ons zelf wel vertellen hoe zijn zaken er voor staan!’

Wat mij echter betreft, ach emir van de gelovigen, ik was zo verslagen dat ik er slechts naar verlangde om mezelf voor hun blikken te kunnen verbergen. Ik wenste niets liever dan dat de aarde zich zou openen en me zou verzwelgen. Toen zij dan ook bij mijn winkel waren aangekomen, deed ik net alsof ik ze niet zag, zeer in beslag genomen door mijn touwslagerswerk. Ik sloeg mijn ogen pas op om hen aan te kijken, nadat zij mij hun zegenwensen hadden gegeven en ik dus genoodzaakt was hen eveneens te groeten. Om mijn foltering en ongemak niet langer te laten duren dan onvermijdelijk was, wachtte ik niet tot zij mij zouden gaan ondervragen. Ik richtte mij vastberaden tot Saad en vertelde hem in één adem hoe mij een tweede ongeluk was overkomen, te weten het geval van dat vat vol zemelen, waarin ik mijn beurs had verstopt en dat mijn vrouw had geruild voor een handvol aarde om er het haar mee te reinigen. Na me zo te hebben verlicht, sloeg ik mijn ogen neer, hernam mijn plaats en hervatte mijn werk door een streng hennep opnieuw aan mijn grote teen vast te maken. Hierbij dacht ik: ‘Wat ik te zeggen had, heb ik gezegd en God alleen weet, wat er nu gaat gebeuren!’

Hoewel Saad zich ongetwijfeld spijtig moest voelen omdat het lot hem zo hardnekkig bleef benadelen, wist hij zich toch in te tomen, want hij werd niet kwaad op mij en noemde mij evenmin een leugenaar, of een onbetrouwbaar mens. Hij voegde mij slechts toe: ‘Welbeschouwd is het mogelijk, Hasan, dat alles wat je me zojuist hebt verteld inderdaad waar is en dat de tweede beurs werkelijk op een overeenkomstige manier als bij haar zus het geval was, is verdwenen. Maar om je de waarheid te zeggen is het toch enigszins vreemd, dat de sperwer en de verkoper van dat reinigingsmiddel beiden de kans kregen om datgene mee te nemen dat toch zo goed was verborgen, aangezien jij toevallig verstrooid, of afwezig was. Hoe het echter ook zij, ik zie er verder van af om de proef nogmaals te nemen!’ Hierop wendde hij zich tot Saadi en zei: ‘Toch blijf ik er van overtuigd, ach Saadi, dat zonder geld niets te bereiken is en dat wie arm is arm zal blijven zolang hij door te werken het lot niet heeft gedwongen om hem goedgunstig te zijn.’ Saadi antwoordde hem echter: ‘Nochtans vergis je je zeer, ach edelmoedige Saad! Om het bewijs van je opvatting te leveren, heb je niet geschroomd om vierhonderd gouden dinar te offeren aan een sperwer en aan een verkoper van een reinigingsmiddel, maar zo edelmoedig zal ik me niet gedragen. Wel wil ik op mijn beurt proberen te bewijzen, dat de grillen van het lot de enige maatstaven in ons leven zijn en dat het geluk, of het ongeluk, zuiver en alleen afhankelijk is van datgene, wat het lot besluit.’ Na deze woorden richtte hij zich tot mij en zei, terwijl hij me een groot stuk lood liet zien, dat hij zojuist van de grond had opgeraapt: ‘Ach Hasan, daar alle kansen je tot nu toe zijn ontnomen, zou ik je zo graag ondersteunen op de wijze die mijn edelmoedige vriend Saad heeft gevolgd. Maar God heeft mij niet met een rijkdom als de zijne bedeeld, daarom kan ik je slechts dit stuk lood geven, dat waarschijnlijk door de één of andere visser is verloren, toen hij zijn netten over de grond liet slepen.’

Zodra Saad dit had vernomen, begon hij luidkeels te lachen, van de veronderstelling uitgaand dat Saadi een grap met mij wilde uithalen. Saadi schonk er echter geen aandacht aan, maar overhandigde me in volle ernst het stuk lood, zeggende: ‘Pak dit aan, en laat Saad lachen. Als het lot het zo beschikt, zal dit lood je op zekere dag beter van pas komen dan al het zilver uit de mijnen.’

Daar ik wel wist welk een nobel mens Saadi was en ook welk een grote wijsheid hij bezat, wilde ik de kans niet lopen om hem door de één of andere opmerking te krenken. Ik aanvaardde dus het stuk lood dat hij mij voorhield en borg het zorgvuldig in mijn lendendoek, waarin zich overigens niets, zelfs niet het geringste muntstukje bevond. Verder liet ik niet na, hem hartelijk te danken voor zijn goede wensen en bedoelingen. Hierna verlieten de vrienden mij en zetten zij hun wandeling voort, terwijl ik mijn werk weer opnam.

’s Avonds ging ik zoals gewoonlijk naar huis. Toen ik me na de maaltijd ontkleedde om te gaan slapen, hoorde ik plotseling iets op de grond vallen. Ik zocht er naar en bij het oprapen merkte ik, het stuk lood te pakken te hebben dat uit mijn lendendoek was gegleden. Daar ik er niet de minste waarde aan hechtte, legde ik het op de eerste de beste plaats binnen mijn bereik, strekte me hierna uit op mijn matras en viel spoedig in slaap. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 


Maar toen de 871e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Eén van mijn buren, een visser, werd diezelfde nacht zoals gewoonlijk zeer vroeg wakker. Toen hij zijn netten nog eens nakeek voordat hij ze op de rug nam, ontdekte hij dat er een stuk lood aan ontbrak en juist op een plaats waar het beslist niet gemist kon worden. Aangezien hij geen geld in huis had en afgezien daarvan toch niet naar de markt hoefde te gaan, omdat op dat vroege uur alle winkels nog waren gesloten, voelde hij zich diep verslagen. Als hij zijn netten niet twee uur voor zonsopgang had uitgeworpen, zou hij de volgende dag niet in staat zijn om zijn gezin te voeden. Van armoede verzocht hij dan ook zijn vrouw om ondanks het ongelegen uur en de overlast die daardoor zou worden veroorzaakt, de naaste buren te gaan wekken en hen uiteen te zetten wat hem was overkomen, waarna zij hen moest smeken een stuk lood op te zoeken, dat het andere zou kunnen vervangen. Omdat wij tot die naaste buren behoorden, klopte de vrouw aan onze deur, daarbij ongetwijfeld denkende: ‘Ik wil met alle plezier de touwslager Hasan om een stuk lood vragen, maar ik weet best dat je bij hem niet moet wezen als je zoiets broodnodig hebt.’ Toch klopte zij zo lang bij mij aan, dat ik uiteindelijk ontwaakte. Ik riep: ‘Wie is daar aan de deur?’ Zij antwoordde: ‘Ik ben het, de vrouw van je buurman, de visser. Het stemt mij droevig, ach Hasan, je op deze manier in je slaap te moeten storen, maar het gaat om de broodwinning van ons gezin en daarom heb ik mijn ziel tot deze onbehoorlijke handeling gedwongen. Vergeef het ons alsjeblieft en zeg mij, opdat ik je niet te lang van je rust beroof, of je mijn echtgenoot soms een stuk lood zou kunnen lenen, waarmee hij zijn netten in orde kan maken.’

Onmiddellijk dacht ik aan het stuk lood dat Saadi mij had gegeven en ik zei tot mezelf: ‘Bij God, nooit zou ik het beter kunnen gebruiken dan door er mijn buurman, de vader van haar kinderen, een dienst mee te bewijzen.’ Hierop antwoordde ik mijn buurvrouw, dat ik toevallig juist een geschikt stuk lood bij de hand had, waarna ik het al tastende ging opzoeken, het aan mijn vrouw gaf en deze het weer aan haar overhandigde.

De arme vrouw was zielsgelukkig, omdat zij niet vergeefs bij mij had aangeklopt en dus niet met lege handen huiswaarts hoefde te keren, wat haar tegen mijn echtgenote deed zeggen: ‘Ach buurvrouw, sjeik Hasan bewijst ons vannacht wel een zeer grote dienst. Uit dankbaarheid zullen we alle vis, die mijn echtgenoot bij zijn eerste networp vangt, aan jullie doen toekomen en we zullen ze morgen op ons hoofd komen aandragen!’ Vervolgens haastte zij zich om het stuk lood bij mijn buurman, de visser te brengen, die het meteen aan zijn netten bevestigde en zoals gewoonlijk, enkele uren voor het aanbreken van de dag begon vissen.

De eerste networp, die dus voor ons bestemd was, bracht slechts één vis op. Deze vis was echter groter dan een ellebooglengte en naar verhouding omvangrijk. De visser legde hem voor ons terzijde in zijn mand en viste verder. Maar onder alle vis die hij ving was er niet één, die de eerste in pracht en omvang kon evenaren. Toen hij dan ook klaar was met vissen, was het zijn eerste werk om die prachtige vis op een bed van geurige bladeren te leggen en hem bij ons te brengen, nog voor hij naar de markt ging, om er zijn vangst te verkopen. Hij zei: ‘God geve, dat hij verrukkelijk zal smaken!’ Hieraan voegde hij nog toe: ‘Ik verzoek je deze gift wel te willen aanvaarden ondanks dat zij eigenlijk onvoldoende en dus ongepast is. Neem het ons niet kwalijk, ach buurlui, maar mijn eerste networp bracht werkelijk niet meer op.’ Ik antwoordde daarop: ‘In deze zaak acht ik me bepaald niet gedupeerd, ach buurman! Dit is de eerste maal dat zo’n prachtige vis wordt verkocht voor een stuk lood, dat op zichzelf amper een koperen muntstuk waard is. We aanvaarden hem echter als een geschenk, dat ons wordt aangeboden uit een vriendelijk en edelmoedig hart.’ We wisselden hierna nog enige plichtplegingen en daarop ging hij weg.

Ik gaf het geschenk van de visser aan mijn echtgenote en zei: ‘Zie je wel, ach vrouw, dat met Gods wil het lood van Saadi me inderdaad meer baat kan brengen dan al het goud van Saad. Hier heb je nu een vis zoals geen emir en geen keizer, er ooit één op zijn schalen heeft gehad.’ Hoewel mijn echtgenote erg verheugd was bij het bekijken van die vis, kon zij toch niet nalaten om te antwoorden: ‘Ja, bij God, maar hoe zal ik hem moeten toebereiden? We bezitten geen rooster en evenmin een pot, waarin we hem in zijn geheel kunnen koken.’ Ik antwoordde haar: ‘Dit is toch geen bezwaar, daar we hem net zo goed kunnen opeten als hij in stukken is gesneden. Maak je dus geen zorgen over het uiterlijk, snijd hem gerust in stukken en maak er een schotel van.’

Na deze woorden sneed mijn vrouw hem middendoor en haalde de ingewanden te voorschijn, waarop ik in die ingewanden iets zag schitteren met een helder schijnsel. Zij peuterde het eruit en waste het in de emmer schoon. Toen zagen wij dat het een stuk glas was, zo groot als een duivenei en zo doorzichtig als het water van de rots. We bekeken het enige tijd en daarna gaven we het aan de kinderen, opdat zij er mee zouden gaan spelen en het hun moeder niet lastig zouden maken bij het bereiden van die heerlijke vis.

Tegen etenstijd ontdekte mijn vrouw een licht in de kamer, hoewel de lamp nog niet was ontstoken en zij ook niet op andere wijze licht had gemaakt. Zij keek overal rond om te zien waar het vandaan kwam en ontdekte toen dat het werd uitgestraald door het glazen ei waarmee de kinderen hadden gespeeld en dat zij op de grond hadden laten liggen. Zij nam het op en legde het op de rand van het plankje, waarop de lamp stond. Wij waren uiterst verbaasd door de helderheid van het uitgestraalde licht en ik riep uit: ‘Bij God! Ach dochter van mijn oom, nu worden we niet alleen gevoed door het stuk lood van Saadi, maar het geeft ons ook nog licht en zal ons voortaan de kosten van lampolie besparen.’

Bij het wonderbaarlijke schijnsel van dat glazen ei aten we de heerlijke vis, onderhielden we ons over het dubbele geschenk op die gezegende dag en loofden we de Schenker voor Zijn weldaden. Geheel tevreden met ons lot gingen we die nacht slapen en we wensten niets liever dan dat deze situatie zou mogen voortduren.

Dank zij de lange tong van de dochter van mijn oom, verspreidde het gerucht van het lichtgevende stuk glas, dat uit de buik van de vis was gekomen zich de volgende dag al spoedig in de hele buurt. Als gevolg daarvan ontving mijn vrouw bezoek van een Jodin, die in de omgeving woonde en van wie de man een juwelierszaak had op de markt. Na de wederzijdse begroetingen en plichtplegingen bekeek de Jodin het glazen ei aandachtig en zei vervolgens tegen mijn echtgenote: ‘Ach buurvrouw Aisja, dank God, die mij vandaag tot je heeft gevoerd. Aangezien dat stuk glas me bevalt en ik me wel eens opsier met een stuk glas dat heel erg lijkt op dit stuk glas, zou het een met het ander een paar kunnen vormen. Daarom wil ik het jouwe van je kopen en ben bereid je zo maar het geweldige bedrag van tien nieuwe gouden dinar te bieden!’ Toen onze kinderen echter over het verkopen van hun speelgoed hoorden spreken, begonnen zij te huilen en smeekten zij hun moeder om dat toch niet te doen. Om hen te kalmeren en ook al omdat het ei eigenlijk de lamp verving, weigerde mijn vrouw het zo aanlokkelijke aanbod, tot grote spijt van de Jodin, die heel bedroefd weg ging.

Kort daarop kwam ik thuis van mijn werk en werd door mijn vrouw op de hoogte gebracht van wat er was voorgevallen. Ik antwoordde haar: ‘Ach dochter van mijn oom, als dit glazen ei niet een zekere waarde bezat, zou de dochter van de joden ons vast niet een bedrag van tien dinar hebben geboden. Ik voorzie dus, dat ze op de zaak zal terugkomen, om ons meer te bieden. Maar ik zou er voorlopig niet op ingaan en eerst maar eens kijken hoe hoog haar aanbod zal worden.’ Tegelijkertijd moest ik aan de woorden van Saadi denken, die gezegd had dat een mens alle mogelijke kansen in een stuk lood kon vinden, indien het lot dat zo beschikte. Daardoor wachtte ik vol vertrouwen op wat mijn gunstig lot mij uiteindelijk zou brengen, nadat het mij zo lang had geschuwd.

Zoals ik al had voorzien, kwam die Jodin, de vrouw van de juwelier, dezelfde avond voor de tweede keer op bezoek bij mijn echtgenote en na de gebruikelijke begroetingen en plichtplegingen zei zij: ‘Ach buurvrouw Aisja, hoe kun je de gaven van de Schenker toch zo versmaden? Toch en om het bestwil van je kinderen wil ik je echter wel verklappen, dat ik met mijn man over dat glazen ei heb gesproken en dat hij me heeft toegestaan je er twintig gouden dinar voor te bieden, omdat ik zwanger ben en de wens van zwangere vrouwen niet onvervuld in haar binnenste moet terugkeren!’

Als gevolg van mijn opdracht antwoordde mijn vrouw echter: ‘Ach, bij God, ach buurvrouw, je woorden maken me bereid om tot inkeer te komen. Maar weet, dat ik hier in huis niets te zeggen heb. De zoon van mijn oom is de meester over dit huis en alles wat het bevat en daarom zul je je tot hem moeten wenden. Wacht dus tot hij thuis is gekomen en herhaal dan je aanbod!’

Bij mijn thuiskomst herhaalde de Jodin datgene wat zij mijn vrouw had verteld en zij voegde er aan toe: ‘Ach man, ik breng je brood voor je kinderen in ruil voor een stuk glas. Dit geschiedt echter, omdat de wens van een zwangere vrouw moet worden vervuld en omdat mijn echtgenoot het niet op zijn geweten wil hebben, dat zo’n wens onvervuld in haar binnenste terugkeert. Alleen om deze reden heeft hij toegestemd in mijn bod, dat voor hem een groot verlies betekent.’

Toen ik die Jodin had laten vertellen wat zij mij vertellen wilde, ach mijn heer, nam ik de tijd om haar te antwoorden, maar uiteindelijk besloot ik haar alleen maar aan te zien en als enig antwoord eenvoudig mijn hoofd te schudden.

Zodra zij dit zag, werd de dochter van de joden geel in het gezicht. Zij keek mij aan met tartende ogen en zei: ‘Bid tot je Profeet, ach moslim!’ Hierop antwoordde ik haar: ‘Over Hem het gebed en de vrede, ach goddeloze, evenals de hoogst uitverkoren zegeningen van de enige God!’

Zij wierp mij toen tegen: ‘Ach vader van kinderen, waarom dan die lege blik en dat weigerend schudden van het hoofd, als door onze bemiddeling de weldaden van de Schenker over je huis worden gebracht?’ Ik antwoordde hierop: ‘Ach dochter van de ongelovigen, de weldaden van God over Zijn gelovigen zijn al ontelbaar! Men kan in Hem geloven zonder bemiddeling van hen die buiten het rechte pad dwalen!’ Daarna vroeg zij mij: ‘Dus je weigert die twintig gouden dinar? Toen ik opnieuw een weigerend gebaar maakte, zei zij: ‘Welnu, ach buurman, dan bied ik je vijftig voor dat stuk glas. Ben je nu tevreden?’ Opnieuw schudde ik zeer beslist het hoofd en keek vervolgens de andere kant uit. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 872e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “De vrouw van de juwelier nam haar sluiers bijeen, alsof ze weg wilde gaan, richtte haar stappen naar de deur, maakte aanstalten om deze te openen en wendde zich, alsof zij zich plotseling bedacht, weer tot mij met de woorden: ‘Mijn laatste aanbod! Honderd gouden dinar! Ik weet echter niet of mijn man bereid zal zijn om mij dit fantastische bedrag te schenken!’

Terwijl ik het deed voorkomen alsof haar aanbiedingen me in het geheel niet raakten, zei ik: ‘Het ligt niet in mijn bedoeling je ontevreden weg te zien gaan, ach buurvrouw, maar de werkelijke waarde van dit glazen ei kun je je niet voorstellen. Je meent me met honderd gouden dinar een begeerlijke prijs te hebben geboden voor dit wonderbaarlijke kleinood, dat even wonderbaarlijk is als de geschiedenis die ermee samenhangt, maar hoe dit ook zij, ik ben je erkentelijk en uitsluitend en alleen om jou en onze buurman een genoegen te doen en daarenboven de wens van een zwangere vrouw niet onvervuld in haar binnenste te doen terugkeren, zal ik me beperken en voor dit lichtgevende ei geen hoger bedrag dan honderdduizend gouden dinar eisen, niet meer en niet minder. Je kunt dit aannemen of weigeren, maar ik zeg je dat er nog andere juweliers zijn en dat deze mij stellig meer zullen bieden, indien zij beter dan jouw man de werkelijke waarde blijken te kennen van schone zaken, die enig zijn in hun soort. Wat mij aangaat, ik zweer bij God, de Alwetende, dat ik mijn prijs nooit zal herzien, hetzij om deze te verhogen, of te verlagen. Vrede zij met u!’

Toen de vrouw van de jood deze woorden had vernomen en de betekenis daarvan tot haar was doorgedrongen, wist ze er niets meer tegenin te brengen, maar bij het weggaan zei zij: ‘Ik koop noch verkoop. Dat doet mijn man. Als de zaak hem aanstaat, zal hij haar tot een einde brengen. Beloof me echter, dat je nog enig geduld zult oefenen en nog niet met anderen zult gaan onderhandelen voor hij dat glazen ei zelf heeft gezien!’ Dit beloofde ik haar en daarna ging zij weg.

Na dit onderhoud, ach emir van de gelovigen, stond het voor mij vast, dat het ei een edelsteen onder de edelstenen uit de zee moest zijn en dat het uit de kroon van de één of andere zeevarende koning moest zijn gevallen. Evenals ieder ander wist ook ik, welke schatten er in de diepten verborgen liggen en het was me ook bekend, dat de meisjes en de koninginnen van de zee zich daarmee plegen te tooien. Deze gedachten versterkten mij in mijn geloof. En ik loofde de Schenker, die de vis van de visser had gebruikt om dit sieraad van jeugdige zeemeerminnen in mijn handen te doen overgaan. Tevens besloot ik vast te houden aan het bedrag van honderdduizend dinar, dat ik de vrouw van de jood had genoemd, maar ik vroeg me af of ik daarbij niet al te overhaast te werk was gegaan, daar ik misschien nog wel een grotere som van hem had kunnen krijgen. Toch besloot ik bij het eenmaal vastgestelde bedrag te blijven, aangezien ik dat nu eenmaal plechtig had beloofd.

Zoals ik al had vermoed, duurde het niet lang voordat de joodse juwelier zich in eigen persoon bij mij vervoegde. Hij zag er zo listig uit, dat ik weinig goeds van hem verwachtte en er rekening mee hield, dat deze zwijnenzoon al zijn doortraptheid zou aanwenden om mij op een handige manier en langs zijn neus weg de edelsteen te ontfutselen. Ik was dus op mijn hoede, ondanks dat ik hem allervriendelijkst ontving en verzocht om plaats te nemen op de mat. Na de gebruikelijke begroetingen en plichtplegingen, begon hij: ‘Ik hoop, ach buurman, dat de hennep tegenwoordig niet al te hoog in prijs is en dat er zegen rust op je handel!’ Ik antwoordde op dezelfde toon: ‘De zegen van God rust immers op Zijn gelovigen, ach buurman. Toch hoop ik, dat de handel op de markt van de juweliers eveneens is gezegend.’ Hij zei daarop: ‘Zij verkeert bij het leven van Abraham en van Jakob in een hachelijke toestand, ach buurman! Nauwelijks kunnen wij brood en kaas eten.’

Op deze wijze praatten wij geruime tijd, zonder dat de kwestie werd aangeroerd die ons uitsluitend belang inboezemde, maar toen de jood inzag dat ik me niet uit mijn tent liet lokken, zei hij uiteindelijk: ‘De dochter van mijn oom heeft me over het één of andere glazen ei gesproken, ach buurman, dat weliswaar geen grote waarde schijnt te hebben, daar het als speelgoed van je kinderen dienst doet, maar je weet hoe het gaat: als een vrouw, zoals de mijne, zwanger is, kunnen er zonderlinge en eigenaardige verlangens in haar opkomen. Nu zij haar zinnen heeft gezet op dat ei ben ik zeer beducht, dat het zich na de geboorte van ons kind in zijn volle omvang zal aftekenen op zijn neus, of op dat tedere lichaamsdeel, waarvan ik uit welvoeglijkheid de naam niet zal noemen, tenzij ik haar tevreden weet te stellen. Ik verzoek je dus, ach buurman, mij dat ei te tonen en mocht het dan blijken, dat een soortgelijk voorwerp onmogelijk op de markt kan worden verkregen, wil je dan geen misbruik maken van de omstandigheden, maar het mij afstaan tegen betaling van een redelijke prijs?’

Op deze woorden van de jood luidde mijn antwoord: ‘Ik luister en gehoorzaam.’ Ik stond op, ging naar de tuin, waar mijn kinderen met het ei aan het spelen waren en nam het ondanks hun kreten en hun tegenstribbelen van hen weg. Daarna ging ik terug naar de kamer, waar de jood op de mat zittend op mij wachtte. Terwijl ik verontschuldiging vroeg voor mijn handelwijze, sloot ik de deur en bedekte ik de ramen zodat het volslagen donker werd in het vertrek. Toen haalde ik het ei te voorschijn en legde het vlak bij de jood, goed zichtbaar op een krukje neer. Ogenblikkelijk werd de hele kamer zo sterk verlicht, dat het wel leek alsof er veertig toortsen brandden. Bij deze aanblik kon de jood niet nalaten om uit te roepen: ‘Dit is één van de edelstenen, die de kroon van Salomo, zoon van David, sieren!’ Meteen zag hij echter in, dat hij teveel had gezegd en hij trachtte dit te ontzenuwen door de woorden: ‘Dergelijke edelstenen heb ik al meer in handen gehad. Ze zijn echter niet gewild en daardoor hebben zij steeds een verliespost opgeleverd. Waarom moet de dochter van mijn oom nu zwanger zijn en mij ertoe dwingen om over zo’n slecht verkoopbaar voorwerp te gaan onderhandelen?’ Tot slot zei hij echter: ‘Wat is je prijs voor dit zee-ei, ach buurman?’ Ik antwoordde: ‘Het is niet te koop, ach buurman. Omdat ik echter niet wil, dat de wens van je echtgenote onvervuld tot haar terugkeert, ben ik bereid om het aan je af te staan. In ruil daarvoor heb ik echter al een zekere som vastgesteld. En ik zal mijn woord niet herroepen; God is mijn Getuige!’ Hij zei: ‘Wees redelijk, ach zoon van de goedertierenheid, want anders bewerkstellig je de ondergang van mijn huis! Als ik afstand deed van mijn zaak en van mijn woonhuis en als ik op de markt van de afslagers mijzelf, mijn vrouw en mijn kinderen verkocht, zou ik misschien het buitensporige bedrag kunnen betalen, dat je ongetwijfeld schertsenderwijze hebt vastgesteld. Honderdduizend gouden dinar. Ach God! Honderdduizend gouden dinar, niet meer en niet minder. Daarmee doe je me de dood aan, ach sjeik!’

Nadat ik de deur en de ramen weer had geopend, antwoordde ik rustig: ‘Honderdduizend dinar inderdaad en slechts één daarbij zou ongeoorloofd zijn. Maar ik wil er ook niet één minder hebben. Je kunt weigeren, of aannemen.’ Hieraan voegde ik nog toe: ‘Bovendien: als ik had geweten, dat dit wonderbaarlijke ei een edelsteen onder de zee-edelstenen was en afkomstig uit de kroon van Salomo, zoon van David, over hen beiden het gebed en de vrede!, dan zou ik geen honderdduizend dinar, maar tien keer honderdduizend dinar hebben gevraagd. Plus nog een aantal halskettingen en juwelen uit je winkel, om deze aan mijn vrouw te schenken, aangezien zij toch de hele zaak aan het rollen heeft gebracht door het gerucht van onze ontdekking te verspreiden. Ach man, beschouw jezelf dus als hoogst gelukkig, daar je tegen een zo begerenswaardige prijs kunt slagen en ga nu maar gauw je goud halen.’

De jood trok een lang gezicht en peinsde een ogenblik, maar inziende dat er verder niets te bereiken zou zijn, keek hij mij vastbesloten aan en zei met een diepe zucht: ‘Het goud staat al voor de deur! Geef mij nu de edelstenen!’ Na deze woorden stak hij zijn hoofd uit het raam en riep tot een negerslaaf, die een met zakken beladen muilezel bij de teugel hield: ‘Hé! Moebarak, breng de zakken en de weegschaal binnen.’

De neger bracht de zakken met dinar bij mij binnen en de jood trok de één na de andere open. Hij woog de honderdduizend dinar uit en niet één meer en niet één minder, zoals ik hem had gezegd. De dochter van mijn oom haalde alle lompen uit de enige kist die wij bezaten en daarna vulden wij deze met het goud van de jood. Toen pas haalde ik de edelsteen te voorschijn, die ik veiligheidshalve aan mijn borst had geborgen en terwijl ik hem aan de jood overhandigde, zei ik: ‘Dat je hem tien keer zo duur mag verkopen!’ Met een brede lach antwoordde hij: ‘Bij God, ach sjeik, die steen is niet te koop. Hij zal de wens van mijn zwangere vrouw in vervulling doen gaan.’ Hierop nam hij afscheid en draaide mij de rug toe.

Dit nu, wat hem betreft!

Maar wat Saad en Saadi aangaat, evenals de invloed van de vis op mijn lot, het volgende! …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 873e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Ik was nu plotseling rijker geworden dan mijn ziel het begeerde en bedolven onder goud en weelde. Dit deed mij echter niet vergeten dat ik per slot van rekening maar een arme touwslager was geweest en de zoon van een touwslager en daarom bracht ik niet alleen de Schenker dank voor al Zijn weldaden, maar bezon me er tevens op hoe ik mijn rijkdom het beste zou kunnen besteden. Voor alles wilde ik echter de aarde tussen de handen van Saadi uit eerbied kussen en hem mijn dank betuigen, wat ik ook ten aanzien van Saad wenste te doen, daar ik hem evenzeer dank verschuldigd was, ook al had hij dan succes gehad met de goede voornemens die hij ten aanzien van mij had gekoesterd. Een zekere schroom weerhield mij echter, terwijl ik bovendien niet goed wist waar zij woonden. Daarom leek het mij het beste maar te wachten, totdat zij uit eigen beweging kwamen vragen hoe het gesteld was met Hasan, de arme touwslager – voor wie het was te hopen, dat God hem mocht bijstaan in Zijn goedertierenheid, aangezien hij eigenlijk al niet meer bestond en zijn jeugd ellendig was geweest.

Intussen besloot ik echter om het vermogen dat mij was toebedeeld, zo goed mogelijk te gebruiken. Mijn eerste handeling bestond dan ook niet uit het aanschaffen van fraaie kledingstukken of prachtige voorwerpen, maar in het opzoeken van alle arme touwslagers in Bagdad, die in dezelfde staat van ellende verkeerden, waarin ik steeds had geleefd. Toen ik hen om mij heen had verzameld, zei ik: ‘De Schenker heeft mij Zijn weldaden deelachtig doen worden en mij tot welstand gebracht, ondanks dat ik de laatste was die dat verdiende. Om die reden sta ik er op, ach islamitische broeders, dat de gunsten van de Allerhoogste niet verzameld blijven op één en hetzelfde hoofd, maar dat jullie er, al naar gelang van jullie behoeften, eveneens van zult kunnen genieten. Van nu af aan neem ik jullie allen in mijn dienst en stel ik jullie voor dat jullie als touwslagers voor mij werken. Dan hebben jullie de zekerheid dat jullie aan het eind van jullie werkdag en in overeenstemming met jullie kwaliteiten, ruimschoots worden beloond. Daardoor zullen jullie een goed stuk brood voor je gezin kunnen verdienen en geen zorgen meer hoeven te hebben voor de komende dag. Om deze reden heb ik hier met jullie vergaderd. En dit is alles wat ik te zeggen had. Maar God is edelmoediger en tevens grootmoediger!’

De touwslagers dankten mij en loofden mij voor mijn goede bedoelingen ten opzichte van hen, waar zij graag op ingingen. Sindsdien werkten zij rustig voor mijn rekening en zij voelden zich gelukkig, omdat hun leven en dat van hun kinderen minder zorgelijk was. Dankzij deze maatregel vermeerderden mijn inkomsten nog en werd mijn positie hechter dan voorheen.

Er was al geruime tijd verstreken sinds ik mijn armelijke woning had verlaten en me had gevestigd in een ander huis, dat ik tegen grote uitgaven te midden van tuinen had doen bouwen, toen Saad en Saadi eindelijk op de gedachte kwamen om eens te gaan horen hoe de arme touwslager Hasan het maakte. Zij vonden mijn winkel echter gesloten, wat de indruk wekte dat ik was overleden, maar groot was hun verbazing toen zij bij navraag bij onze vroegere buren niet alleen vernamen dat ik nog in leven was, maar ook dat ik tot één van Bagdads rijkste kooplieden werd gerekend en dat ik in een prachtig paleis te midden van uitgestrekte tuinen woonde, terwijl men mij niet meer Hasan de touwslager noemde, maar heer Hasan de Milde.

Nadat zij zich nauwkeurig hadden laten inlichten over de omgeving waar mijn paleis stond, begaven zij zich daarheen en arriveerden weldra aan de grote poort, die toegang gaf tot de tuinen. De portier geleidde hen door een bos van sinaasappelbomen, citroenbomen, alle rijkelijk met vruchten beladen, van wie de wortels zich laafden aan levend water, dat aanhoudend door een geul stroomde en afkomstig was van een bron bij de rivier. Bij aankomst in de ontvangstzaal waren beiden al onder de bekoring van het frisse natuurschoon, het groen, het ruisen van het water en het gezang van de vogels.

Zodra één van mijn slaven mij van hun komst had verteld, ging ik hen haastig tegemoet en wilde ik de zoom van hun kleed opnemen, om het te kussen. Zij verhinderden het me echter en omarmden mij, alsof ik hun broeder was, waarop ik hen uitnodigde om plaats te nemen in het koepeltje dat uitkeek op de tuin. Ik gaf hun daar de ereplaats die hun toekwam, terwijl ik zelf, zoals dat hoort, iets verderop ging zitten. Eerst liet ik verfrissende dranken aandragen en daarna vertelde ik hen van punt tot punt wat mij was overkomen, waarbij ik zorg droeg zelfs de kleinste bijzonderheden niet te vergeten. Dit alles is echter bekend en behoeft niet te worden herhaald. Maar wat Saadi aangaat: hij straalde van vreugde, hij wendde zich tot zijn vriend en zei: ‘Zie je wel, ach Saad!’ Meer zei hij niet.

Beiden waren nog lang niet van hun opgetogenheid bekomen, toen twee van mijn kinderen, die in de tuin aan het spelen waren geweest, plotseling binnen kwamen stormen met een groot vogelnest, dat door één van de slaven, aan wiens zorgen zij waren toevertrouwd, boven uit een dadelpalm was gehaald. Het nest bevatte enige jonge sperwers, maar tot onze grote verbazing was het in een tulband gebouwd. Toen ik het één en ander aandachtig bekeek, ontdekte ik dat het mijn eigen tulband was, die mij destijds door die diefachtige sperwer was ontstolen. Hierop sprak ik tot mijn gasten: ‘Ach mijn meesters, herinnert u zich de tulband nog, die ik droeg toen Saad mij voor de eerste maal tweehonderd dinar gaf?’ Zij antwoordden: ‘Nee, bij God, dat kunnen we ons niet precies meer herinneren.’ Saad, bij nader inzien, voegde hieraan echter nog toe: ‘Maar ik zal hem zeker herkennen als hij honderdnegentig dinar bevat!’ Daarop antwoordde ik: ‘U hoeft er niet aan te twijfelen, ach mijn meester.’ Meteen nam ik de jonge vogels uit het nest en gaf die aan de kinderen, waarna ik het nest uit elkaar trok en de tulband geheel en al ontrolde. Toen bleek dat de beurs met dinar er ongeschonden in zat vastgeknoopt, zoals ik dat destijds had gedaan.

Voordat mijn beide gasten hun verbazing te boven waren gekomen, trad één van mijn palfreniers met een vat vol zemelen binnen en ik herkende het onmiddellijk als het vat dat mijn vrouw eens had geruild voor een middel om het haar te reinigen. De palfrenier sprak me aan en zei: ‘Ach mijn meester, toen ik vanmiddag naar de markt ging, had ik vergeten om voor mijn paard voer mee te nemen en daarom kocht ik op de markt dit vat, waarin zich de dichtgesnoerde beurs bleek te bevinden, die ik u hier kom overhandigen.’ Wij allen herkenden de tweede beurs van Saad. Sindsdien, ach emir van de gelovigen, leefden wij samen als drie vrienden en wij waren zowel overtuigd van de macht van het lot, als opgetogen over de wegen die het had bewandeld om zijn besluiten ten uitvoer te brengen.

Aangezien de gaven van God ook aan zijn armen ten goede moeten komen, zal ik mij daartoe steeds bepalen en met gulle hand mijn aalmoezen verstrekken, zoals dit is voorgeschreven. Daarom heb jij mij de aalmoes zien geven aan de bedelaar op de brug van Bagdad. Dit was mijn geschiedenis.

Toen de kalief het verhaal van de vrijgevige sjeik had vernomen, zei hij: ‘De wegen van het lot zijn inderdaad wonderbaarlijk, ach sjeik Hasan en als een volgend bewijs op wat je me hebt verteld, zal ik je nu eens iets laten zien!’ Hierop wendde hij zich tot de minister van de Schatkist en fluisterde hem enige woorden in het oor. De minister ging weg, maar keerde na enkele ogenblikken terug met een kistje in zijn hand. De kalief opende het en toonde de inhoud aan de sjeik, die toen de edelsteen van Salomo zag liggen, die hij aan de joodse juwelier had afgestaan. Ar-Rasjid zei: ‘Op dezelfde dag, waarop jij hem overdroeg aan de jood, is hij in mijn schatkist gekomen.’

 

Hierna richtte hij het woord tot het vierde personage, tot de schoolmeester met de hazenlip en de verminkte benen en hij zei tot hem: ‘Vertel ons wat je te zeggen hebt.’

De man kuste eerst de aarde tussen de handen van de kalief uit eerbied en zei vervolgens:

 

Geschiedenis van de schoolmeester met de verminkte benen en de hazenlip

 

‘Weet dan, ach emir van de gelovigen, dat ik mijn loopbaan ben begonnen als schoolmeester en dat ik ongeveer tachtig knapen onder mijn hoede had. Het was verwonderlijk, wat zich met mij en die jongens heeft afgespeeld. Laat ik beginnen om u te vertellen, ach mijn heer, dat ik mij met uiterste gestrengheid, zorgvuldigheid en stiptheid tegenover hen gedroeg en eiste dat zij ook in de uren van ontspanning voort gingen met hun werk, terwijl ik hen pas een uur na zonsondergang naar huis stuurde. Maar ook dan nog lette ik op hen, door hen te volgen op de markten en in de stadswijken, om er voor te waken dat jeugdige deugnieten hen tot spelen zouden verleiden. De rampen die over mijn hoofd zijn gekomen en waarvan u de resultaten hier voor u ziet, ach emir van de gelovigen, zijn zonder twijfel veroorzaakt door mijn strengheid. Want wat gebeurde er?

Op zekere dag onder de dagen betrad ik het leslokaal, toen alle leerlingen zich daar al hadden verzameld en plotseling zag ik dat zij als één man recht overeind gingen staan en eenstemmig uitriepen: ‘Wat ben jij geel vandaag, ach meester!’ Ik was hierover hoogst verwonderd, maar aangezien ik in mijn binnenste geen enkele kwaal bespeurde die een gele gelaatskleur als gevolg kon hebben, liet ik me door dit buitensporige nieuws niet beïnvloeden, begon de les zoals gewoonlijk en schreeuwde: ‘Aan de slag, schavuiten! Het is tijd om aan het werk te gaan.’ Hierop kwam de kwekeling echter met een heel bezorgd gezicht naar me toe en hij zei: ‘Bij God, ach meester, u ziet er vandaag ellendig geel uit en het is te hopen dat God de oorzaak zal verdrijven! Indien u zich ziek voelt, wil ik graag proberen om vandaag de lessen voor u waar te nemen.’ Alle leerlingen keken mij daarbij medelijdend en met een uitdrukking van grote ongerustheid aan, alsof zij verwachtten dat ik elk ogenblik de geest kon geven. Dit alles maakte toch wel indruk op mij en ik zei tegen mezelf: ‘Zonder dat je het weet, moet je er toch eigenlijk wel slecht aan toe zijn. Want ziekten die zo geniepig het lichaam binnendringen, dat hun aanwezigheid niet door onbehaaglijkheden wordt geopenbaard, zijn ongetwijfeld van ernstige aard.’ Ik stond dan ook onmiddellijk op, vertrouwde de lessen aan de kwekeling toe en ging naar mijn harem, waar ik mij in mijn volle lengte uitstrekte en tot mijn echtgenote zei: ‘Bereid mij datgene dat bereid moet worden om me tegen aanvallen van geelzucht te behoeden!’

Terwijl ik haar deze woorden toevoegde, slaakte ik diepe zuchten en jammerde en ik deed daarmee voorkomen alsof ik me al in de greep van de pest of een andere kwaadaardige ziekte bevond.

Onder al deze omstandigheden klopte de kwekeling aan de deur en vroeg of hij binnen mocht komen. Hij overhandigde me een bedrag van tachtig drachmen, en zei: ‘Ach meester, uw goede leerlingen hebben deze som bijeengebracht, opdat onze meesteres u naar beste weten zal kunnen verzorgen en zich niet ongerust zal hoeven te maken over de uitgaven.’

Deze handelwijze van de leerlingen trof mij zeer en uit erkentelijkheid gaf ik hun een vrije dag, daarbij niet vermoedende, dat dit hun opzet was geweest. Maar wie zal ooit in staat zijn om de arglistigheid te peilen, die zich in de boezem van kinderen verbergt?

Die gehele dag werd ik door angst gekweld al schonk de aanblik van het geld dat ik zo onverwacht had ontvangen, mij toch wel enig genoegen. De dag daarop kwam de kwekeling mij wederom bezoeken en zodra hij mij zag riep hij uit: ‘Dat God het kwaad moge uitdrijven, ach meester! U bent mogelijk nog geler dan gisteren! Houdt u toch kalm, neem vooral rust! Bekommert u zich nergens om!…”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 874e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “De woorden van die geslepen knaap maakten een diepe indruk op mij en ik zei tot mezelf: ‘Denk aan je eigen welzijn, ach meester, en verzorg jezelf goed op kosten van je leerlingen.’ Hierna zei ik tegen de kwekeling: ‘Jij geeft les, zoals je zou doen als ik er bij was.’ Aangezien ik met mezelf te doen had, begon ik te jammeren en te weeklagen. In deze toestand liet de jongen mij achter, want hij haastte zich heen om de leerlingen verslag uit te brengen.

Een hele week lang bleef het zo doorgaan en op het eind bracht de kwekeling me opnieuw een bedrag van tachtig drachmen, daarbij zeggende: ‘Dit is een bijdrage van uw goede leerlingen, opdat onze meesteres u uitstekend zal kunnen verzorgen.’ Hun medelijden trof mij nog meer dan de eerste maal en ik zei tot mezelf: ‘Je kwaal is waarlijk van een gezegende soort, daar je er niet door lijdt en ze je aardig wat geld verschaft, zonder dat het je moeite of inspanning kost. Voor je eigen bestwil is het te hopen, dat je er nog lang mee belast mag zijn!’

Vanaf dat ogenblik besloot ik me ziek te blijven houden, aangezien ik er op de duur van overtuigd was geraakt, dat mijn innerlijk in werkelijkheid niet was aangetast. Ik dacht: ‘Nooit zullen je lessen zoveel kunnen opbrengen als je ziekte.’ Op mijn beurt ging ik er toen toe over om anderen datgene te doen geloven, wat met de waarheid in strijd was. Als de kwekeling me kwam opzoeken, zei ik elke keer: ‘Ik kom om van de honger, omdat mijn maag alle voedsel weigert!’ Dit was niet waar, want ik had nog nooit met zoveel smaak gegeten en ik was nog nooit zo gezond geweest. Nadat ik een tijd lang zo had geleefd, trad op zekere dag de kwekeling binnen toen ik juist aanstalten maakte om een ei te gaan eten. Zodra ik hem zag verschijnen, stopte ik in een eerste opwelling het hele ei in mijn mond, uit vrees dat hij de waarheid zou bevroeden en mijn dubbelhartigheid zou ontdekken. Het ei was echter gloeiend heet en veroorzaakte een onduldbare pijn. Ik geloof dat de slimme rakker wist wat er gebeurd was, want hij ging niet weg, maar hij bleef mij star aankijken en zei: ‘Ach onze meester, wat zijn uw wangen nu opgezwollen en welk een pijn moet u lijden! Dat is vast en zeker het gevolg van een gemeen ettergezwel!’ Door de kwelling rolden mijn ogen haast uit mijn hoofd en daar ik niet in staat was om te antwoorden, ging hij verder: ‘Snijd het toch door, snijd het toch door!’ Spoedig kwam hij op me af en wilde een lange naald dwars door mijn wangen steken. Toen sprong ik recht overeind op mijn benen, snelde naar de keuken en spuwde daar het ei uit, dat mijn wangen al ernstig had verbrand. Als gevolg van de brandwonden, ach emir van de gelovigen, ontstond er werkelijk een ettergezwel van zulk een omvang, dat ik de rode dood al voor me zag. Men liet de barbier komen en hij sneed me in de wangen om het gezwel weg te nemen, maar als gevolg daarvan zijn mijn lippen misvormd en is mijn mond ingevallen. Dit wat mijn gezicht betreft.

Wat mijn verminkte benen aangaat, het volgende! Toen ik de gevolgen van mijn brandwonden enigszins te boven was gekomen, ging ik naar school terug en ik behandelde mijn leerlingen strenger dan voordien, aangezien hun ondeugendheid bestraft diende te worden. Als het gedrag van de één of de ander ook maar iets te wensen overliet, trachtte ik met knuppelslagen verbetering te bereiken. Ook leerde ik hen, dat zij mij dienden te eerbiedigen. Als ik ging niezen, moesten ze onmiddellijk hun boeken en schriften loslaten, overeind springen en daarna met gekruiste armen tot op de grond voor mij neer buigen en in koor uitroepen: ‘De zegen, de zegen!’ Hierop antwoordde ik dan, zoals het behoort: ‘Over jullie genade! Over jullie genade!’ Ik leerde hen nog wel duizend andere dingen, de ene nuttiger dan de andere, maar alle even leerzaam. Het was namelijk mijn wens om het geld, dat de ouders aan hun opvoeding besteedden, naar beste weten uit te geven. Op die manier hoopte ik voortreffelijke mannen en eerbiedwaardige kooplieden van hen te maken.

Op zekere dag ging ik met hen uit wandelen en ik strekte die wandeling verder uit dan ik gewend was te doen. Uiteindelijk werden we allen zeer dorstig. Toevalligerwijze passeerden we een waterput en ik besloot er in af te dalen, mijn dorst te lessen met het koele water en daarvan eventueel ook nog een emmer vol voor de leerlingen op te halen.

Aangezien er geen touw bij de hand was, liet ik de tulbanden van de leerlingen aan elkaar knopen, bond me het ene uiteinde om het middel en gelastte hen me in de put te laten zakken. Zij gehoorzaamden onmiddellijk en zo kwam ik boven de opening van de put te hangen. Heel voorzichtig lieten zij me zakken, opdat ik mijn hoofd niet tegen de stenen zou stoten. Maar door de overgang van de hitte naar de koelte en van het licht naar de schemering, moest ik plotseling niezen. Ik kon het niet tegenhouden. Hetzij uit gewoonte, hetzij uit doortraptheid, lieten al mijn leerlingen ineens het touw los. Evenals op school kruisten ze hun armen voor de vorst en riepen in koor: ‘De zegen! De zegen!’ Bij deze gelegenheid kon ik hen echter niet antwoorden, want ik viel meteen naar beneden en kwam met een harde klap op de bodem van de put terecht. Er stond weinig water in de put en als gevolg verdronk ik niet, maar wel brak ik mijn beide benen en één van mijn schouders. Of mijn leerlingen nu de schrik van hun wandaad, dan wel van hun onbezonnenheid kregen, zou ik niet kunnen zeggen, maar ik weet wel dat zij wegvluchtten en hun benen overleverden aan de wind. Ik uitte echter zulke kreten van pijn, dat enkele voorbijgangers er op afkwamen en deze mensen haalden mij uit de put. Het bleek dat ik er zeer slecht aan toe was en daarom zetten zij mij op een ezel en brachten me naar huis, waar ik lange tijd bedlegerig bleef. Desondanks is een volledige genezing niet tot stand gekomen. Daarom is het me onmogelijk geworden om het beroep van schoolmeester uit te oefenen. Om deze reden, ach emir van de gelovigen, ben ik genoodzaakt om bedelend in het onderhoud van vrouw en kinderen te voorzien. Daarom heeft u mij op de brug van Bagdad zien zitten, waar u me op edelmoedige wijze hebt geholpen. Dit was mijn geschiedenis!

Toen de schoolmeester met de verminkte benen en de hazenlip zo de oorzaak van zijn ongeluk en gebrek had verhaald, liet Masroer, de zwaarddrager, hem weer plaatsnemen in de rij. De blinde die zich op de brug een oorvijg had laten geven, kwam daarop tastend naar voren, begaf zich tussen de handen van de kalief en begon, nadat hem daartoe bevel was gegeven, datgene te vertellen wat hij te vertellen had, zeggende:

 

Geschiedenis van de blinde die om een oorvijg vroeg

 

Weet dan, ach emir van de gelovigen, dat ik in mijn jonge jaren een kameeldrijver was. Als gevolg van mijn arbeid en van mijn doorzettingsvermogen kwam ik uiteindelijk in het bezit van tachtig kamelen, die alle mijn eigendom waren. Ik verhuurde ze voor de karavaanhandel tussen de landen en voor het maken van bedevaarten, wat grote winsten opleverde en jaar na jaar mijn kapitaal en mijn rente deed toenemen. Van dag tot dag nam echter mijn verlangen om steeds rijker te worden nog toe en mijn gedachten waren er voortdurend op gespitst hoe ik de rijkste kameeldrijver in Irak zou kunnen worden.

Op zekere dag was ik met mijn tachtig kamelen naar Basra geweest, om er koopwaar voor Indië heen te brengen. Toen dat gebeurd was, voerde ik ze zonder lading weer terug. Bij een waterbekken gekomen, liet ik halt houden, om mijn kamelen te laten drinken en ze in de omgeving te laten grazen en daar zag ik een derwisj op mij af komen. Deze derwisj sprak me hartelijk aan en na de wederzijdse begroetingen zette hij zich naast mij neer. Wij deelden onze proviand en zoals dat in de woestijn te doen gebruikelijk is, nuttigden wij gezamenlijk de maaltijd. Hierna onderhielden we elkaar over het één en het ander en informeerden naar elkaars bestemming en naar het doel van de reis. Hij vertelde me op weg te zijn naar Basra en ik zei dat Bagdad mijn bestemming was. Aangezien er een zekere vertrouwelijkheid ontstond, praatte ik over mijn zaken en over mijn winsten, zowel als over mijn verlangens ten aanzien van rijkdom en weelde.

De derwisj liet me rustig praten, keek me uiteindelijk glimlachend aan en zei: ‘Ach mijn meester Baba-Abdollah, wat doe je toch een moeite voor zo’n luttel resultaat, want als het lot het zo beschikt, kun je na de volgende bocht in je weg niet alleen al de rijkste kamelendrijver van Irak zijn, maar zelfs machtiger dan alle koningen op aarde samen.’ Hieraan voegde hij nog toe: ‘Ach mijn meester Baba-Abdollah, heb je al eens horen spreken van verborgen schatten en ondergrondse rijkdommen?’ Ik antwoordde: ‘Ik heb zelfs vaak horen spreken over verborgen schatten en onderaardse rijkdommen, ach derwisj. Wij weten allen, dat een ieder van ons op zekere dag kan ontwaken en rijker kan zijn dan alle koningen, indien het lot dat zo beschikt. Iedere landarbeider is er bij het bewerken van zijn grond op bedacht, dat hij wel eens op een vastgemetselde sluitsteen van de één of andere wonderbaarlijke schat zou kunnen stuiten en iedere visser weet bij het uitwerpen van zijn netten, dat eens de dag kan komen, waarop hij de parel of de zee-edelsteen zal ophalen, die hem tot de grootst denkbare rijkdom zal brengen. In dat opzicht ben ik geheel en al op de hoogte, ach derwisj en verder ben ik ervan overtuigd, dat de leden van jouw orde alle mogelijke geheimen en macht bezittende woorden kennen!’

De derwisj had met zijn stok in het zand zitten duwen, maar hij wendde zich nu opnieuw tot mij en hij zei: ‘Ach meester Baba-Abdollah, je hebt het vandaag wel getroffen door mij te ontmoeten, want ik geloof dat die bocht in de weg, waarover ik zo net heb gesproken, niet ver van hier verwijderd is.’ Hierop antwoordde ik: ‘Bij God! Ach derwisj, ik zal vol moed mijn lot tegemoet gaan en wat het me ook zal mogen brengen zal ik met een dankbaar hart aanvaarden!’ Toen zei hij: ‘Sta op dan, ach arme en volg mij.’

Hij stond op en liep voor mij uit. Ik volgde hem en dacht: ‘De dag van mijn lotsbeschikking, waarnaar ik al zo lang heb uitgekeken, blijkt nu toch aangebroken te zijn!’

Na een uur kwamen wij bij een uitgestrekt dal, echter de ingang daartoe was zo nauw, dat mijn kamelen er nauwelijks één voor één doorheen konden. Al spoedig verbreedde die doorgang zich echter tot een vlakte, die aan de voet van een volkomen onbegaanbare berg was gelegen. Van die kant zou er nooit een menselijk wezen bij ons kunnen komen. De derwisj zei tegen me: ‘Nu hebben we de plaats bereikt, die wij bereiken moesten. Verzamel je kamelen en laat ze neerhurken, opdat het ons geen moeite zal kosten om ze te beladen met datgene dat je te zien zult krijgen, als daartoe de tijd is aangebroken.’ Ik gaf onmiddellijk gevolg aan zijn woorden en zette me ertoe om de kamelen te doen hurken op de brede vlakte, die zich aan de voet van de berg uitstrekte.

Hierna voegde ik me weer bij de derwisj, die met een vuursteen bezig was om de brand in een stapel hout te steken. Zodra de vlammen oplaaiden, strooide hij een handvol wierook over het hout en mompelde een aantal woorden, waarvan de betekenis mij voor één keer ontging. Meteen steeg er een rookkolom omhoog, die de derwisj met zijn stok in tweeën deelde. De rots waarvoor we ons ophielden, splitste zich op hetzelfde ogenblik in tweeën en op de plaats waar zich even tevoren nog een gladde en loodrechte muur bevond, verscheen nu een brede opening. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 875e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Binnen in de berg lagen grote hopen geldstukken en edelstenen verspreid, zoals de zouthopen die men kan waarnemen aan de oever van de zee. Bij de aanblik van al die schatten wierp ik me met de snelheid van een valk, die op een duif neerduikt, op de eerste de beste hoop goud en begon daarmee een zak te vullen, welke ik al bij de hand had gehouden. Toen de derwisj dit zag, begon hij te lachen en zei: ‘Ach arme, dit werk is niet bepaald lonend! Als je al je zakken met goudstukken gaat vullen, zal de last zo zwaar worden dat de kamelen hem niet kunnen dragen. Je kunt beter die edelstenen nemen, die daar verderop liggen en waarvan er één meer waard is dan het grootste stuk goud, terwijl ze tien keer lichter zijn dan een klein stukje van dat metaal.’ Hierop antwoordde ik hem: ‘Daar is niets op tegen, ach derwisj!’ Ik zag namelijk zeer wel in, hoe terecht zijn opmerking was. De ene zak na de andere vulde ik nu met edelstenen en ik laadde ze twee aan twee op mijn kamelen. Op die manier belaadde ik mijn tachtig kamelen en de derwisj die mij glimlachend had gadegeslagen, zonder zich van zijn plaats te bewegen, stond toen op en zei: ‘Nu rest ons niets meer te doen dan de schat weer af te sluiten en weg te gaan.’ Na deze woorden ging hij de berg binnen en ik zag dat hij zich naar een gesmeed gouden vat begaf, dat op een voetstuk van sandelhout stond. Ik zei tot mezelf: ‘Bij God! Waarom heb ik maar tachtig kamelen en geen tachtigduizend. Wat zou ik in dat geval wel niet aan edelstenen en geld en smeedwerk kunnen opladen!’

De derwisj ging dus naar dat kostbare vat en ik zag hem het deksel oplichten. Hij nam er een klein gouden potje uit en dat verborg hij op zijn borst. Toen hij gewaar werd, dat ik hem met een vragende blik gadesloeg, merkte hij op: ‘Dit is eigenlijk de moeite niet. Een beetje zalf voor de ogen!’ Meer zei hij niet. Door nieuwsgierigheid gedreven, wilde ik op mijn beurt ook wat van die zalf gaan halen, maar hij hield me tegen, zeggende: ‘Voor vandaag is het nu genoeg, het wordt tijd om te vertrekken.’ Hij duwde me naar de uitgang en sprak enkele woorden die ik niet verstond. Dadelijk daarop sloten de beide delen van de rots zich weer aaneen en op de plaats waar zich eerst de opening bevond, ontstond een muur, zo glad alsof hij uit de berg was gehouwen.

De derwisj wendde zich tot mij en zei: ‘Ach Baba-Abdollah, nu gaan we het dal weer uit. Als we op de plek zijn aangekomen waar we elkaar hebben ontmoet, zullen we op vriendschappelijke voet onze buit in twee gelijke delen verdelen.’

Hierop liet ik mijn kamelen overeind komen. In goede orde trokken wij door de bergengte, waardoor we het dal hadden bereikt en vervolgens togen we naar de karavaanroute, naar de plaats waar we van elkaar zouden scheiden om ieder zijns weegs te gaan: ik naar Bagdad en de derwisj naar Basra. Terwijl we naar die plek toeliepen, dacht ik na over de voorgestelde verdeling en ik zei tot mezelf: ‘Bij God! Die derwisj vraagt veel te veel voor wat hij heeft verricht. Weliswaar heeft hij me de schat geopenbaard en me er toegang tot verschaft, dank zij zijn toverkennis, maar deze wordt afgekeurd door het Heilige boek! Wat had hij kunnen beginnen zonder mijn kamelen? Hoogstwaarschijnlijk zou zijn plan ook niet zijn gelukt buiten mijn aanwezigheid, aangezien de schat immers in mijn naam, als mijn kans, in mijn lot moet zijn beschreven. Als ik hem veertig kamelen afsta, alle beladen met edelstenen die ik met moeite in zakken heb gedaan, terwijl hij glimlachend zat uit te rusten, als ik dat doe, geloof ik werkelijk tekort te zullen schieten ten aanzien van wat mij nu is overkomen. Bovendien ben ik de eigenaar van de kamelen. Bij de verdeling moet ik er dus op toezien, dat hij zijn zin niet doordrijft. Maar ik zal hem wel tot rede weten te brengen.’

Zodra de verdeling een aanvang zou nemen, zei ik dan ook tegen de derwisj: ‘Ach heilige man, aangezien jij je door de bepalingen van je orde al heel weinig dient te bekommeren om het aardse slijk, is bij mij de vraag gerezen, wat je van plan bent te doen met die veertig kamelen en hun last, die je eigenlijk ten onrechte opeist als vergoeding voor je aanwijzingen.’ Zoals ik had verwacht, toonde de derwisj zich niet geërgerd. Hij werd niet kwaad, maar antwoordde met een kalme stem: ‘Baba-Abdollah, het is waar dat een man zoals ik zich niet om het aardse slijk dient te bekommeren. Het deel dat ik na een gelijke verdeling opeis, is echter niet voor mezelf bedoeld, maar het is bestemd om te worden uitgedeeld aan alle armen en onterfden op aarde. Als je over onrecht wilt spreken, denk er dan aan, ach Baba-Abdollah, dat je met een honderdste gedeelte van wat ik je heb gegeven, al de rijkste inwoner van Bagdad zou zijn. Bedenk bovendien, dat ik niet genoodzaakt was om met jou over die schat te praten en dat ik het geheim best voor mezelf had kunnen houden. Wees dus wat minder begerig, stel je tevreden met dat wat God je gegeven heeft en probeer nu niet op onze afspraak terug te komen!’

Ondanks dat ik wel wist, dat ik niet in mijn recht stond en dat mijn aanspraken verre van fraai waren, gaf ik een nieuwe draai aan mijn betoog en antwoordde: ‘Ach derwisj, je hebt me ervan overtuigd, dat ik ongelijk had. Maar sta mij toe, je eraan te herinneren dat je weliswaar een waardige derwisj bent, maar dat je het vak van kamelendrijver niet verstaat en alleen bij machte bent om de Allerhoogste te dienen. Vergeet dus niet in welke moeilijkheden je zult raken, indien je een groot aantal kamelen wenst te drijven, die gewend zijn om gevolg te geven aan de stem van hun meester. Geloof me en neem er zo weinig mogelijk. Later kun je toch altijd weer naar de schat terugkeren en de kamelen opnieuw met edelstenen beladen. Je hebt immers toegang tot de grot die je naar wens kunt openen en sluiten. Luister naar mijn raad en bezwaar je ziel niet met zorgen en ongemakken, waarvan zij geen weet heeft.’ De derwisj scheen niet tot weigering in staat te zijn, want hij antwoordde: ‘Ik geef toe, ach Baba-Abdollah, dat ik de zaak niet heb gezien zoals jij me haar zojuist hebt voorgesteld en nu maakt het me werkelijk ongerust om met al die kamelen mijn reis te moeten voortzetten. Kies dus uit de veertig kamelen die mij toekomen, een twintigtal, en laat aan mij de twintig overgeblevenen. Vervolg daarna je weg onder Gods hoede!’

Het verbaasde me zeer, dat de derwisj zich zo gemakkelijk liet overhalen, maar ik haastte me om de veertig kamelen van mijn eigen deel uit te kiezen, waarna ik er nog eens twintig uitzocht, zoals de derwisj mij had toegestaan. Nadat ik hem bedankt had voor zijn goede diensten nam ik afscheid en begaf me op weg naar Bagdad, terwijl hij zijn twintig kamelen in de richting van Basra dreef.

Ik had nog maar nauwelijks enkele stappen op de weg naar Bagdad gezet, toen de Satan begeerte en ondankbaarheid in mijn hart blies. Niet alleen betreurde ik het verlies van mijn twintig kamelen, maar meer nog de rijkdom die ze op hun rug torsten. Ik zei tegen mezelf: ‘Waarom ontneemt die vervloekte derwisj mij mijn twintig kamelen, daar hij toch heer en meester is van die schat en er net zoveel rijkdommen uit kan halen als hij maar wil?’ Op slag liet ik mijn kamelen stilstaan, holde de derwisj achterna, riep zo luid als ik maar kon en beduidde hem halt te houden en op mij te wachten. Hij hoorde me roepen en bleef wachten. Toen ik bij hem was gekomen, zei ik: ‘Ach broeder derwisj, ik kan je toch niet laten gaan, omdat ik me bezorgd over je maakte. Voordat we voorgoed van elkaar scheiden, zou ik je toch nog eens willen voorstellen om te overwegen hoe moeilijk het is een twintigtal kamelen te drijven, vooral voor een man als jij, ach vriend derwisj, die het vak niet verstaat en dit werk niet gewend is. Geloof me, voor mij is het net zo eenvoudig of ik nu voor één of voor honderd kamelen heb te zorgen en daarom zou ik zeggen, sta er nog tien aan mij af, zodat jij je dan met de overblijvende tien veel beter op je gemak zult voelen als nu!’ Mijn woorden brachten de gewenste uitwerking teweeg, want zonder enige tegenstand stond de derwisj mij de gevraagde tien kamelen af, waardoor hij er zelf nog tien overhield en ik de eigenaar werd van zeventig kamelen, evenals hun last, die in waarde de rijkdommen overschreed van alle koningen op de aarde samen.

Na al het voorgevallene had ik reden te over om tevreden te zijn, ach emir van de gelovigen. Maar ik was het toch niet! Ik bleef nog even onvoldaan als voordien, zo het al niet erger was, want mijn begeerte groeide naarmate ik meer ontving. Om de derwisj ertoe te brengen om de kroon op zijn edelmoedigheid te plaatsen en mij ook de laatste tien kamelen af te staan, herhaalde ik met verdubbelde ijver mijn argumenten, mijn smeekbeden en mijn onbescheiden vragen. Ik omhelsde hem, kuste hem uit eerbied de handen en wist het zover te brengen, dat hij de kracht niet meer bezat om mij die kamelen te weigeren en dat hij ze aan mij overdroeg, waarbij hij zei: ‘Ach broeder Baba-Abdollah, maak een goed gebruik van de rijkdommen, die de Schenker je heeft gegeven en gedenk de derwisj, die je op het keerpunt van je lot hebt ontmoet.’…”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 876e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Men mocht nu menen dat ik in de wolken was, ach heer, aangezien ik eigenaar was geworden van de gehele lading edelstenen, maar desondanks dreef de begerigheid van mijn ogen mij ertoe om nog iets anders te vragen. Als gevolg daarvan verloor ik ze. Het kwam namelijk bij me op, dat het gouden potje met zalf, dat de derwisj voor het verlaten van de grot uit dat kostbare vat had gehaald, evenals de kamelen en de edelstenen aan mij toekwam. Ik zei bij mezelf: ‘Wie weet, hoe kostelijk de hoedanigheden van die zalf zijn! Het is mijn goed recht dat potje ook op te eisen, daar de derwisj er zich in de grot zoveel kan verschaffen als hij maar wil.’ Ik besloot dan ook hem hierover aan te spreken. Toen hij mij tot afscheid had omhelsd, zei ik: ‘God over jou, vriend derwisj, maar wat ben je van plan te gaan doen met dat potje, dat je op je borst hebt verborgen? Een derwisj geeft gewoonlijk toch niets om zalf, noch om de geur daarvan, noch om wat daarmee verband zou kunnen houden. Geef mij dus liever dat potje, opdat ik het met alle andere zaken kan meenemen en het ter herinnering aan jou kan bewaren!’

Ditmaal verwachtte ik, dat de derwisj zich door mijn aandringen geprikkeld zou tonen en dat hij mij het potje eenvoudig zou weigeren. Maar aangezien ik veel sterker was dan hij, besloot ik het hem desnoods met geweld te ontnemen, waarbij ik er niet tegenop zag om hem ter plaatse, daar midden in de woestijn te doden indien hij weerstand mocht bieden. Tegen alle verwachtingen in, haalde hij het echter tevoorschijn, glimlachte goedig, reikte het mij toe met een sierlijk gebaar en zei: ‘Hier heb je het potje, ach broeder Baba-Abdollah en ik hoop dat nu ook je laatste wens in vervulling is gegaan! Als je echter meent, dat ik nog meer voor je zou kunnen doen, laat het me dan weten, daar ik bereid ben om je in elk opzicht tevreden te stellen.’

Zodra ik het potje in handen had, maakte ik het open, bekeek de inhoud en ik zei vervolgens tot de derwisj: ‘God over jou, mijn broeder de derwisj. Zet de kroon op je goedgunstigheid en vertel me nu welke hoedanigheden deze, mij onbekende zalf bezit en ook hoe ze moet worden gebruikt.’ De derwisj antwoordde hierop: ‘Hartelijk.’ Daarna ging hij verder: ‘Ik kan je zeggen, dat deze zalf is bereid door de vingers van een onderaardse djinn en dat deze haar een wonderbaarlijke uitwerking heeft toebedeeld. Als men er een beetje van op het linkeroog en op het linkerooglid aanbrengt, wordt men daardoor in staat gesteld om waar te nemen waar alle verborgen schatten ter aarde zich bevinden. Brengt men die zalf per ongeluk echter op het rechteroog, dan wordt men onmiddellijk blind aan beide ogen tegelijk. Ik heb je nu verteld hoe die zalf gebruikt moet worden en welke eigenschappen zij bezit, ach broeder Baba-Abdollah! Vrede zij met u!’

Na deze woorden wilde hij wederom afscheid van mij nemen. Maar ik pakte hem bij één van zijn mouwen en zei: ‘Bij je leven! Bewijs me nu nog een laatste dienst en wrijf die zalf uit op mijn linkeroog, daar je dit beter zult kunnen doen dan ik, want ik popel van ongeduld om te ervaren wat de uitwerking van mijn pas verworven zalf teweeg zal brengen.’ De derwisj liet zich niet lang smeken en even liefderijk en rustig als voordien, nam hij een likje zalf op zijn vingertop en wreef dit uit op mijn linkeroog en op het ooglid, waarna hij zei: ‘Open nu dat linkeroog en sluit het andere!’

Ik opende het ingewreven linkeroog, ach emir van de gelovigen, en sloot het andere. Onmiddellijk verdwenen alle zichtbare verschijnselen uit mijn gezichtsveld, om plaats te maken voor opeengestapelde onderaardse grotten, zowel als zeegrotten, stronken en reusachtige, onder aan de voet uitgeholde bomen, holen die in rotsen waren uitgehouwen, en alle mogelijke andere bergplaatsen. Zij waren allemaal gevuld met schatten van allerlei kleur en vorm, bestaande uit juwelen, bewerkt goud, bijouterieën, kleinodiën en zuiver zilverwerk. Ik zag metalen in de mijnen: maagdelijk zilver, ongezuiverd goud, ganggesteenten en de kostbare metaaladers, waarvan de aarde zwanger is. Ik bleef maar kijken en mij verbazen, totdat ik voelde dat het gesloten rechteroog moe werd en geopend wenste te worden. Zodra ik dit had gedaan, namen alle voorwerpen in het landschap uit eigen beweging hun gewone plaats weer in en verdwenen de verschijnselen, die door de uitwerking van de toverzalf tevoorschijn waren gebracht.

Op voorgaande wijze had ik mij ervan kunnen overtuigen, dat de mededeling over het aanbrengen van de zalf op het linkeroog naar waarheid was geschied, maar ik twijfelde aan wat mij met betrekking tot het rechteroog was verteld. Ik zei tegen mezelf: ‘Die derwisj is vast en zeker een sluw en onoprecht personage, dat zich tot dusver alleen maar zo meegaand heeft gedragen, om me per slot van rekening danig te kunnen bedotten. Het is niet mogelijk, dat dezelfde zalf twee volkomen verschillende uitwerkingen zal hebben, indien ze onder dezelfde omstandigheden alleen maar op een andere plek wordt uitgewreven.’ Daardoor wendde ik me weer tot de derwisj en zei lachend: ‘Ach, bij God! Ach vader van de sluwheid, ik geloof dat je de draak met me hebt willen steken! Volgens mij is het namelijk onmogelijk, dat dezelfde zalf twee volkomen verschillende uitwerkingen teweeg kan brengen. Daar je het bij jezelf niet geprobeerd hebt, ben ik van mening dat die zalf de eigenschap bezit om bij het uitsmeren op mijn rechteroog de schatten in mijn bezit te brengen, die door mijn linkeroog zijn waargenomen. Hoe lijkt je dat! Zeg het maar ronduit! Of je me gelijk geeft of niet, ik wil op mijn rechteroog de uitwerking van die zalf beproeven, om niet langer in onzekerheid te blijven verkeren. Ik verzoek je dan ook om er iets van op mijn rechteroog uit te smeren en liefst meteen, daar ik voor zonsondergang mijn weg wil vervolgen.’

Voor de eerste maal sinds onze ontmoeting maakte de derwisj een gebaar van ongeduld en hij zei: ‘Baba-Abdollah, je vraag is onverstandig en zal je schade berokkenen. Steeds heb ik het goede met je voor gehad en daarom kan ik er nu niet toe besluiten om je kwaad te doen. Verplicht me er door je hardnekkigheid dus niet toe om je te gehoorzamen en zodoende iets te ondernemen, waarvan jij je leven lang berouw zult hebben!’ Hieraan voegde hij nog toe: ‘Laten we als broeders van elkaar scheiden en ieder zijns weegs gaan!’ Ik liet hem echter niet los, ach mijn heer, en kwam meer en meer tot de overtuiging, dat al zijn bezwaren er slechts op gericht waren om mij de schatten te onthouden, die ik met mijn linkeroog had waargenomen. Dus zei ik tegen hem: ‘Bij God! Ach derwisj, als je voorkomen wilt dat ik om zulk een nietige zaak met een onbevredigd hart van je scheid en dat ondanks het vele dat je me hebt geschonken, wrijf dan wat van die zalf op mijn rechteroog, daar ik dat zelf niet zo goed kan doen. Overigens zal ik je alleen maar op deze voorwaarde laten gaan.’

Na het vernemen van deze woorden verbleekte de derwisj. Op zijn gezicht verscheen een harde trek, die ik daarop niet eerder had gezien, en hij sprak: ‘Je zult je door eigen toedoen met blindheid slaan.’ Vervolgens nam hij een weinig van die zalf en wreef dat uit op mijn rechteroog en op mijn rechterooglid. Toen dit geschied was, zag ik met mijn beide ogen slechts duisternis, ach emir van de gelovigen. Ik was geworden zoals u me hier nu aanschouwt, blind aan beide ogen.

Toen ik deze verschrikkelijke toestand gewaar werd, kwam ik plotseling tot inkeer en beide armen naar de derwisj uitstrekkende, riep ik uit: ‘Ach mijn broeder, verlos mij van mijn blindheid!’ Een antwoord volgde echter niet. De derwisj bleef doof voor mijn smeekbeden en mijn jammerkreten. Ik hoorde hoe hij de kamelen in beweging bracht en hoe hij zich verwijderde, met medeneming van alles wat eens mijn lot en toekomst had uitgemaakt.

Hierna liet ik mij ter aarde vallen en lange tijd bleef ik in volslagen onmacht liggen. Ik zou op die plek van smart en verwarring zijn gestorven, als ik niet de volgende dag was opgenomen door een karavaan die van Basra terugkeerde en die mij naar Bagdad bracht. Sindsdien heb ik al bedelende de paden van de mildheid gezocht, nadat ik de rijkdom en macht verloren had zien gaan die binnen het bereik van mijn handen was. In mijn hart ontstond echter berouw over mijn hebzucht en over het misbruik van de milde handelingen van de Schenkers, waarom ik me als straf oplegde om voor elke aalmoes tevens een oorvijg te vragen.

Dit was mijn geschiedenis, ach emir van de gelovigen. Ik heb haar verteld, zonder ook maar iets van mijn goddeloosheid en van mijn lage aandriften te verbergen. Verder ben ik bereid om van een ieder van de eerbiedwaardige aanwezigen een oorvijg in ontvangst te nemen, al acht ik zulk een kastijding voor één keer onvoldoende. Maar God, Hij is barmhartig tot in het oneindige!’

Toen de kalief de geschiedenis van de blinde had vernomen, zei hij tot hem: ‘Ach Baba-Abdollah, je misdaad is ongetwijfeld een ernstig vergrijp en de begeerte van je ogen een onvergeeflijke begeerte. Maar ik geloof, dat door je berouw en door je verootmoediging tegenover de Barmhartige, vergeving toch al is geschonken. Om je niet ten onder te zien gaan aan die openbare afstraffing, die jij jezelf hebt opgelegd, wens ik dat van nu af aan je levensbehoeften door mijn schatkist gedekt zullen worden. De minister zal je dagelijks tien drachmen uit mijn bezit betalen. Verder sta God je bij met Zijn barmhartigheid!’ Vervolgens gaf hij opdracht om eenzelfde bedrag uit te keren aan de schoolmeester met de verminkte benen en de hazenlip. De jonge meester van de witte merrie, sjeik Hasan, en de ruiter die door Indische en Chinese melodieën werd begeleid, hield hij echter bij zich, om hen overeenkomstig hun rang, met alle luister die zij gewend waren, te bejegenen.

Meen echter niet, ach gelukkige Koning, vervolgde Sjahrzad, dat deze verhalen van verre en nabij, te vergelijken zijn met de geschiedenis van ‘Prinses Zoleika!’ Aangezien koning Sjahriar die geschiedenis niet kende, begon zij als volgt:

 

De geschiedenis van prinses Zoleika

 

Mij valt te binnen, ach Koning van de tijden, dat te Damascus op de troon van de kaliefen een koning uit de Omawiden gezeten was, die als minister een man bezat, begaafd met wijsheid, kennis en welsprekendheid, die, nadat hij de boeken van de ouden en de annalen en werken van de dichters gelezen had, onthield wat hij geleerd had en die, wanneer het nodig was, zijn meester de geschiedenissen wist te vertellen die het leven veraangenamen en de tijd genoeglijk maken.

Welnu, op zekere dag onder de dagen, toen hij bemerkte dat de koning, zijn meester, enigszins ontstemd was, besloot hij hem wat te verstrooien en zei hij tegen hem: ‘Ach mijn heer, u hebt mij menigmaal ondervraagd over de gebeurtenissen van mijn leven en over wat mij overkomen is voordat ik uw slaaf werd en de minister van uw macht. Tot op heden heb ik mij daar altijd aan onttrokken uit vrees opdringerig of zelfgenoegzaam te schijnen. Ik heb er de voorkeur aan gegeven u te vertellen wat anderen dan mijzelf is overkomen. Maar hoewel de wellevendheid ons verbiedt het over ons zelf te hebben, wil ik u vandaag toch spreken over het zonderlinge avontuur dat geheel mijn leven gekenmerkt heeft en waaraan ik het te danken heb dat ik tot de drempel van uw grootheid ben gekomen.’ Daar hij zag dat zijn meester al vol aandacht was, vertelde hij zijn geschiedenis met de volgende bewoordingen:

‘Ik ben, ach mijn heer en kroon op mijn hoofd, geboren in de gelukzalige stad Damascus, uit een vader die Abdollah heette, en die één van de aanzienlijkste kooplieden uit heel het land van Sjam was. Niets werd bij mijn opvoeding gespaard want ik kreeg lessen van de bekwaamste meesters in de godgeleerdheid, de jurisprudentie, de algebra, de poëzie, de sterrenkunde, de kalligrafie, de rekenkunde en de tradities van ons geloof. Zij hebben mij eveneens alle talen geleerd die binnen het domein van uw soevereiniteit, van de ene zee tot de andere zee gesproken worden, opdat wanneer ik uit reislust eenmaal door de wereld zou zwerven dit mij in de landen van de mensen van dienst zou kunnen zijn. Zo heb ik behalve al de dialecten van onze taal ook de taal van de Perzen, van de Grieken, van de Tartaren, van de Koerden, van de Indiërs en van de Chinezen leren spreken. Mijn meesters wisten mij dit zodanig bij te brengen dat ik alles onthield wat ik leerde, zodat men mij tot voorbeeld stelde voor de onwillige scholieren. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 877e Nacht was aangebroken, stond de kleine Donyazad van het tapijt op waarop ze gehurkt zat, omhelsde haar zus en zei haar: “Ach Sjahrzad, ik smeek je, haast je ons de geschiedenis te vertellen die je begonnen bent en die over Prinses Zoleika gaat.”

 

Sjahrzad zei: “Hartelijk en als verschuldigd huldeblijk aan deze met goede manieren begaafde koning.” En ze sprak: “De minister van de koning van Damascus ging zo voort met de geschiedenis die hij zijn meester vertelde: ‘Toen ik, ach mijn heer, dankzij de lessen van mijn meesters al de wetenschappen van mijn tijd geleerd had evenals de dialecten van onze taal en de spraak van de Perzen, van de Grieken, van de Tartaren, van de Koerden, van de Indiërs en van de Chinezen en ik dankzij de voortreffelijke methode van mijn meesters alles onthouden had wat ik geleerd had, zag mijn vader vol gerustheid over mijn lot, zonder bitterheid voor hem het ogenblik naderen dat staat geschreven als eindpaal des levens voor ieder schepsel. Alvorens te overlijden in de barmhartigheid van zijn Heer, riep hij mij bij zich en zei: ‘Ach mijn zoon, zie hoe de Scheidster de draad van mijn leven gaat afsnijden en je zonder leidend hoofd gaat achterblijven op de zee van de gebeurtenissen. Maar terwijl ik je alleen achterlaat troost ik mij met de gedachte dat je dank zij de opvoeding die je hebt ontvangen de nadering van een gunstig lot zult weten te verhaasten. Toch, ach mijn kind, kan niemand onder de zonen van Adam weten wat het lot voor hem heeft weggelegd en geen maatregel is afdoende om de bestemmingen van het Boek van het Noodlot te wijzigen. Wanneer dus, ach mijn zoon, een dag mocht komen waarop de tijd zich tegen je keert en je leven zwart maakt, hoef je slechts naar de tuin van dit huis te gaan en je daar op te hangen aan de dikste tak van de oude boom die je kent. Dat zal je bevrijden!’

Na deze vreemde woorden te hebben uitgesproken, stierf mijn vader in de vrede des Heren, zonder de tijd gehad te hebben mij er nog meer over te zeggen of terug te komen van een dergelijke raad. Ik liet niet na gedurende al de tijd van de begrafenisplechtigheden en de dagen van rouw, na te denken over die zonderlinge woorden uit de mond van de wijze en Godvrezende man, die mijn vader gedurende heel zijn leven geweest was. Onophoudelijk vroeg ik mij af: ‘Hoe is het mogelijk dat mijn vader mij tegen de voorschriften van het Heilige Boek heeft aangeraden door ophanging een einde aan mijn leven te maken in geval van tegenspoed, liever dan mij toe te vertrouwen aan de hoede van de Meester van de schepselen? Dat is iets dat elk begrip te boven gaat.’

Daarna werd geleidelijk de herinnering aan deze woorden in mij uitgewist en daar ik van plezier en verkwisting hield liet ik niet na mij aan al mijn neigingen over te geven, zodra ik mij aan het hoofd gesteld zag van het grote erfdeel dat mijn portie was. Ik leefde verscheidene jaren aan de boezem van waanzin en overdaad zodat ik uiteindelijk heel mijn erfenis opat en op zekere dag zo naakt ontwaakte als bij het verlaten van het lichaam van mijn moeder. Op mijn vingers bijtend zei ik tegen mezelf: ‘Ach Hasan, zoon van Abdollah, daar zit je nu in ellende gedompeld door je eigen schuld en niet door het verraad van de tijd. Als enig bezit blijft je niets meer over dan dit huis met deze tuin. Je zult genoodzaakt zijn ze te verkopen om nog een poos in leven te blijven. Daarna zul je tot de bedelstaf gebracht zijn, want je vrienden zullen je verlaten en niemand zal krediet geven aan een man, die met eigen hand zijn huis verwoest heeft!’

Toen herinnerde ik mij de laatste woorden van mijn vader, die ik ditmaal verstandig vond, en ik zei bij mezelf: ‘Zeker, het is beter door ophanging te sterven dan langs de wegen om een aalmoes te vragen!’

Terwijl ik zo dacht, nam ik een dik stuk touw en begaf mij in de tuin. Vastbesloten mij op te hangen ging ik naar de boom in kwestie toe en zocht de dikste tak op. Toen ik deze bereikt had door twee dikke stenen aan de voet van de oude boom op te stapelen, bond ik het ene einde van het touw eraan vast. Met het andere einde maakte ik een strik die ik om mijn hals legde en terwijl ik God vergiffenis vroeg voor mijn daad sprong ik van de twee stenen af, de lucht in. Ik zwaaide al, gewurgd en wel, toen de tak onder mijn gewicht meegaf, afbrak en van de stam losliet. Ik viel ermee op de grond, voordat het leven mijn lichaam verlaten had.

Toen ik bijgekomen was van het soort bezwijming waarin ik eerst verkeerde en begrepen had dat ik niet dood was, voelde ik me erg beschaamd dat ik zoveel wilskracht had opgebracht om uiteindelijk zulk een mislukking te ondergaan. Ik stond op om mijn misdadige opzet te herhalen, toen ik een keisteen uit de boom zag vallen. Ik bemerkte dat die keisteen in de zon brandde als een gloeiende kool en ontdekte tot mijn grote verbazing dat daar waar ik neergevallen was, de grond bedekt was met schitterende keien en dat er nog meer uit de boom vielen, precies vanuit de plaats waar de tak was losgescheurd. Ik klom weer op de twee grote stenen en bekeek de breuk van dichterbij. Ik zag dat er op die plek geen hout was, maar een holte en dat alle stenen die uit die holte rolden diamanten, smaragden en andere edelstenen van iedere kleur waren.

Bij het zien hiervan, ach mijn heer, begreep ik de werkelijke betekenis van mijn vaders woorden en ik herinnerde mij hen in hun echte waarde. Intussen herdacht ik mijn vader die mij niet had aangeraden mij te verhangen, maar mij eenvoudigweg de raad gegeven had aan de dikste tak van de boom te gaan hangen. Hij wist van tevoren dat ze zou meegeven onder mijn gewicht en de schat toegankelijk maakte die hij daar zelf voor mij in de uitgeholde stam van de oude boom verstopt had, in het vooruitzicht van slechte tijden.

Met een van vreugde uitbundig hart ging ik in huis een bijl zoeken en ik vergrootte de breuk. Ik ontdekte dat heel de ontzaggelijke stam van de oude boom hol was en dat deze tot op de grond toe gevuld was met diamanten, turkooizen, parelen, smaragden en alle soorten van juwelen uit de aarde en de zee.

Nadat ik toen God geprezen had voor zijn weldaden en in mijn hart de nagedachtenis gezegend had van mijn vader van wie de wijsheid mijn dwaasheden had voorzien en dit onverhoopte geluk voor mij had weggelegd, verachtte ik voortaan mijn oude leventje en mijn slemperige en verkwistende gewoonten. Ik besloot een man van matiging en overleg te worden. Om te beginnen wilde ik volstrekt niet langer leven in een stad die de getuige geweest was van mijn buitenissigheden en ik besloot naar het koninkrijk van Perzië te gaan waarheen ik onweerstaanbaar werd aangetrokken door de beroemde stad Sjiraz waarover ik vaak mijn vader had horen spreken als over een stad waarin alle fraaiigheden van de geest en alle zoetheden van het leven verzameld waren. Ik zei bij mijzelf: ‘Ach Hasan, in die stad Sjiraz moet je je vestigen als koopman in edelstenen en je zult er met de heerlijkste mensen ter wereld kennis maken. Daar je Perzisch kunt spreken, zal het je niet de minste moeite kosten.’ Ik deed onmiddellijk wat ik besloten had te doen en God schreef me een veilige tocht voor zodat ik na een lange reis zonder hindernis in de stad Sjiraz aankwam, waar toen de grote koning Saboer-sjah regeerde. Ik steeg af bij de beste herberg van de stad, waar ik een mooie kamer huurde. Zonder mezelf de tijd te gunnen wat uit te rusten, verwisselde ik mijn reiskleding met nieuwe en zeer schone gewaden en ging ik wandelen door de straten en markten van die prachtige stad. Juist toen ik uit de grote moskee van porselein, van wie de schoonheid mijn hart geroerd had en mij in de extase van het gebed geworpen had, naar buiten kwam, zag ik een minister onder de ministers van koning Saboer-sjah, die mijn kant uitliep. Hij zag mij eveneens, bleef voor mij staan en bekeek mij alsof ik een engel was. Daarop sprak hij mij aan en zei: ‘Ach schoonste van de jongelingen, uit welk land komt u? Want ik zie aan je kleding dat je een vreemdeling in onze stad bent.’

Met een buiging antwoordde ik: ‘Uit Damascus kom ik, ach beste meester, en ik ben naar Sjiraz gekomen om mij zelf bij haar inwoners op te voeden.’ Bij het horen van mijn woorden verheugde de minister zich zeer, hij sloot mij in zijn armen en zei: ‘Ach wat voor mooie woorden komen er uit je mond, ach mijn zoon! Hoe oud ben je?’ Ik antwoordde: ‘Uw slaaf is in zijn zestiende jaar.’ Hij verheugde zich nog meer, want hij stamde af van de metgezellen van profeet Lot en zei: ‘Dat is de mooiste leeftijd, ach mijn kind! Dat is de beste leeftijd. Wanneer je niets beters te doen hebt, kom dan met me mee naar mijn paleis en ik zal je voorstellen aan onze koning die van mooie gezichten houdt en je zeker tot één van zijn kamerheren zal benoemen. Ongetwijfeld! Je zult de glorie van de kamerheren en hun kroon zijn.’

Ik zei hem: ‘Bij mijn hoofd en bij mijn oog, ik luister en gehoorzaam!’ Daarop nam hij mij bij de hand en wij togen samen op weg terwijl wij ons over allerlei zaken onderhielden. Hij was ontzaglijk verbaasd mij Perzisch te horen spreken met zoveel gemak en zuiverheid, hoewel die taal niet de mijne was. Hij was opgetogen over mijn houding en mijn bevalligheid en hij zei tegen mij: ‘Bij God, als alle jongelieden van Damascus zo zijn als jij, is die stad een streek van het paradijs en het stuk hemel boven Damascus is het paradijs zelf!’

Zo kwamen wij aan in het paleis van koning Saboer-sjah bij wie hij mij voorleidde en die inderdaad glimlachte bij het zien van mijn gezicht en zei: ‘Moge het gezicht uit Damascus welkom zijn in mijn paleis.’ Vervolgens zei hij: ‘Hoe heet je, ach schone jongeling?’

Ik antwoordde: ‘Uw slaaf Hasan, ach koning van deze tijd.’

Toen hij mij op die wijze hoorde praten, verheugde hij zich tot breedzittens toe en zei tegen mij: ‘Geen naam was ooit passender bij zulk een gezicht, ach Hasan.’ Hij voegde eraan toe: ‘Ik benoem je tot mijn kamerheer opdat mijn ogen zich elke morgen aan je gezicht kunnen verlustigen.’

Ik van mijn kant kuste de hand van de koning uit eerbied en bedankte hem voor de goedheid die hij mij bewees. De minister nam mij mee, liet mij mij ontkleden en trok me zelf een pagekostuum aan. Daarop gaf hij mij de eerste les hoe ik mij gedragen moest in mijn functie van kamerheer. Ik wist niet hoe mijn dankbaarheid voor al zijn voorkomendheden ten aanzien van hem uit te drukken. Hij nam mij onder zijn bescherming en ik werd zijn vriend. Al de andere kamerheren die jong en heel mooi waren, werden mijn vrienden. Mijn leven beloofde heerlijk te worden in dit paleis dat me al zoveel vreugde verschafte en zoveel delicate genoegens in het vooruitzicht stelde.

Welnu, tot op dat ogenblik, ach mijn heer, had de vrouw volstrekt geen rol gespeeld in mijn leven. Maar weldra zou zij daarin verschijnen en daarmee zou ook de complicatie van mijn bestaan beginnen. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.”

 

Maar toen de 878e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Immers, ik moet mij haasten het u te zeggen, ach mijn heer, van de eerste dag af had mijn beschermer mij gezegd: ‘Weet, ach mijn lieveling, dat het aan al de kamerheren van de twaalf kamers evenals aan alle waardigheidsbekleders van het paleis, aan alle officieren en wachters streng verboden is ‘s nachts na een zeker uur in de tuinen van het paleis te wandelen. Want van dat uur af zijn de tuinen gereserveerd voor de vrouwen van de harem, zodat zij er frisse lucht kunnen gaan scheppen en met elkaar babbelen. Wanneer iemand tot zijn ongeluk op dat tijdstip in de tuin verrast zou worden, riskeert hij zijn kop.’ Ik van mijn kant was vast besloten zulk een risico nooit te lopen.

Welnu, op een avond, onder invloed van de luwte en de zoetheid van de lucht liet ik mij op een bank in de tuin door de slaap overmeesteren. Ik weet niet hoe lang ik daar ingesluimerd lag en in mijn slaap hoorde ik vrouwenstemmen die zeiden: ‘Ach, het is een engel! Het is een engel! Het is een engel! Ach, wat is hij mooi! Wat is hij mooi! Wat is hij mooi!’

Plotseling ontwaakte ik. Ik zag niets dan duisternis. Ik begreep dat ik zojuist gedroomd had. Ik begreep eveneens dat als ik op dit tijdstip in de tuinen ontdekt werd ik het grootste gevaar liep mijn kop te verliezen, ondanks alle belangstelling die ik de koning en zijn minister inboezemde. Ontzet bij dit denkbeeld sprong ik snel op mijn beide benen om naar het paleis te hollen voordat men mij op deze verboden plaats bemerkt had. Maar daar kwam een vrouwenstem plotseling uit de schaduw en de stilte en zei heel lachend van klank: ‘Waarheen? Waarheen, ach schone ontwaakte?’

Ik, meer getroffen dan wanneer ik door alle wachters van de harem achtervolgd was, wilde mijn benen in de wind slaan, aan niets anders denkend dan het paleis te bereiken. Maar nog voor ik een paar stappen gedaan had, zag ik om de hoek van een laan onder het schijnsel van de maan die van achter een wolk tevoorschijn kwam een schone en blanke dame glimlachend voor mij staan met twee grote ogen als van een verliefde gazelle. Haar houding was majestueus, zoals haar gebaren koninklijk waren. En de maan die aan de hemel van God blonk was minder helder dan haar gezicht.

Voor deze verschijning, die ongetwijfeld uit het paradijs was neergedaald, kon ik niet anders dan blijven staan. Vol verwarring sloeg ik de ogen neer en bleef in onderdanige houding staan. Met haar lieve stem sprak ze: ‘Waar ging je zo snel naar toe, ach ogenlicht? Wie kan je dwingen zo hard te hollen?’ Ik antwoordde: ‘Ach mevrouw, indien u van dit paleis bent, kunnen de redenen u niet onbekend zijn, die mij dwingen mij zo overijld van deze plaats te verwijderen. U moet immers weten dat het de mannen verboden is na een zeker uur in de tuinen achter te blijven en dat men zijn hoofd verliest door dit verbod te overtreden. Laat mij dus alstublieft weggaan voordat de wachters mij ontdekken.’

De jongedame bleef maar lachen en zei: ‘Ach hartenbreker, je denkt er een beetje laat aan, om je terug te trekken! Het uur waarover je spreekt is al heel lang voorbij. Je zult er heel wat beter aan doen om in plaats van je uit de voeten te maken, de rest van de nacht hier door te brengen die een gezegende nacht, een nacht van blankheid voor je zal zijn!’

Maar ik, bibberend en ontroerder dan ooit dacht er slechts aan te vluchten en ik begon te weeklagen en zei: ‘Ach mijn onherroepelijk verderf! Ach dochter van de hoogwelgeborenen, ach mijn meesteres, wie u ook bent, veroorzaak mijn dood niet door de aantrekkingskracht van uw bekoorlijkheden!’ Ik trachtte te ontsnappen. Maar zij belette het mij door haar linkerarm uit te strekken en terwijl ze met haar rechterhand haar sluier geheel opzij wierp, sprak zij, nu eindelijk niet meer lachend: ‘Bekijk me dan, jonge onverstandige en zeg me of je elke avond mooiere of jongere vrouwen dan mij kunt ontmoeten? Ik ben nauwelijks achttien jaar oud, en geen man heeft mij nog aangeraakt. Wat mijn gezicht betreft, dat verre van lelijk is om te zien, niemand behalve jij kan zich vleien er ooit een blik op geslagen te hebben. Je zou mij dus hevig kwetsen als je nu nog trachtte te vluchten.’ Ik antwoordde haar: ‘Ach mijn soevereine, stellig u bent de volle maan van de schoonheid, en hoewel de jaloerse nacht mijn ogen berooft van een deel van uw bekoorlijkheden is dat ene wat ik er van ontdek voldoende om mij te betoveren! Maar ik smeek u, stel u een ogenblik in mijn plaats en u zult zien hoe treurig en delicaat mijn toestand is.’

Hierop antwoordde zij: ‘Ik ben het met je eens, ach kern van mijn hart, dat je toestand inderdaad delicaat is, maar dit komt niet door het gevaar dat je loopt maar door het voorwerp dat er de oorzaak van is. Je weet namelijk volstrekt niet wie ik ben, noch welke rang ik in het paleis bekleed. Wat het gevaar betreft dat je loopt, het zou bestaan voor ieder ander behalve jij, daar ik je onder mijn hoede en bescherming neem. Zeg me dus je naam, wie je bent en welke functies je ten paleize bekleedt.’ Ik antwoordde: ‘Ach meesteres, ik ben Hasan uit Damascus, die nieuwe kamerheer van koning Saboer-sjah.’

Daarop riep zij uit: ‘Ach, ben jij de mooie Hasan, die het hoofd op hol gebracht heeft van die afstammeling van profeet Lot? Ach mijn geluk, je vanavond voor mij alleen te hebben, ach mijn lieveling! Kom, mijn hart, kom! Houd op met deze ogenblikken van zoetheid en genade te vergiftigen door jouw pijnlijke overwegingen!’

Na zo gesproken te hebben trok de schone jonge dochter mij met kracht tegen zich aan, wreef haar gezicht tegen het mijne en drukte met hartstocht haar lippen op mijn lippen. Ik, ach mijn heer, hoewel het de eerste maal was dat een dergelijk avontuur mij overkwam, voelde bij deze aanraking het kind van zijn vader razend levend worden in mij, en na vol vervoering het meisje in extase omhelsd te hebben, haalde ik het kind te voorschijn en richtte het naar het nest. Maar in plaats van bij het zien hiervan zich geprikkeld te bewegen, rukte het meisje zich plotseling los en stiet me ruw terug terwijl ze een alarmkreet slaakte. Nauwelijks had ik tijd het kind weer weg te stoppen of ik zag uit een rozenbosje tien meisjes te voorschijn komen die op ons toe snelden terwijl ze zich doodlachten.

Toen ik hen zag, ach mijn heer, begreep ik dat zij alles gezien en alles gehoord hadden en dat de jonge vrouw in kwestie zich op mijn kosten geamuseerd had en zich slechts uit scherts van mij bediend had met de klaarblijkelijke bedoeling om haar gezellinnen te laten lachen. Overigens waren al in een oogwenk al de jonge meisjes om mij heen, lachend en springend als getemde geiten. Te midden van hun geschater keken zij mij aan met ogen flonkerend van boosaardigheid en nieuwsgierigheid en ze zeiden tegen haar die mij had aangesproken: ‘Ach lieve zus, Kairiya, je hebt jezelf overtroffen! Ach wat heb je jezelf overtroffen! Wat was dat kind mooi, en kwiek!’ En een ander zei: ‘En vlug!’ Weer een ander zei: ‘En prikkelbaar!’ En nog een ander zei: ‘En galant!’ Weer een ander zei: ‘En charmant!’ Nog een ander zei: ‘En groot!’ Nog een ander zei: ‘En op de stoot!’ Nog een ander zei: ‘En zelfverheffend!’ Nog een ander zei: ‘En dadelijk keffend!’ Nog een ander zei: ‘Een echte sultan!’

Daarop begonnen zij heel lang te schaterlachen, terwijl ik aan het eind van alle schaamte en verlegenheid verkeerde. Want, ach mijn heer, van mijn leven had ik nog geen vrouw in het gezicht gekeken en die daar waren van een brutaliteit en een vermetelheid die geen voorbeeld kennen in de annalen van de schaamteloosheid. Zo bleef ik daar te midden van hun razernij, van mijn stuk gebracht, beschaamd en met een tot aan mijn voeten lang geworden neus, als een dwaas.

Maar plotseling kwam uit het rozenbosje als de maan bij haar opkomst, een twaalfde meisje te voorschijn van wie de aanwezigheid alle gelach en gespot dadelijk liet ophouden. Haar schoonheid was soeverein en deed waar ze voorbij ging de twijgen met bloemen neerbuigen. Ze kwam op onze groep af, die bij haar nadering uiteen week. Lang keek ze mij aan en zei toen: ‘Ongetwijfeld, ach Hasan uit Damascus, is je vermetelheid een zeer grote vermetelheid, en je aanslag op de jonge dame die daar staat verdient gestraft te worden. Maar bij mijn leven, wat is dat jammer voor je jeugd en je schoonheid!’

Daarop trad de jonge dochter die de oorzaak van heel dit avontuur geweest was en die Kairiya heette, naar voren, kuste de hand van haar die zo gesproken had uit eerbied, en zei: ‘Ach beste meesteres Zoleika, bij uw kostbare leven, vergeef hem zijn daad van daareven, die alleen maar het bewijs is van zijn onstuimigheid. Zijn lot ligt in uw handen! Moeten wij hem dus in de steek laten of hulp bieden aan deze schone aanvaller, aan deze pleger van aanslagen tegen jonge maagden?’

Degene die men Zoleika noemde, dacht een ogenblik na en antwoordde: ‘Welnu, laten wij hem voor ditmaal vergeven, daar jijzelf, die zijn aanslag hebt ondergaan om zijn wil tussen beiden komt. Zijn hoofd is gered en hij mag bevrijd worden van het gevaar waarin hij zich bevindt. Het is zelfs goed dat wij zijn avontuur van vannacht voor hem zo aangenaam mogelijk trachten te maken. Zo zal hij zich de meisjes, die hem bevrijd hebben, blijven herinneren. Laten wij hem dus met ons meenemen en hem naar onze particuliere vertrekken brengen, waar tot dusver nog geen man is binnen getreden.’

Na zo gesproken te hebben gaf zij één van de meisjes, die haar vergezelden, een wenk, waarop dit meisje dadelijk zwevend onder de cipressen verdween. Zij ging weg om na een ogenblik weer terug te komen met een wolk van zijden stoffen op haar armen. Aan mijn voeten spreidde dat meisje deze zijden stoffen uiteen. Samen vormden ze een bevallig vrouwenkleed. Alle meisjes hielpen mij dit gewaad over mijn eigen kleren aan te trekken. Op die wijze vermomd maakte ik volkomen deel uit van hun groep, en tussen de bomen door bereikten wij de particuliere vertrekken.

Welnu, toen wij de ontvangstzaal die voor de harem gereserveerd was en geheel uit marmer bewerkt en met parelen en turkooizen ingelegd was, bereikt hadden, fluisterden de meisjes mij in het oor dat dit de zaal was waar de enige dochter van de koning gewend was haar bezoeksters en haar vriendinnen te ontvangen. Zij onthulden mij eveneens, dat de enige dochter van de koning niemand anders was dan prinses Zoleika in eigen persoon.

Ik bemerkte dat er midden in deze zo fraaie en zo naakte zaal twintig grote vierkanten van brokaat in het rond gelegd waren op het grote tapijt. Al de meisjes die geen ogenblik waren opgehouden met mij tersluiks te plagen en mij vlammende blikken toe te werpen, gingen netjes op die vierkanten van brokaat zitten, terwijl zij me dwongen in hun midden plaats te nemen vlak tegen prinses Zoleika zelf aan, die me aankeek met ogen welke mijn ziel doorboorden.

Daarop bestelde Zoleika verfrissingen en zes nieuwe slavinnen, niet minder schoon en rijk gekleed, verschenen dadelijk en begonnen ons op gouden dienbladen zijden servetten aan te bieden, terwijl tien anderen haar volgden met grote porseleinen schalen waarvan het gezicht alleen al een verfrissing was. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 879e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Zij bedienden ons uit deze porseleinen schalen die gekoelde sorbets, gestremde melk, confituren van sukade, stukjes komkommer en citroen bevatten. Prinses Zoleika bediende zich het eerst, met dezelfde gouden lepel die zij aan haar lippen gebracht had, bood ze mij een beetje confituur en een stukje sukade aan, daarna een nieuwe lepel vol gestremde melk. Hierop ging dezelfde lepel voortdurend van hand tot hand, zodat al de jonge meisjes zich bij herhaling van deze voortreffelijke zaken bedienden, tot er niets meer over was in de porseleinen schalen. Daarop zetten de slavinnen ons prachtig water voor in kristallen bokalen.

Het gezellige gepraat liet niet na zo levendig te worden alsof wij allen gefermenteerd druivensap gedronken hadden. Ik verbaasde mij over de gewaagdheid van de gesprekken op de lippen van die jonge meisjes die telkens in geschater uitbarstten wanneer één van haar een gepeperde grap maakte op rekening van het kind van zijn vader, waarvan de aanblik hen nog bovenmate bleef bezighouden. De charmante Kairiya tegen wie mijn aanslag gericht was, daar het nu eenmaal een aanslag heette te zijn, koesterde volstrekt geen wrok meer en was tegenover mij gaan zitten. Glimlachend keek ze mij aan en liet mij door de taal van de ogen verstaan, dat ze mij mijn voortvarendheid in de tuin vergaf. Ik van mijn kant sloeg van tijd tot tijd mijn blikken naar haar op, maar dadelijk weer omlaag, zodra ik bemerkte dat zij naar mij keek. Want ondanks alle pogingen die ik deed om een zekere gerustheid op mijn gezicht te doen verschijnen bleef ik te midden van die zonderlinge meisjes een uiterst verlegen houding vertonen.

Prinses Zoleika en haar gezellinnen die dit wel bemerkten, trachten van hun kant mij met alle mogelijke middelen enige ondernemingslust in te boezemen en uiteindelijk zei Zoleika: ‘Wanneer ga je toch, ach vriend Hasan, ach Damascener, je wat vrijer en meer op je gemak tonen? Geloof je dat deze onschuldige meisjes menseneetsters zijn? Weet je niet dat je geen enkel gevaar loopt in de vertrekken van de dochter van de koning, waar nooit een eunuch zonder verlof zal durven binnendringen? Vergeet toch voor een ogenblik dat je met prinses Zoleika praat en doe net alsof je in gesprek bent met eenvoudige meisjes van kleine kooplieden in Sjiraz. Hef dus je hoofd op, ach Hasan en kijk al deze jonge en lieftallige persoontjes recht in het gezicht. En na haar met de grootste aandacht te hebben bekeken, moet je je haasten ons in alle oprechtheid en zonder vrees ons te beledigen, te zeggen wie van haar je het best bevalt.’ Deze woorden van prinses Zoleika, ach koning van deze tijd, vergrootten slechts mijn verlegenheid en verwarring in plaats van mij moed en zekerheid te geven. Ik wist slechts onsamenhangende woorden te stamelen, terwijl ik de blos van ontroering naar mijn gezicht voelde stijgen. Op dat ogenblik had ik liever gewild dat de aarde zich opende en mij verzwolg. Zoleika die mijn radeloosheid zag, zei: ‘Ik merk, ach Hasan, dat ik je iets vraag dat je in moeilijkheden brengt. Want ongetwijfeld ben je bang dat, wanneer jij je voorkeur voor de één te kennen geeft, je alle anderen zult mishagen en tegen je innemen. Welnu, je hebt ongelijk wanneer een dergelijke vrees je begrip verduistert. Weet immers, dat ik en mijn gezellinnen ons zo één voelen dat wij door zulke banden van tederheid verbonden zijn, dat een man wat hij ook met één van ons moge doen, onze wederzijdse gevoelens niet zal kunnen veranderen. Verjaag dus uit je hart alle vrees, die het zo voorzichtig maakt. Bekijk ons allen op je gemak en zelfs wanneer je wilt dat wij allemaal naakt voor je komen staan, zeg het zonder schroom en wij zullen het doen, bij onze hoofden en onze ogen. Maar haast je slechts ons te zeggen wie de gezegende van je keuze is.’

Daarop, ach mijn heer, deed ik een beroep op het beetje moed dat ik bij al deze aanmoedigingen had opgevat, en hoewel de gezellinnen van Zoleika volmaakt schoon waren en zelfs voor het meest ervaren oog moeilijk geweest zou zijn onderscheid te maken en ofschoon van de andere kant prinses Zoleika minstens even heerlijk was als haar jonge vriendinnen, verlangde mijn hart het vurigst naar haar die het als eerste zo hevig had doen kloppen in de tuin, de dartele en heerlijke Kairiya, de welbeminde van het kind van zijn vader. Maar ik wachtte mij wel ondanks alle begeerte, deze gevoelens kenbaar te maken die, al de geruststellende woorden van Zoleika ten spijt, groot gevaar meebrachten mij de wrok van al die maagden op het hoofd te halen. Na allen met de grootste aandacht te hebben bekeken, beperkte ik mij ertoe mij tot prinses Zoleika te wenden en haar te zeggen: ‘Ach meesteres, ik moet beginnen met u te zeggen dat ik uw bekoorlijkheden niet mag vergelijken met die van uw gezellinnen, want men vergelijkt nooit de schittering van de maan met het geflonker van de sterren. Zo groot is uw schoonheid, dat het oog slechts daarvoor een blik kan hebben.’ Maar terwijl ik deze woorden sprak kon ik niet nalaten een blik van verstandhouding te werpen naar de aanlokkelijke Kairiya, om haar te doen begrijpen dat alleen de wellevendheid mij deze vleierij tegenover de prinses voorschreef.

Toen ze mijn antwoord gehoord had zei Zoleika mij met een glimlach: ‘Voortreffelijk, ach Hasan, hoewel de vleierij er dik boven op ligt. Haast je dus, nu je meer vrijheid van spreken hebt, ons de bodem van je hart te onthullen door ons te zeggen wie onder al deze meisjes je het meest bevangen heeft.’ De meisjes ondersteunden het verzoek van de prinses en trachtten mij te pressen haar mijn voorkeur kenbaar te maken. Het was voor Kairiya die zich het gretigst betoonde om mij te horen spreken, daar ze al mijn heimelijke gedachten geraden had.

Nu ik de rest van mijn schuchterheid opzij gezet had, gaf ik toe, ach mijn heer, aan al dit herhaalde aandringen van de meisjes en hun meesteres. Ik wendde mij tot Zoleika en zei haar, terwijl ik met één handbeweging de jonge Kairiya aanwees: ‘Ach mijn soevereine, zij is degene die ik wil! Ja, bij God, naar de beminnelijke Kairiya gaat mijn grootste verlangen uit.’

Nauwelijks had ik deze woorden uitgesproken of al de meisjes stieten samen een lang geschater uit, zonder dat hun opgetogen gezichten ook maar het minste teken van wrok vertoonden. Toen ik zag hoe zij elkaar met de ellebogen aanstootten en stierven van het lachen, dacht ik bij mezelf: ‘Wat een wonderlijk geval is dit zaakje! Zijn dat vrouwen onder de vrouwen en meisjes onder de meisjes? Want sinds wanneer hebben de schepselen van die sekse zoveel onbaatzuchtigheid en zoveel deugd verworven om niet jaloers te zijn en elkaar het gezicht open te krabben bij het succes van één van haars gelijken? Bij God, echte zussen zouden zich niet met zoveel zachtaardigheid en onbaatzuchtigheid ten aanzien van hun zus gedragen. Dit gaat heus elk begrip te boven.’

Maar de prinses Zoleika liet mij niet lang in deze twijfel gedompeld, en zei: ‘Geluk gewenst! Geluk gewenst, ach Hasan uit Damascus! Bij mijn leven, de jongelieden uit je land hebben een goede smaak, een scherp oog en inzicht. Ik ben blij, ach Hasan, dat je de voorkeur hebt gegeven aan mijn favoriete, Kairiya. Zij is de uitverkorene van mijn hart en de meest beminde. Je zult geen spijt van je keuze hebben, ach deugniet. Overigens ken je bij lange na niet heel de prijs en heel de waarde van je uitverkorene, want geen van ons zoals we hier zijn kan met haar van verre of van nabij wedijveren in bekoorlijkheden, volmaaktheden van lichaam en aantrekkelijkheid van geest. Werkelijk, wij zijn haar slavinnen, hoewel de schijn bedrieglijk is.’

Vervolgens begon de één na de ander de bekoorlijke Kairiya geluk te wensen en haar te plagen met de overwinning die zij behaald had. Het ontbrak haar niet aan antwoorden want ieder van haar gezellinnen diende zij van de passende repliek terwijl ik aan het eind van alle verbazing was.

Hierop nam Zoleika de luit op die vlak bij haar lag, legde deze tussen de handen van haar favoriete Kairiya met de woorden: ‘Ziel van mijn ziel, het past dat je je minnaar laat zien wat je kunt, opdat hij niet denkt dat wij je verdiensten overdreven hebben.’ De aantrekkelijke Kairiya nam de luit uit Zoleika’s handen, stemde de snaren en na een verrukkelijk voorspel zong zij met gedempte stem, terwijl zij zichzelf begeleidde:

 

‘Ik ben een leerling van de liefde voor altijd,

zij heeft mij de levenskunst geleerd en ingewijd.

Zij heeft in mijn ziel de schat geschreven

die ik goed bewaard heb, heel mijn leven.

Voor het jonge reekalf dat mij stoorde

dat mijn verliefde hart doorboorde.

Met haar zwarte en harde schorpioenen

heeft zij mij veroverd bij het zoenen.

Schone slapen, een vreugde voor mijn zinnen,

ik zal zo lang ik leef de jongeling beminnen,

die mijn hart verkoren heeft, zonder berouw,

want ik blijf mijn liefde voor altijd trouw.

Ach verliefden, in de tuin van het leven vol rozen,

wanneer men een minnelijk voorwerp heeft gekozen,

mint het dan en scheidt er nimmer van,

ongeacht of de geliefde vrouw is of man.

Raakt men ooit een voorwerp kwijt,

vindt men dit nooit weer, ‘t is een feit!

Ik voor mij bemin deze jonge ree

met zijn gracieuze vormen als trofee.

Hij, van wie de blik mijn gekwelde hart,

veel dieper heeft doorboord en verward

dan het lemmet van een vlijmend mes,

zo kreeg ik in mijn leven een harde les.

Op zijn jeugdig voorhoofd heeft de schoonheid

regels vol verrukking geschreven voor altijd.

Zijn blik is zo zeer bekoorlijk en vol betovering,

dat hij aller harten boeit, van bedelaar tot koning,

door de gespannen boog waarin zijn zwarte pijlen

blinken, die lange wimpers als felle strijdbijlen.

Ach jij, buiten wie ik nooit meer kan,

die ik in mijn heimelijkheid, met een plan,

beslist niet kan vervangen,

ook al is dit mijn verlangen.

Kom mee met mij naar het badhuis,

daar ben je naakt maar voel je je thuis.

Wierook zal er branden en veel verhullen

de geur daarvan zal heel de zaal vervullen.

Ik zal daar onze liefde bezingen,

om je hart helemaal te bedwingen.

 

Toen ze klaar was met zingen, richtte zij haar ogen zo teder op mij, dat ik plotseling heel mijn schuchterheid en de tegenwoordigheid van de dochter van de koning en van haar boosaardige gezellinnen vergat en mij aan de voeten van Kairiya wierp, buiten mijzelf van liefde en aan de grens van de opgetogenheid. Bij het ruiken van de geur die uit haar fijne kleding opsteeg en bij het voelen van de warmte van haar lichaam over mij, geraakte ik in zulk een dronkenschap, dat ik haar plotseling in mijn armen nam en haar overal waar ik maar kon vol hevigheid begon te kussen, terwijl zij zich weg liet glijden als een tortelduif. Ik keerde pas tot de werkelijkheid terug toen ik het luide geschater hoorde van de meisjes, die mij losgebroken zagen als een ram die sinds zijn puberteit was drooggehouden. …”

 

Op dit punt van haar vertelling merkte Sjahrzad dat het weer ochtend was geworden en ze deed er bescheiden het zwijgen toe.

 

Maar toen de 880e Nacht was aangebroken, vertelde Sjahrzad verder: “Hierop begon men te eten en te drinken, dwaasheden te zeggen en stiekem elkaar te liefkozen en te plagen, totdat er een oude slavin binnenkwam om het gezelschap te waarschuwen dat het weldra dag ging worden en allen antwoordden in koor: ‘Ach voedster van onze meesteres, je waarschuwing is op ons hoofd en op onze ogen!’ Zoleika stond op en zei: ‘Het is tijd, ach Hasan, om te gaan rusten. Je kunt op mijn bescherming rekenen, om te bereiken dat je je met je geliefde verenigt, want ik zal niets nalaten om je tot het voldoen van je verlangens te doen raken. Maar voor het ogenblik zullen we je eerst geruisloos uit de harem laten verdwijnen.’ Ze fluisterde haar oude voedster enkele woorden in het oor, waarop deze mij een ogenblik in het gezicht keek, en mij daarna bij de hand nam en zei dat ik haar moest volgen. Na voor deze troep duiven een buiging gemaakt te hebben en een hartstochtelijke blik op de aantrekkelijke Kairiya geworpen te hebben, liet ik mij door de oude vrouw wegvoeren, die mij langs allerlei gaanderijen bracht en mij langs duizend omwegen een deurtje liet bereiken, waarvan zij de sleutel bezat. Deze deur deed zij open en ik glipte naar buiten, waar ik bemerkte dat ik buiten de muren van het paleis stond.

Welnu, het was al volop dag en ik haastte mij het paleis binnen te gaan, heel opvallend door de grote poort, opdat ik door de wachters zou worden gezien. En ik liep naar mijn kamer waar ik dadelijk toen ik de drempel overschreden had, mijn beschermer, de minister, de afstammeling van profeet Lot bemerkte, die met uiterst ongeduld en in de hoogste ongerustheid op mij wachtte. Toen hij mij zag binnenkomen stond hij snel op, sloot mij in zijn armen, omhelsde mij teder en zei: ‘Ach Hasan, mijn hart was bij jou en ik was erg ontdaan om jouw wil. Heel de nacht heb ik geen oog dichtgedaan bij de gedachte welke nachtelijke gevaren jij als vreemdeling in Sjiraz liep vanwege al de kerels, die de straten verpesten. Ach mijn lieveling, waar was je, ver van mij?’ En ik wachtte mij er wel voor hem mijn avontuur te vertellen of hem te zeggen dat ik de nacht met vrouwen had doorgebracht. Ik vond het voldoende hem te antwoorden dat ik een koopman uit Damascus, die te Bagdad gevestigd was, die met heel zijn familie op het punt stond naar El Basra te vertrekken, ontmoet had en dat deze mij de hele nacht bij zich gehouden had. Mijn beschermer was wel verplicht mij te geloven en vond het voldoende wat zuchten te slaken en mij vriendschappelijk te berispen. Dit wat hem betreft.

Wat mij zelf aangaat, ik voelde mijn hart en mijn geest gekluisterd aan de bekoorlijkheden van de aantrekkelijke Kairiya en heel die dag en heel die nacht bracht ik door met mij de kleinste omstandigheden van onze ontmoeting te herinneren. De volgende morgen lag ik nog in mijn herinneringen gedompeld, toen een eunuch aan mijn deur kwam kloppen en mij zei: ‘Woont hier de heer Hasan uit Damascus, de kamerheer van onze meester, koning Saboer-sjah?’ Ik antwoordde: ‘Je bent bij hem!’

Daarop kuste hij de aarde tussen mijn handen uit eerbied en stond weer op om uit zijn boezem een opgerold papier te voorschijn te halen, dat hij mij overhandigde. En hij ging zoals hij gekomen was.

Dadelijk vouwde ik het papier open en ik zag, dat het de volgende regels bevatte, met een in gecompliceerd schrift geschreven: ‘Indien het reekalf uit het land van Sjam vannacht in de maneschijn zijn soepele gestalte tussen de takken laat wandelen, zal hij er een jonge hinde in liefdesnood ontmoeten, die al bij zijn nadering geheel buiten bewustzijn zal wezen en hem in haar taal zal zeggen hoezeer zij in haar hart geroerd is, de uitverkorene te zijn geweest onder de hinden van het woud en de favoriete onder haar gezellinnen.’ Ach mijn heer, bij het lezen van deze brief voelde ik mij dronken zonder wijn. Want hoewel ik de eerste avond had begrepen dat de aantrekkelijke Kairiya een zeker zwak voor mij koesterde, was ik volstrekt niet verdacht op een dergelijk bewijs van haar aanhankelijkheid. Zodra ik dan ook mijn ontroering meester was, meldde ik mij bij mijn beschermer, de minister, kuste ik hem de hand uit eerbied. Na hem zo gunstig gestemd te hebben, vroeg ik hem verlof om een derwisj uit mijn land te gaan opzoeken, die kort geleden uit Mekka was aangekomen en mij had uitgenodigd de nacht met hem door te brengen. Na zijn toestemming ontvangen te hebben, ging ik weer mijn kamer binnen en zocht uit mijn edelstenen de mooiste smaragden, de zuiverste robijnen, de helderste diamanten, de dikste parelen, de fijnste turkooizen en de volmaaktste saffieren. Met een draad van goud reeg ik ze tot een snoer. Nauwelijks was de nacht over de tuinen heengevallen of ik parfumeerde mij met zuivere muskus en bereikte geruisloos de bosjes door de kleine verborgen deur waarheen ik de weg kende en die ik voor mijn doeleinden open vond staan.

Zo kwam ik onder de cipressen aan de voet waarvan ik de eerste avond was ingesluimerd, en hijgend wachtte ik op de komst van mijn welbeminde. Het wachten verslond mijn ziel en de tijd van onze ontmoeting scheen nooit te zullen aanbreken. Tot plotseling onder de stralen van de maan een lichte witheid zich tussen de cipressen bewoog en de aantrekkelijke Kairiya zich voor mijn verrukte ogen toonde. Ik knielde neer aan haar voeten, met het gezicht tegen de aarde, zonder een woord te kunnen zeggen en in die toestand bleef ik totdat zij mij met haar stem van stromend water toesprak en zei: ‘Ach Hasan van mijn liefde, sta op en geef mij in plaats van dit tedere en hartstochtelijke stilzwijgen een paar werkelijke bewijzen van je genegenheid voor mij! Is het mogelijk, ach Hasan, dat je mij werkelijk mooier en begerenswaardiger gevonden hebt dan al mijn gezellinnen, die heerlijke meisjes, die ondoorboorde parelen en zelfs prinses Zoleika? Ik moet het nog voor een tweede keer uit je mond horen om mijn oren te kunnen geloven.’

Na zo gesproken te hebben, boog zij zich over mij heen en hielp zij mij opstaan. Ik vatte haar hand en bracht deze aan mijn hartstochtelijke lippen en zei: ‘Ach soevereine van de soevereinen, hier heb je in de eerste plaats een gebedsnoer uit mijn land. Daarvan moet je de kralen laten glippen gedurende de dagen van je gelukkige leven ter herinnering aan de slaaf die het je aanbood. Aanvaard met dit gebedssnoer, dat een geringe gave van een arme is, ook de liefdesverklaring die ik bereid ben te wettigen voor de rechter en zijn getuigen.’

Zij antwoordde mij: ‘Wat ben ik verrukt, dat ik je zoveel liefde heb ingeboezemd, ach Hasan, voor wie ik mijn ziel blootstel aan de gevaren van deze nacht. Maar helaas, ik weet niet of mijn hart verheugd moet zijn met mijn verovering dan wel of ik onze ontmoeting moet beschouwen als het begin van de rampen en ongelukken van mijn leven.’ Na zo gesproken te hebben liet zij haar hoofd op mijn schouder rusten, terwijl zuchten aan haar boezem ontsnapten.

Ik zei haar: ‘Ach meesteres, waarom zie je in deze nacht van blankheid de wereld zo zwart voor je? Waarom roep je rampen over je hoofd af, door zulke valse voorgevoelens te koesteren?’ Zij antwoordde mij: ‘Moge God maken, ach Hasan, dat deze voorgevoelens verkeerd zijn! Maar denk heus niet dat er een ongegronde vrees is die op dit ogenblik van onze zo zeer begeerde ontmoeting onze vreugde komt vertroebelen. Helaas, mijn verontrusting is maar al te zeer gegrond.’ Zij zweeg een ogenblik en vervolgde: ‘Weet immers, ach teerst beminde aller minnaars, dat prinses Zoleika heimelijk van je houdt en dat zij ieder ogenblik gereed is je haar liefde te bekennen. Welnu, hoe zul jij dan een dergelijke bekentenis ontvangen? Zal de liefde die je zegt voor mij te voelen, bestand zijn tegen de eer om de schoonste en machtigste van alle koningsdochters tot geliefde te hebben?’

Maar ik onderbrak haar om uit te roepen: ‘Ja, ach heerlijke Kairiya, je zult het in mijn hart altijd winnen van prinses Zoleika! Al mocht het God behagen dat je een nog veel geduchter tegenstandster had, je zou zien dat niets de standvastigheid zou kunnen doen wankelen van mijn hart dat de slaaf is van je bekoorlijkheden! Al zou koning Saboer-sjah, de vader van Zoleika volstrekt geen zoon hebben om hem op te volgen en al zou hij de troon van Perzië nalaten voor hem die de echtgenoot van zijn dochter zou worden dan zou ik nog een dergelijke toekomst opofferen, ach beminnelijkste van de meisjes!’ Kairiya schreeuwde het uit met de woorden: ‘Ach ongelukkige Hasan, hoe verblind ben je! Vergeet je, dat ik maar een slavin ben, in dienst van prinses Zoleika? Als je haar liefdesverklaring met een weigering beantwoordt, roep je haar wrok over mijn hoofd en het jouwe af en dan zijn wij beiden onherroepelijk verloren. In ons eigen belang is het dus beter dat je aan de machtigste toegeeft. Dat is de enige mogelijkheid als uitkomst. God zal zijn balsem leggen op het hart van de bedroefden.’